Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-12-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
13/04637
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:271, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Informatieplicht. Afdrachtverplichting. Verzoek tot verlenging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/85

Conclusie

13/04637

Mr. Van Peursem

Zitting 13 december 2013

(DV)

Conclusie inzake:

[verzoekster]

verzoekster tot cassatie,

(hierna: [verzoekster])

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 21 september 2010 is [verzoekster] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling2.

1.2 Op 11 juli 2011 heeft de rechtbank Utrecht het verzoek tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van de (vorige) bewindvoerder behandeld. De bewindvoerder heeft het verzoek - na aanhouding door de rechtbank - ingetrokken, omdat [verzoekster] alsnog voldoende informatie had aangeleverd3.

1.3 Op verzoek van de bewindvoerder is, na een met dit verzoek overeenstemmend advies van de rechter-commissaris, de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van art. 350 lid 3 sub c, d en f Fw bij vonnis van 8 juli 2013. De reden daartoe was drieërlei:

  1. al bij indiening van haar verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft zij onjuiste inlichtingen verschaft over haar toen al anderhalf jaar durende huwelijk met [betrokkene], die over eigen inkomsten beschikte. Dit heeft er toe geleid dat minder baten in de boedel zijn gevloeid dan wanneer het huwelijk van [verzoekster] bekend zou zijn geweest (rov. 2.1);

  2. voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] bovenmatige belastingschulden heeft laten ontstaan van € 4.190,- (rov. 2.2);

  3. het niet voldoen aan de uit de schuldsanering voortvloeiende inlichtingen- en afdrachtverplichtingen (rov. 2.1 en deels in 2.4).

Daarbij overwoog de rechtbank dat van bijzondere omstandigheden om de schuldsaneringsregeling te laten voortduren, niet was gebleken en dat de nieuwe schulden aan de Belastingdienst deden vermoeden dat [verzoekster] haar financiën nog niet op orde had, terwijl onduidelijk was of [verzoekster] voldoende informatie over haar leefsituatie aan de budgetbeheerder had verschaft (rov 2.4).

1.4 [verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. Na de mondelinge behandeling op 12 september 2013, heeft het hof bij arrest van 19 september 2013 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en afdrachtverplichtingen niet naar behoren is nagekomen en dat die regeling op deze gronden tussentijds moet worden beëindigd. De door [verzoekster] aangevoerde persoonlijke omstandigheden (haar eigen gezondheidstoestand en de zorg voor haar kinderen) zijn volgens het hof onvoldoende zwaarwegend om gelet op de ernst van de aan [verzoekster] gemaakte verwijten anders te beslissen (rov. 3.5).

1.5 Samengevat komt het hof in rov. 3.3 en 3.4 op de volgende gronden tot de constatering dat sprake is van schending van [verzoekster]’ informatie- en afdrachtverplichting:

  1. het niet (aanstonds) na toelating tot de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder melden dat zij was gaan samenwonen met [betrokkene] (in tegenstelling tot eerder door haar verstrekte informatie die erop wees dat zij alleenstaande moeder was);

  2. het niet verstrekken van alle loonspecificaties van [betrokkene] aan de bewindvoerder;

  3. het niet doen van opgave van het volgens haar aan de Belastingdienst opgegeven toetsingsinkomen over 2013 in verband met het verkrijgen van huurtoeslag;

  4. het niet informeren van de bewindvoerder over de opbrengst van via Marktplaats verkochte kleding – ook niet nadat de bewindvoerder haar met deze transacties had geconfronteerd;

  5. de met deze verkoop kennelijk gegenereerde inkomsten had [verzoekster] niet zelf mogen houden, maar moeten afdragen aan de boedel;

  6. het niet informeren van een op naam van [betrokkene] staande auto, ook al zou dit verzuim terug te voeren zijn op de houding van [betrokkene] die stelselmatig geen opening van zaken zou willen geven over deze auto;

  7. door het niet correct informeren over haar samenwoning met [betrokkene] en het ondanks herhaalde verzoeken niet verschaffen van alle loonspecificaties van [betrokkene] is de bewindvoerder niet tot een juiste afdrachtverplichting aan de boedel kunnen komen, waardoor een (onweersproken) boedelachterstand van minimaal € 10.000,- en maximaal € 20.000,- is ontstaan.

1.6 [verzoekster] is van dit arrest tijdig4 in cassatie gekomen.

2 Bespreking van het cassatieberoep

2.1

Het verzoekschrift bevat vijf middelen5. In het cassatieverzoekschrift (p. 3, 5e alinea) is een voorbehoud gemaakt om na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 12 september 2013 het cassatieberoep aan te vullen. Na ontvangst van het proces-verbaal ter griffie van de Hoge Raad is (tot en met 29 oktober 2013) gelegenheid gegeven om een aanvullend verzoekschrift in te dienen, maar daarvan is geen gebruik gemaakt.

2.2

In middel 1 wordt het oordeel van het hof uit rov. 3.1 en 3.3 bestreden dat [verzoekster] tijdens de schuldsaneringsregeling haar informatieplicht jegens de bewindvoerder niet naar behoren is nagekomen. Dit oordeel van het hof steunt op de hiervoor in 1.5 onder 1) tot en met 4) en 6) genoemde vijf pijlers. Middel 1 ziet alleen op omstandigheid 1) (informatie over samenwoning), terwijl de andere vier pijlers – in ieder geval tezamen genomen – het oordeel van het hof over de geschonden informatieplicht zelfstandig kunnen dragen. Dat betekent dat middel 1 niet tot cassatie kan leiden.

2.3

Middel 2 richt zich tegen rov. 3.4 waarin het hof overweegt dat [verzoekster] haar uit de schuldsanering voortvloeiende afdrachtverplichting heeft verzaakt. Ook dit kan niet tot cassatie leiden, alleen al omdat middel 1 faalt. Het niet voldoende nakomen van de uit de schuldsanering voortvloeiende informatieplicht vormt een zelfstandige grond voor tussentijdse beëindiging volgens art. 350 lid 3 sub c Fw.

2.4

Datzelfde geldt voor middel 3, gericht tegen de schatting van de ontstane boedelachterstand in rov. 3.4 (vgl. de hiervoor in 1.5 genoemde omstandigheid 7)). Ook daarvoor geldt dat alleen al omdat middel 1 niet tot cassatie kan leiden, de zelfstandig dragende grond van het niet voldoen aan haar informatieverplichting voldoende is voor de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering.

2.5

Middel 4 richt zich kennelijk - het middel noemt geen rechtsoverweging - tegen rov. 3.5 van het bestreden arrest:

“3 5 Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat [verzoekster] haar uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en afdrachtverplichting niet naar behoren is nagekomen en dat die regeling op deze gronden tussentijds beëindigd moet worden. De door [verzoekster] aangevoerde persoonlijke omstandigheden (zij heeft hierbij met name gewezen op haar gezondheidstoestand en de zorg voor haar kinderen) zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaarwegend om gelet op de ernst van de hiervoor aan [verzoekster] gemaakte verwijten anders te beslissen.”

2.6

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan de mogelijkheid om in plaats van tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te komen tot een verlenging van de termijn daarvan. In het beroepschrift en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoekster] dat uitdrukkelijk verzocht, hetgeen niet zonder nadere motivering (zelfs zonder dat te noemen) kan worden afgedaan, zo luidt de klacht. Een verlenging is onder omstandigheden immers ook aan te merken als een adequate reactie op het niet volledig nakomen van alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Dit geldt volgens het middel temeer nu ook in eerste instantie de bewindvoerder in het verslag van 10 januari 2013 niet op beëindiging, maar op verlenging heeft aangekoerst6. Ik zie dat anders.

2.7

Het beroepschrift bevat inhoudelijk alleen maar het volgende:

“Appellante voert daartoe [tegen het vonnis van de rechtbank, A-G] de volgende gronden aan:

1. Appellante heeft door haar psychische gesteldheid en zeer ingrijpende persoonlijke omstandigheden niet geheel kunnen voldoen aan haar verplichtingen.

2. Appellante was niet op de hoogte van de invloed van haar familierechtelijke betrekkingen op de WSNP.

Appellante behoudt zich het recht voor dit verzoekschrift eventueel nader aan te vullen met gronden en gegevens.

(…)

REDENEN WAAROM


Appellante Uw Hof eerbiedig verzoekt de bestreden uitspraak te vernietigen en te bepalen dat appellante een schone lei zal verkrijgen danwel een verlenging voor de duur van maximaal 2 jaar opdat op termijn alsnog de schone lei zal kunnen worden verleend.”

2.8

Tijdens de mondelinge behandeling in appel is het hof vervolgens verzocht om het vonnis van de rechtbank te vernietigen, opdat [verzoekster] in de toekomst met een “schone lei” uit de schuldsaneringsregeling kan komen; dit eventueel met een verlenging van de termijn, gezien de volgende bijzondere omstandigheden:

1) de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster], waar nauwelijks verandering in zal komen,

2) het huwelijk dat volgens Marokkaans recht geen huwelijksgoederengemeenschap kent en

3) dat [verzoekster] als alleenstaande vrouw met twee jonge kinderen verder moet gaan met een laag inkomen, (p. 2 van de pleitnotitie in hoger beroep).

2.9

De door [verzoekster] aangevoerde persoonlijke omstandigheden waren volgens het hof onvoldoende zwaarwegend om anders te beslissen, gelet op de ernst van de aan [verzoekster] gemaakte verwijten inzake het niet voldoen aan de informatie- en afdrachtplicht. In die woordkeus (‘anders te beslissen’) ligt naar mij voorkomt besloten dat het hof (ook) geen aanleiding zag de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Dat oordeel is bepaald niet onbegrijpelijk. Ook na de op het nippertje voorkomen tussentijdse beëindiging in juli 2011, hiervoor gemeld in 1.2 , is een aantal ernstige schendingen van de uit de saneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gebleken. Anders gezegd: uit de door het hof geconstateerde gebreken zijdens [verzoekster] is niet van voldoende saneringsgezindheid gebleken7. Illustratief daarvoor lijkt mij de opmerking van de voorzitter tijdens de mondelinge behandeling in appel (vgl. p. 3 van het hof in het proces-verbaal): ‘u maakt op mij de indruk dat de bewindvoerder alleen maar lastig is. U zegt dat u wel meldingen doet, maar het lijkt er meer op dat u liever uw eigen gang gaat.’ Weliswaar heeft de bewindvoerder in haar verslag van 10 januari 2013 verzocht de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen8, maar in haar latere fax van 14 mei 2013 zag zij in het opnieuw niet voldoen aan de informatie- en afdrachtplicht in de tussenliggende periode aanleiding om een verzoek tot tussentijdse beëindiging in te dienen (zie ook rov. 1.2 van het vonnis van de rechtbank)9. In hoger beroep heeft de bewindvoerder bij brief van 26 augustus 2013 ook aangegeven dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden. Onder deze omstandigheden kon het hof meen ik volstaan met de gegeven motivering. Het middel faalt.

2.10

Middel 5, ook gericht tegen rov. 3.5, klaagt dat het hof de gezondheidstoestand van [verzoekster] onvoldoende heeft betrokken in zijn oordeel. Volgens het middel geven de aan het hof gestuurde producties A t/m D duidelijk aan dat [verzoekster] sinds 2010 volledig arbeidsongeschikt was en is. Deze producties betreffen een arbeidsdeskundigenonderzoek, een arbeidsdeskundigenrapport en verzekeringspapieren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster], gezeten in een rolstoel, aangegeven dat zij zelfs niet in staat is om haar jonge kinderen naar school te brengen en dat haar man, die elders woont10, daarvoor speciaal moet langskomen om de kinderen op te halen. Een dermate slechte gezondheidstoestand kent zijn weerslag op de uitvoering van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling en is daarom een factor die niet eenvoudig terzijde kan worden gesteld, met name niet in onderlinge samenhang met de informatie- en afdrachtplicht, aldus het middel.

2.11

Dit betoog spreekt niet aan. Weliswaar leert art. 354 lid 2 Fw dat de rechter kan bepalen dat een toerekenbaar geachte tekortkoming in de nakoming van schuldsaneringsverplichtingen gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven, maar dit is een discretionaire bevoegdheid van de feitenrechter. Dat die hier ten onrechte een andersluidende afweging heeft gemaakt, valt niet in te zien.

2.12

Ter zitting heeft de voorzitter opgemerkt over [verzoekster]’ stelling dat zij door haar psychische gesteldheid en ingrijpende persoonlijke omstandigheden niet geheel heeft kunnen voldoen aan haar verplichtingen, dat dit verder niet wordt toegelicht in het beroepschrift (p. 1 proces-verbaal van de mondelinge behandeling). [verzoekster] heeft in dit verband toen alleen gezegd dat zij definitief 80-100% arbeidsongeschikt was verklaard (p. 4 proces-verbaal). De producties A t/m D11 waarnaar het middel verwijst, worden in de pleitnotitie zijdens [verzoekster] aangehaald als stukken waaruit “onomwonden blijkt dat ([verzoekster]) ziek en arbeidsongeschikt is en niet kan werken.” De pleitnotitie vervolgt met de enkele stelling dat [verzoekster] “door haar ziekte de grootste moeite heeft om te voldoen aan haar verplichtingen, niet alleen ten aanzien van de schuldsaneringsregeling, maar ook ten aanzien van de kinderen. Zij kan bijvoorbeeld niet de kinderen halen en brengen van school.”

2.13

Voorop staat dat de uitleg van gedingstukken en het voorgevallene ter zitting feitelijke materie is in cassatie. Het hof heeft de aangevoerde persoonlijke omstandigheden onvoldoende vinden opwegen om anders te beslissen gelet op de ernst van de aan [verzoekster] gemaakte verwijten. Dat is naar mij voorkomt niet onbegrijpelijk, gezien de substantiële, meerledige en persistente schending van de genoemde informatie- en afdrachtverplichtingen. – waarbij mede een rol zal hebben gespeeld het al eerder te elfder ure ingetrokken verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet nakoming van de informatieplicht. Maar ook los daarvan spreekt dit betoog niet aan. Niet valt zonder nadere (maar ontbrekende) toelichting in te zien waarom [verzoekster]’ genoemde persoonlijke omstandigheden haar zouden verhinderen de bewindvoerder correct te informeren en tot dito afdrachten te komen. Overtuigende medische en/of psycho-sociale verklaringen daarvoor zijn niet verschaft. Wel is [verzoekster]’ arbeidsongeschiktheid kennelijk aanleiding geweest haar te ontheffen van haar sollicitatieplicht. Middel 5 faalt zodoende ook.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-generaal

1 Zie het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 8 juli 2013, rov 1.1 en het bestreden arrest van hof Arnhem-Leeuwaarden, locatie Arnhem van 19 september 2013, rov. 1.1, 1.2 en 3.2.

2 Prod. L bij de brief van 11 september 2013 van de advocaat van [verzoekster] aan het hof.

3 Rov. 1.1 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 8 juli 2013.

4 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 27 september 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.

5 Ik merk op dat in het verzoekschrift zichtbaar wijzigingen en aanvullingen zijn aangebracht met de functie ‘wijzigingen bijhouden’ van het programma Word en dat deze aanvullingen mede zien op een nieuw middel, middel 5.

6 Vermoedelijk gebaseerd op prod. M bij de brief bij de brief van 11 september 2013 van de advocaat van [verzoekster] aan het hof.

7 Vgl. art. Lammers, Faillissementswet (losbl.), art. 349a Fw, aant. 6.1.1: aanknopingspunten voor een verlenging zijn o.m. - de mate van verwijtbaarheid van de ontstane schuldenlast en een (geringe) boedelachterstand, die niet groot (ernstig) genoeg is voor ontzegging van de schone lei. Dat alles wijst in deze zaak in omgekeerde richting.

8 Zie ook Prod. M bij de brief van 11 september 2013 van de advocaat van [verzoekster] aan het hof.

9 Prod. M bij de brief van 11 september 2013 van de advocaat van [verzoekster] aan het hof.

10 De echtelieden zijn voornemens te scheiden, vgl. brief bewindvoerder 26 augustus 2013 aan het hof, p. 2 en toelichting op cassatiemiddel 2.

11 Prod A) betreft het voorblad, de samenvatting en de algemene verzekerde-gegevens van een arbeidsdeskundigrapport van 27 juni 2012 over een herbeoordeling voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), prod. B) het (daadwerkelijke) arbeidsdeskundigrapport met de conclusie dat [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt is, prod. C) een brief van Ohra van 6 april 2013 dat de kosten van de door [verzoekster] ontvangen WGA-uitkering (WGA staat voor Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; de WGA is een onderdeel van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en deze wet geldt voor werknemers die na 2 jaar ziekte meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn) door haar (ex-)werkgever worden gedragen en dat zij het meegezonden formulier ingevuld moet terugsturen, en prod. D) een brief van Ivaclaim van 27 mei 2013 dat [verzoekster] een afspraak heeft met een arts inzake de WIA.