Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
13/01570
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:16, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging moord. Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen in genoemd arrest is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed “gedurende het tijdsbestek dat hij zijn auto tot stilstand bracht op de Sint Ludwinastraat (nadat hij kennelijk de aanwezigheid van X in het park had opgemerkt) en het moment dat hij X aanreed”, terwijl verdachte in datzelfde korte tijdsbestek eerst “vol in de remmen ging”, vervolgens “met een noodgang” achteruit heeft gereden en daarna “met aanzienlijke snelheid” in de richting van het slachtoffer reed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01570

Zitting: 3 december 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 21 december 2012 verdachte wegens primair “poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaren. Voorts heeft het Hof een inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard, een en ander op de wijze als vermeld in het arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te ‘s-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend heeft gemotiveerd.

4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder primair bewezenverklaard dat:

“hij op 28 februari 2012 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, als bestuurder van een personenauto met aanzienlijke snelheid op voornoemde [slachtoffer] is ingereden, ten gevolge waarvan een aanrijding met die [slachtoffer] is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

4.3. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2012030240-7, d.d. 13 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, en [verbalisant 1], hoofdagent van politie (p. 32-33 van het proces-verbaal met registratienr. PL2208 2012030240), voor zover inhoudende –zakelijk weergegeven- als verklaring van [slachtoffer];

Ik was in de middag van 28 februari 2012 samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het park aan de Bonifaciuslaan te Eindhoven.

We stonden samen bij het blauwe badje (het hof begrijpt: in de ter plaatse aanwezige speeltuin).

Toen we daar in het park stonden zag ik dat [verdachte] hard aan kwam rijden vanuit de richting Gerlachstraat. Ik zag dat hij in een zwarte auto kwam aanrijden. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Ik herkende hem. Naast hem zat zijn broertje [betrokkene 3]. Hij reed vanuit de Sint Ludwinastraat het park in. Hij reed over het gras naar de plaats waar wij stonden. Ik stond samen met de anderen op het verharde deel van de speeltuin. Ik zag dat hij op ons af reed. Ik had geen mogelijkheid meer om uit te wijken. Ik dacht: “Hij stopt wel”. Ik zag dat hij dit niet deed. 

Ik kon de auto niet meer ontwijken en ik werd geraakt aan mijn rechterzijde. Ik kwam op de motorkap terecht en ik viel op de grond. Ik ben een paar seconden buiten bewustzijn geweest. Ik had geen gevoel in mijn rechter zijkant van mijn lichaam. Ik stond toen op. Ik zag dat de auto toen achteruit reed en vervolgens richting Bonifaciuslaan reed. Hij is niet gestopt en reed plankgas weg.

Ik ben toen naar mijn eigen auto gestrompeld. Ik ben op de achterbank gaan liggen. Ik vroeg aan [betrokkene 2] of hij me naar het ziekenhuis kon brengen. We zijn toen met z'n drieën naar het St. Annaziekenhuis te Geldrop gereden. 

Bij de behandeld arts heb ik verteld dat ik was aangereden. Na onderzoek bleek dat ik mijn rechter sleutelbeen had gebroken. Verder had ik kneuzingen aan mijn rechterbeen. 

Ik ben na het ziekenhuis naar huis gebracht. Ik ben bijna twee weken lang thuis geweest. 

lk moet nu nog zes weken thuis blijven. Ik kan hierdoor niet werken. 

2. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2012030240-13, d.d. 15 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 44-45 van het proces-verbaal met registratienr. PL2208 2012030240), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 1]: 

Ik was in de middag van 28 februari 2012 in het park aan de Sint Bonifaciuslaan te Eindhoven. Ik had die dag gebeld naar [slachtoffer] om af te spreken. We spraken toen af in het park. In het park trof ik [slachtoffer] en [betrokkene 2].

We stonden ergens in een hoek bij een grasveldje bij het speeltuintje. 

Op gegeven moment zag ik dat [verdachte] aan de andere kant van de St Gerlachstraat het park in gereden kwam. Ik zag dat het [verdachte] was. Ik weet dat [verdachte] een zwarte auto heeft. Ik zag dat hij op ons kwam afgereden. Ik zag dat [slachtoffer] en [betrokkene 2] bij elkaar stonden. Ik zag dat hij [slachtoffer] raakte. Ik hoorde de klap en ik zag dat [slachtoffer] op de grond viel.

3. (…)

4. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2012030240-15, d.d. 20 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 48-49 van het proces-verbaal met registratienr. PL2208 2012030240), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 2]:

Op 28 februari 2012 stond ik samen met [betrokkene 1] en [slachtoffer] in het parkje bij de Sint Bonifaciuslaan te Eindhoven. Ik had daarvoor telefonisch contact met mijn broer [verdachte].

In het parkje stond [betrokkene 1] dacht ik op een afstand van mij en [slachtoffer]. [betrokkene 1] stond volgens mij bij het blauwe badje. Ik stond samen met [slachtoffer] bij het grasveldje dat aan de Sint Bonifaciuslaan grenst.

Ik hoorde op een gegeven moment een auto achter mij naderen. Ik hoorde hem rechts van mij aankomen. Ik liep op dat moment uit een reflex weg van het naderende geluid van de auto. Ik hoorde meteen ook een klap. Toen ik omdraaide zag ik dat [slachtoffer] was geraakt. Ik keek op dat moment tegen de achterzijde van de auto aan die [slachtoffer] had geraakt.

Ik zag dat de auto op een gegeven moment stil stond. Ik zag dat hij even stil stond en vervolgens weer wegreed.

Ik heb [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) tien minuten later via de telefoon gesproken. Ik hoorde dat hij toen zei dat dit niet de bedoeling was geweest. Hij was er zelf van onder de indruk. Toen ik [verdachte] sprak zei [verdachte] dat hij van de schrik was weggereden. 

5. (…)

6. (…)

7. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2012030240-4, d.d. 8 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 38-39 van het proces-verbaal met registratienr. PL2208 2012030240), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 4]: 

Op 28 februari 2012 omstreeks 14.45 uur bevond ik mij in het kantoor aan de Sint Ludwinastraat 2 te Eindhoven. Ik keek recht op de Sint Ludwinastraat en het park daarachter. Ik hoorde plotseling dat een auto vol in de remmen ging. Mijn collega [betrokkene 5] en ik keken elkaar aan. Ik hoorde dat de bestuurder de auto in zijn achteruit wilde schakelen, maar dat lukte niet in een keer. Ik hoorde dat de auto toen vol gas achteruit reed. Ik ging toen naar het raam en zag dat de auto stilstond bij de peuterspeelzaal Ik zag dat de auto vervolgens het park in reed.

Ik zag dat de auto heel hard reed. Ik zag dat de auto het park inreed in de richting van het speeltuintje. Ik zag tussendoor jongens lopen. Ik zag dat de auto doelbewust op een van de jongens in reed. Ik zag dat de jongen nog een schijnbeweging maakte om weg te komen, maar de auto corrigeerde. Ik zag dat de auto de jongen aanreed. Ik zag dat de jongen op de motorkap van de auto vloog. De auto was een donkere auto.

8. (…)

9. (…)

10. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2012030240-5, d.d. 8 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 40-41 van het proces-verbaal met registratienr. PL2208 2012030240), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 5]: 

In de middag van 28 februari 2012 bevond ik mij in het kantoor aan de Sint Ludwinastraat 2 te Eindhoven. Ik zag een zwarte Citroen hard door de straat rijden en ik hoorde dat hij stopte voor het raam. Hij remde echt heel hard. Ik hoorde dat hij met een noodgang achteruit reed. Ik ging toen bij het raam kijken. Ik zag dat de auto over het grasveld langs het gebouw aan de overzijde reed in de richting van het speeltuintje. Ik zag dat daar een paar jongens liepen. Ik zag dat de auto op de jongens inreed en een van hen raakte. De jongen die geraakt werd kwam op de motorkap terecht.

11. (…)

12. (…)

13. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2012030240-9, d.d. 14 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 50-51 van het proces-verbaal met registratienr. PL2208 2012030240), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 6]: 

U vraagt mij van wie de zwarte Citroen Xsara met kenteken [AA-00-AA] is. Ik kan u zeggen dat mijn zoon [verdachte] deze auto enkele maanden geleden heeft gekocht. Hij heeft de auto ook betaald. Ik heb de auto op mijn naam gezet omdat [verdachte] dit aan mij vroeg. De verzekering zou zo goedkoper zijn. Ik heb de auto op mijn naam gezet en ook verzekerd.

[verdachte] gebruikt de auto altijd, hij is ook de enige die de sleutels heeft, het is zijn auto. 

Ik heb [verdachte] vorige week zaterdag gezien. Er was toen een trouwfeest van mijn andere zoon [betrokkene 2]. Ik zag die dag ook dat er schade op de Citroën van [verdachte] zat. Ik zag de auto staan met schade op de motorkap.

[betrokkene 3] vertelde mij dat [verdachte] ruzie had met [slachtoffer]. Dit was twee of drie weken geleden. Ik hoor van u de naam [slachtoffer]. Ik kan u zeggen dat dit hem is. [slachtoffer] is een goede vriend van [verdachte]. Ik weet ook niet waar die ruzie heeft plaatsgevonden.”

4.4. Het Hof heeft voorts, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende overwogen:

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(…)

C.1

Ten slotte heeft de raadsvrouwe betoogd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde bestanddeel "met voorbedachten rade" dient te worden vrijgesproken omdat daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. 

C.2 

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 

C.2.1 

Van voorbedachte raad is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. 

Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten. 

C.2.2 

Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat: 

- er tussen de verdachte en [slachtoffer] voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit kennelijk onenigheid bestond; 

- de verdachte als bestuurder van zijn personenauto op de bewezen verklaarde datum kwam aanrijden bij het stadspark gelegen tussen de Sint Bonifaciuslaan en de Sint Ludwinastraat te Eindhoven gelegen binnen de bebouwde kom van Eindhoven; 

- de verdachte op de Sint Ludwinastraat "vol in de remmen ging" (verklaring getuige [betrokkene 4]) en zijn auto "met een noodgang" (verklaring getuige [betrokkene 5]) achteruit heeft gereden; 

- de verdachte vervolgens met zijn auto, met aanzienlijke snelheid, over het plaatselijk aanwezige grasveld het park is ingereden in de richting van het speeltuintje waar [slachtoffer] en zijn vrienden (te weten: [betrokkene 2] en [betrokkene 1]) zich bevonden; 

- de verdachte vervolgens met opzet als bestuurder van een personenauto met aanzienlijke snelheid [slachtoffer] heeft aangereden op de wijze zoals hierboven is omschreven. 

C.2.3 

Het hof acht op grond van deze feiten en omstandigheden aannemelijk dat de verdachte tenminste gedurende het tijdsbestek dat hij zijn auto tot stilstand bracht op de Sint Ludwinastraat (nadat hij kennelijk de aanwezigheid van [slachtoffer] in het park had opgemerkt) en het moment dat hij het slachtoffer aanreed, tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om [slachtoffer] opzettelijk aan te rijden, welke tijd hij naar het oordeel van het hof ook daadwerkelijk voor een dergelijke bezinning heeft kunnen benutten. 

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van contra-indicaties die er op wijzen dat verdachte een dergelijke bezinning niet heeft kunnen maken, omdat hij in een drift of opwelling zou hebben gehandeld. Een weging en waardering van de omstandigheden van dit geval brengt het hof dan ook tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, in die zin dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. 

Derhalve acht het hof de primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen. 

C.2.4 

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.”

4.5. Uit recente jurisprudentie volgt dat de Hoge Raad de eisen waaraan het bewijs van de voorbedachte raad moet voldoen, heeft aangescherpt. In HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 overwoog de Hoge Raad:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

4.6. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen afgeleid dat verdachte als bestuurder van zijn personenauto op 28 februari 2012 op de Sint Ludwinastraat “vol in de remmen ging”, “met een noodgang” achteruit heeft gereden, “met aanzienlijke snelheid” door het park in de richting van [slachtoffer] is gereden en hem vervolgens “met aanzienlijke snelheid” heeft aangereden. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed in de, zoals kan worden afgeleid uit voornoemde door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, korte tijdspanne tussen het door hem plotseling – immers op het moment dat hij zijn auto ineens tot stilstand bracht op de Sint Ludwinastraat nadat hij de aanwezigheid van [slachtoffer] in het park had opgemerkt – genomen besluit en het moment dat hij [slachtoffer] aanreed. Gelet op hetgeen onder 4.5 is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties en in aanmerking genomen dat de bewijsvoering van het Hof geen aanwijzingen bevat waaruit volgt dat de door het Hof gestelde gelegenheid tot bezinning ook daadwerkelijk door de verdachte is benut, heeft het Hof zijn oordeel dat de voorbedachte raad kan worden bewezenverklaard, ontoereikend gemotiveerd.1

4.7. Het middel is terecht voorgesteld.

5.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie bijvoorbeeld ook HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111.