Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2326

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2013
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
12/02919
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:238, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2.2e volzin Sv, uos m.b.t. betrouwbaarheid getuigenverklaringen en art. 9a Sr. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Beide middelen falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/102
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02919

Mr. Spronken

Zitting: 26 november 2013

 

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 15 mei 2012 door het gerechtshof Arnhem wegens 1. “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens verdachte is tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

3. Mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van het bewijs moeten worden uitgesloten.

5. In het middel wordt geciteerd1 wat de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2012 ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft aangevoerd, namelijk:

“Feit 2 bedreiging op 21 juni 2010

Tegenover de verklaring van [verdachte] staan de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

Allen verklaren dat zij met meerdere (7 of 8) personen naar de woning van [verdachte] gingen om spullen van [betrokkene 4] te verhuizen.

Volgens de verklaring van [betrokkene 1] zou hij de flat met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in zijn gegaan. [betrokkene 1] was de woonkamer in gegaan en zag [verdachte] op hem afkomen lopen. Zijn vrienden riepen tegen [betrokkene 1] dat [verdachte] iets in zijn handen had. Daarna zag hij ([betrokkene 1]) dat [verdachte] een mes in zijn handen had. Toen zijn zij allen achterwaarts de woning uitgelopen. Bij de verhoren van de RC verklaart [betrokkene 1] anders. Hij was eerst de keuken in gegaan, en daarna de woonkamer. [betrokkene 1] keek en zag iets in [verdachte] rechterhand. [verdachte] zag [betrokkene 1] en zei '"wegwezen". Frappant is dat bij de RC, anders dan bij politie, de cruciale woorden "anders steek ik je neer" niet door [betrokkene 1] worden genoemd; woorden die indien ze daadwerkelijk zouden zijn geuit, toch wel een dermate impact zouden hebben gehad dat deze bij de RC zouden worden herhaald. Bij de RC wordt door hem verklaard dat het mes in gestrekte arm langs [verdachte] lichaam werd gehouden, en nadien dat [verdachte] het mes achter zijn rug zou hebben gehouden, dit staat haaks op de eerste verklaring van [betrokkene 1] bij de politie waar nog gewag gemaakt van stekende bewegingen. Uit de verklaring bij de RC blijkt dat geen bedreiging met een mes heeft plaatsgevonden, althans blijkt niet dat een stekende beweging zou zijn gemaakt. Men moet niet vergeten dat [verdachte] in zijn eigen huis was en als hij een mes naast zijn lichaam zou hebben, dit niet als enige vorm van bedreiging kan worden opgevat.

Bij de politie verklaart [betrokkene 1] dat er twee vrienden in de hal aanwezig zouden zijn, die [betrokkene 1] hebben gewaarschuwd dat [verdachte] iets in zijn hand zou hebben. In de verklaring bij de RC vertelt [betrokkene 1] dat hij niet weet of zijn vrienden in de woning aanwezig waren, hij ziet zelf 'het mes en komt later op de gang 1 vriend tegen.

Niet alleen de verklaring van [betrokkene 1] is wisselend bij de politie en de RC ook de anderen verklaren bij de RC niet overeenkomstig de aangifte bij de politie. Dit versterkt het standpunt van de verdediging dat de aangevers de verklaringen hebben afgestemd bij de politie en bij de RC door de mand zijn gevallen. Ik wijs u op enkele opvallende tegenstijdigheden. [betrokkene 2] stelt bij de politie dat [betrokkene 1] de deur opende en dat [verdachte] meteen vanuit de woonkamer, niet zijnde de keuken zoals [betrokkene 1] stelt, aan kwam lopen. [betrokkene 1], [betrokkene 2] en nog een andere zouden de woning in zijn gegaan. [verdachte] zou teruggelopen zijn naar de woning en vervolgens naar de keuken. Vanuit de keuken opende hij de deur die in verbinding staat met het gangetje. [verdachte] zou een mes in zijn handen hebben gehad. [betrokkene 2] kwam [verdachte] als eerste tegen en maakte richting hem steekbewegingen, dit staat haaks op de verklaring van [betrokkene 1], die zegt dat hij als eerste met het mes van [verdachte] zou zijn bedreigd.

In de verklaring bij de RC stelt [betrokkene 2] dat hij als vierde persoon de woning in is gegaan en dus niet als derde. [verdachte] was toen in de keuken, en niet in de woonkamer, pas later was [verdachte] in de woonkamer. Toen [verdachte] meerdere personen zag zou hij vanuit de keuken terug gegaan zijn naar de woonkamer (hoe kwam hij eerst weer vanuit de woonkamer in de keuken?).

Vervolgens verklaart [betrokkene 2] dat toen hij binnenkwam [verdachte] vanuit de keuken naar de hal gegaan zou zijn gegaan, met een groot mes in de hand, en daarbij zou hij, in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring bij de politie, [verdachte] niet hebben gezegd "ik ga je steken'', maar hebben gevraagd "wat komen jullie doen". De vraag wat komen jullie doen, al dan niet in combinatie met een mes in de hand, is geen gedraging van zodanige aard en is niet onder zodanige omstandigheden geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan dat werd gedreigd met enig misdrijf, er is geen sprake van een directe of indirecte bedreiging, daarbij rekening houdende met het feit dat [betrokkene 2] een dergelijke vraag kon verwachten nu hij zonder toestemming van de bewoner ([verdachte]) de woning betrad.

De verklaring van [betrokkene 4] is tegenstrijdig met de verklaringen van de overige getuigen. Zij stelt dat alleen haar broer ([betrokkene 1]) de woning heeft betreden. [verdachte] zou op [betrokkene 1] en [betrokkene 4] af komen rennen vanuit de woonkamer naar de gang. Hij zou vervolgens naar de keuken zijn gelopen en terug zijn gekomen met een mes in zijn hand. De anderen zouden [betrokkene 4] hebben weggetrokken, en haar broer zou in de gang bij de voordeur hebben gestaan en dus nagenoeg de woning niet hebben betreden.

Conclusie:

VRIJSPRAAK. Gelet op de innerlijke tegenstrijdigheid van de verklaringen van de getuigen en aangevers bij de politie en de RC en hun onderlinge tegenstrijdigheid zijn de verklaringen kennelijk leugenachtig en dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging is van mening dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van de gestelde bedreiging te komen nu de bestanddelen niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, en de opzet op de bedreiging niet is komen vast te staan. Alsook dat niet uit de bewezenverklaring kan blijken dat de gedraging van zodanige aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij het slachtoffer redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd, daadwerkelijk zou worden uitgevoerd.”

6. Het hof heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen verklaard en heeft de aangifte van [betrokkene 1] en een tweetal bij de politie afgelegde getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor het bewijs gebruikt, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsambtenaar [verbalisant 4],2 die verklaart in de woning van verdachte op de grond een vleesmes te hebben aangetroffen en dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat dit het mes was waarmee gedreigd was.

7. Het hof heeft daarbij slechts overwogen dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen.

8. Hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, kan moeilijk anders worden aangemerkt dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zoals bedoeld in art. 359 lid 2 Sv dat bovendien voldoet aan de eisen die daaraan op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad worden gesteld.3 Het is immers een standpunt dat door argumenten wordt geschraagd en is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Er is gemotiveerd betoogd dat de betreffende getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Dit wordt onderbouwd door de gesignaleerde tegenstrijdigheden in verklaringen van de getuigen ten overstaan van de politie en hun verklaringen ten opzichte van de rechter-commissaris, die op niet onbelangrijke onderdelen van elkaar afwijken.4 Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit volstaan met de gebruikelijke standaardmotivering, hetgeen mijns inziens onvoldoende is.5 Daardoor heeft het hof, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv nagelaten de redenen op te geven die tot de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid. Het gaat bovendien om een verweer dat niet van ondergeschikt belang is, nu het de kern van de bewezenverklaring betreft. Evenmin kan worden gesteld dat het verweer een toereikende weerlegging vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

9. Het middel slaagt.

10. Het tweede middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten aanzien van feit 2 ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

11. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd:

“Noodweer/Noodweerexces

Verzoekt de verdediging de politierechter in zijn oordeel te volgen dat er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Net als de politierechter is de verdediging van mening dat sprake van een noodweersituatie waartegen [verdachte] zich mocht verdedigen. Ik verzoek U [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging, en verwijs voor mijn overwegingen naar hetgeen mijn voorgangster in eerste aanleg heeft bepleit, hetgeen ik als ingelast beschouw.”

12.

Het hof heeft hierover het volgende overwogen en beslist:

“Voor een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, ook wel een noodweersituatie. Van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is echter niet gebleken. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat het onaangekondigd binnenkomen van meerdere personen in zijn woning bedreigend op verdachte overkwam, is dit op zichzelf onvoldoende voor een geslaagd beroep op noodweer. Zeker nu uit de getuigenverklaringen, alsmede de verklaring van verdachte zelf, blijkt dat zeer snel duidelijk werd waarom aangevers ter plaatse waren, namelijk om de spullen van de ex-vriendin van verdachte op te halen. Daarbij komt dat uit niets is gebleken dat aangevers zich dreigend jegens verdachte hebben opgesteld. Het hof merkt voorts op dat blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad [voetnoot: zie: HR 27 mei 2008, LJN BC6794] het begrip ‘goed’ in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object betekent en dat huisvrede hier niet onder valt. Huisvredebreuk, waarbij geen sprake is van vernieling of beschadiging van de woning zoals in het onderhavige geval, is derhalve geen aanranding van enig ‘goed’, waartegen noodweer gerechtvaardigd is. Gelet hierop acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte zichzelf moest verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van diens lijf, eerbaarheid of goed.

Van een noodweersituatie was geen sprake en het verweer wordt verworpen. Het hof acht in vervolg hierop ook noodweerexces niet aanwezig.”

13.

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op basis van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.6

14.

Het hof is blijkens de gebezigde bewijsmiddelen uitgegaan van de navolgende feiten. In de avond van 21 juni 2010 is een groep van acht personen, waaronder [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2], onaangekondigd naar de woning van verdachte gegaan om [nadat de relatie tussen [betrokkene 4] en verdachte was beëindigd, AG] de spullen van [betrokkene 4] te verhuizen. Toen haar broer [betrokkene 1] zonder eerst aan te bellen en met de sleutel van zijn zus de voordeur van de woning opende en samen met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] de woning betrad, kwam verdachte vanuit de woonkamer boos op hen af en zei hij dat zij de woning moesten verlaten. Vervolgens pakte verdachte een mes uit de keuken en liep hij met dat mes in de hand op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af terwijl hij zei “Wegwezen uit mijn huis anders steek ik je neer” of “Ik ga je steken”.

15.

Het hof heeft geoordeeld dat de onaangekondigde aanwezigheid van meerdere personen in de woning weliswaar bedreigend op verdachte kan zijn overgekomen, maar dat geen sprake was van een daadwerkelijke of dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of goed. Ter ondersteuning van dit oordeel heeft het hof overwogen dat uit getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte is gebleken dat al zeer snel duidelijk werd waarom genoemde personen in de woning aanwezig waren. Kennelijk heeft het hof hierbij gedoeld op verklaringen die zich in het procesdossier bevinden, waaruit kan worden opgemaakt dat [betrokkene 2] bij de politie en de rechter-commissaris heeft verklaard dat [betrokkene 1] vrijwel direct na binnenkomst in de woning meerdere malen uitdrukkelijk tegen verdachte heeft gezegd dat zij niet vanwege hem waren gekomen maar dat zij de spullen van Kersouts zus kwamen halen. Uit de verklaring van verdachte dat hij tegen de mannen heeft gezegd dat zij het huis moesten verlaten omdat zij huisvredebreuk pleegden en dat alleen [betrokkene 4] spullen mocht ophalen, kon het hof mijns inziens afleiden dat het al snel duidelijk was voor verdachte wat de mannen kwamen doen. Deze inhoud van de gedingstukken geeft bovendien steun aan de overweging van het hof dat niet is gebleken dat de mannen zich dreigend jegens verdachte hebben opgesteld, afgezien van het feit dat het hof zich kon voorstellen dat het onaangekondigd binnenkomen van meerdere personen in zijn woning bedreigend op verdachte zal zijn overgekomen. Dat oordeel is mijns inziens niet tegenstrijdig, omdat het hof daarmee kennelijk bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat er geen sprake was van een zodanig “onmiddellijk dreigend gevaar” in de zin van art. 41 Sr, dat de reactie van verdachte daarop kon rechtvaardigen. De overweging dat de huisvrede geen stoffelijk object is en dat huisvredebreuk op zichzelf geen aanranding oplevert als bedoeld in art. 41 Sr getuigt tot slot van een juiste rechtsopvatting.7

16.

Het oordeel van het hof dat geen sprake was van een noodweersituatie voor verdachte acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

17.

Het middel faalt.

18.

Het derde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat art. 9a Sr moet worden toegepast.

19.

Blijkens genoemde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd:

“Strafmaat:

[verdachte] is een serieuze en ambitieuze jongeman. Hij is bezig met verschillende projecten. Thans is hij de opleiding schuldhulpverlener gestart. Als hij zijn opleiding wil gaan gebruiken in de praktijk, zal een verklaring omtrent gedrag noodzakelijk zijn. [verdachte] is ook nog steeds bezig om mogelijkheden te onderzoeken om ontwikkelingsprojecten in Afrika en Zuid Amerika te financieren, de gesprekken met de beleggingsmaatschappijen zijn on-hold gezet gezien zijn veroordeling in eerste aanleg. Onlosmakelijk verbonden met zo een financiering en ook zulke gesprekken is een antecedentenonderzoeken. Daarbij wordt in het onderzoek onder meer nagegaan of een persoon eerder met justitie in aanraking is geweest. Pas indien uit dit antecedentenonderzoek geen bezwaren jegens [verdachte] naar voren komen, kunnen de onderhandelingen worden voortgezet.
9A (schuld zonder strafoplegging)”

20.

Het hof heeft de opgelegde werkstraf als volgt gemotiveerd:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”

21.

Voor de beoordeling van het middel moet eerst worden vastgesteld of hetgeen door de raadsvrouw in hoger beroep met betrekking tot de strafmaat is gesteld een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Mij lijkt dat daar in het onderhavige geval wel sprake van is, nu hetgeen door de raadsvrouw is naar voren gebracht beargumenteerd en concreet is toegespitst op de persoon van de verdachte en ook uitmondt in een voorstel met betrekking tot de op te leggen straf.8

22.

Ondanks de grote vrijheid die de feitenrechter heeft bij de keuze voor en weging van factoren die van belang worden geacht voor de strafoplegging9 dient bij de motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv door het hof beredeneerd te worden aangegeven waarom het voorbij gaat aan het beargumenteerde standpunt zoals dat in onderhavige zaak naar voren is gebracht. De gebruikelijke standaardoverweging zoals het hof die heeft gebezigd, volstaat mijns inziens niet en moet tot nietigheid leiden.

23.

Het middel slaagt.

24.

Het eerste en het derde middel slaagt, het tweede middel faalt.

25.

Ik heb geen grond aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

26.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde de zaak in zoverre opnieuw te doen berechten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Overeenkomstig de eis die aan het cassatiemiddel dient te worden gesteld, zie HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3787.

2 Het hof citeert in de aanvulling op zijn arrest op p. 3 uit het ‘in wettelijke vorm door [verbalisant 4], brigadier van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/2010152969-6, gesloten en getekend op 22 juni 2010 te Nieuwegein, als bijlage (p. 16 t/m p. 17) gevoegd bij het stamproces-verbaal’.

3 Zie voor een overzicht C.B. Veldman en E.F. Stamhuis, ‘De verweren in de zin van… Een tussenstand in de ontwikkeling van het responderen op verweren’, DD 2008, 49.

4 Zie voor een vergelijkbare casus waarin de Hoge Raad een schending van art. 359 lid 2 in verband met een gevoerd betrouwbaarheidsverweer aannam HR 26 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8961.

5 Zie voor een geval waarin de Hoge Raad wel van oordeel was dat het hof voldoende had gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de gebezigde getuigenverklaringen HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:BZ7143.

6 HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, r.ov. 4.3.

7 Zie HR 14 april 1998, NJ 1998, 662 m.nt. ’t Hart, r.ov. 4.2 en HR 27 mei 2008, NJ 2008, 510 m.nt. Borgers, r.ov. 3.4.1.

8 Zie in dit verband HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4870, NJ 2009, 226, met name hetgeen hierover wordt opgemerkt in de noot van Buruma onder punt 3 en 5.

9 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, p. 285 e.v.; HR 26 juni 1984, NJ 1985, 138; HR 10 september 1991, NJ 1991, 839 m.nt. ThWvV; HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805; HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6429.