Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2322

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2013
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
12/02395
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:306, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mondelinge belediging. Art. 266 Sr. Het op stotterende wijze praten tegen een persoon die stottert beledigend? Indien het gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan, moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. ’s Hofs oordeel dat de verdachte, die zelf niet stottert, door op stotterende wijze een ander die stottert en als zodanig bekend staat stotterend aan te spreken met het doel die ander te kwetsen, geeft – in het licht van de omstandigheid dat het aanspreken luid en duidelijk en in aanwezigheid van derden is geschied – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VA 2015/3
JIN 2014/72 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02395

Mr. Spronken

Zitting: 26 november 2013

 

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 3 februari 2012 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens “eenvoudige belediging”, veroordeeld tot een geldboete van € 350,- waarbij het Hof heeft bepaald dat € 150,- niet ten uitvoer zal worden gelegd, terwijl de proeftijd is bepaald op twee jaar en waarbij het Hof voorts heeft bepaald dat de geldboete mag worden voldaan in 4 termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,-.

2. Mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het op stotterende wijze praten tegen iemand die stottert als een mondelinge belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden gekwalificeerd.

4. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het stotterend praten in geen enkele context als een belediging kan worden aangemerkt. Voorts wordt aangevoerd dat de door de verdachte gebruikte woorden niet beledigend zijn.

5. Ten aanzien van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 9 maart 2010 tot en met 20 maart 2010 te Eindhoven opzettelijk [betrokkene 1] in diens tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door op stotterende wijze tegen [betrokkene 1], die stottert, te praten.”

6. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden het volgende in:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 april 2010 van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2010051742-1, pagina's 4 en 5, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 1] aan de desbetreffende verbalisant:
Ik ben een ernstig stotteraar. Ik stotter al sinds mijn vijfde levensjaar. Ongeveer een maand geleden, ik weet dat het ongeveer 17.00 uur was, kwam ik terug met mijn hond. Ik zag dat [verdachte] met zijn auto kwam aangereden. Ik stond op dat moment in de hal en zag dat er flatgenoten aan kwamen gelopen. Ik hoorde dat [verdachte] antwoordde: "bende weer aan het klagen tegen andere mensen". Dit zei hij stotterend. Het was wel duidelijk dat hij mij hiermee nadeed. Hij wilde toen mijn hond aanraken waarop ik zei dat ik dat liever niet had. Hij antwoordde hierop: "jouw wijf raakt mijn hond ook aan". Dit zei hij wederom stotterend om te imiteren. Elke keer als hij dat doet voel ik een pijn door mijn lijf gaan. Een pijn die mij aan vroeger doet herinneren.

2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 januari 2012, voor zover deze - zakelijk weergegeven - inhoudt:
Het klopt dat ik [betrokkene 1] stotterend heb toegesproken op 9 maart 2010. Ik heb bewust tegen [betrokkene 1] gestotterd in de hoop dat dat hem zou kwetsen. Ik heb stotterend tegen [betrokkene 1] gepraat in de hoop dat hij dat niet leuk zou vinden en zou stoppen met mij aanspreken.

3. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2010051742-5, pagina's 13-14, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 2] aan de desbetreffende verbalisanten:
Ik weet wat u bedoelt met hetgeen zich heeft afgespeeld in de lift van mijn flat omstreeks 9 maart 2010. Ik ken de mensen in de flat helemaal niet, ik zie alleen de stotteraar (noot verbalisant: de in deze verklaring genoemde "stotteraar" betreft aangever [betrokkene 1]) regelmatig. Ik vind het niet normaal dat er zo tegen iemand gedaan wordt. Wij (noot verbalisant: het betreft hier [betrokkene 2] en zijn zoon [betrokkene 3]) kwamen binnen in de hal van de flat. De stotteraar stond al in de hal. De man kwam aanlopen. De man begon meteen met felle woorden tegen de stotteraar. Ik vond het erg beledigend. Hij maakte de stotteraar helemaal zwart.

4. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Tongelre, nr. PL2208 2010051742-6, pagina's 16-17, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 3] aan de desbetreffende verbalisanten:
Ik heb begrepen dat het over het voorval in de lift op 9 maart 2010 gaat. Wij kwamen thuis en de stotteraar kwam met de hond aanlopen. Vervolgens komt de man aangerend om nog bij ons de lift in te kunnen. De man begint gelijk op een stotterende manier over het parkeren van zijn auto te praten. De man sprak naar mijn idee opzettelijk stotterend tegen de stotteraar.”

7. Het Hof heeft in zijn arrest nog een nadere bewijsoverweging opgenomen welke, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, als volgt luidt:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
(…)
Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat het stotterend toespreken van [betrokkene 1] door verdachte, gelet op de omstandigheden waarin het is gebeurd, niet als een belediging kan worden aangemerkt. De door verdachte gebruikte woorden waren een uiting van emotie, ontstaan als gevolg van een slepend conflict tussen verdachte en [betrokkene 1] en waren bedoeld omdat verdachte wilde dat [betrokkene 1] stopte met het toespreken van verdachte over de hinder die [betrokkene 1] ondervond van (het geluid van) de auto van verdachte. Derhalve dient, aldus de raadsman, vrijspraak te volgen van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt vast dat verdachte, die zelf niet stottert, luid en duidelijk en verstaanbaar voor [betrokkene 1] en enkele medebewoners van het flatgebouw waarin verdachte en [betrokkene 1] wonen, [betrokkene 1] stotterend heeft toegesproken terwijl verdachte en [betrokkene 1] samen met enkele medebewoners van het flatgebouw, in de lift stonden. [betrokkene 1] stottert en stond met dit gebrek ook bekend bij de medebewoners. Hij werd door hen ook wel "de stotteraar" genoemd. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [betrokkene 1] bewust stotterend heeft toegesproken, in de hoop dat hij dat niet leuk zou vinden en dat hij hem daarmee zou kwetsen waardoor [betrokkene 1] zou ophouden met het toespreken van verdachte over het geluid van verdachtes auto.
Een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, moet als beledigend als bedoeld in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht worden beschouwd, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is niet alleen sprake als de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben maar ook, zoals in het onderhavige geval, indien op stotterende wijze wordt gesproken tegen een persoon die stottert. Daaraan doet niet af dat verdachte met deze daad uiting zou hebben gegeven aan zijn emotie, ontstaan als gevolg van het slepende conflict tussen verdachte en [betrokkene 1]. Gelet op de omstandigheden waaronder en de manier waarop verdachte deze [betrokkene 1] heeft toegesproken, blijkt dat verdachte onmiskenbaar de bedoeling had om, hoorbaar voor anderen, een negatieve kwalificatie van het gedrag en/of de persoon van [betrokkene 1] te geven en deze aldus te beledigen, en dat dit ook als zodanig is en redelijkerwijs kon worden opgevat door [betrokkene 1].

Het hof verwerpt het verweer.”

8. Art. 266 Sr luidt voor zover voor de beoordeling van het middel relevant als volgt:

“Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

9. De vraag is wanneer een uiting beledigend is. In de memorie van toelichting op het ontwerp van het wetboek van Strafrecht is de volgende passage opgenomen:

“Het voornaamste vereischte voor beleediging is de aanwezigheid van de animus injuriandi, van het oogmerk hetzij om iemands eergevoel te krenken, hetzij om, in de oogen van anderen, iemands eer te verminderen.”1

Hoewel deze passage lijkt te gaan over het opzet dat een verdachte/dader moet hebben, zegt het ook iets over de inhoud van wat als beledigend gezien kan worden, namelijk een uiting waarmee iemands eergevoel gekrenkt wordt of iemands eer, in de ogen van anderen verminderd wordt.

10. In de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt voor de beoordeling van de vraag of een uiting beledigend is ook aangeknoopt bij ‘de eer en goede naam’. Een uitlating of een gebaar moet als beledigend worden beschouwd, indien zij de strekking hebben die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. 2 Het oordeel of daarvan sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.”3

11. Wat moet nu verstaan worden onder de wat abstracte termen “eer en goede naam”? Sackers vat het als volgt samen: “Eer en goede naam, waardigheid en eigenwaarde zijn onbepaalde, moeilijk te omschrijven begrippen. Ze worden meestal aangeduid als het respect waarop een mens aanspraak mag maken.”4 Janssens merkt op dat bij eenvoudige belediging het accent ligt op de erkenning van iemands waardigheid als burger en op de erkenning die iemand in het maatschappelijk verkeer toekomt.5 Deze erkenning geeft iedereen aanspraak op een respectvolle bejegening. Miskenning daarvan levert in beginsel het delict eenvoudige belediging op.6 In Noyon-Langemeijer-Remmelink wordt erop gewezen dat het op denigrerende, minachtende, wijze spreken over iemands intellectuele of lichamelijke eigenschappen ook kan getuigen van het ontbreken van respect voor de mens als geheel.7

12. Terug naar onderhavige zaak. Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat verdachte, die zelf niet stottert, luid en duidelijk en verstaanbaar voor [betrokkene 1] en enkele medebewoners van het flatgebouw waarin verdachte en [betrokkene 1] wonen, [betrokkene 1] stotterend heeft toegesproken terwijl verdachte en [betrokkene 1] samen met enkele medebewoners van het flatgebouw, in de lift stonden. En verder dat [betrokkene 1] stottert en met dit gebrek ook bekend stond bij de medebewoners. Het Hof heeft onderkend dat de bewoordingen op zichzelf niet beledigend zijn maar geoordeeld dat de hiervoor weergegeven door het Hof vastgestelde context maakt dat sprake is van belediging in de zin van art. 266 Sr. Daarbij heeft het hof ook de verklaring van verdachte ter terechtzitting betrokken dat verdachte de intentie had [betrokkene 1] te kwetsen. Het oordeel van het hof acht ik gezien het hiervoor onder 9, 10 en 11 opgemerkte niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk.

13. Het hof heeft in zijn kwalificatie beslissing slechts vermeld dat het feit “eenvoudige belediging” oplevert. Hoewel er niet expliciet over geklaagd wordt, heb ik mij, naar aanleiding van het middel nog wel afgevraagd of de aan de verdachte verweten gedragingen als ‘mondelinge’ belediging gekwalificeerd moet worden, of dat het stotterend toespreken valt onder een feitelijkheid zoals bedoeld in art. 266 lid 1 Sr, nu het in onderhavige zaak niet gaat om de gebruikte bewoordingen.8 Het krenkende karakter zit hem erin dat de woorden op stotterende wijze worden uitgesproken.

14. Janssens merkt in zijn proefschrift hierover het volgende op:

“Mondelinge belediging is in de eerste plaats de belediging die door middel van verstaanbare en begrijpelijke taal wordt geuit. Hoewel het (grammaticaal) wellicht minder voor de hand ligt, kunnen geluiden of kreten, geen woorden bevattend, echter ook mondeling gedane beledigingen opleveren. Minachting is namelijk ook door middel van geluiden uit te drukken. De wetsgeschiedenis bevat niets, waaruit afgeleid kan worden dat de mondelinge belediging beperkt zou dienen te worden tot voor iedereen verstaanbare en begrijpelijke gesproken woorden.” 9

Daar sluit ik mij bij aan.

15. Het middel faalt.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II; Haarlem, 1891, p. 366 .

2 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, HR 22 december 2009, LJN BK3366, NJ 2010/672, rov. 2.5, HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2007:BD2708 (zie de Conclusie van Vellinga onder punt 7, de HR doet de zaak af met 81 RO) en HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8985, rov. 3.3, hieruit volgt dat het criterium zowel op de mondelinge als door middel van een feitelijkheid aangedane belediging geldt.

3 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, HR 22 december 2009, LJN BK3366, NJ 2010/672, rov. 2.5.

4 H.J.B. Sackers, ‘Wat je zegt ben je zelf’, Delikt en Delinkwent 2005 afl. 5/35, p. 516. Zie Machielse in Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 3 uit de Inleidende beschouwing bij Titel XVI Belediging.

5 A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Thela, Thesis 1998, Amsterdam, p. 388, F. Janssens, ‘Vloeken, schelden en schimpen’, Justitiële verkenningen 2003-3, p. 41 en A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Kluwer 2011, Deventer, p. 98.

6 A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Kluwer 2011, Deventer, p. 98 en F. Janssens, ‘Vloeken, schelden en schimpen’, Justitiële verkenningen 2003-3, p. 41.

7 Zie Machielse in Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 3 uit de Inleidende beschouwing bij Titel XVI Belediging.

8 Het (onder meer) op spottende wijze uitlachen van een kapitein van de Infanterie in uniform gekleed werd door de politierechter gekwalificeerd als belediging door feitelijkheden. De verdachte in die zaak had tijdens een onderhoud met de betreffende kapitein olienootjes gepeld en gegeten en gelachen, Politierechter Assen, 16 november 1938, NJ 1940/374. Spugen naar iemand wordt eveneens als feitelijkheid gekwalificeerd. Bijvoorbeeld: HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278 en HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:AU5757.

9 A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Thela, Thesis 1998, Amsterdam, p. 233.