Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2320

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12/01884
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:176, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01884

Zitting: 26 november 2013 

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 5 april 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens de zaak met parketnummer 16-102247-10 onder 1 en in de zaak met parketnummer 16-209034-10 onder 1 ter zake van “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 4 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot een geldboete van € 900,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis waarbij het Hof heeft bepaald dat de geldboete mag worden voldaan in 3 termijnen van 1 maand, elke termijn groot €300,-.

2. Mr. W. Mijnders, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel in samenhang met de toelichting gelezen klaagt dat het Hof bij zijn verwerping van het verweer tot vrijspraak ten aanzien van hetgeen verdachte onder parketnummer 16-102247-10 is tenlastegelegd, heeft miskend dat een rijontzegging pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat aan de verdachte op grond van 180 WVW 1994 in persoon de beslissing waarbij die OBM is opgelegd, is betekend conform artikel 587 en 588 Sv.

4. De bewezenverklaring in deze zaak houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

“Ten aanzien van parketnummer 16-102247-10:

hij op 6 mei 2010 te Utrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Prins Bernhardlaan, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.

Ten aanzien van parketnummer 16-102247-10:

1. het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie opgemaakte proces-verbaal, als bijlage gevoegd bij het hiervoor onder 1 vermelde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant, blz. 8 en 9, zakelijk weergegeven:

Bevindingen

Op 6 mei 2010 zag ik dat een man als bestuurder van een personenauto reed over de rijbaan van de voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg, de Prins Bernhardlaan te Utrecht.

Ter controle op de juiste naleving van de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet gaf ik de bestuurder een stopteken, waaraan hij voldeed.

Ik vorderde van deze bestuurder mij ter inzage af te staan het op zijn naam gesteld geldig rijbewijs. De bestuurder overhandigde mij een op naam staand rijbewijs. Daarnaar gevraagd gaf de bestuurder mij op te zijn genaamd:

Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1911

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Bij portofonische navraag bij de meldkamer werd mij mede gedeeld dat deze bestuurder een ontzegging van de rijbevoegdheid had. Hierop heb ik de bestuurder aangehouden.

Controle rijbewijs

Bij navraag bleek dat aan verdachte een rijbewijs categorie B/AM onder nummer [001] is afgegeven.

Tevens bleek bij navraag bleek dat de verdachte een volledige ontzegging van de rijbevoegdheid heeft voor een periode van 4 mei 2010 tot 31 oktober 2010, opgelegd door het Gerechtshof te Arnhem onder parketnummer 0000435408.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van CRB gegevens, als bijlage gevoegd bij het hiervoor onder 1 vermelde proces-verbaal, blz. 14, zakelijk weergegeven:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [voornaam verdachte]

Geboorte datum: [geboortedatum]/1977

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Rijbewijsnummer: [001]

Registratiedatum: 19 april 2010

Gevorderde inleverdatum: 4 mei 2010

Parketnummer: 0000435408

Ontzeggingen: 4/5/2010 tot 31/10/2010

Ontzeggingstermijn: 6 maanden

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 1 Wetboek van Strafvordering, te weten een extract arrest van het gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem de dato 3 februari 2009 onder parketnummer 21-004354-08:

Parketnummer 21-004354-08”

4. Een akte van uitreiking ontzegging rijbevoegdheid de dato 13 april 2010 in persoon aan verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], aspirant van politie, zakelijk weergegeven:

Akte van uitreiking van de gerechtelijke brief van de advocaat-generaal, genummerd als hieronder en bestemd voor:

Parketnummer 21-0004354-08

Naam: [verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats]

De hierboven gerechtelijke brief heb ik op 13 april 2010 te 14.00 uur te Utrecht uitgereikt aan de geadresseerde in persoon.”

6. De raadsman heeft blijkens het proces verbaal van de terechtzitting het volgende aangevoerd:

“Over de overtreding van 15 augustus 2010 (met parketnummer 16-209034-10) kan ik kort zijn. Voor deze overtreding kan een straf opgelegd worden. Maar voor de overtreding de dato 6 mei 2010 (met parketnummer 21-102247-10) ligt het mijns inziens anders. Welke verbalisant heeft nu stukken bij zich die betekend moeten worden aan een veroordeelde? De normale gang van zaken zou zijn dat [verdachte] mee zou gaan naar het bureau, waar de stukken aan hem betekend kunnen worden. In casu is er enkel op een verkeersboete aangetekend dat aan mijn cliënt stukken zijn uitgereikt in verband met een onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof Arnhem. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden op 17 november 2009. Het gaat er bij mij echt niet in dat dergelijke stukken via een Tobias-formulier worden uitgereikt. Daar komt bij dat mijn cliënt naar de rechtbank belt en dat dan blijkt dat de ontzegging al ingegaan zou zijn. De ingangsdatum van de rijontzegging staat op 4 mei 2010, maar dan moetje toch eerst duidelijkheid" hebben of er wel correct is betekend? Volgens mij kan dit niet via een Tobias-formulier. In feite komt het in casu neer op de vraag of het hof oordeelt dat het juist is dat een aantekening op een Tobias-formulier met zich mee brengt dat er juist is betekend. Ik zie hier wat wrijving. In feite kan geconcludeerd worden dat mijn cliënt op 6 mei 2010 heeft gereden tijdens een ontzegging. Maar er moet gekeken worden naar de feiten. Mijn cliënt wist op dat moment niet van de rijontzegging. Ik verzoek u mijn cliënt het voordeel van de twijfel te geven en hem vrij te spreken voor het feit met parketnummer 21-102247-10.”

7. Het Hof heeft het door de raadsman aangevoerde als volgt samengevat en verworpen:

“Overweging

De raadsman van verdachte heeft een uitvoerig verweer gevoerd met betrekking tot de betekening van het onherroepelijk geworden vonnis van dit gerechtshof de dato 3 februari 2009, inhoudende een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De raadsman bepleit dat verdachte niet op de hoogte kon zijn van deze ontzegging, nu de gerechtelijke brief niet op een gebruikelijke manier aan verdachte is betekend. Het hof constateert dat de behandeling van de zaak met parketnummer 21-004354-08 op 3 februari 2009 op tegenspraak was, nu de ter zitting gemachtigd raadsman is verschenen. Derhalve oordeelt het hof dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd.”

8. In het middel en de toelichting daarop wordt, zoals gezegd aangevoerd dat het Hof heeft miskend dat de tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij aan iemand een OBM is opgelegd, niet geschiedt dan nadat op grond van art. 180 WVW 1994 aan de veroordeelde een schrijven is uitgereikt overeenkomstig art. 587 en art. 588 Sv waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging word medegedeeld.

9. Voor een goed begrip van de zaak neem ik hieronder de relevante wetsbepalingen op. Art. 9, eerste lid van de WVW 1994 luidt:

“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen.”

Art. 180 WVW 1994 luidt, voor zover hier van belang:

"1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.

(...)

3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld."

10. In art. 180 WVW 1994 worden eisen gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de OBM.1 Art. 9 WVW gaat niet over de tenuitvoerlegging maar stelt als voorwaarde voor een bewezenverklaring, dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij (in dit geval) rechterlijke uitspraak een OBM is opgelegd. Hoewel deze wetenschap in de praktijk vaak kan blijken uit het feit dat het schrijven waar in art. 180, derde lid WVW over wordt ‘gesproken’ in persoon is uitgereikt, gaat de eis van art. 9 WVW niet zo ver dat voor een bewezenverklaring vereist is dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het in art. 180, derde lid WVW bedoelde schrijven inhoudt ‘het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot uitlevering van het rijbewijs uiterlijk tot dat tijdstip alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering’.2

11. Als ik het goed zie is op de terechtzitting in hoger beroep aan de orde gesteld dat de verdachte niet wist van de OBM. Niet is gesteld dat de OBM niet in had mogen gaan omdat niet aan de voorwaarden van art. 180 WVW was voldaan. Dit is van belang om de overweging van het Hof in de juiste context te kunnen plaatsen. Mijns inziens blijkt uit niets dat het Hof de in art. 180, derde lid WVW 1994 neergelegde bepaling, heeft miskend. Reeds om die reden faalt het middel.

11. Ik heb mij naar aanleiding van het middel nog afgevraagd of de verwerping van het aangevoerde begrijpelijk is. Het Hof heeft het verweer verworpen door te stellen dat de behandeling van de zaak met parketnummer 3 februari 2009 op tegenspraak was, nu de ter zitting gemachtigd raadsman is verschenen en de verdachte daarom wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Strikt genomen eist art. 9 WVW 1994 ook geen wetenschap van de datum van ingang van de OBM maar wetenschap van de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking waarbij de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd.3 In deze context is de redenering van het Hof niet onbegrijpelijk. Overigens is dit een theoretische kwestie, nu in onderhavige zaak blijkt dat het Hof het aangevoerde om een andere reden heeft verworpen en heeft kunnen verwerpen.

13. Ter terechtzitting heeft het Hof mondeling de korte inhoud van het volgende stuk medegedeeld, waaronder:

“Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 1 Wetboek van Strafvordering, te weten een extract van het gerechtshof te Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem de dato 3 februari 2009 onder parketnummer 21-004354-08, met akte van uitreiking ontzegging rijbevoegdheid de dato 13 april 2010 in persoon aan verdachte”

14. Uit de hiervoor onder 5. aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat het hof deze akte van uitreiking voor het bewijs heeft gebruikt. Dit is een extract van het arrest waarbij de OBM is opgelegd.

15. Voorts blijkt dat is uitgereikt een gerechtelijke brief van de advocaat-generaal met als nummer 21/0004354-08. Deze brief, houdt onder meer in:

“Dat hem bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Amsterdam, nevenvestigingsplaats Arnhem, van 3 februari 2009 – onder meer – de bevoegdheid is ontzegd om motorrijtuigen – waaronder begrepen alle bromfietsen – te besturen voor de duur van 180 dagen.
Dat voormelde ontzegging zal ingaan op de 21e dag na betekening van dit schrijven om 00.00 uur.
Dat hij veroordeelde, krachtens de wet, verplicht is het (de) aan hem afgegeven rijbewijs (rijbewijzen) – voor zover dit/deze op het tijdstip van de ingang van de ontzegging niet reeds is/zijn in gevorderd en niet is/zijn teruggegeven – uiterlijk op voornoemd tijdstip te hebben ingeleverd op mijn parket, bezoekadres: (…)”

16. Het Hof heeft ter terechtzitting over het stuk gedateerd 13 april 2010 nog het volgende opgemerkt:

“In het dossier zit ook een stuk, gedateerd 13 april 2010, wat de opsporingsambtenaar dient in te vullen wanneer hij een gerechtelijk stuk betekend heeft. Het Tobias-formulier is aangehecht. Tevens zit er een brief d.d. 14 mei 2010 van het Arrondissementsparket Utrecht bijgesloten waarin staat dat de politie uw rijbewijs heeft ingevorderd naar aanleiding van een openstaande ontzegging onder parketnummer 21-004354-08. Het arrondissementsparket Arnhem bevestigt voor ontvangst.”

Het stuk waar het Hof in zijn hiervoor weergegeven overweging op doelt, gedateerd 13 april 2010, bestaat uit 3 pagina’s en houdt in een akte van uitreiking waarin de verbalisant verklaart dat hij de hiervoor geciteerde brief op 13 april 2010 aan de verdachte heeft uitgereikt. Voorts houdt het in een formulier waarop staat “De in deze akte bedoelde gerechtelijke brief is aan mij uitgereikt. (handtekening veroordeelde)”waar met pen onder geschreven is: “Zie Tobias als bijlage!” Op de hier kennelijk bedoelde bijlage staat onder meer: “Betekening: 21/0043554-08”met daaronder een handtekening van naar ik aanneem de verdachte.

17. Kennelijk heeft het Hof het door de verdediging aangevoerde – dat de verdachte van niets wist en er niet betekend zou zijn – verworpen door zijn vaststelling dat zich, naast het door de verdediging genoemde Tobias formulier, bij de stukken een akte van uitreiking bevindt. Terwijl voorts blijkt dat in de uitgereikte brief staat wanneer de OBM in zou gaan.

18. Het middel faalt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waarbij zij opgemerkt dat het bewijs dat het schrijven aan de verdachte in persoon is uitgereikt, niet perse en alleen geleverd kan worden door middel van een akte van uitreiking. HR 25 januari 2011, ECLI:HR:NL:BO6762.

2 HR 1 juni 2010: ECLI:NL:HR:2010:BL3181, rov. 3.5.

3 Zie wederom HR 1 juni 2010: ECLI:NL:HR:2010:BL3181, rov. 3.5.