Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:23

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
13/01895
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:699, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek tot opheffing faillissement onder uitspreken toepassing schuldsaneringsregeling en vaststelling duur schuldsanering, art. 15b Fw. Toepasselijkheid rechtsmiddelenverbod art. 15c Fw. Beslissing in de zin van Titel III Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/447
JWB 2013/429
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/01895

Mr. L. Timmerman

Zitting 14 juni 2013

Conclusie inzake:

1. [verzoeker 1],

2. [verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Bij inleidende verzoekschriften van 29 mei 2012 hebben verzoekers de rechtbank Den Haag verzocht hun in september 2010 uitgesproken faillissementen op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.2 De curator heeft positief geadviseerd over de verzoeken en heeft eveneens geadviseerd de looptijd van de schuldsaneringsregelingen te verkorten met de periode waarin verzoekers conform de Recofa-Richtlijnen hebben afgedragen, te weten vanaf 1 januari 2011.

1.3 Bij vonnis van 30 november 2012 wees de rechtbank de verzoeken tot opheffing van de faillissementen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling toe; de looptijd stelde de rechtbank op drie jaren, te rekenen vanaf de datum van haar vonnis.

Daartoe overwoog de rechtbank dat verzoekers met name door de hypothecaire restschulden een zeer forse schuldenlast (€ 174.551,31) hebben en dat zij een afdrachtplicht hebben van ruim € 2.000 per maand. Indien zij vanaf de datum van het vonnis nog drie jaar afdragen, kunnen zij een groot deel van de schuldenlast voldoen. Gelet op dit gegeven heeft de rechtbank, ondanks dat verzoekers conform de richtlijnen van Recofa vanaf 1 januari 2011 aan de boedel hebben afgedragen, de duur van de schuldsaneringsregeling niet verkort.

1.4 Verzoekers zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. Zij verzochten het hof het vonnis partieel te vernietigen en de looptijd van de schuldsaneringsregelingen te verkorten, primair met de duur van het faillissement, subsidiair met de duur van de periode waarin appellanten onder het VTLB-regime vielen, meer subsidiair met de gebruikelijke termijn van een jaar en meest subsidiair met een in goede justitie te bepalen termijn. Het hoger beroep is op 26 maart 2013 mondeling behandeld.

1.5 Het hof heeft het hoger beroep bij arrest van 4 april 2013 verworpen.

Het Hof oordeelde dat het bestreden vonnis berust op art. 15b jo 284 Fw, waartegen gezien art. 15c Fw geen beroep openstaat. Er is geen sprake van een beslissing op grond van art. 349a lid 3 Fw, waartegen wel beroep openstaat.

Voorts hebben appellanten zich beroepen op schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, zodat zij ontvankelijk zijn in hun hoger beroep. Het hoger beroep faalt echter reeds omdat het gestelde niet of onjuist toepassen van artikel 1.7. van de Recofa-richtlijnen geen schending is van een fundamenteel rechtsbeginsel. Overigens, en ten overvloede is het hof van oordeel dat de rechtbank de haar op grond van artikel 1.7. van de Recofa-richtlijnen toekomende discretionaire bevoegdheid om de duur van de schuldsaneringsregeling te verkorten, op een juiste wijze heeft toegepast. De belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van hun vorderingen betaald te krijgen is ook in het geding en dient te worden afgewogen tegen het belang van appellanten om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. Duidelijk is dat appellanten een substantiële afdrachtmogelijkheid hebben (€ 2.000,- per maand) en dat handhaving van de wettelijke termijn voor de schuldsaneringsregeling een wezenlijke aflossing van de schulden kan realiseren.

1.6 Verzoekers zijn van dit arrest tijdig2 in cassatie gekomen.

2. Beoordeling van de middelen

2.1 Het verzoekschrift bevat vier cassatiemiddelen. Middel 4 bevat een voorbehoud tot aanvulling van de middelen indien het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel daartoe aanleiding geeft. Van dit voorbehoud is geen gebruik gemaakt3.

2.2 Middel 1 komt op tegen de oordelen van het hof in r.o. 4.1 dat het bestreden vonnis berust op art. 15b jo 284 Fw, waartegen gezien art. 15c Fw geen beroep openstaat, en dat geen sprake is van een beslissing op grond van art. 349a lid 3 Fw, waartegen wel beroep openstaat.

Het middel betoogt dat het beroep zich niet richt tegen het vonnis tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling (waartegen inderdaad geen rechtsmiddel openstaat), maar tegen het deelvonnis ten aanzien van de termijn van de schuldsaneringsregeling (waartegen wel een rechtsmiddel behoort open te staan). Het hof had voor de ontvankelijkheid van het beroep geen andere eisen mogen stellen dan zouden gelden voor een zelfstandig verzoek ex art. 349a Fw. Art. 15c Fw is niet van toepassing op een nevenverzoek ex art. 349a Fw.

2.3 De klacht slaagt.

Art. 15b Fw regelt uitsluitend het verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling (“omzettingsverzoek”); bij toewijzing van het omzettingsverzoek wordt de verdere loop van de schuldsaneringsregeling beheerst door Titel III van de Faillissementswet.

Art. 15c Fw hoort volgens de wetgever uit het oogpunt van systematiek thuis in Titel I betreffende het faillissement en is bedoeld als lex specialis van art. 292 Fw4; art. 292 Fw ziet op verzoeken tot toewijzing van een dwangregeling (lid 1) en verzoeken tot toelating tot de schuldsanering (lid 2). Rechtsmiddelen tegen andere gedurende de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling door de rechter te nemen beslissingen worden in andere artikelen van Titel III geregeld; rechtsmiddelen tegen verzoeken tot aanpassing van de looptijd worden geregeld in art. 349a lid 3 jo 351 leden 2-5 Fw.

Het in art. 15c Fw vervatte appelverbod ziet derhalve uitsluitend op de beslissing op het omzettingsverzoek en niet op de door Titel III beheerste inrichting van de schuldsaneringsregeling5. De mogelijkheid tot het toepasselijk verklaren van de schuldsaneringsregeling toetst de rechter alvorens tot omzetting te beslissen aan de toelatingscriteria genoemd in Titel III6.

2.4 Terzijde merk ik nog op dat materieelrechtelijke rechtsmiddelenverboden7 als het onderhavige een uitzondering vormen op de regel van beoordeling in twee feitelijke instanties en daarom strikt moeten worden uitgelegd.

2.5 Door het slagen van het eerste middel zijn de ten overvloede gegeven oordelen in de tweede helft van r.o. 4.2 dragend geworden. Van een appelverbod is dus geen sprake is, waardoor middel 2 (gericht tegen het oordeel van het hof omtrent het beroep op de doorbrekingsgrond schending van fundamentele rechtsbeginselen) belang mist.

Overigens meen ik dat het tweede middel tevens faalt wegens een gebrek aan precisie. Het maakt – ook gelezen in samenhang met het beroepschrift8 – in de vijf volzinnen waaruit het bestaat niet duidelijk waarom door r.o. 4.2 het recht wordt geschonden. Verduidelijking van de klacht lag temeer voor de hand nu art. 1.7 van de Recofa-richtlijnen een discretionaire (“kan”) bevoegdheid tot aanpassing van de looptijd van de schuldsaneringsregeling betreft, en geen dwingend voorschrift of hoofdregel.

2.6 Middel 3 is gericht tegen de ten overvloede gegeven oordelen in de tweede helft van r.o. 4.2, die luiden aldus:

“Overigens, en ten overvloede is het hof van oordeel dat de rechtbank de haar op grond van artikel 1.7. van de Recofa-richtlijnen toekomende discretionaire bevoegdheid om de duur van de schuldsaneringsregeling te verkorten, op een juiste wijze heeft toegepast. De belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van hun vorderingen betaald te krijgen is ook in het geding en dient te worden afgewogen tegen het belang van appellanten om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. Duidelijk is dat appellanten een substantiële afdrachtmogelijkheid hebben (€ 2.000,- per maand) en dat handhaving van de wettelijke termijn voor de schuldsaneringsregeling een wezenlijke aflossing van de schulden kan realiseren.”

Volgens het middel miskent het hof dat de termijn van de schuldsaneringsregeling niet afhankelijk is gesteld van de afdrachtmogelijkheid van de schuldenaar. Het is bijvoorbeeld niet zo dat een schone lei eerst aan de orde is wanneer de schuldenaar een minimum percentage van de schulden bij elkaar heeft gespaard. Art. 288 lid 4 en art. 350 lid 3 sub b Fw wijzen dan ook in een andere richting dan het door de rechtbank en het gerechtshof geschapen criterium van de afdrachtmogelijkheid van de schuldenaar. De wetgever heeft een termijn gesteld waarbinnen van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling, waar tegenover staat dat de natuurlijke persoon die in een uitzichtloze financiële situatie terecht is gekomen de kans krijgt om weer met een schone lei verder te gaan. De duur van drie jaar is een termijn waarbij de schuldenaar zicht heeft op het licht aan het einde van de tunnel. Weliswaar heeft de rechter een zekere discretionaire bevoegdheid, maar met het maken van richtlijnen beperkt de rechter zijn vrijheid.

2.7 Het middel miskent dat de standaard looptijd van de schuldsaneringsregeling, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van die regeling (art. 349a lid 1 Fw), door de wetgever op drie jaar gesteld is. Niet betwist wordt dat rechtbank en hof die standaardtermijn ook hebben gehanteerd; het is dan onjuist om de casus in de sleutel van verlenging te plaatsen (hetgeen de verwijzing naar art. 288 en 350 Fw impliceert9).

Het hof overweegt terecht dat de belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van hun vorderingen betaald te krijgen ook in het geding is en dient te worden afgewogen tegen het belang van appellanten om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. Nu handhaving van de wettelijke standaardtermijn gezien de substantiële afdrachtmogelijkheid van verzoekers meebrengt dat zij een wezenlijk deel van hun schulden zullen aflossen, is in cassatietechnische zin niet onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het belang van de schuldeisers bij handhaving van de standaardtermijn zwaarder weegt dan het belang van verzoekers bij verkorting van die termijn. Uitgangspunt van ons recht blijft immers dat schuldeisers recht hebben op volledige betaling.

2.8 Nu het derde middel faalt, hebben verzoekers geen belang meer bij vernietiging.

Ondanks het slagen van het eerste middel concludeer ik daarom tot verwerping van het cassatieberoep.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover in cassatie relevant. Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank Den Haag van 16 november 2012, het vonnis van deze rechtbank van 30 november 2012, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof Den Haag van 26 maart 2013 en het arrest van dit hof van 4 april 2013.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.

3 Proces-verbaal is op 22 april 2013 door de griffie van het hof aan verzoekers toegezonden.

4 MvT, TK 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 32.

5 Zie impliciet ook B. Wessels, Enkele procedurele kanttekeningen bij het vóórgaan van de schuldsaneringsregeling boven faillissement, TvI 1998/10, p. 217, 2e kolom, onder het midden.

6 MvT, TK 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 31.

7 Zie hierover kritisch F.J.H. Hovens, Het rechtsmiddelverbod en hoe komen we ervan af, PP 2004/4, p. 89.

8 HR 5 november 2010, LJN BN6196 (NJ 2013/124), HR 8 februari 2013, LJN BY2639 (NJ 2013/125) en HR 24 mei 2013, LJN CA0828.

9 Zie ook Beroepschrift, randnrs. 12-13 (A-dossier, stuk 6).