Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2013
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12/02097
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:478, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02097

Zitting: 12 november 2013

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 maart 2011 de verdachte wegens “mensenhandel, in vereniging gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden.

2. Namens de verdachte heeft mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, tijdig het cassatieberoep partieel ingetrokken, “voor zover het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard, alsmede voor zover cliënte van het ten laste gelegde geheel of gedeeltelijk is vrijgesproken”. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 4] (12/01550), [medeverdachte 1] (12/02092) en [medeverdachte 2] (12/01456), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat de rechters die het arrest hebben gewezen niet allen hebben deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting, meer in het bijzonder niet aan het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2012. Daardoor is volgens de steller van het middel art. 350 Sv geschonden, hetgeen nietigheid tot gevolg heeft.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2012 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De verdachte, genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

volgens eigen opgave wonende te [woonplaats].

is verschenen. De raadsman van verdachte, mr. Z. Nahar, advocaat te Amsterdam, is eveneens ter terechtzitting verschenen.

(...)

De voorzitter deelt mede dat het hof thans anders is samengesteld dan tijdens de voorgaande zittingen, omdat de voorzitter onverwacht ziek is geworden. De voorzitter deelt voorts mede dat het hof zal beraadslagen en arrest zal wijzen in dezelfde samenstelling als tijdens de voorgaande zittingen. De voorzitter deelt mede dat in het geval van de verschenen verdachten de behandeling ter zitting zal worden aangehouden indien tegen deze gang van zaken bezwaar bestaat.

De raadslieden en de advocaat-generaal delen mede er geen bezwaar tegen te hebben dat de zitting vandaag plaatsvindt in een gewijzigde samenstelling en dat arrest zal worden gewezen door de samenstelling zoals die was tijdens de voorgaande zittingen.”

5. Art. 415, eerste lid, juncto art. 322, derde lid, Sv voorziet in geval van schorsing van het onderzoek uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond in geval de samenstelling van het hof is gewijzigd en de advocaat-generaal en de verdachte daarmee instemmen. Deze regel impliceert dat het de strafrechter in geval van instemming van de procespartijen is toegestaan mede recht te doen naar aanleiding van een terechtzitting waaraan hij niet heeft deelgenomen. Daardoor wordt volgens de wetsgeschiedenis voorkomen dat proceshandelingen bij wijziging van de samenstelling worden herhaald, tegen de zin van alle betrokkenen.1 De stelling in de toelichting op het middel dat alleen aan het voorschrift van art. 350 Sv kan worden voldaan als de rechters die het arrest wijzen aan het gehele onderzoek ter terechtzitting hebben deelgenomen, wordt dan ook gelogenstraft door de mogelijkheid die de wet biedt het onderzoek na schorsing te hervatten in een gewijzigde samenstelling. De rechtspraak waarin de steller van het middel meent steun voor zijn standpunt te vinden, dateert van vóór de inwerkingtreding van het huidige art. 322, derde lid, Sv en kan de verdachte dan ook niet baten.

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2012 volgt dat de voorzitter, die wegens ziekte was verhinderd, aldaar werd vervangen door een voorzitter die niet aan de overige terechtzittingen had deelgenomen en die evenmin het arrest zou wijzen. De voorzitter heeft de raadslieden ter terechtzitting uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om tegen deze gang van zaken bezwaar te maken. De raadslieden, onder wie de raadsman van de verdachte, hebben ter terechtzitting aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de zitting in een gewijzigde samenstelling zou plaatsvinden en dat het arrest zou worden gewezen door het hof in de samenstelling van de vorige zittingen. Dat betekent dat de hervatting met een tijdelijk gewijzigde samenstelling met instemming van de verdachte heeft plaatsgevonden.

7. Het middel stuit af op de omstandigheid dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting geen bezwaar heeft gemaakt tegen de (tijdelijk) gewijzigde samenstelling. Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 februari 2012 volgt dat de zitting zich heeft geconcentreerd op de vorderingen van de benadeelde partijen, die in cassatie niet aan de orde worden gesteld, en dat aan de verdachten het laatste woord is gegeven. Het laatste woord van de verdachte is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting. Als de verdachte er belang aan hechtte dat alle rechters die het arrest zouden wijzen aanwezig konden zijn bij het uitspreken van het laatste woord, had de verdachte haar instemming kunnen onthouden. Nu zij dat niet heeft gedaan en haar raadsman kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen voortzetting met een (tijdelijk) gewijzigde samenstelling van het hof, kan hierover in cassatie niet met vrucht worden geklaagd.2

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel keert zich tegen de afwijzing door het hof van enkele door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 gedane verzoeken.

10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het volgende heeft aangevoerd:

“Op mijn verzoeken is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Ik heb de volgende (onderzoeks)wensen:

1. Ik verzoek voeging van het gehele Koolvisdossier in de zaak van mijn cliënte. Het onderzoek in de zaak van mijn cliënte en de zaak Koolvis is onderling verweven geweest. Het Koolvisdossier kan daarom van belang zijn voor het voeren van verweren met betrekking tot het onderzoek.

2. Ik wens voorts de afschriften te ontvangen van de correspondentie die wordt gevoerd in de Koolviszaak.

3. Alle getuigen die worden gehoord in de Koolviszaak dienen eveneens in de zaak van mijn cliënte te worden gehoord.

4. Ik verzoek om een contra-expertise naar de leeftijd van [betrokkene 6]. Het oordeel van de deskundige professor Maat wordt door mijn cliënte betwist. Zij heeft geen financiële middelen om zelf een contra-expertise te betalen.

5. Ik verzoek verder om het horen van [betrokkene 6] en haar ouders.

(...)

Ik leg kopieën van documenten over. Het betreft een geboortecertificaat op naam van [alias betrokkene 6] en een paspoort ten name van [alias betrokkene 6]. [betrokkene 6] gebruikt deze namen. Er zitten tegenstrijdigheden in haar verhaal. Ik wil haar daarover ondervragen.”

11. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2010 op de verzoeken van de raadsman beslist en daartoe het volgende overwogen:

“I. Gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken

De door het hof gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van niet verschenen getuigen in hoger beroep laat zich als volgt weergeven:

1.1. Bij tijdig (bij appelschriftuur) ingediende verzoeken (in de zin van artikel 410 lid 3 jo. lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) gaat het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ op, doordat artikel 264 van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

1.2. Oproeping van getuigen kan in een dergelijk geval – door van toepassing verklaring van artikel 288 van het Wetboek van strafvordering (zie artikel 418 lid 1 van Wetboek van Strafvordering) – worden geweigerd indien:

1.2.1. onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;

1.2.2. het – kort gezegd – gegronde vermoeden bestaat van het gevaar van schade aan de gezondheid/veiligheid van de getuige;

1.2.3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.

1.3. Bij niet bij appelschriftuur ingediende verzoeken vormt het ‘noodzakelijkheidscriterium’ (in de zin van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering het beoordelingskader waarbinnen verzoeken dienen te worden beoordeeld (artikel 418 lid 3 jo. artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering).

1.4. Ditzelfde ‘noodzakelijkheidscriterium’ fungeert eveneens als maatstaf indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige/de deskundige waar om wordt verzocht ten overstaan van een rechter (rechter-commissaris of een rechter ter zitting) is gehoord (artikel 418 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).

(...)

In deze zaak is geen appelschriftuur ingediend. De verzoeken zijn eerst gedaan ter zitting van het hof. Dit heeft tot gevolg dat de beoordeling van de verzoeken dient te geschieden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

1. Het hof wijst af het verzoek tot het toevoegen van het gehele Koolvisdossier aan het dossier van verdachte. Nu de zaak van verdachte [verdachte] geen enkel verband houdt met zaken uit het Koolvisonderzoek, heeft de verdediging hierbij geen rechtens te respecteren belang.

2. Het verzoek tot het verstrekken aan de raadsman van afschriften van stukkenwisselingen met betrekking tot de zaak Koolvis, wordt afgewezen, met de hiervoor onder 1 vermelde motivering.

3. Het verzoek tot het horen van alle getuigen die worden toegewezen door het hof in de Koolviszaak, wordt eveneens afgewezen met de onder 1 gegeven motivering.

4. Het verzoek tot het laten uitvoeren van een contra-expertise naar de leeftijd van [betrokkene 6], wordt afgewezen. Er is reeds eerder in de procedure op verzoek van de raadsman op dit specifieke punt onderzoek verricht door een deskundige, te weten professor Maat. Het hof acht het benoemen van een tweede deskundige niet noodzakelijk.

5. [betrokkene 6] is in deze zaak eerder door de rechter-commissaris in het bijzijn van de raadsman van verdachte gehoord. Van de noodzaak tot het horen is het hof – ook niet op grond van wat door de verdediging daaromtrent is aangevoerd – niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.”

12. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het hof de eerste drie verzoeken, die alle verband houden met het onderzoek in de Koolviszaak, heeft afgewezen en daarbij niet het juiste criterium heeft gehanteerd.

13. Het hof heeft overwogen dat de door de raadsman van de verdachte gedane verzoeken moeten worden beoordeeld aan de hand van het ‘noodzakelijkheidscriterium’. Voorts heeft het hof bij de afwijzing van het eerste verzoek, waarnaar het hof bij de beoordeling van het tweede en het derde verzoek eveneens verwijst, overwogen dat de verdediging geen rechtens te respecteren belang heeft bij de verzoeken, omdat de zaak tegen de verdachte geen verband houdt met de zaken uit het Koolvisonderzoek. De steller van het middel leidt uit deze motivering af dat het hof het criterium van het verdedigingsbelang heeft gehanteerd.

14. Het hof heeft overwogen dat de bedoelde verzoeken aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium zijn beoordeeld. Het verzoek van de verdediging tot het toevoegen van stukken afkomstig van de zaak Koolvis aan de processtukken en het verzoek tot het verstrekken aan de raadsman van afschriften van stukken afkomstig uit de zaak Koolvis zijn te duiden als verzoeken om toepassing te geven aan art. 315 Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. Het verzoek tot het horen van alle getuigen die ook in de Koolviszaak zullen worden gehoord, is te duiden als een verzoek tot het horen van getuigen die niet bij appelschriftuur zijn opgegeven. Op alle drie verzoeken is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Door te oordelen dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken, heeft het Hof bij de beslissing op het verzoek de juiste maatstaf aangelegd.3De klacht dat het hof niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd, faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

15. Aan het voorafgaande doet niet af dat het hof heeft overwogen dat de verdediging geen rechtens te respecteren belang heeft bij de verzoeken, omdat de zaak tegen de verdachte geen verband houdt met de zaken uit het Koolvisonderzoek. In dit oordeel ligt immers als 's Hofs oordeel besloten dat de noodzaak tot het inwilligen van de gedane verzoeken niet is gebleken.4 Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van de toepasselijke maatstaf.

16. Het middel behelst voorts de klacht dat de motivering die het hof ten grondslag legt aan zijn beslissing onbegrijpelijk is. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat er wel degelijk een verband is tussen het Koolvisonderzoek en de zaak tegen verdachte.

17. Ik stel voorop dat uit het proces-verbaal van de terechtzittingen van 13 en 14 oktober 2012 blijkt dat de verzoeken die in relatie met het Koolvisonderzoek zijn gedaan slechts zijn onderbouwd met de stelling dat het onderzoek in de zaak van de verdachte en de zaak Koolvis onderling verweven zijn geweest en dat het Koolvisdossier daarom van belang kan zijn voor het voeren van verweren met betrekking tot het onderzoek. In het licht van wat wordt gevraagd, is deze onderbouwing (te) mager en geeft het geen inzicht in welk opzicht inwilliging van de verzoeken zou kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in de zaak tegen de verdachte en op welke verweren de raadsman in dat verband doelt. Evenmin wordt het gestelde verband tussen de zaken onderbouwd. Daarbij merk ik nog op dat bij de stukken van het geding zich een “relaas van onderzoek” van 4 maart 2008 bevindt, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant] (pv nummer 27-308932). Dit proces-verbaal houdt ten aanzien van de verdachte in dat haar zaak afzonderlijk zal worden afgedaan, dat de verdachte zich weliswaar heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, maar dat zij niet kon worden gerelateerd aan de criminele organisatie die in het Koolvisonderzoek centraal staat (p. 12). Het oordeel van het hof begrijp ik aldus, dat de verzoeken worden afgewezen omdat er geen relevant verband bestaat tussen de zaak van de verdachte en de zaken in het Koolvisonderzoek en dat derhalve de noodzaak van inwilliging van de verzoeken niet is gebleken. Het oordeel, dat in hoge mate van feitelijke aard is, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat door de raadsman ter terechtzitting niet is aangevoerd welk verband er tussen de zaken bestond.

18. Het middel behelst voorts de klacht dat het hof het vierde en het vijfde verzoek ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

19. Het hof heeft het verzoek tot het doen uitvoeren van een contra-expertise naar de leeftijd van [betrokkene 6] afgewezen en daartoe overwogen dat er reeds eerder in de procedure op verzoek van de raadsman op dit specifieke punt onderzoek is verricht door een deskundige en dat het hof het benoemen van een tweede deskundige niet noodzakelijk acht. In aanmerking genomen dat de verdediging ter motivering van het verzoek slechts ongemotiveerd heeft aangevoerd dat de verdediging het oordeel van de deskundige betwist, heeft het hof het verzoek toereikend gemotiveerd afgewezen. De klacht faalt.

20. Door de steller van het middel wordt voorts aangevoerd dat de eis van een eerlijke procesvoering met zich brengt dat het hof het verzoek tot het doen uitvoeren van een contra-expertise had moeten inwilligen.

21. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen van contra-expertise gevolg moet worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van -bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.5

22. In de afwijzing door het hof van het verzoek tot het doen uitvoeren van een contra-expertise ligt als zijn oordeel besloten dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, de eis van een eerlijke procesvoering niet meebrengt dat aan het verzoek gevolg moet worden gegeven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het onderzoek door professor Maat heeft plaatsgevonden op verzoek van de verdediging, dat de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 maart 2009 in de gelegenheid is gesteld om de deskundige te ondervragen, dat de verdediging ter motivering van het verzoek slechts heeft aangevoerd dat zij het oordeel van professor Maat betwist, maar heeft nagelaten nader te motiveren op welke gronden zij het oordeel van de deskundige tegenspreekt, en voorts dat het oordeel van de deskundige dat aangeefster jonger dan 18 jaar is steun vindt in de verklaring van [betrokkene 6].

23. Ter motivering van het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] en haar ouders heeft de raadsman aangevoerd dat de verdediging [betrokkene 6] wenst te ondervragen over tegenstrijdigheden in haar verhaal. Ten aanzien van de ouders van [betrokkene 6] heeft de verdediging niets aangevoerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de verdediging tot het horen van de ouders van [betrokkene 6]. Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Het vijfde verzoek van de verdediging behelst een verzoek tot het horen van [betrokkene 6] en haar ouders. Het hof heeft onder 5, ten aanzien van het gehele vijfde verzoek, overwogen dat de noodzaak tot het horen niet is gebleken. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] heeft het hof nog in het bijzonder overwogen dat zij eerder door de rechter-commissaris in het bijzijn van de raadsman van de verdachte is gehoord. Het hof heeft de afwijzing van het verzoek tot het horen van de ouders van [betrokkene 6] niet nader gemotiveerd. In aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte het verzoek tot het horen van de ouders in het geheel niet heeft onderbouwd, was het hof daartoe ook niet gehouden. Het hof heeft aldus ook het vijfde verzoek van de raadsman toereikend gemotiveerd afgewezen. Ook in zoverre faalt het middel.

24. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

25. Het derde middel klaagt dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van een deskundige met betrekking tot het verhoorprotocol ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

26. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2011 blijkt dat de raadsman van de verdachte zich heeft aangesloten bij het verzoek van de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 4] om een deskundige het verhoorprotocol te laten beoordelen. Daartoe is door de raadsman aangevoerd dat alleen de getuigen die aan de hand van het verhoorprotocol zijn gehoord over voodoo hebben verklaard en dat de verdediging zich daarom afvraagt of er een relatie is tussen het verklaren over voodoo en het verhoorprotocol. Door de raadsman van de verdachte is in dit verband aangevoerd dat [betrokkene 6] ook is gehoord met behulp van het verhoorprotocol en dat de verdachte daarom belang heeft bij het beoordelen van het verhoorprotocol door een deskundige.

27. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2011 overwogen dat het bij de beoordeling van het herhaalde verzoek tot het doen van onderzoek door een deskundige naar het verhoorprotocol als maatstaf het noodzakelijkheidscriterium hanteert en dat het verzoek wordt afgewezen omdat het hof een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk acht.

28. De raadsman van de medeverdachte Ektor had reeds eerder ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 in het kader van de betrouwbaarheid van de door de aangeefsters afgelegde verklaringen het hof verzocht het verhoorprotocol door een deskundige te laten onderzoeken. Het hof heeft dit verzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2010 afgewezen en overwogen dat het verzoek tot het horen van een deskundige onvoldoende is gemotiveerd en voorts dat de beoordeling van de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen bij uitstek tot de taak van de rechter behoort. De raadslieden hebben het verzoek van 10 mei 2011, ondanks het oordeel van het hof dat het eerdere verzoek onvoldoende was gemotiveerd, slechts zeer summier onderbouwd. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat het een onderzoek niet noodzakelijk acht toereikend gemotiveerd.

29. Daarbij komt dat niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte bij het middel heeft. Het hof heeft immers de verklaringen van aangeefster voor zover daarin wordt gerept over de voodoorituelen niet betrouwbaar geacht en de verklaringen van de aangeefster in zoverre niet tot het bewijs gebezigd.

30. Het middel faalt.

31. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van aangeefster [betrokkene 6].

32. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2012 gehechte pleitnota volgt dat de raadsman van de verdachte aldaar het volgende heeft aangevoerd:

“De verklaringen van aangeefster

Primair betoogt de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 6] onbetrouwbaar zijn. De aangeefster claimt te zijn [betrokkene 6] oftewel [betrokkene 6], geboren [geboortedatum] 1992, te [geboorteplaats]. Zij heeft een broer [betrokkene 24]. Volgens de in eerste aanleg ingebrachte kopie paspoort, zou zij echter zijn [alias betrokkene 6], geboren [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]. De verdediging stelt dat zij met dit paspoort, waarvan de echtheid overigens niet vast te stellen is, Europa zou zijn in gereisd.

Opmerkelijk daarbij is het geboortecertificaat van [alias betrokkene 6]. De verdediging begrijpt uit deze stukken dat de echte naam van aangeefster zou zijn [alias betrokkene 6], geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]. Dit wordt verklaard door [betrokkene 24] die zegt de broer te zijn van [alias betrokkene 6].

Aangeefster zegt tegen de politie dat haar moeder is overleden en dat zij met haar vader en broer in een huis woonde en verder met niemand contact had. Uit bijgaande familiefoto blijkt echter dat zij mogelijk met veel meer mensen woonde en in ieder geval met veel meer mensen contact had.

[betrokkene 6] (als dat inderdaad haar naam is) verklaart dat zij een voodoo-ritueel zou hebben ondergaan bij de moeder van cliënte. Haar moeder, [getuige 4], verklaart echter christelijk te zijn, niets met voodoo te maken te hebben en dat [betrokkene 6] niet bij haar over de vloer is geweest. [getuige 4] is niet aangemerkt als verdachte in dit onderzoek.

Het door haar beschreven ‘voodoo-ritueel’ behelsde het drinken van een cola-mixdrankje in een kopje. Deze gang van zaken verschilt aanzienlijk van de gang van zaken bij andere getuigen, waaronder de ‘ervaringsdeskundige’ beschrijven. Zij spreken over sessies met scheermesjes bij een voodoopriester. De verdediging heeft vraagtekens bij de verklaringen van [betrokkene 6].

Maar ook de politie heeft die. Getuige [getuige 22], de politieman die haar heeft gehoord, zegt uitdrukkelijk hij niet denkt dat alles wat [betrokkene 6] heeft verklaard de waarheid is. Het stuk over het overlijden van haar moeder “kan niet kloppen”. Hij weet ook niet of het voodooritueel daadwerkelijk zo gegaan is en in het verhaal over de verkrachting in Nederland zitten naar zijn idee “onduidelijkheden”. Haar verhaal komt onnatuurlijk over, meent [getuige 22], en hij denkt dat ze eigenlijk al in de prostitutie hier in Nederland zat, maar dat verzwijgt.

De anonieme ervaringsdeskundige zeg bij de rechter-commissaris dat [betrokkene 6] tegen haar zei dat ze in feite ouder was maar van een mevrouw in Amsterdam een lagere leeftijd aan de politie moest opgeven. [betrokkene 6] verklaart bij de politie dat ze zei dat ze twaalf was omdat ze dan hoopte in Nederland te kunnen blijven.

Gelet op die tegenstrijdigheden en vraagtekens, de tegenstrijdigheden aangaande haar identiteit zoals ook in eerste aanleg naar voren gebracht, de voordelen die voor haar aan de B9-procedure zitten en de voordelen die zij heeft als zij zich als minderjarige presenteert meent de verdediging nu dat de gehele verklaring van [betrokkene 6] in twijfel moet worden getrokken en niet als bewijs mag meewerken. Hieruit volgt zoals betoogd vrijspraak. U zult zich moeten afvragen of het verhaal wel klopt, of dat hier een Nigeriaanse die werk zocht en vond in de prostitutie in Amsterdam, om opportunistische redenen een bepaald verhaal vertelt aan de politie dat niet klopt.”

33. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting voorts nog het volgende aangevoerd:

“Van het gesprek van Happy met de ervaringsdeskundige of de dominee is geen gespreksverslag gemaakt. Er is dus niet te controleren of er sprake is geweest van beïnvloeding van Happy. Happy heeft wisselend verklaard. Haar verklaringen mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.”

34. Het hof heeft in zijn arrest bij de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen die met behulp van het verhoorprotocol zijn verkregen, ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster het volgende overwogen:

“Zoals hierboven is overwogen kunnen de geconstateerde tekortkomingen gevolgen hebben voor beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door het vermeende slachtoffer afgelegde verklaringen. Onderzocht zal moeten worden of de afgelegde verklaringen de toets van betrouwbaarheid kunnen doorstaan. Dit onderzoek is door het hof gedurende de beraadslaging nauwgezet verricht. Het resultaat van dit onderzoek is dat het hof de afgelegde verklaringen niet op alle punten betrouwbaar acht. Met name waar in de verklaringen wordt gerept over het toepassen van voodoorituelen kan niet worden vastgesteld of deze verklaringen overeenkomstig de waarheid zijn, dan wel slechts zijn afgelegd omdat in de voorgesprekken met derden voodoo uitdrukkelijk en bij herhaling aan de orde is gebracht. Daarnaast blijkt de toepassing van voodoo ook onvoldoende uit andere bewijsmiddelen. Dit leidt ertoe dat het hof tot deelvrijspraken komt van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op voodoopraktijken. Voor het overige zal het hof slechts die delen van de verklaringen van aangeefster gebruiken waarvan het de overtuiging heeft bekomen dat die betrouwbaar zijn, hetzij omdat onwaarschijnlijk is dat die verklaringen slechts zijn afgelegd ten gevolge van beïnvloeding door derden, hetzij omdat die verklaringen passen bij en/of voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.”

35. Het hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

“Overige bewijsoverwegingen

Het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in de aanvulling op dit arrest zijn opgenomen. Er is geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder wordt nog het volgende overwogen:

De verklaring van [betrokkene 6] dat zij in de prostitutie is gebracht en gehouden door verdachte, wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, onder andere door het getapte telefoongesprek d.d. 16 juli 2007 dat verdachte met [betrokkene 6] heeft gevoerd. Verdachte heeft verklaard dat zij [betrokkene 6] (die door verdachte ook wel [betrokkene 6] werd genoemd) kende en dat zij telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 6] over het weglopen van [betrokkene 6]. De telefoon waarmee het gesprek van 16 juli 2007 is gevoerd is bij verdachte aangetroffen en verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat zij die telefoon heeft gebruikt.

Voornoemde bewijsmiddelen weerleggen het verweer van verdachte dat zij niet degene is geweest die het telefoongesprek d.d. 16 juli 2007 met [betrokkene 6] heeft gevoerd. Tevens weerleggen deze bewijsmiddelen het verweer van verdachte dat het bewijsmiddel met betrekking tot de herkenning van de stem van verdachte door de tolk onbetrouwbaar is, aangezien de stemherkenning ook wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De door de raadsman bepleite onjuistheden in de verklaring van [betrokkene 6] zijn niet met feiten onderbouwd en berusten in overwegende mate op speculaties en meningen van derden.

[betrokkene 6] heeft verklaard dat zij jonger was dan 18 jaren ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Het (op verzoek van de verdediging) uitgevoerde deskundigenonderzoek naar de leeftijd van [betrokkene 6] bevestigt deze verklaring van [betrokkene 6]. De uitkomst van het onderzoek is dat met een zekerheid van 95% de leeftijd van [betrokkene 6] gelegen is tussen de 13,5 en 17.6 jaar. Ter zitting in eerste aanleg heeft de deskundige toegelicht dat de kans dat [betrokkene 6] ouder is dan 17,6 jaar 2½ % is. Er is gelet op het voorgaande geen reden om te twijfelen aan verklaring van [betrokkene 6] dat zij jonger is dan 18 jaren.

Dat [betrokkene 6] jonger was dan 16 jaren (zoals strafverzwarend is ten laste gelegd), acht het hof niet bewezen, gelet op de bandbreedte van de door de deskundige genoemde leeftijd van 13,5 tot 17,6 jaar”

36. Het middel mist gedeeltelijk feitelijke grondslag. Het hof heeft immers de verklaringen van aangeefster voor zover daarin wordt gerept over de voodoorituelen niet betrouwbaar geacht en de verklaringen van aangeefster in zoverre niet tot het bewijs gebezigd. Voorts heeft het hof de verdachte vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op (samengevat) ‘de voodoopraktijken’.

37. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter een grote mate van vrijheid toekomt bij het selecteren en waarderen van het bewijsmateriaal. Het hof heeft gedeelten van de verklaringen van aangeefster wel betrouwbaar geacht en voor het bewijs gebezigd. In zoverre is het hof van het door de verdediging ingenomen standpunt afgeweken. Het hof heeft ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster dat zij door de verdachte in de prostitutie is gebracht en gehouden, overwogen dat deze verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder het getapte telefoongesprek van 16 juli 2007 dat de verdachte met aangeefster heeft gevoerd (bewijsmiddel 4). Tijdens dit gesprek vertelt [betrokkene 6] aan de verdachte dat zij van de chef in Duitsland nog niet mag “gaan staan”. De verdachte wordt daarop boos op aangeefster en vraagt schreeuwend of ze helemaal gek is geworden, of ze naar Duitsland is gegaan om de toerist uit te hangen, of aangeefster van plan is om de verdachte op die manier te betalen, dat het een reden is om iemand in elkaar te slaan als men niet kan betalen en dat als aangeefster naar Nederland zou komen en de verdachte haar dan niet in elkaar zou slaan “tot jij blind wordt dan zul je weten dat ik niet door mijn ouders geboren ben”. Ten aanzien van de leeftijd van aangeefster heeft het hof overwogen dat de verklaring van aangeefster dat zij jonger is dan 18 jaar steun vindt in de uitkomst van het deskundigenonderzoek, waaruit volgt dat de leeftijd van aangeefster gelegen is tussen de 13,5 en 17,6 jaar en dat de kans dat aangeefster ouder is dan 17,6 jaar 2½ % is. Voor het overige heeft het hof overwogen dat de door de raadsman bepleite onjuistheden in de verklaring van aangeefster niet met feiten zijn onderbouwd en in overwegende mate berusten op speculaties en meningen van derden. In aanmerking genomen hetgeen de verdediging ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster heeft aangevoerd, is het hof toereikend gemotiveerd van het standpunt afgeweken. Dat het hof in de door de verdediging gestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen geen reden heeft gezien om de verklaringen van aangeefster in haar geheel van het bewijs uit te sluiten, acht ik geenszins onbegrijpelijk.

38. Het middel faalt.

39. Het vijfde middel keert zich tegen de bewezenverklaring.

40. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland, en Duitsland tezamen en in vereniging met anderen,

a. [betrokkene 6] (telkens) door dwang en/of geweld en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 6]; en

b. [betrokkene 6] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 6], terwijl [betrokkene 6] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt; en

c. [betrokkene 6] heeft mede genomen en heeft aangeworven met het oogmerk [betrokkene 6] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling; en

c. [betrokkene 6] heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling terwijl [betrokkene 6] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt; en

f. opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 6]; en

g. opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van een ander ([betrokkene 6]) met of voor een derde tegen betaling, terwijl [betrokkene 6] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt; en

immers heeft zij, verdachte en/of haar mededaders toen aldaar, met voormeld oogmerk en opzettelijk

- voor [betrokkene 6] een paspoort (ten name van [alias betrokkene 6]) geregeld teneinde vanuit Nigeria naar Nederland te kunnen reizen en

- [betrokkene 6] verteld dat zij, verdachte, [betrokkene 6] naar school zou sturen en

- [betrokkene 6] haar paspoort – bij of voor aankomst in Nederland – laten verscheuren en weggooien en

- [betrokkene 6] in Nederland per trein naar Duitsland laten reizen en voor opvang aldaar zorg gedragen en haar daar als prostituee doen of laten werken gezorgd dat [betrokkene 6] die nodige materialen kreeg voor haar werk als prostituee en

- voor [betrokkene 6] in Nederland en Duitsland huisvesting geregeld en

- [betrokkene 6] tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als prostituee in de gaten gehouden / gecontroleerd en

- [betrokkene 6] gedwongen om (een deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte en/of haar mededader(s) af te staan en

- [betrokkene 6] gedwongen, om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en

- [betrokkene 6] gedreigd in elkaar te slaan.”

41. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

42. Uit de bewijsmiddelen kan in elk geval worden afgeleid dat de verdachte tezamen en in vereniging heeft gehandeld met een Nigeriaanse man die zei [betrokkene 25] te heten. Volgens de verklaring van [betrokkene 6] heeft hij haar naar het vliegveld in Lagos gebracht en is hij met haar naar Nederland gevlogen. Daarnaast heeft hij haar in Nigeria voorzien van een paspoort met daarin de foto en de naam van een ander persoon. Bij aankomst in Nederland heeft [betrokkene 25], na het passeren van de douane, [betrokkene 6] opgedragen om haar paspoort te verscheuren en heeft hij haar vervolgens naar het huis van de verdachte gebracht (bewijsmiddel 1). Uit bewijsmiddel 1 kan worden afgeleid dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 25]. [betrokkene 6] verklaart daarin dat de verdachte haar in Nigeria heeft benaderd om te vertrekken naar Nederland en dat de verdachte haar vertelde dat iemand anders [betrokkene 6] zou komen ophalen en zou meenemen naar de woning van de verdachte.

43. Ook de verklaring van [betrokkene 6] over de Nigeriaanse vrouwen [betrokkene 26] en [betrokkene 27] duidt op een bewuste en nauwe samenwerking (bewijsmiddel 2). [betrokkene 6] verklaart dat de verdachte besloot dat zij naar Duitsland moest gaan en dat de verdachte zei dat [betrokkene 26] en [betrokkene 27] op [betrokkene 6] zouden wachten. [betrokkene 26] en [betrokkene 27] hadden tegen de verdachte gezegd dat [betrokkene 6] met de trein moest gaan. De beide vrouwen hebben [betrokkene 6] op het treinstation in Duitsland opgewacht en meegenomen naar “de plaats waar mensen in de prostitutie werken”. [betrokkene 6] moest in de prostitutie werken om de ‘schuld’ aan de verdachte terug te betalen. In die tijd had zij telefonisch contact met de verdachte. De verdachte stuurde een mobiele telefoon, die [betrokkene 26] en [betrokkene 27] haar overhandigden.

44. Aldus kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en anderen en daarmee dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft gehandeld.

45. De klacht faalt.

46. Het middel behelst voorts de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat door de verdachte jegens [betrokkene 6] geweld is gebruikt. Vooropgesteld moet worden dat het in dezen gaat om een bewezenverklaring van medeplegen en dat daarvoor niet is vereist dat iedere medepleger geweld heeft toegepast. Het hof heeft ook in dit opzicht het bewezen verklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Het hof heeft een verklaring van de aangeefster voor het bewijs gebruikt, inhoudende: “Ik kreeg geld voor het werk en ik werd geslagen” (bewijsmiddel 2). Het hof heeft de verklaring van aangeefster dat zij werd geslagen kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat zij door één of meer van de mensen voor wie zij werkte werd geslagen. Ook in zoverre faalt het middel.

47. Het middel faalt.

48. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

49. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Kamerstukken II 2001/02, 28 477, nr. 3.

2 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2012:BY0066) vóór HR 13 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0066), in welke zaak de verdediging in eerste instantie bezwaar had gemaakt tegen de gewijzigde samenstelling, maar uit de proceshouding van de raadsman toch de volledige instemming kon worden afgeleid.

3 HR 25 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4575, rov. 3.4.

4 Zie HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2966, NJ 2011/313 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3.1.

5 HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2104, NJ 2008/169 m. nt. Buruma en HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/514 m. nt. Mevis.