Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2257

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
12/03897
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:31, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Samenstelling Hof. Inwinnen van inlichtingen ex art. 83 RO. Op grond van de inhoud van de brief van één van de raadsheren die het arrest heeft gewezen, moet het ervoor worden gehouden dat het pv van de tz. in h.b. ten aanzien van de samenstelling van het Hof een misslag bevat. De HR leest het p-v met verbetering van die misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03897

Mr. Harteveld

Zitting 5 november 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 19 maart 2012 wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar. Voorts is van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf de proeftijd met een jaar verlengd.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak is gewezen door andere raadsheren dan degenen die bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig waren en dat de beslissing van het Hof daarom niet in stand kan blijven.

3.2. In hoger beroep is de zaak op 5 maart 2012 inhoudelijk behandeld en naar aanleiding van dat onderzoek ter terechtzitting is arrest gewezen. Het proces-verbaal van die terechtzitting in hoger beroep houdt in dat als raadsheren aanwezig waren: mr. N.F. van Manen, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. H.A. Holthuis. De bestreden uitspraak vermeldt echter dat het arrest is gewezen door mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. N.F. van Manen en mr. J.W.H.G. Loyson.

3.3. De raadsheren die het arrest wijzen dienen dezelfde te zijn die blijkens het proces-verbaal van de zitting aan het onderzoek ter terechtzitting en tevens aan de beraadslaging in raadkamer hebben deelgenomen.1 Dat blijkt in de onderhavige zaak niet uit de stukken, terwijl van de juistheid van die stukken dient te worden uitgegaan. Aangenomen moet derhalve worden dat aan voormelde eis niet is voldaan. Dit vormverzuim is zozeer in strijd met de eisen van een behoorlijke procesvoering dat dit tot nietigheid van de bestreden uitspraak dient te leiden.2

3.4. Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, ad art. 357 Sv, aant. 4.

2 Vgl. HR 11 juni 1974, NJ 1974/482 en HR 24 juni 1975, NJ 1976/38 met andersluidende conclusie van Advocaat-Generaal Kist die tot verwerping concludeerde omdat het kennelijk een typefout betrof. Een vergelijkbare fout leidde niet tot ambtshalve cassatie in HR 13 februari 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ3281, waarbij de Hoge Raad in het midden laat of het een vergissing betrof.