Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
12/02707
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:22, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De vaststelling dat verdachte blijkens een hem betreffend UJD d.d. 21 maart 2012 “al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit”, is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld UJD daarvoor geen steun biedt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02707

Mr. Wortel

Zitting 5 november 2013

conclusie inzake

(vervroegd van 17 december 2013) [verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 20 april 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage, waarbij de verdachte wegens (parketnummer 10-692192-10 onder 1) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, (parketnummer 10-692192-10 onder 2 en parketnummer 10-702201-10) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en (parketnummer 10-692192-10 onder 3) “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 70 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 dagen hechtenis, met beslissingen aangaande de vordering van een benadeelde partij als in het arrest vermeld.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. W. Anker, advocaat te Breda, middelen van cassatie voorgesteld.

2.1 Het eerste middel klaagt over de beslissing op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de aanhouding en de daarop volgende fouillering van de verdachte op 23 februari 2012 onrechtmatig zijn geweest, nu er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, dan wel ernstige bezwaren. Derhalve dient al het daaruit voortkomend bewijs te worden uitgesloten, waardoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert, hetgeen zal moeten leiden tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 10-702201-10 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Hieromtrent overweegt het hof dat in de periode kort voor de aanhouding van verdachte door opsporingsambtenaren in verband met meldingen van drugsoverlast aandacht is besteed aan het portiek waaraan de [a-straat 1] is gelegen. Daarbij werd op 12 februari 2010 geconstateerd dat een aantal personen het portiek voor korte tijd bezochten. Ëén daarvan was de verbalisanten bekend als drugsverslaafde, terwijl een ander zich onmiddellijk na zijn bezoek aan het portiek begaf naar de gebruikersruimte voor "drugsverslaafden" aan de Moerkerkestraat. Uit een pv van 18 februari 2010 blijkt dat de eigenaar van het betrokken perceel, kort vóór 17 februari 2010 in het pand was geweest en daar een man had aangetroffen, [betrokkene] genaamd, die in genoemd pand al eerder - op 29 april 2009 - in dezelfde woning was aangetroffen terwijl in die woning tevens gebruikersspullen voor cocaïne aanwezig waren. Op 23 februari 2010 zag verbalisant [verbalisant], op dat ogenblik belast met de observatie van pand [a-straat 1], verdachte het pand binnengaan en 2 minuten later weer verlaten, waarna hij het signalement van die persoon aan zijn collega's verschafte en de verdachte werd aangehouden.

Op grond van de genoemde in processen verbaal omschreven feiten en omstandigheden hebben de verbalisanten een redelijk vermoeden van schuld aan Opiumwetdelicten ten aanzien van verdachte kunnen vaststellen. Gezien de observaties met betrekking tot het betrokken perceel en de handelingen van verdachte was niet onaannemelijk dat hij zich met handel in harddrugs inliet. Op grond daarvan konden de verbalisanten menen dat er ernstige bezwaren tegen verdachte waren die het toepassen van dwangmiddelen tegen hem, zoals fouillering, rechtvaardigden.”

2.2 In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de in deze overwegingen genoemde feiten en omstandigheden geen verdenking jegens de verdachte konden opleveren.

2.3 Dat konden zij wel degelijk. Of op z’n hogenraads (zoals het onlangs in één van de dagbladen werd genoemd): het oordeel van het Hof dat de verbalisanten aan die feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, jegens de verdachte redelijkerwijs een verdenking en ook ‘ernstige bezwaren’ als bedoeld in art. 9, tweede lid, Ow hebben kunnen ontlenen, is niet onbegrijpelijk, en kan in cassatie – verweven als dat oordeel is met waarderingen van feitelijke aard – niet in verdergaande mate worden getoetst.

Het middel faalt.

3.1 Het tweede middel klaagt erover dat het Hof bij de strafbepaling in het nadeel van de verdachte een eerdere veroordeling heeft meegewogen.

3.2 De strafmotivering in de bestreden uitspraak bevat de zinsnede:

“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2012, waaruit blijkt dat de verdachte al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.”

3.3 Een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie met de door het Hof genoemde datum bevindt zich bij de stukken die op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Dit uittreksel vermeldt, naast (de eerste aanleg en het hoger beroep van) de onderhavige zaak, twee veroordelingen:.

- Een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Rotterdam van 15 september 2011, waarin (met vrijspraak van één der tenlastegelegde feiten) acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, is opgelegd ter zake van bij de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven, begaan op 3 juni 2010 en 25 februari 2011. Daarbij is vermeld: “Status Niet onherroepelijk / Rechtsmiddel Verdachte”.

- Een vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 25 november 2011, waarbij de verdachte een werkstraf is opgelegd ter zake van overtreding van art. 30, tweede lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, gepleegd op 10 september 2010. Daarbij is vermeld “Onherroepelijk 25 november 2011”

De in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten zijn begaan op 5 februari 2010 en 23 februari 2010.

Reeds gelet op de pleegdata is het zojuist aangehaalde oordeel van het Hof niet begrijpelijk.

Het middel treft doel, hetgeen tot de na te noemen beslissing zal moeten voeren.

4.1 Het eerste middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

4.2 In verband met het slagen van het tweede middel strekt deze conclusie tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Gravenhage teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G