Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2236

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
12/02497
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:21, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02497

Mr. Harteveld

Zitting 5 november 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 8 mei 2012 de verdachte ter zake van 1. “poging tot doodslag” en 3. - zakelijk weergegeven - verboden bezit van een wapen en van munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden.



Mr. S.M. Krans-Hollander, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verklaringen van getuige/aangever [betrokkene] (wegens onbetrouwbaarheid) niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

3.2. Het bestreden arrest houdt het volgende in, voor zover hier van belang:

“Bewijsverweren en nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd. De verdachte heeft de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten ontkend en hij dient daarvan te worden vrijgesproken. De verklaringen van [betrokkene], die de verdachte heeft aangewezen als degene die op hem schoot, kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd, omdat zij op vele punten tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn, terwijl geen ander bewijsmateriaal voorhanden is. Bovendien heeft [betrokkene] in zijn tweede verklaring medegedeeld dat de derde persoon - die vlak na de schietpartij de woning heeft verlaten en verder onbekend is gebleven - degene is geweest die op [betrokkene] heeft geschoten. In dit verband is het onbegrijpelijk dat de rechtbank in de strafzaak tegen [betrokkene] diens beroep op noodweer heeft gehonoreerd, terwijl zelfs de officier van justitie de verklaringen van [betrokkene] op essentiële onderdelen onbetrouwbaar achtte en het noodweerscenario niet aannemelijk vond. Bovendien staat vast dat [betrokkene] zich eerder aan misdrijven heeft schuldig gemaakt.

Voorts heeft [verbalisant], tactisch rechercheur, bij de raadsheer- commissaris verklaard dat het onaannemelijk is dat het wapen van [betrokkene] is afgegaan zoals [betrokkene] heeft verklaard - namelijk zodanig dat de kogels na het éénmaal of drie maal overhalen van de trekker achter elkaar het wapen hebben verlaten - en dat het sporenpatroon in de woning niet is te rijmen met deze verklaring van [betrokkene]. Aan het feit dat verdachtes DNA is aangetroffen op het vuurwapen dat dichtbij de verdachte in [betrokkene] woning is aangetroffen, kan evenmin bewijskracht worden toegekend, nu de getuige-deskundige Vos bij de raadsheercommissaris heeft verklaard dat het wapen in een plas met bloed afkomstig van meer personen kan hebben gelegen waardoor een mengprofiel kan zijn ontstaan, zodat daardoor kan worden verklaard dat DNA van de verdachte, die immers gewond was geraakt, op het wapen terecht is gekomen.

(…)

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verklaringen die zijn afgelegd door [betrokkene] zijn op onderdelen wisselend en inconsistent. Met de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat [betrokkene] verklaringen daarmee niet geheel of grotendeels onbetrouwbaar en aldus onbruikbaar voor het bewijs zijn, nu deze op hoofdlijnen en in essentie met zodanig onderling afwijkend zijn, dat daaraan geen geloof kan worden gehecht. In de kern komen die verklaringen erop neer dat [betrokkene] kort na binnenkomst in zijn woning is overvallen door twee mannen en dat één van deze mannen, de verdachte, op hem heeft geschoten en daarbij zijn arm heeft geraakt, dat [betrokkene] vervolgens zijn eigen wapen uit een dressoirlade heeft gepakt, met de compaan van de verdachte in een worsteling is geraakt, meermalen beschoten is door de verdachte zelf ook heeft geschoten en in een worsteling met de verdachte de loop van het wapen van de verdachte heeft weggedraaid. Dit laatste sluit aan bij de forensische sporen op het wapen, waarbij DNA van zowel [betrokkene] als de verdachte is aangetroffen. In theorie kan, zoals de raadsvrouw heeft betoogd niet worden uitgesloten dat het DNA-mengprofiel is ontstaan doordat het vuurwapen in een plas bloed heeft gelegen maar dat scenario acht het hof niet aannemelijk omdat op een foto in het dossier op pagina 50 van de plaats waar het desbetreffende wapen op de vloer van de woning is aangetroffen, is te zien dat het wapen zich niet in een plas bloed bevindt.

In de door de raadsvrouw bedoelde tweede verklaring van [betrokkene] lijkt bij oppervlakkige lezing de onbekend gebleven derde persoon als de schutter te worden aangewezen. Die verklaring is op dat punt echter voor verschillende interpretaties vatbaar, terwijl [betrokkene] in andere verklaringen de verdachte ondubbelzinnig als de schutter heeft aangewezen.

(…)

Op grond van het vorenoverwogene kan als voldoende vaststaand worden aangenomen dat de verdachte degene is geweest die als eerste zijn wapen heeft getrokken, dat hij gericht op het lichaam van [betrokkene] heeft geschoten en dat [betrokkene] daardoor genoodzaakt is geweest zich te verdedigen.

De verweren worden derhalve verworpen.”

3.3.1.

Het hof heeft dus overwogen dat de ‘tweede verklaring’ van die [betrokkene] wat betreft de schutter voor verschillende interpretaties vatbaar is, en dat [betrokkene] in andere verklaringen de verdachte ondubbelzinnig als de schutter heeft aangewezen. Volgens de steller van het middel is dat onbegrijpelijk in het licht van het betoog van de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep, kortgezegd inhoudend dat genoemde [betrokkene] in vier verklaringen heeft aangegeven dat de ‘derde man’ (en dus niet de verdachte) degene is geweest die heeft geschoten. Die klacht faalt. De, door de raadsvrouw in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen en in de cassatieschriftuur geciteerde, verklaringen van die [betrokkene] houden geen van alle uitdrukkelijk in dat de ‘derde man’ degene was die op [betrokkene] heeft geschoten. Zij houden enkel in dat één van de twee mannen die bij hem in de woning waren op hem heeft geschoten, maar niet welke van de twee. In die verklaringen lees ik dus niet dat [betrokkene] de ‘derde man’ als de schutter aanwijst. Alleen de zogenaamd tweede verklaring van [betrokkene] zou eventueel zo kunnen worden gelezen. Deze houdt namelijk in dat twee mannen aan [betrokkene] deur kwamen, dat [betrokkene] zag dat “hij” een vuurwapen op hem ([betrokkene]) richtte, dat “hij” [betrokkene] gewoon wilde vermoorden, en dat “die lafaard” gewoon zijn maat heeft laten liggen en is weggerend, terwijl een andere (tot bewijs gebezigde) verklaring van [betrokkene] inhoudt dat die derde man - niet zijnde de verdachte - is gevlucht. In samenhang bekeken zou daaruit dan kunnen worden afgeleid dat de derde man heeft geschoten. Reeds nu genoemde ‘tweede verklaring’ niet uitdrukkelijk inhoudt dat degene die het vuurwapen op [betrokkene] richtte en schoot, ook degene was die zijn maat liet liggen en wegrende, dwingt die verklaring echter niet tot de conclusie dat de derde man heeft geschoten; de inhoud van de verklaring sluit niet uit dat de andere man de schutter was. Het hof heeft gelet daarop niet onbegrijpelijk overwogen dat die verklaring op dat punt voor verschillende interpretaties vatbaar is, en heeft aldus geen andere feitelijke inhoud of strekking aan die verklaring gegeven. Het hof heeft daarom in zoverre aan [betrokkene] verklaringen voorbij kunnen gaan wegens de onbetrouwbaarheid daarvan.

3.3.2.

Dat het hof voorts [betrokkene] verklaringen wel voldoende betrouwbaar heeft geacht (en tot bewijs heeft gebezigd) voor zover deze onder meer inhouden dat de verdachte op [betrokkene] heeft geschoten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Zoals het hof heeft overwogen heeft [betrokkene] in die verklaringen immers de verdachte ondubbelzinnig aangewezen als de schutter, terwijl de (de betrouwbaarheid van) die verklaring in zoverre wordt ondersteund door de DNA-sporen op het wapen dat in [betrokkene] woning is aangetroffen. Daaraan doet niet af dat [betrokkene] heeft verklaard dat hij in een worsteling is geraakt met de derde man. In aanmerking genomen dat de verdachte en de derde man samen bij [betrokkene] in de woning waren en hem hebben bedreigd - hetgeen door de verdediging niet is betwist - zie ik niet hoe een worsteling met één van die twee mannen, het onbegrijpelijk maakt dat de ander [betrokkene] heeft beschoten. Nu die mannen kennelijk samen [betrokkene] hebben overvallen is het immers niet vreemd als de één met [betrokkene] heeft geworsteld en de ander op hem heeft geschoten. De verwerping van het in het middel bedoelde verweer is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, en de bewezenverklaring is dus in zoverre voldoende met redenen omkleed.

3.4. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is geschonden nu het Hof de stukken van het geding niet binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. Dat zou dienen te leiden tot strafverlaging.

4.2. Het cassatieberoep is op 8 mei 2012 ingesteld namens de verdachte, die op dat moment in verband met deze zaak in voorlopige hechtenis werd gehouden. Eerst op 17 januari 2013 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad aangekomen. Dat betekent dat de in dit geval op zes maanden gestelde inzendtermijn met ruim twee maanden is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Ambtshalve merk ik voorts op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook in zoverre is derhalve de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden. Deze overschrijdingen van de redelijke termijn dienen te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.

5.

Overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

6.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG