Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2233

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
12/02257
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:528
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Moord, voorbedachte raad. 2. N-o verklaring b.p. in vordering immateriële schade. Ad 1. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BR2342 en ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de f&o die uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken, rechtstreeks volgt dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Ad 2. Het Hof heeft de n-o verklaring gegrond op zijn oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij heeft het Hof i.h.b. in aanmerking genomen dat de rechtsvraag of verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door b.p. geleden immateriële schade niet eenvoudig te beoordelen valt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat voor vergoeding van dergelijke schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen i.h.a. slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5356 en ECLI:NL:HR:2009:BI8583).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02257

Mr. Spronken

Zitting 5 november 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 6 april 2012 wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren. Tevens heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2. Mr. M.C.W. van der Zanden heeft namens verdachte tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

3. Mrs. G.G.J. Knoops en S.C. Post, advocaten te Amsterdam, hebben namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ook namens de benadeelde partij [benadeelde partij] is door mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, een middel van cassatie ingediend.

5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 04 oktober 2010 in de gemeente Weert opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in het lichaam van genoemde [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:1

“1. De verklaring van [betrokkene 1], afgelegd bij de politie op 6 oktober 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb [slachtoffer] voor het laatst gezien of gesproken op 4 oktober 2010 rond 17.00 of 18.00 uur. Ik ken [verdachte]. Ik (het hof begrijpt: verbalisant) zag dat getuige op de plattegrond de woning van [verdachte] aanwees. Ik zag [verdachte] en [slachtoffer] bij de apotheek. Ze kwamen naar mij en mijn broertje gelopen. [slachtoffer] werd boos. [slachtoffer] en [verdachte] begonnen over en weer te schelden. [verdachte] is toen boos weggelopen. Toen [verdachte] weg was heb ik nog even met [slachtoffer] staan praten. Ik schat dat dit een 5 minuten heeft geduurd. Toen kwam [verdachte] terug. [verdachte] kwam weer naar ons toegelopen. [verdachte] had een mes bij zich. [verdachte] ging voor [slachtoffer] staan en zwaaide met zijn handen. Hij had het mes in z'n rechterhand. Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen: "Als je echt fitti wilt hebben dan moet je om negen uur maar bij de apotheek achter bij het speeltuintje zijn". Vervolgens zag ik dat [verdachte] naar huis liep. Fitti betekent ruzie.

2. De verklaring van [betrokkene 2], afgelegd bij de politie op 11 oktober 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik weet mogelijk iets te vertellen omtrent de steekpartij die op 4 oktober 2010 in de wijk Boshoven in Weert heeft plaatsgevonden. De persoon die is neergestoken is [slachtoffer]. De persoon die verdacht wordt van het neersteken van [slachtoffer] ken ik ook. Dit is [verdachte]. Ik weet dat hij woont op het adres [adres] te Weert, ook in de wijk Boshoven.

Op 5 oktober 2010 heb ik samen met [betrokkene 3] een andere bekende van ons getroffen in het centrum van Weert. Wij hebben daar gesproken met [betrokkene 4]. Bij [betrokkene 4] was zijn vriend genaamd [betrokkene 5].

Ik hoorde dat [betrokkene 4] het navolgende begon te vertellen:

- we waren gisteren avond samen met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte);

- met we bedoelde hij zichzelf en [betrokkene 5];

- [verdachte] had de hele tijd gezegd "ik ga hem straks neersteken";

- met "hem" had [verdachte] bedoeld [slachtoffer];

- dit was omstreeks 20:00 - 20:15 uur die avond geweest;

- vervolgens waren zij alle drie naar huis gegaan;

- omstreeks 22:00 uur had [verdachte] een ping verstuurd naar [betrokkene 4] met als inhoud dat hij hem nu neer had gestoken en dat hij moest gaan zitten en dat hij [betrokkene 4] nog wel zou spreken”.

3. De verklaring van [betrokkene 6], wonende te Weert, afgelegd bij de politie op 4 november 2010 (aanvang 10.10 uur), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Verbalisanten: Wij onderzoeken wat op 4 oktober 2010 gebeurd is in de Narcisstraat in Weert. We hebben vragen over wat er toen gebeurd is.

Antwoord: Het was een ruzie tussen [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) die aangehouden is.

[slachtoffer] en ik zijn samen naar Boshoven gereden. Toen we aankwamen daar, zag ik al drie jongens staan.

Ik zag daar die drie jongens, [betrokkene 7] (het hof begrijpt [betrokkene 7]), [betrokkene 8] (het hof begrijpt: [betrokkene 8]) en [verdachte]. Ik reed iets verder door en zette de auto aan de kant stil. Ik ze. tegen [slachtoffer] "jij blijft zitten". Ik liep naar [verdachte]. [verdachte] was meteen opgefokt. Hij zei: "waar is hij".

Ik zag dat [verdachte] mij voorbij rende in de richting van de auto. [slachtoffer] zag dit en stapte uit. Ze pakten elkaar vast.

Ze probeerden elkaar te steken. Het begon al bij mijn auto. Ik zag die messen heen en weer gaan. [verdachte] en [slachtoffer] bleven maar trekken en duwen en ze kwamen ten val op de weg. Opeens stak [verdachte] [slachtoffer].

Er werd heen en weer gestoken. Dat was op het bovenlichaam.

4. De verklaring van [betrokkene 6], afgelegd bij de politie op 4 november 2010 (aanvang 19.35 uur), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

V: We gaan verder met het verhoor. Op het moment dat jij samen met [slachtoffer] op 4 oktober 2010 ‘s avonds de woning van [slachtoffer] verlaat, wat hebben jullie toen gedaan?

A: We zijn naar mijn auto gegaan en we zijn ingestapt. [slachtoffer] en ik reden Boshoven in. We zagen [verdachte], [betrokkene 7] en [betrokkene 8]. Ik reed een stukje door.

Ik ben uitgestapt. [verdachte] begon al meteen hysterisch te doen. Ik hoorde dat hij zei: "Waar is hij, waar is hij".

[verdachte] had mij al gepingd dat ik die jongen van mij rustig moest houden. Ik heb gezegd via de ping dat we het uit zouden praten en dat er geen gekke dingen zouden gaan gebeuren. Ik heb gestuurd: we komen nu die kant op. Dat was toen we al onderweg waren.

Ik heb tegen [verdachte] gesproken, maar hij luisterde niet. Hij keek mij niet eens aan. Ik had al extra de auto wat verder doorgereden zodat hij [slachtoffer] niet zou zien. Hij schreeuwde echter alleen maar: "waar is hij".

[verdachte] rende via de straat richting mijn auto en riep steeds waar is die.

[verdachte] liep helemaal door tot aan het rechter portier van de auto. [slachtoffer] stapte uit maar bleef staan bij de auto. [verdachte] liep door tot aan de deuropening van de auto. Ze pakten elkaar vast aan de kleding van het bovenlichaam.

De messen hadden ze beiden al in de hand toen ze elkaar vastpakten en met elkaar stonden te trekken en duwen.

Ik zag dat [verdachte], terwijl hij naar de auto rende, naar zijn sok of enkel reikte. Ik zag toen [slachtoffer] uitstapte dat hij met zijn hand ergens iets bij zijn buik of broeksband vandaan haalde.

Op een bepaald moment kwam [slachtoffer] ten val. Hij viel op zijn rug. Ik zag dat [verdachte] op hem kwam te zitten. Ik zag dat ze met hun handen stekende bewegingen maakten. Ik zag dat [verdachte] toen hij bovenop [slachtoffer] zat, stekende bewegingen maakte in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer].

5. De verklaring van [betrokkene 6], afgelegd bij de politie op 9 november 2010 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Toen [verdachte] naar de auto rende, haalde [verdachte] een mes tevoorschijn. Daarna zag ik dat [slachtoffer] iets bij zijn broeksband pakte. Vervolgens zag ik dat zij elkaar vast pakten en toen zag ik dat [slachtoffer] ook een mes vast had.

6. De verklaring van [betrokkene 8], afgelegd bij de politie op 5 oktober 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 4 oktober 2010 omstreeks 21.55 liep ik samen met mijn vriend, [betrokkene 7] (het hof begrijpt [betrokkene 7]), richting cafetaria "Pinokkio" aan de Boshoverweg te Weert. We zijn richting kruis.ng gelopen. Met kruising bedoel ik de Boshoverweg, Burcht en Narcisstraat Het was de kruising waar ook de apotheek van Boshoven ligt.

7. De verklaring van [betrokkene 8], afgelegd bij de politie op 10 november 2010 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Verbalisanten: Gisteren is [betrokkene 7] gehoord. Naar aanleiding daarvan hebben we nog aanvullende vragen.

Antwoord: Ik ben samen met [betrokkene 7] naar het kruispunt gegaan. Toen kreeg [betrokkene 7] een ping die afkomstig bleek te zijn van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). [betrokkene 7] zei mij nadat hij die ping had gelezen dat [verdachte] had gevraagd om te komen. [betrokkene 7] vroeg aan mij of wij even naar [verdachte] konden gaan. Wij zijn teruggelopen naar de woning van [verdachte].

[verdachte] kwam naar buiten en wij vroegen wat er aan de hand was. [verdachte] antwoordde: “Ik heb problemen met [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]). Hij heeft mij zitten te bedreigen en hij wil mij, in mijn eigen buurt pakken.” We liepen intussen naar de kruising van de Boshoverweg met de Narcisstraat en De Burcht. Wij volgden [verdachte] die in de richting van de kruising liep. Toen wij bij het bankje stonden vertelde [verdachte] dat [slachtoffer] zou komen.

[verdachte] zei: "Hij wil mij pakken in mijn eigen buurt. Wat denkt hij wel niet". [verdachte] was stil en gewoon wachtend, een beetje ongeduldig. Het was net alsof je op een trein wacht die te laat was.

Wij waren ongeveer 6 minuten bij het bankje toen er een Golf 4 langsreed. Die stopte ongeveer 27 tot 30 meter van ons af, voorbij ons.

De auto stopte. [betrokkene 7] en ik zagen [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]) uitstappen aan de bestuurderszijde. [betrokkene 6] liep naar [verdachte]. [verdachte] zei toen: “Waar is [slachtoffer] wat doe jij hier”. [betrokkene 6] zei: "[verdachte], ik wil met jou praten". [verdachte] zei: "Waar is [slachtoffer], waar is [slachtoffer]". [betrokkene 6] zei toen: "[slachtoffer] zit in de auto, ik heb hem in de auto gelaten".

[verdachte] stond ongeveer 5 meter vanaf het bankje af. Dus 5 meter vanaf ons en tussen [betrokkene 6] en ons in.

[verdachte] zei niets en rende vervolgens naar de auto waar [slachtoffer] toen uit kwam.

8. De verklaring van [betrokkene 8], afgelegd bij de politie op 9 november 2010 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb [slachtoffer] alleen zien staan. [slachtoffer] stond stil toen [verdachte] in de richting van [slachtoffer] liep.

[verdachte] begon te rennen in de richting van [slachtoffer]. [verdachte] was toen nog 20 à 25 meter van [slachtoffer] verwijderd. Toen [verdachte] op een afstand van ongeveer 5 à 6 meter van [slachtoffer] verwijderd was zag ik dat [slachtoffer] het mes trok. Ik zag dat [verdachte] doorrende in de richting van [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] vast greep bij zijn borst. Er ontstond een worsteling.

Tijdens de worsteling verplaatsten [verdachte] en [slachtoffer] zich naar de andere zijde van de straat. Beiden kwamen op de grond terecht. [verdachte] lag boven op [slachtoffer]. Ik zag dat [slachtoffer] op zijn rug lag en [verdachte] zat boven op [slachtoffer]. Ik hoorde op een gegeven moment dat [slachtoffer] riep: "[verdachte] stop ermee". [verdachte] was op dat moment wild en bleef doorvechten. Ik hoorde op een gegeven moment het geluid van ijzer dat op straat viel. Achteraf zag ik dat er een mes naast [slachtoffer] op de grond lag. Ik hoorde dat [slachtoffer] riep of zei: “Hou op”. Ik zag dat [verdachte] toch door bleef gaan met vechten. Op een gegeven moment zie ik dat [verdachte] een stekende beweging maakte in de richting van [slachtoffer] [verdachte] zat toen nog boven op [slachtoffer]. Ik zag [verdachte] met zijn rechterhand een stekende beweging maken. Dat heb ik [verdachte] twee keer zien doen. [verdachte] raakte [slachtoffer].

[verdachte] stond toen op en rende weg.

9. De verklaring van [betrokkene 7], wonende te Weert, afgelegd bij de politie op 9 november 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 4 oktober 2010 liep ik met [betrokkene 8] op de Boshoverweg in de richting van de kruising met de Narcisstraat. Ik zag daar [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) samen met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).

Ik zag dat [slachtoffer] en [verdachte] in een vechthouding tegenover elkaar stonden. Ik stond samen met [betrokkene 8] te kijken.

De manier van vechten leek meer op een worsteling. AI heel snel vielen zij beiden op de grond. Ik zag dat [slachtoffer] eerst viel. Ik zag dat [slachtoffer] op wilde staan. [verdachte] was sneller en ging bovenop [slachtoffer] zitten. De worsteling ging verder. Vervolgens zag ik dat [verdachte] bovenop [slachtoffer] zat en met zijn rechterhand twee keer in [slachtoffer] sloeg. [verdachte] maakte een soort steekbeweging. Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide en onze kant op rende.

Ik zal u het stukje ervoor vertellen. [betrokkene 8] en ik liepen naar de Boshoverweg. Ik kreeg toen een ping van [verdachte]. Hij vroeg: He, waar ben je [betrokkene 7]. Ik antwoordde hem dat ik op Boshoven was bij hem in de buurt. Hij zei toen: Loop richting mij toe. Hij was thuis. Ik liep met [betrokkene 8] naar [verdachte] toe. [verdachte] kwam naar buiten gelopen. Vervolgens liepen we met hem erbij richting de bankjes tegenover de apotheek. Onderweg vertelde hij dat hij ruzie had met [slachtoffer]. [slachtoffer] had volgens hem gezegd dat hij naar [verdachte] kwam en de deur zou openmaken en zijn moeder zou vermoorden. [verdachte] zei: En dat zegt hij tegen mij in mijn wijk.

Ik en [betrokkene 8] zijn op het bankje gaan zitten. [verdachte] bleef voor ons staan. Hij zei dat hij ruzie had met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] zei dat [slachtoffer] zijn moeder en hem ging vermoorden en dat hij dat niet pikte.

Er kwam heel langzaam een auto aan. Een stukje verder stopte de auto. Dit was de Golf. Ik zag dat [betrokkene 6] aan de bestuurderskant uitstapte. Ik zag dat [betrokkene 6] onze kant op liep en vervolgens richting [verdachte] liep die op dat moment ongeveer op de kruising stond. Ik hoorde dat [verdachte] toen riep: "Waar is hij?" Ik zag dat [verdachte] richting de auto liep. Ik hoorde dat [betrokkene 6] zei: "Hij is in de auto." Ik zag dat [verdachte] in de richting van de auto liep. Ik zag dat hij met zijn rechterhand een soort ophaalbeweging langs zijn been maakte. Ik zag dat [slachtoffer] uit de auto stapte. Vervolgens ontstond er een vechtpartij. Verder ging dit zoals ik eerder heb verteld. [verdachte] rende er heen.

10. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op maandag 4 oktober 2010 omstreeks 22.10 uur reden wij door De Burcht te Weert in de richting van de Narcisstraat. Ik zag meerdere mensen op de stoep aan de linkerzijde van de Narcisstraat staan. Ik zag een persoon op de grond liggen bij deze mensen. Collega [verbalisant 2] parkeerde het dienstvoertuig. Ik liep naar de persoon toe die op de grond lag. Deze persoon bleek later volledig te zijn genaamd: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats].

Ik zag dat er een mes op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer] op de grond lag. Ik zag dat het mes in drie delen op de grond lag. Ik zag dat het een lemmet was met een gekartelde rand.

Ik hoorde dat de ambulancemedewerker zei dat het geen zin meer had om door te gaan met hartmassage omdat [slachtoffer] was leeggebloed.

11. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats], is het navolgende gebleken:

Er waren op de rug drie scherprandige perforaties met het aspect van een steekverwonding aangegeven met A tot en met C.

In relatie met het letsel A rechts op de rug was er een steekkanaal te herleiden van links naar rechts onder de huid tot in het spierweefsel van de rug. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 8 cm.

In relatie met letsel B rechts op de rug was er een steekkanaal te herleiden van achter naar voor en iets naar rechts met perforatie van de borstkas en de rechterlong bovenkwab. Er was oppervlakkige perforatie van de borstvliezen aan de voorzijde. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 19 cm. Er was bloeduitstorting in de rugspieren, de borstvliezen en de rechterlong. Er was circa 100 ml bloed in de rechterborstholte.

In relatie met letsel C links op de rug was er een steekkanaal te herleiden van achter naar voor en van links iets naar rechts zijwaarts. Er was perforatie van de borstkas, de linkerlong onderkwab, de linkerlongwortel en het hartzakje. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 19 cm. Er was 500 ml bloed in de linkerborstholte en 50 ml bloed in het hartzakje. Er was veel bloed verloren door alle steekletsels tezamen. De steekletsels zijn opgeleverd door steken met een scherp snijdend voorwerp en kunnen passen bij steken met een of meer messen. Het overlijden wordt verklaard door het massale bloedverlies in combinatie met luchtwegbelemmering door inademing van voedsel.

[slachtoffer], 19 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van meermalen opgelopen perforerend geweld op het lichaam.

12. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991

Slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1990, overleden op 4 oktober 2010

In het FIT-verslag staat vermeld dat het slachtoffer was overleden bij een steekpartij op 4 oktober 2010 omstreeks 22:00 uur te Weert. Naast het slachtoffer werd een kartelmes in een aantal delen aangetroffen. Enkele dagen later zou een mes zijn aangetroffen in een rioolput. De mesdelen kunnen, als één intact geheel beschouwd, gereconstrueerd worden tot een mes van ongeveer 23 cm lang, met een heft van ongeveer 11 cm lang en een lemmet van ongeveer 12 cm lang.

Het mes dat in een rioolput zou zijn aangetroffen is een mes van in totaal ongeveer 32 cm lang en 2,3 cm breed, met een heft van ongeveer 12 cm lang en een lemmet van ongeveer 20 cm lang.

13. Het overzicht communicatiegedrag (verstuurde en ontvangen teksten) [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) op 4-10-2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

tijd

verzender

ontvanger

inhoud

bron

17:32:00

[verdachte]

[...]' back in nl

kheb ruziie

pingen

17:33:00

[verdachte]

[...]' back in nl

Met [slachtoffer]

zo een indo

pingen

18:55:08

[email verdachte]@live.com

[emailadres slachtoffer]@live.nl

Nu gaan we

sien

hotmail

18:57:02

[email verdachte]@live.com

[emailadres slachtoffer]@live.nl

Niet prate op msn we gaan sien what

gebeurd

hotmail

18:58:42

[email verdachte]@live.com

[emailadres slachtoffer]@live.nl

Niet meer

tege me prate

we gaan sien 9 uur bij mij voor

hotmail

19:09:30

[email verdachte]@live.com

[emailadres betrokkene 9]@hotmail. com

Kheb ruzii

hot-mail

19:09:31

[emailadres betrokkene 9]@hotmail.com

[email verdachte]@live.com

Met wie hb j ruzie..?

hotmail

19:09:32

[email verdachte]@live.com

[emailadres betrokkene 9]@hotmail. com

Met so un

kanker indoo

hotmail

19:09:40

[email verdachte]@live.com

[emailadres betrokkene 9]@hotmail. com

Ksteek hem neer 9 uur

hotmail

19:09:43

[emailadres betrokkene 9]@hotmail. com

[email verdachte]@live.com

nee doe rustig

hotmail

19:09:44

[emailadres betrokkene 9]@hotmail. com

[email verdachte]@live.com

jullie kk veel

problème als mense der achter kome dat jullie da

ware..

hotmail

19:09:45

[email verdachte]@live.com

[emailadres betrokkene 9]@hotmail.

com

No kga soieso

da doen niet probere uit t prate enso

hotmail

19:09:46

[emailadres betrokkene 9]@hotmail.com

[email verdachte]@live.com

J moet niet

meteen steke

hotmail

19:12:47

[email verdachte]@live.com

[emailadres betrokkene 9]@hotmail. com

Dus kga doen

hotmail

19:17:00

[verdachte]

[...]

Cga so vechte

Pingen

19:31:48

[email verdachte]@live.com

[emailadres slachtoffer]@Iive.nl

Com nu na

keetj

hotmail

19:31:51

[email verdachte]@live.com

[emailadres slachtoffer]@live.nl

Com nu we

staan klaar

hotmail

14. De verklaring van [betrokkene 9], afgelegd bij de politie op 11 november 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik gebruik het e-mailadres [emailadres betrokkene 9]@hotmail.com. Ik heb dit adres gebruikt met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).

15. De verklaring van verdachte, wonende te Weert, afgelegd bij de politie op 5 oktober 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

V: Bij de vorige verklaring waren wij gebleven bij 4 oktober 2010 omstreeks 22.00 uur. Hoe ging het verder?

A: Ik werd door [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]) op mijn BlackBerry gepingd. Ik heb via mijn BlackBerry aangegeven dat ik zou komen. Dat was omstreeks 22.00 uur. Ik liep naar de kruising waar de apotheek ligt. Ik zie op de plattegrond dat dit de Narcissenstraat is. Ik bleef bij de kruising wachten. Ik had een mes in mijn sok. Ik heb ongeveer 5 minuten gewacht op de kruising. Ik zag [betrokkene 6] met zijn auto aan komen rijden. Ik zag dat hij over de weg De Burcht kwam aanrijden in de richting van de kruising. Net over de kruising op de Narcissenstraat stopte de auto. Ik zag dat [betrokkene 6] vanaf de bestuurderszijde uit zijn auto kwam. Ik zag [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) uit de auto stappen.

[slachtoffer] en ik raakten aan het worstelen. Het lukte mij om zijn mes van hem af te pakken. Ik stak hem met zijn eigen mes. Ik weet dat het een heel groot mes was. Ik hoorde dat hij schreeuwde van pijn en hij stopte met vechten. Ik had het mes in de hand toen ik opstond en ik heb dat mes weggegooid. Mijn eigen mes is op de grond gekomen waar ik gevochten heb.

16. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 7 oktober 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

V: [verdachte], jouw BlackBerry is onderzocht door de digitale recherche. Daarin zijn onder andere de berichten van maandag (het hof begrijpt: 4 oktober 2010) aangetroffen. We gaan een aantal van die benchten met jou doornemen.

Ik schrijf onder de naam [email verdachte]@live.com. Ik zie dat [emailadres slachtoffer]@live.nl [slachtoffer] is.

V: We gaan je nu nog andere berichten laten zien uit de BlackBerry

Het gaat over het contact dat ik via Hyves heb met een meisje. In de avond heb ik contact met haar. [emailadres betrokkene 9]@hotmail.com" is dit meisje.

V: Je schrijft wel aan dit meisje:

'K steek hem neer'

'No kga soieso da doen'

'dus k ga doen ok'.

A: Ik heb dat wel geschreven.

17. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 18 oktober 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

V: In jouw BlackBerry staat het volgende: [betrokkene 4] 4/10/2010.

Het verzonden bericht: 'K heb hem gestoke kmoet gaan sitte n de bal Ksei tog boshove s van mij kom niet prate' (22.06)

A: Ik heb die berichten geschreven. [betrokkene 4] is een vriend van mij.

18. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 16 november 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

V: [betrokkene 7] en [betrokkene 8] zeggen dat jij hebt verteld over de ruzie met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] naar jou toe zou komen. Klopt dit?

A: Ja, ja, als het goed is wel.

V: Waar ben jij met hun heen gelopen?

A: Voor bij het kruispunt.

V: Waar precies op het kruispunt?

A: Bij het bankje.

V: [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] naar de Narcisstraat in Weert is gereden en dat hij op de kruising met de Boshoverweg jou heeft zien staan met [betrokkene 7] en [betrokkene 8]. Dat klopt?

A: Ja, dat zou best kunnen.

V: Op welk moment raakte jij jouw eigen mes kwijt?

A: Ergens in het begin van het gevecht.

V: Met welk mes heb jij [slachtoffer] gestoken?

A: Met zijn eigen mes.

V: Hoe zat het dan met jouw eigen mes?

A: Volgens mij heb ik hem een keer geraakt, met de mijne.

19. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 2 maart 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het mes in het rioolputje was van [slachtoffer]. Ik heb het mes van [slachtoffer] afgepakt en heb hem daarmee gestoken.

20. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 maart 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb op 4 oktober 2010 in Weert [slachtoffer] de drie steekwonden toegebracht. Dat heb ik gedaan met een mes.

[slachtoffer] en ik kwamen in een worsteling terecht. Mijn mes viel toen kapot op de grond. Het lukte mij om het mes van [slachtoffer] af te pakken.”

7. Ik bespreek eerst de middelen die namens verdachte zijn ingezonden.

8. Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de vorm van een zogenoemd ‘Meer en Vaart’-verweer. Hiertoe wordt aangevoerd dat het oordeel dat verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft doodgestoken onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, nu het hof de juistheid van het aangedragen alternatieve scenario in het midden heeft gelaten en diens conclusie dat verdachte met kracht op het slachtoffer heeft ingestoken niet uit de bewijsmiddelen volgt.

9. Als een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring zou stroken, zal de rechter - indien hij wel tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken moeten weerleggen. Dat kan gebeuren door opneming van bewijsmiddelen of vermelding van aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Maar een dergelijke weerlegging is niet altijd vereist. De rechter kan ook oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden of de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde stellen. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zó onwaarschijnlijk is, dat deze geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.2

10. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2012 een alternatief scenario geschetst, door te stellen dat het verdedigbaar is dat “de steken, gelet op de plaats van de uitwendige verwondingen [van het slachtoffer AG], in de worsteling en zonder opzet om dodelijk te raken, zijn gemaakt.”3

11. Het hof heeft hierover in zijn arrest het volgende overwogen:

“Uit de ter zake tot het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 7] komt naar voren dat verdachte diverse keren stekende bewegingen naar [slachtoffer] heeft gemaakt. Door verdachte zelf is verklaard dat hij met zijn eigen mes [slachtoffer] heeft geraakt en [slachtoffer] met diens mes heeft gestoken en [slachtoffer] drie steekwonden heeft toegebracht. Gelet hierop acht het hof de door de verdediging (veronderstellenderwijs) opgeworpen stelling te onwaarschijnlijk.

Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verdachte opzettelijk drie keer met een mes in de rug van [slachtoffer] heeft gestoken, waarbij de lengte van de steekkanalen circa 8, respectievelijk circa 19 en circa 19 centimeter bedroeg. Verdachte heeft dus met kracht gestoken.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam van een mens allerlei vitale organen bevinden, zoals hart en longen, en voorts allerlei vitale (slag)aderen, en dat verwonding aan dergelijke vitale delen zeer levensbedreigend kan zijn en gemakkelijk tot de dood van een persoon kan leiden. De verdachte moet zich daarvan, evenals ieder ander weldenkend mens, bewust zijn geweest.

De gedragingen van verdachte als hiervoor omschreven kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het doden van [slachtoffer], dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] van het leven zou beroven, zodat zijn opzet minstgenomen in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest.”

12. Het hof heeft dus op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen geoordeeld dat verdachte bewust stekende bewegingen naar het slachtoffer heeft gemaakt en hij het slachtoffer drie keer daadwerkelijk met kracht heeft gestoken, waardoor de stelling dat de steekwonden per ongeluk tijdens de worsteling (kunnen) zijn toegebracht onwaarschijnlijk is.

13. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte uit was op een gewelddadige confrontatie met het slachtoffer aangezien hij tegenover verschillende mensen meermalen had aangegeven dat hij met het slachtoffer zou gaan vechten en het slachtoffer zou neersteken. Op het moment dat verdachte, terwijl hij op de afgesproken tijd en plaats op het slachtoffer stond te wachten, hoorde dat het slachtoffer in de verderop geparkeerde auto zat, ging hij meteen op die auto af en trok hij een mes. Bij het slachtoffer aangekomen, had deze ook een mes getrokken en ontstond er een worsteling waarbij beiden op de grond vielen en naar elkaar stekende bewegingen maakten. Toen verdachte even later bovenop het slachtoffer zat en diens weerstand was gestaakt, bleef hij doorgaan met vechten en het maken van stekende bewegingen. Op het moment dat zijn eigen mes stuk ging, pakte verdachte het mes van het slachtoffer en stak hem daarmee nog een aantal keren. Uiteindelijk zijn bij sectie op het lichaam het slachtoffer drie (zeer) diepe steekwonden geconstateerd, die gelet op de inhoud van het door het hof aangehaalde rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (bewijsmiddel 12) alleen met het mes kunnen zijn toegebracht dat door verdachte van het slachtoffer was afgenomen en later door verdachte in een rioolput was gegooid. Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat hij het slachtoffer met diens mes heeft gestoken en drie steekwonden heeft toegebracht.

14. Deze feiten en omstandigheden sluiten het door de verdediging geopperde alternatieve scenario dat het hier zou gaan om een (mogelijke) ongelukkige samenloop van omstandigheden tijdens de worsteling uit. Het oordeel van het hof dat dit alternatieve scenario ‘te onwaarschijnlijk’ is, is dan ook niet onbegrijpelijk. Dat verdachte met kracht op het slachtoffer heeft ingestoken kan worden afgeleid uit de diepte van de steekkanalen.

15. Het oordeel van het hof dat verdachte door zijn handelingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer van het leven zou beroven, zodat zijn opzet minstgenomen in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de feiten, kan dit oordeel bovendien in cassatie niet verder worden getoetst.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring, in het bijzonder het oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde (moord), onvoldoende met redenen is omkleed. Aangevoerd wordt dat het hof de bewezenverklaring van de voorbedachte raad slechts heeft gebaseerd op het oordeel dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden en dat ten onrechte geen overweging is gewijd aan de aanwezige contra-indicaties, met name het feit dat verdachte leed aan een posttraumatische stressstoornis.

18. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, NJ 2012, 518 is het vaste rechtspraak4 dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad de navolgende criteria gelden:

- de verdachte moet zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet hebben gehandeld in een opwelling. Dat betekent dat hij de kans moet hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven;

- dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden is weliswaar een objectieve aanwijzing voor voorbedachte raad, maar is op zichzelf niet allesbepalend want er kunnen contra-indicaties zijn die zwaarder kunnen wegen;

- daarbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat:

- de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden;

- slechts sprake is van een korte tijd tussen besluit en uitvoering of;

- de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in een bepaalde situatie niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarbij gaat het om een weging en waardering van de feiten en omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Omdat het bestanddeel voorbedachte raad een strafverzwarende gevolg heeft, gelden er ten aanzien hiervan nadere motiveringseisen en moet de rechter, met name als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

19. In het middel wordt samengevat gesteld dat er contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad zijn. Daarbij wordt gedoeld op hetgeen de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, met name dat de rechtbank had overwogen dat het dragen van een mes door verdachte, die gesteld had dit mes altijd bij zich te hebben, verband houdt met een door de forensisch psycholoog bij verdachte geconstateerde posttraumatische stressstoornis waardoor niet zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte het mes speciaal had meegenomen om het slachtoffer om het leven te brengen. Daarnaast wordt in de toelichting op het middel betoogd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou blijken dat het zou gaan om een onverwachte confrontatie.5

20. Het hof heeft naar aanleiding van het verweer dat er geen sprake zou zijn van voorbedachte raad het volgende overwogen en beslist:

“Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren:

- Verdachte heeft op 4 oktober 2010 aan het begin van de avond zijn voornemen om [slachtoffer] neer te gaan steken in een bericht aan [betrokkene 9] geuit, heeft gezegd dat hij het niet zou proberen uit te praten en heeft volhard in dat voornemen door na een bericht van [betrokkene 9], te weten

“J moet niet meteen steke” te antwoorden “Dus kga doen”, om vervolgens nog een derde te berichten “Kga so vechte”.

- Later die avond heeft hij ook tegen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] meermalen gezegd dat hij [slachtoffer] “straks” zou gaan neersteken.

- Verdachte wilde [slachtoffer] treffen. Dat blijkt onder meer al als verdachte aan het eind van de middag tegen [slachtoffer] zegt “Als je echt fitti (ruzie) wilt hebben, dan moet je om negen uur maar bij de apotheek achter bij het speeltuintje zijn” en uit een hotmail bericht aan [slachtoffer] later op de dag: “Niet meer tege me prate we gaan sien 9 uur bij mij voor”. Ten slotte is verdachte terwijl hij wist dat [slachtoffer] zou komen nabij de kruising waar het hier om gaat op [slachtoffer] gaan wachten. Verdachte pikte het niet dat [slachtoffer] hem in zijn eigen wijk wilde pakken.

- [slachtoffer] is vervolgens bij de kruising uit de auto gekomen en daar blijven staan.

- Verdachte is in de aanval gegaan door op [slachtoffer] toe te rennen, daarbij als eerste een mes pakkend.

- Verdachte heeft [slachtoffer] vastgepakt. Er ontstaat een worsteling waarbij verdachte stekende bewegingen richting [slachtoffer] maakt.

- Als verdachte zijn mes tijdens het gevecht is kwijtgeraakt, pakt hij het mes van [slachtoffer] af en steekt [slachtoffer] daarmee en zet zo de aanval door. [slachtoffer] begint te schreeuwen van pijn en houdt op met vechten.

- Verdachte staat op en rent weg met het mes van [slachtoffer].

- Zeer kort na het gevecht bevestigt verdachte de uitvoering van zijn voornemen door middel van pingberichten aan [betrokkene 4]: “Kheb hem gestoke kmoet gaan sitte n de bal” en “Ksei tog boshove s van mij kom niet prate”.

Gelet op het vorenstaande heeft verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden op het door hem genomen besluit om [slachtoffer] neer te steken alvorens hij uitvoering heeft gegeven aan dat besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.”

21. In het middel wordt aangevoerd dat gelet op de hiervoor samengevatte jurisprudentie de overweging van het hof dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit het slachtoffer neer te steken “zodat” hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, onvoldoende is om voorbedachte raad aan te nemen en dat het hof de aangevoerde contra-indicaties in zijn motivering ten onrechte heeft genegeerd.

22. De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat verdachte op 4 oktober 2010 een afspraak heeft gemaakt met het slachtoffer om elkaar die avond op een bepaalde plek te ontmoeten. Hij heeft voorafgaand aan die ontmoeting meermalen expliciet aan derden laten weten dat hij met het slachtoffer zou gaan vechten en hem zou neersteken. Enkele uren na deze aankondiging heeft verdachte woord gehouden door op een moment dat het slachtoffer nog in de auto zat en dus geen directe bedreiging vormde vanaf een afstand van 20 à 30 meter op die auto af te rennen, een mes te trekken en meteen toen hij bij het slachtoffer was het gevecht aan te gaan en het slachtoffer uiteindelijk meermalen krachtig in het bovenlichaam te steken.

23. Het hof is weliswaar niet expliciet ingegaan op de door de raadsvrouw als mogelijke contra-indicaties naar voren gebrachte omstandigheden, maar de door het hof gebezigde bewijsmiddelen weerleggen de stellingen dat verdachte in eerste instantie niet wist dat het slachtoffer aanwezig was op de afgesproken locatie, dat hij dit pas besefte op het moment dat hij de auto op korte afstand was genaderd en het slachtoffer plotseling uitstapte met een mes in zijn hand en dat verdachte in die plotselinge situatie, onder invloed van zijn posttraumatische stressstoornis, volledig uit evenwicht raakte waardoor hij niet meer het vermogen had zijn gedrag adequaat te sturen en te controleren. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte in de tijd tussen het vormen van zijn besluit en de uitvoering daarvan is blijven herhalen dat hij het slachtoffer zou gaan neersteken en bovendien dat de reden waarom verdachte vanaf tientallen meters afstand naar de auto begon te rennen juist was dat hij hoorde dat het slachtoffer daarin zat. Verdachte wist dus voordat het slachtoffer uit de auto stapte van zijn aanwezigheid, rende daarom naar die auto toe, pakte onder het rennen zijn mes uit zijn sok en viel het slachtoffer aan zoals hij eerder die avond had aangekondigd.

24. In de bewijsvoering van het hof ligt niet alleen besloten dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit, maar ook dat van contra-indicaties niet is gebleken en dat voor verdachte daadwerkelijk de gelegenheid tot nadenken heeft bestaan, waarbij hij zijn voornemen voorafgaand aan de confrontatie met het slachtoffer naar derden heeft geuit. Naar mijn mening volgt de voorbedachte raad rechtstreeks uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen6 en is het oordeel van het hof dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

25. Het middel faalt.

26. Het derde middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Aangevoerd wordt dat deze beslissing onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, enerzijds in het licht van recente jurisprudentie en anderzijds omdat het hof verklaringen zou hebben gedenatureerd.

27. Volgens vaste rechtspraak7 zal de rechter als door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op grond van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

28. Het hof heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gedane beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:

“Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:

- voorafgaand aan het gevecht door [slachtoffer] bedreigingen zijn geuit richting verdachte;

- verdachte onverwachts werd geconfronteerd met [slachtoffer];

- [slachtoffer] op of tegen verdachte is gesprongen, waardoor verdachte naar zijn zeggen zijn mes verloor;

- verdachte en [slachtoffer] op de grond vielen en er een worsteling ontstond;

- [slachtoffer] verdachte als eerste stak met zijn mes en hem daarmee levensgevaarlijk raakte;

- verdachte [slachtoffer] tijdens de worsteling uit vrees en ter voorkoming dat hij nogmaals gestoken werd het mes afhandig maakte;

- [slachtoffer] tijdens de worsteling vervolgens dodelijk werd geraakt.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Zoals het hof hiervoor (…) overwoog, komt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren dat verdachte, ter uitvoering van zijn voornemen om [slachtoffer] van het leven te beroven in de aanval is gegaan toen hij [slachtoffer], waarvan hij wist dat deze zou komen, trof en deze aanval heeft doorgezet tot [slachtoffer] was neergestoken. De aan het verweer ten grondslag gelegde stelling, namelijk dat verdachte zich moest verdedigen bij gelegenheid van een onverwachte confrontatie met [slachtoffer], is aldus niet aannemelijk geworden. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan het bestaan van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, een anders lijf of een goed door [slachtoffer] aannemelijk is geworden.

Het hof heeft acht geslagen op de uitdagingen en bedreigingen op 4 oktober 2010 door [slachtoffer] jegens verdachte.

Zo heeft [slachtoffer] toen verdachte aan het eind van de middag voor hem stond met een mes zijn hemd omhoog getrokken en woorden geroepen als: "Als je wilt steken, dan moet je dat nu doen”. Voorts zijn er hotmailberichten van eerdergenoemde strekking van [slachtoffer] aan verdachte zoals: "Wat wil je doen met je mesje tegen pipa (pistool)", "ha ha pipa", "op jou hoofd", "ik kom wel aan jou deur", "ha ha jou dood" en "ik steek je hele huis in de fik". Ook heeft [slachtoffer] naar zeggen van verdachte tegen hem gezegd dat [slachtoffer] verdachtes ouders en zusjes (als ze thuis zouden zijn) wat zou aandoen (doden).

Toch doen deze verregaande provocaties aan het voorgaande niet af. Zij leiden immers niet tot de conclusie dat er op het moment dat verdachte de aanval inzette sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, een anders lijf of een goed door [slachtoffer] dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Voor zover tijdens de aanval door verdachte sprake is geweest van een (dreigende) aanranding van het lichaam van verdachte door [slachtoffer] is het hof van oordeel dat dit handelen van [slachtoffer] niet wederrechtelijk was. [slachtoffer] werd immers door verdachte aangevallen en heeft geprobeerd zijn lijf te verdedigen tegen die ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door verdachte.

Tot slot zal het hof geen acht slaan op mogelijke bedreigende teksten die mogelijk door [slachtoffer] kort voor of tijdens het gevecht zouden zijn geuit, nu deze geen rol spelen in de lezing en beleving van verdachte zelf omtrent het gebeuren op de kruising.

Gelet op het vorenstaande was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, een anders lijf of een goed en evenmin van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Bijgevolg wordt het beroep op noodweer verworpen.”

29. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het oordeel van het hof dat verdachte in de aanval is gegaan ten eerste geen steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen en bovendien niet voldoende begrijpelijk is, gelet op de stelling van de verdediging dat verdachte niet wist dat het slachtoffer op de plaats delict aanwezig zou zijn en hij onverwacht werd geconfronteerd met het slachtoffer waardoor sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Daarnaast wordt aangevoerd dat de overwegingen van het hof dat verdachte in de aanval is gegaan een denaturering vormen van een aantal door het hof voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen.

30. Gelet op hetgeen ik al heb opgemerkt naar aanleiding van het tweede middel, kan ik kort zijn. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat verdachte toen hij naar de auto rende wist dat het slachtoffer daarin aanwezig was en bovendien dat verdachte onder het rennen, terwijl het slachtoffer bij de auto stond te wachten en dus geen directe bedreiging vormde, uit eigen beweging zijn mes uit zijn sok pakte en het slachtoffer daarmee, zoals tevoren aangekondigd, te lijf ging. Het oordeel van het hof dat verdachte zelf de aanval heeft gezocht en voor hem geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zodat zijn beroep op noodweer faalt, is niet gebaseerd op een denaturering van de getuigenverklaringen, begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

31. Het middel faalt.

32. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel klaagt dat het hof de benadeelde partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering voor zover het de immateriële schade betreft. Daartoe wordt aangevoerd dat de vordering niet inhoudelijk is betwist, het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en het hof in ieder geval een gedeelte van de immateriële schade als voorschot had kunnen toewijzen.

33. Bij de gedingstukken bevindt zich een 'Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces' waarmee [benadeelde partij], de moeder van het slachtoffer, zich heeft gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen verdachte. Dat voegingsformulier houdt onder meer in dat vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 5.000 wordt gevorderd.

34. Het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal bij het hof luidt, voor zover relevant, als volgt:

“€ 5000 smartengeld - (mogelijk na 1-1-11) mi is er reden om dit bedrag te matigen nu er sprake is van enige medeverantwoordelijkheid voor het gebeuren bij het slachtoffer. Ik wil helemaal niets afdoen aan het leed maar de opstelling van [slachtoffer] in het voortraject vind ik een factor van betekenis. Vorder toewijzing van €3000, ook met SVM en wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010.”

35. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2012 heeft de advocaat van de benadeelde partij mr. S.C. van Heerd daar het volgende aangevoerd:

“Het ten laste gelegde heeft op cliënte een enorme impact gehad. Het verzoek is tweeledig: het omvat een materieel deel en een immaterieel deel. (…)

Over het immateriële deel is heel veel discussie. Daar is veel over geschreven. De advocaat-generaal merkte op dat dit vanaf 1 januari 2011 mogelijk is. Er zijn vele uitspraken van gerechten waarin is aangegeven dat ook nabestaanden in aanmerking komen voor vergoeding van immateriële schade. Het verlies is niet te compenseren. Er moeten bijkomende omstandigheden zijn. Natuurlijk is het verlies van een kind of familielid altijd een diepbedroevende gebeurtenis. De wijze waarop en de gevolgen impliceren in deze zaak een directe inbreuk op de rechten van cliënte. Ik wijs op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Het was een inbreuk op het recht op leven van [slachtoffer], maar ook een inbreuk jegens cliënte. Cliënte is ondersteboven door wat er gebeurd is. Sindsdien is zij onder behandeling bij de GGZ. Eerst had zij eens in de week een afspraak. Nu is dat eens in de twee weken. Zij heeft depressieve klachten. Zij is rechtstreeks geraakt door het handelen van verdachte. Het is niet zo dat het een ongeluk is geweest. Het gaat om een slachtpartij op straat die groot uitgemeten is in met name lokale media. Cliënte wordt iedere keer met deze feiten geconfronteerd. Het is keer op keer een slag in haar gezicht. Zij heeft de nodige psychische schade. In de stukken bevindt zich de verklaring van een psycholoog. Cliënte heeft [slachtoffer] ook geïdentificeerd.

Ik verwijs naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 mei 2008 met LJN BD2057, op grond waarvan aan de directe confrontatie niet al te hoge eisen gesteld mogen worden. De impact en de schade zijn een rechtstreeks gevolg van wat er is gebeurd. De bijkomende omstandigheden zijn de houding die verdachte aanneemt ter terechtzitting. Het hof heeft daar duidelijk op door gevraagd. De advocaat-generaal heeft eraan gerefereerd. Als het hem slecht uitkomt, zegt verdachte niets. Hij geeft geen openheid van zaken, hetgeen bijdraagt aan de problemen. Ik heb begrepen dat, kort nadat verdachte door de rechtbank in vrijheid was gesteld, hij op MSN-uitlatingen heeft gedaan in de richting van de dochter van cliënte alsof hij had gezegevierd. Het hof moet daarmee doen wat het geraden acht. Ik ben het eens met de advocaat-generaal. Het gaat niet om een verdachte die oprecht spijt betoont. Dat is een klap in het gezicht van cliënte die niet bijdraagt aan een goede verwerking. Het wordt steeds erger. Welk bedrag hang je daar aan? Ik kan uitspraken noemen waarin veel hogere bedragen worden toegekend, maar we hebben dit bedrag verzocht als voorschot. Ik denk dat het bedrag hoger zou moeten zijn en dat we een redelijk bedrag hebben genoemd.”

36. Het hof heeft als volgt overwogen en beslist:

“De benadeelde partij [benadeelde partij] (gemachtigde: mr. S.C. van Heerd) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van 6.697,40, te vermeerderen met de wettelijke rente. (…) Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 1.697,40. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit werd begaan tot en met de dag der voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voor het overige (de vordering met betrekking tot de immateriële schade) de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de rechtsvraag of verdachte aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade niet eenvoudig te beoordelen valt. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.”

37. In het middel wordt betoogd dat deze laatste overweging onbegrijpelijk is, omdat het hof geen uitspraak hoefde te doen over het gehele gevorderde immateriële schadebedrag en het toewijzen van een gedeelte hiervan als voorschot voldoende was geweest. Op basis van de uitgebreide onderbouwing van de vordering had het hof immers voldoende informatie om te komen tot de vaststelling van een voorschot. Het hof had dan ook uitgebreider moeten motiveren waarom zelfs voor toewijzing van een gedeelte van de vordering geen ruimte bestond.

38. Bij het oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen voor zover het de vergoeding van immateriële schade betreft omdat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.8 De Hoge Raad acht het enkele noemen van het criterium van art. 361, derde lid, Sv in het algemeen voldoende als motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van een schadevergoedingsvordering.9

39. Maar in onderhavige zaak wordt volstrekt niet duidelijk waarom het strafproces volgens het hof onevenredig zou worden belast door toewijzing van een gedeelte van de gevorderde immateriële schade, bijvoorbeeld op de wijze zoals voorgesteld door de advocaat-generaal, terwijl bovendien de vordering als zodanig door de verdachte niet is betwist. Het oordeel van het hof dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet van eenvoudige aard is, lijkt mij, nu het hof ook een voorschot had kunnen toewijzen en daar van de zijde van verdachte kennelijk geen verweer tegen is gevoerd, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

40. Het middel slaagt.

41. De namens verdachte voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel slaagt.

42. Ambtshalve wijs ik erop dat verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en dat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art 6, eerste lid, EVRM is daarom overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

43. Ik heb geen andere grond aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

44. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de opgelegde straf en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], tot vermindering van de gevangenisstraf volgens de gebruikelijke maatstaf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-GravenhageHertogenbosch teneinde de vordering van de benadeelde partij opnieuw te doen berechten en tot verwerping van het beroep van verdachte.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De in het bestreden arrest voorkomende voetnoten zijn omwille van de leesbaarheid niet opgenomen.

2 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010, 314 m.nt. Buruma, r.ov. 2.5.

3 Zie p. 16 pleitnotitie van de raadsvrouw van verdachte, gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van het hof van 14 en 23 maart 2012.

4 HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012, 518 m.nt. Keulen, r.ov. 2.7.3; HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5678, r.ov. 3.3; HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:706, r.ov. 2.3.; HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, r.o.v. 3.3.

5 Zie punt 4-10 van de cassatieschriftuur.

6 Daarbij moet worden bedacht dat voorbedachte raad kan samengaan met de verschillende vormen van opzet waaronder ook voorwaardelijk opzet (zie De Hullu, Materieel Strafrecht 2012, p. 249 en Cleiren in T&C Sr 2012, aant. 8c bij art. 289 Sr) en dat levensberoving geen doel hoeft te zijn om voorbedachte raad aan te nemen, zie het zogenaamde Stoeptegelarrest HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7924.

7 Zie bijv. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773.

8 Vgl. ten aanzien van het oude criterium HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1137 (niet gepubliceerd).

9 Zie bijv. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012, 520 m.nt. Keulen, r.ov. 4.3.