Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2231

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
12/02023
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:234, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079. Het Hof heeft de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen tot het bewijs van de feiten 3, 5 en 6 gebezigd. Daarmee heeft het Hof miskend dat een dergelijk verzuim behoudens een tweetal door de HR genoemde uitzonderingen z.m. tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Het middel is wat betreft de feiten 3 en 6 terecht voorgesteld. Wat betreft feit 5 behoeft het niet tot cassatie te leiden, nu de bewezenverklaring ook met weglating van de bewuste verklaring van verdachte toereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02023

Mr. Spronken

Zitting 5 november 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 30 maart 2012 wegens 1 primair: poging tot doodslag, 1 meer subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 3 en 6 telkens: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, 4 en 5 telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en tot ontzeggingen van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van in totaal één jaar en zes maanden. Tevens heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, alsmede de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van drie maanden.

2. Mr. K.D.M. Schepers, advocaat te Venlo, heeft namens verdachte tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

3. Mr. J.C. Oudijk, eveneens advocaat te Venlo, heeft namens verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging van feit 1 heeft verlaten, doordat het heeft bewezenverklaard dat verdachte zowel heeft gepoogd [verbalisant 5] opzettelijk van het leven te beroven als [verbalisant 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5. Aan verdachte is als feit 1 ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 01 maart 2009 in de gemeente Venlo (op de Vlinderstraat) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid is ingereden althans toegereden op [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 01 maart 2009 in de gemeente Venlo (op de Vlinderstraat) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid is ingereden althans toegereden op [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 01 maart 2009 in de gemeente Venlo [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid ingereden althans toegereden op [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6]”.

6. Hiervan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 1 maart 2009 in de gemeente Venlo (op de Vlinderstraat) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid is ingereden op [verbalisant 5], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 1 maart 2009 in de gemeente Venlo [verbalisant 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid toegereden op [verbalisant 6]”.

7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:1

“Door [betrokkene 1] zijn meerdere verklaringen afgelegd. Op 1 maart 2009 heeft hij verklaard:

Ik heb een rode Opel Corsa. Het kenteken van deze personenauto is [AA-00-BB]. Ik ben vanochtend omstreeks 10.00 uur thuis weggegaan en met mijn auto rond gaan rijden.

En op 3 maart 2009 heeft hij het volgende verklaard:

Een vriend van mij is de bestuurder geweest in de auto die op uw collega’s is ingereden.

Ik denk dat ik rond 10.00 uur, of mogelijk iets later, naar buiten ben gegaan. Ik ben toen rondjes gaan rijden met mijn auto. Op de Emmastraat zag ik [verdachte], een vriend van me. Samen zijn wij toen in mijn auto verder gereden. Ik reed op dat moment. Eerst hebben we wat in de buurt rond gereden en op een gegeven moment zijn we weer naar de Krekelveldstraat gereden. Ik zag daar wat mensen die ik kende en die meededen aan de hardloopwedstrijd. Ik wilde hen aanmoedigen en ben daarom uitgestapt en in hun richting gerend. [verdachte] is toen achter het stuur gestapt en met de auto met mij meegereden. Daarna ben ik weer ingestapt. Ik nam plaats op de bijrijderstoel naast de bestuurder [verdachte].

Op het moment dat wij in de bocht zaten, zag ik eerst rechts van de weg een fietser op ons toe komen rijden. Volgens mij was dat een vrouw. Van mij uit links gezien zag ik een man. Hij was ook op de fiets. Die man stond iets schuin op de weg. Volgens mij wilde hij net afstappen. Dat zag ik op het moment dat wij hem al gepasseerd waren. We reden gewoon snel. Hij (hof begrijpt: verdachte) had de auto wel onder controle, anders waren we wel uit de bocht gevlogen. Het gebeurde ook allemaal heel snel. Ik wilde eigenlijk tegen [verdachte] zeggen ‘Stop!’, maar ik heb dat zelfs niet eens kunnen uitspreken. We waren toen al voorbij die politieagenten.

Door [betrokkene 2] is een verklaring afgelegd. Zij verklaart het navolgende:

Op 1 maart 2009 bevond ik mij op de hoek Krekelveldstraat met de (hof: het) Verrekampplein te Venlo. Tijdens de Berden Voorjaarsloop zag ik rond 12.00 uur een kleine rode auto op het parcours rijden. De auto reed op de Krekelveldstraat en kwam uit de richting van de Kerkhofweg. Ik zag dat naast die auto een Turkse jongen rende, die ik bij de voornaam ken als [betrokkene 1]. Ik zag dat de bestuurder van die rode auto een blanke jonge man betrof.

Door [betrokkene 3] is een verklaring afgelegd. Zij verklaart het navolgende:

Op 1 maart 2009 liepen we naar de hoek Krekelveldstraat/Verrekampplein. Daar was de weg afgezet in verband met de Berdenrun. Ik zag een rode personenauto. Ik kan de bestuurder van de rode personenauto als volgt omschrijven: blanke man, tussen 20 en 25 jaar oud, baseballpetje licht van kleur op het hoofd, een dik katoenen vest met drukke print, ik dacht dat het wit van kleur was en de opdruk donker van kleur.

Door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] is het navolgende gerelateerd:

Op 1 maart 2009 waren wij mede belast met het toezicht van de atletiekwedstrijd "Berden Voorjaarsloop", die gehouden werd op meerdere straten in Venlo-Zuid. Ik, verbalisant [verbalisant 5] werd gebeld door de coördinator van de loopwedstrijd. Deze deelde mij mede dat hij van een verkeersregelaar het bericht had gekregen dat op de Krekelveldstraat een rode Opel Corsa over het parcours reed, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Direct na dit telefoontje zagen wij deze rode Opel Corsa komende vanuit de richting Agaat over de Krekelveldstraat rijden in de richting van de Emmastraat. Wij besloten om te trachten de bestuurder aan te spreken en hem van het loopparcours te halen.

Wij fietsten met verhoogde snelheid vanaf de Genbroekstraat rechtsaf de Vlinderstraat in. Ik verbalisant [verbalisant 5], stopte midden op de Vlinderstraat teneinde de bestuurder te doen stoppen en hem aan te spreken op zijn gedrag. Ik wist dat mijn collega [verbalisant 6] zich schuin achter mij bevond met haar dienstfiets. Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], zagen dat het kenteken van deze rode Opel Corsa [AA-00-BB] betrof. Wij zagen dat de rode Opel Corsa zijn snelheid verhoogde en door bleef rijden in onze richting. Wij hoorden aan het geluid dat de motor van deze auto fors en hevig accelereerde. Ik verbalisant [verbalisant 5], wees met mijn rechterarm in de richting van de bestuurder van deze auto en riep op luide toon ‘stoppen’. Ik zag dat de bestuurder mij recht in de ogen keek. Ik zag dat het portierraam aan de bestuurderszijde geheel geopend was. Ik zag dat de bestuurder mij indringend en doelbewust aankeek. Hierdoor wist ik dat de bestuurder mij zag. Ik zag een mannelijk persoon als bestuurder in deze Opel Corsa zitten. Deze persoon had een blank uiterlijk en een smal gezicht. Ik zag dat deze bestuurder een trui droeg in de kleur wit met blauw. Ik sprong met de fiets tussen mijn benen naar de rechterzijde van de weg omdat deze auto mij tot op slechts enkele meters was genaderd. Ik schatte op dat moment dat de snelheid waarmee de bestuurder reed, een snelheid was van ongeveer 60 km per uur. Ik wist dat als ik niet was weggesprongen, de auto mij zeker had geraakt. Ik vreesde voor mijn leven, ik voelde een hevig angstgevoel. Ik keek om en zag dat verbalisant [verbalisant 6], met de fiets in haar handen op de voor haar linkerweghelft stond en dat zij van haar fiets was gesprongen. Ik zag dat de bestuurder van de rode Opel Corsa met onverminderde snelheid in de richting van collega [verbalisant 6] reed. Ik zag dat collega [verbalisant 6] snel weg sprong. Ik zag dat de bestuurder van de rode Opel Corsa naar links stuurde en als het ware om de fiets van collega [verbalisant 6] heen reed.

Ik, verbalisant [verbalisant 6], zag dat collega [verbalisant 5] zijn arm omhoog stak en een stopteken gaf. Ik hoorde dat hij riep ‘stoppen’. Hierna zag ik dat collega [verbalisant 5] wegsprong naar de rechterzijde met zijn fiets tussen zijn benen. Ik zag dat deze auto rakelings aan hem voorbij reed. Ik schat dat de auto collega [verbalisant 5] tot op ongeveer 1 meter afstand was genaderd. Ik zag dat de rode Opel Corsa niet ging stoppen en rakelings langs collega [verbalisant 5] reed. Ik vreesde op dat moment voor mijn leven en was doodsbang om geraakt te worden door die auto. Gelijk hierna ben ik naar links weggesprongen een parkeervak in en trok de dienstfiets in mijn rechterhand mee het parkeervak in. Op dat moment was de auto mij tot op ongeveer 1 meter genaderd.

Door [betrokkene 4] is een verklaring afgelegd op het politiebureau. De verbalisanten relateren het navolgende:

[betrokkene 4] meldde zich vrijwillig aan het politiebureau en verklaart daar dat hij op zondag 1 maart 2009 in de middag werd gebeld door [verdachte] met de boodschap dat er iets ergs was gebeurd en dat [betrokkene 1] daar misschien de schuld van zou krijgen. [betrokkene 4] verklaart dat [verdachte] hem vervolgens is komen ophalen en dat zij samen rondjes zijn gaan rijden in [verdachte] auto. Tijdens het rijden heeft [verdachte] aan hem ([betrokkene 4]) verteld dat hij samen met [betrokkene 1] bij de marathon bijna een agent omver heeft gereden en dat [betrokkene 1] daar misschien wel de schuld van zou gaan krijgen, omdat [betrokkene 1] naar het politiebureau moest komen. [betrokkene 4] verklaart dat [verdachte] aan hem heeft verteld dat hij de bestuurder was van de auto van [betrokkene 1] en dat hij degene was die de agent bijna omver had gereden.”

8. Het hof heeft bovendien het volgende overwogen:

ten aanzien van het onder 1 primair ten aanzien van [verbalisant 5] bewezenverklaarde

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof onder meer het navolgende vast:

- verbalisant [verbalisant 5] stond midden op het rijgedeelte van de Vlinderstraat te Venlo en gaf een stopteken aan de bestuurder van een personenauto. Die bestuurder was verdachte;

- verdachte keek [verbalisant 5] indringend en doelbewust aan en heeft [verbalisant 5] dan ook gezien;

- verdachte is desondanks met een hoge snelheid ([verbalisant 5] schat die op ongeveer 60 kilometer per uur) op agent [verbalisant 5] toegereden, die zich in een kwetsbare positie op de rijbaan bevond (hij stond daar met zijn dienstfiets tussen zijn benen, waardoor hij in zijn mobiliteit werd gehinderd);

- [verbalisant 5] is met de fiets tussen de benen naar de (voor hem) rechterzijde van de weg gesprongen omdat de auto hem slechts op enkele meters was genaderd;

- de auto reed rakelings aan [verbalisant 5] voorbij;

- indien [verbalisant 5] niet was weggesprongen had de auto hem geraakt.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door aldus te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door hem bestuurde personenauto met [verbalisant 5] in botsing zou komen en dat [verbalisant 5] als gevolg hiervan zou overlijden. Het is een feit van algemene bekendheid dat een botsing tussen een auto en een zwakke verkeersdeelnemer bij een snelheid waarvan hier sprake was de aanmerkelijke kans met zich brengt dat die zwakke verkeersdeelnemer de dood zal vinden. Verdachte heeft [verbalisant 5] gezien en moet besef hebben gehad van zijn kwetsbaarheid en de daaraan verbonden risico's. Van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is het hof uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet gebleken.

Het hof is dan ook, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het opzet van verdachte – in voorwaardelijke zin - was gericht op de dood van [verbalisant 5].

ten aanzien van het onder 1 ten aanzien van [verbalisant 6] tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijke) opzet heeft gehad op de dood van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 6]. Verbalisante [verbalisant 6] stond schuin achter haar collega [verbalisant 5] aan de kant van de Vlinderstraat bij een parkeerhaven. De verdachte is op [verbalisant 6] toegereden. Toen hij haar dicht was genaderd, heeft hij een stuurbeweging naar links gemaakt en is hij om de fiets van [verbalisant 6] heen gereden. Het hof beschouwt deze stuurbeweging als een bewuste uitwijkmanoeuvre. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarbij verdachte de opzet heeft gehad op of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard van het overlijden van [verbalisant 6] dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 6]. Verdachte zal in zoverre van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van verbalisant [verbalisant 6] worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verbalisante [verbalisant 6] heeft verklaard dat zij de auto rakelings langs haar collega [verbalisant 5] zag rijden. Zij vreesde voor haar leven en was doodsbang dat de auto haar ook zou raken. Het hof is van oordeel dat verdachte, door op [verbalisant 6] toe te rijden en pas op het laatste moment uit te wijken, zich zodanig heeft gedragen dat bij [verbalisant 6] de redelijke vrees kon ontstaan dat er een aanrijding zou ontstaan met dodelijk letsel als gevolg.”

9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat nu het hof het onder 1 primair ten laste gelegde deels bewezen heeft geacht, namelijk de poging tot doodslag op [verbalisant 5], het niet meer kon toekomen aan hetgeen (meer) subsidiair ten laste was gelegd. Door na bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde toch nog te treden in de beoordeling van de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft het hof volgens de steller van het middel niet beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.

10. De interpretatie van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter. Diens uitleg van de tenlastelegging wordt, zolang deze niet onverenigbaar is met de bewoordingen daarvan of onbegrijpelijk is, door de Hoge Raad gerespecteerd.2

11. Uit de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging kan worden afgeleid dat het hof de tenlastelegging van feit 1 zo heeft opgevat dat deze impliciet cumulatief van aard is en dat daarin twee afzonderlijk te beoordelen feiten staan opgenomen, namelijk dat verdachte zowel ten aanzien van [verbalisant 5] als ten aanzien van [verbalisant 6] primair heeft gepoogd hem/haar opzettelijk van het leven te beroven, subsidiair heeft gepoogd hem/haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en meer subsidiair hem/haar heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling. Die uitleg van de tenlastelegging is niet onverenigbaar met haar bewoordingen en niet onbegrijpelijk en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd.3

12. Het hof heeft de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten door ten aanzien van [verbalisant 5] te oordelen dat verdachte heeft gepoogd hem opzettelijk van het leven te beroven en ten aanzien van [verbalisant 6] dat hij haar heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Deze bewezenverklaring kan bovendien uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

13. Dit brengt mee dat het middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte opzet had op de bedreiging van [verbalisant 6].

15. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is - voor zover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.4 Voorwaardelijk opzet is daarbij voldoende.5

16. De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] schuin achter elkaar midden op de weg stonden met de bedoeling verdachte, die optrad als bestuurder van een auto en reed op een plek waar dat op dat moment niet mocht, te laten stoppen. Uit het feit dat verdachte [verbalisant 5] tijdens het stopbevel indringend en doelbewust aankeek, leidde [verbalisant 5] af dat verdachte hem zag. Verdachte voldeed echter niet aan het stopbevel en reed met hoge snelheid op [verbalisant 5] af. [verbalisant 5] kon ternauwernood wegspringen waardoor verdachte rakelings langs hem reed. [verbalisant 6] heeft dit alles waargenomen. Vervolgens reed verdachte met onverminderde snelheid recht op haar af waardoor zij vreesde voor haar leven. Net op tijd, namelijk op één meter afstand, week verdachte uit en kon [verbalisant 6] wegspringen, waardoor verdachte ook haar niet raakte.

17. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht ik het oordeel van het hof dat verdachte [verbalisant 6] opzettelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.6

18. Ook dit middel faalt.

19. Het derde middel klaagt in de kern dat het hof ten aanzien van de feiten 3 tot en met 6 ten onrechte de verklaringen van verdachte die hij heeft afgelegd zonder dat hem de gelegenheid is geboden voorafgaand aan die verhoren een advocaat te raadplegen, voor het bewijs heeft gebruikt.

20. Ten aanzien van verdachte is onder feiten 3 tot en met 6 bewezenverklaard dat:

“3.

hij op 21 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel verblijfsontzegging, afgegeven voor de periode 5 september 2008 tot 13 oktober 2008, krachtens artikel 2.75 Algemene plaatselijke verordening gemeente Venlo gedaan namens de burgemeester van de gemeente Venlo, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, door toen en aldaar met dat opzet te verblijven binnen het in het bevel aangewezen gebied, te weten de Parade;

4.

hij op 21 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], agent van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Jij blonde hoer” en “Kuthoer” en “Vuile slet”, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking;

5.

hij op 21 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 2], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid in dier gezicht heeft gespuugd;

6.

hij omstreeks 28 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel verblijfsontzegging, afgegeven voor de periode 5 september 2008 tot 13 oktober 2008 krachtens artikel 2:75 Algemene plaatselijke verordening gemeente Venlo gedaan namens de burgemeester van de gemeente Venlo, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, door toen en aldaar met dat opzet te verblijven binnen het in het bevel aangewezen gebied, te weten op de Lohofstraat.”

21. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Feiten 3, 4, 5 en 6

Door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is een proces-verbaal van aanhouding opgemaakt. Zij relateren het navolgende.

Op zondagmorgen 21 september 2008 waren wij, verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 2] en [verbalisant 1], belast met de openbare orde dienst in het gebied Venlo-centrum. Op zondag 21 september 2008 omstreeks 00.15 uur liepen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], over de Parade te Venlo. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag de mij ambtshalve bekende [verdachte] het café ‘De Witte’ gelegen op de Parade, inlopen. Ons was bekend dat genoemde verdachte een gebiedsontzegging heeft van 6 weken, geldig van vrijdag 5 september 2008 tot met maandag 13 oktober 2008. Deze ontzegging is in deze periode geldig van vrijdag 18.00 uur tot en met maandag 6.00 uur. Genoemde locatie valt binnen het genoemde gebied waar deze ontzegging geldig is.

Op zondag 21 september 2008, omstreeks 00:45 uur, kreeg ik, [verbalisant 2], telefonisch door dat mensen van het stadstoezicht hadden gezien dat de ons ambtshalve bekende en nader te noemen verdachte [verdachte] uit een café, genaamd ‘De Witte’, kwam gelopen. Genoemd café is gelegen op de Parade te Venlo.

Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], troffen genoemde verdachte vervolgens zittend aan op de Lohofstraat te Venlo, tegenover de aldaar gelegen jongerenkerk. Even later kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], ook ter plaatse. Naar aanleiding van bovenstaande hebben wij de verdachte [verdachte] aangehouden.

Even later zagen wij dat genoemde verdachte wegrende in de richting van de Nassaustraat. Na een achtervolging te voet werd genoemde verdachte ingehaald waarna we hem onder controle hebben gebracht. Ten tijde van het onder controle brengen van de verdachte [verdachte] hoorden wij, verbalisant [verbalisant 1] verbalisant [verbalisant 2] en verbalisant [verbalisant 3] dat de verdachte [verdachte] zei: “Jij blonde hoer kuthoer vuile slet”, of woorden van gelijke strekking. Wij, verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zagen dat de verdachte [verdachte] tijdens bovengenoemde belediging met zijn gezicht in de richting van verbalisant [verbalisant 1] keek. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voel mij door de bovengenoemde belediging in mijn eer en goede naam aangetast.

Op het moment dat de verdachte [verdachte] in het opvallende dienstvoertuig werd geplaatst zagen wij, verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 1] dat verdachte [verdachte] de verbalisant [verbalisant 2] in haar gezicht spuwde. Ik, verbalisant [verbalisant 2], voel mij door het spuwen in mijn gezicht door de verdachte aangetast in mijn eer en goede naam.

De verdachte heeft bij de politie op 21 september 2008 als volgt verklaard:

Ik zat vannacht op de rand van een muurtje van de jongerenkerk bij de Lohofstraat. De politie kwam en vertelde mij dat ze mij op de stadscamera’s hadden gezien in het centrum. Ze vertelden mij dat ik een stadsverbod had. Ik wist dit.

Ik ben weggerend. Toen kwam de politie. Ik heb naar een politieagente gespuugd. (Op de vraag wanneer de gebiedsontzegging is ingegaan:) Dit was volgens mij de derde week en hierna volgden nog twee weken. Volgens mij ben ik gisteravond in een gebied gekomen waar ik niet mocht komen.

Bij de stukken bevindt zich het bevel tot verblijfsontzegging, opgelegd namens de burgemeester van Venlo d.d. 31 augustus 2008, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

- dat op 31 augustus 2008 is geconstateerd dat [verdachte], geboortedatum [geboortedatum] 1990, zich schuldig heeft gemaakt aan ordeverstorend gedrag gerelateerd aan uitgaan in de binnenstad van Venlo;

- dat op grond van artikel 2:75 APV Venlo in dat geval de toegang tot een bepaald gebied kan worden ontzegd;

- dat aan hem een gebiedsontzegging wordt opgelegd van vrijdag 18.00 uur tot en met maandagochtend 6.00 uur in een periode van zes weken die ingaat op vrijdag 5 september 2008 en eindigt op maandag 13 oktober 2008;

- dat dit bevel geldt voor het aangewezen gebied, zijnde het uitgaansgebied in de binnenstad van Venlo, waarbij wordt verwezen naar een aangewezen gebied op een plattegrond, op welke plattegrond de Lohofstraat en de Parade zich bevinden binnen het omlijnde gedeelte.

Feit 6

Door de verbalisanten is [verbalisant 7] en [verbalisant 8] is op 28 september 2008 een proces-verbaal van aanhouding opgemaakt. Zij relateren het navolgende:

Op 27 september 2008 waren wij belast met de openbare ordedienst in het centrum van Venlo. Alvorens de openbare ordedienst aanvangt wordt er gezamenlijk een briefing gehouden. In die briefing komt onder andere aan bod welke personen een gebiedsontzegging hebben in het centrum van Venlo. In deze briefing kwam naar voren dat [verdachte], nader te noemen als verdachte, een gebiedsontzegging had van zes weken. Deze gebiedsontzegging was geldig van 5 september 2008 tot en met 13 oktober 2008. Dit hield dus in dat de gebiedsontzegging van de verdachte actueel was.

Op 27 september 2008 omstreeks 23.50 uur werden wij telefonisch benaderd door een handhaver van de gemeente Venlo. Deze deelde ons mede dat zij de verdachte zagen lopen ter hoogte van de shoarmazaak Ormix, gelegen aan de Parade 13 te Venlo. Genoemde locatie valt binnen het genoemde gebied waarin deze ontzegging van kracht is. Toen wij omstreeks 23.55 uur ter plaatse waren bevond de verdachte zich inmiddels op de Lohofstraat te Venlo. Naar aanleiding van vorenstaande werd de verdachte door ons aangehouden.

De verdachte heeft op 28 september 2008 bij de politie verklaard:

Over gisteravond kan ik vertellen dat ik op de rand van het gebied ben geweest, misschien ben ik er een stukje binnen geweest. Ik was nog geen 5 minuten binnen het gebied. Ik wist dat ik niet de stad in mocht. Ik heb een gebiedsontzegging voor 6 weken en volgens mij is dit mijn op één na laatste week. Deze ontzegging is voor zowat het hele centrum van Venlo. Ik ben gisteren bij Ormix geweest.”

22. De raadsvrouw van verdachte heeft blijkens een overgelegde pleitnota ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2012 onder meer het volgende aangevoerd:

“Salduz-jurisprudentie van toepassing op cliënt. 1e en 2e verklaring afgelegd vóór advocaat: p 28 en 33: eerst advocaat spreken. Zelfs vóór IVS: 2e verklaring 14.14, IVS 14.30 uur. Uitsluiten: cliënt heeft niet de mogelijkheid gehad om na zijn aanhouding, voorafgaande aan zijn verhoor een advocaat te raadplegen.”

23. Uit de gedingstukken maak ik op dat verdachte zowel op 21 als op 28 september 2008, telkens nadat hij was aangehouden, is verhoord zonder dat hij voorafgaand aan die verhoren in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen en terwijl niet blijkt dat hij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daardoor in beginsel sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv dat in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van deze verklaringen.7 Door de verklaringen van verdachte toch voor het bewijs te gebruiken, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt hierover terecht.

24. Dit brengt ten aanzien van de feiten 3 en 6 mee dat de bewezenverklaring, in het bijzonder dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een hem bekend bevel verblijfsontzegging, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

25. Met betrekking tot de feiten 4 en 5 hoeft echter geen cassatie te volgen. De bewezenverklaring van deze feiten wordt namelijk voldoende ondersteund door de beide op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van aanhouding. De verklaringen van verdachte zijn ten aanzien van deze feiten overbodig en van zodanige ondergeschikte betekenis dat de bewezenverklaring ook met weglating hiervan toereikend is gemotiveerd.8

26. Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring van de feiten 3 en 6 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de burgemeester van Venlo was belast met de uitoefening van enig toezicht.

27. Art. 172 van de Gemeentewet luidt, voor zover relevant:

“1. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde.

2. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.

3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.”

28. Art 2.75 van de APV Venlo 2001, zoals deze gold in september 2008, is op dit artikel van de Gemeentewet gebaseerd en hield kort gezegd in dat de burgemeester in het belang van de openbare orde aan degene die de openbare orde ernstig verstoort een verblijfsontzegging kan opleggen van - onder omstandigheden - maximaal 12 weken.

29. Het feit dat de burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde, impliceert dat hij ook verantwoordelijk is voor het toezicht daarop. In aanmerking genomen dat de inhoud van wettelijke voorschriften van algemene bekendheid mag worden geacht en dus geen bewijs behoeft, is het middel tevergeefs voorgesteld.

30. Het vijfde middel klaagt over de strafmotivering. Aangevoerd wordt dat het hof de strafoplegging ten onrechte mede heeft gebaseerd op feit 2, terwijl verdachte in eerste aanleg van dit feit was vrijgesproken en dit niet aan het oordeel van het hof was onderworpen.

31. De in het bestreden arrest opgenomen strafmotivering luidt als volgt:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging een agent van het leven te beroven. Hij is als bestuurder van een personenauto, rijdende over een parcours van een hardloopwedstrijd, met die auto ingereden op een agent die, staand op de straat met een fiets tussen zijn benen, verdachte een stopteken gaf. Verdachte heeft daarbij geen rekening gehouden met de kwetsbaarheid van die agent. Het is slechts aan omstandigheden buiten verdachte gelegen (het wegspringen door de agent) te danken dat de door hem bestuurde auto de agent niet heeft geraakt en dat de agent als gevolg van het handelen van verdachte niet is overleden. Het hof rekent dat verdachte zwaar aan. Vervolgens heeft hij een uiterst bedreigende situatie doen ontstaan voor een collega van eerder genoemde agent door hard op haar toe te rijden met de auto en pas op het laatste moment uit te wijken.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het op grove wijze beledigen van agenten en het (herhaaldelijk) niet voldoen aan een ambtelijk bevel.

Naar het oordeel van het hof kan in een geval als het onderhavige niet worden volstaan met een andere of een lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de gevolgen die het onder 1 en 2 bewezen verklaarde heeft gehad voor de slachtoffers;

- het gewelddadige karakter van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat verdachte, gelet op zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en zijn afwezigheid ter terechtzitting in hoger beroep, geen enkele verantwoording heeft willen afleggen over zijn handelen.

In strafverzwarende zin heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat het door verdachte gepleegde geweld, de bedreiging en de beledigingen zijn gericht tegen politieagenten die hun taken in het algemeen belang uitoefenen.

Naar het oordeel van het hof is, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf als door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals door de raadsvrouwe ter terechtzitting naar voren gebracht en de omstandigheid dat de feiten dateren van 2008 en 2009, geen aanleiding om deze straf te matigen. Ook voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht acht het hof geen termen aanwezig. Gelet op de hierna te bespreken overschrijding van de redelijke termijn zal het hof evenwel tóch een gevangenisstraf van een lagere duur opleggen.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van de poging tot doodslag en de bedreiging die onder feit 1 bewezen zijn verklaard aan de verdachte telkens de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor een duur als hierna vermeld.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding om te bepalen dat (een gedeelte van) deze bijkomende straf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.”

32. Het hof heeft in de strafmotivering inderdaad overwogen dat het bij de bepaling van de straf heeft rekening gehouden met “het onder 1 en 2 bewezenverklaarde”, terwijl verdachte in eerste aanleg van het als feit 2 ten laste gelegde is vrijgesproken en dit feit niet aan het oordeel van het hof was onderworpen. Gelet op de overige inhoud van de strafmotivering kan er naar mijn oordeel echter geen twijfel over bestaan dat het hof met deze kennelijke verschrijving de twee onder 1 bewezenverklaarde feiten heeft bedoeld, namelijk de poging tot doodslag op [verbalisant 5] en de bedreiging van [verbalisant 6]. De Hoge Raad kan de strafmotivering verbeterd lezen en daarmee vervalt de feitelijke grondslag aan de klacht.

33. Het middel faalt.

34. De middelen 1, 2, 4 en 5 falen en kunnen naar mijn oordeel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt ten dele.

35. Ik heb geen grond aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de feiten 3 en 4 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De in het bestreden arrest voorkomende voetnoten zijn omwille van de leesbaarheid niet opgenomen in de in deze conclusie voorkomende citaten.

2 Zie A.J.A. van Dorst, “Cassatie in strafzaken”, Deventer: Kluwer, 7e druk 2012, p. 215-217.

3 HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8393, r.ov. 3.5.

4 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011, 228 m.nt. Keijzer, r.ov. 2.3.; HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686, r.ov. 2.3.

5 HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309, r.ov. 3.5. en A.J. Machielse in NLR, aant. 5 bij art. 285 Sr.

6 HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD9986.

7 Zie onder meer HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009, 349 m.nt. Schalken, r.ov. 2.5. - 2.7.2. en HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5111, r.ov. 3.3 - 3.4.

8 HR 4 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1699 (niet gepubliceerd); HR 7 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8289; HR 25 april 2006, LJN: ECLI:NL:HR:2006:AV6192; HR 13 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5473 (HR 81RO) en par. 4.11.7 van de daaraan voorafgegane conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt; HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012BV3442; HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5571.