Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2222

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12/01544
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:123, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering b.p. Wettelijke rente. Artt. 6:162.1, 6:119.1 en 6:83 aanhef en onder b, BW. Middel b.p.: HR herhaalt HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559 inhoudende dat uit de bepalingen van het BW voortvloeit dat verdachte t.g.v. zijn onrechtmatige gedragingen jegens de b.p. jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden. Door te bepalen dat het toegewezen bedrag van de vordering van de b.p. pas vanaf de dag waarop het Hof zijn arrest heeft uitgesproken wordt vermeerderd met de wettelijke rente, heeft het Hof het voorgaande miskend. De HR doet de zaak zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01544

Mr. Harteveld

Zitting 5 november 2013

Conclusie inzake

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 14 maart 2012 de verdachte wegens “opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren alsmede een geldboete van € 2.000,--, te vervangen door veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr naar de maatstaf van € 50,-- per dag. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van €4.850 euro en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, één en ander zoals omschreven in het bestreden arrest. Voorts heeft het Hof de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten ten bedrage van €684,--. Ten slotte heeft het Hof aan de verdachte de betalingsverplichting aan de Staat opgelegd ad €4.850,--.

2. Namens de verdachte heeft mr. B. Kurvers, advocaat te ’s-Hertogenbosch, cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftuur ingezonden houdende zes middelen middel van cassatie. Een aanvullend schrijven van mr. Kelder is nadien binnengekomen, waarin het vijfde middel naar aanleiding van het door de Hoge Raad desgevraagd toegezonden opgevraagd processtuk (zijnde een ondertekend proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 24 april 2006) is gewijzigd.

3. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur eveneens een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat de ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2010 gehoorde deskundige A.E. van Leeuwen-Bronsgeest niet naar haar persoonsgegevens en haar beroep is gevraagd, noch of zij bloed-of aanverwant is van de verdachte, terwijl zij evenmin op de door de wet voorgeschreven wijze de belofte heeft afgelegd, nu zij immers niet heeft verklaard ‘naar waarheid’ te verklaren.

4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2010 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

(p. 6)

“De deskundige, A.E. van Leeuwen-Bronsgeest, legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de taak naar geweten te vervullen.

(…)”

4.2. Art. 51m, tweede lid, Sv, dat is ingevoerd bij de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet deskundige in strafzaken (Stb. 2009, 33), luidt als volgt:



"De deskundige wordt bij zijn verhoor op de terechtzitting beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren."

4.3. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof aan de deskundige A.E. van Leeuwen-Bronsgeest niet heeft gevraagd of zij bloed-of aanverwante is van de verdachte faalt het, nu de vraag naar de bloed- of aanverwantschap niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.1

4.4. Het arrest waarop de steller van het middel zich voorts baseert (HR 14 november 2006, LJN AX7447) gaat over een ter terechtzitting gehoorde, maar in het geheel niet als getuige of als deskundige beëdigde begeleider van een getuige, die aan het Hof ter terechtzitting informatie had gegeven met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke toestand van de getuige. Die begeleider had volgens de Hoge Raad als getuige moeten zijn beëdigd. Aangezien het behoort tot het wezen van het strafproces, dat op de terechtzitting getuigen onder ede of belofte worden gehoord, leidde de nalatigheid in die zaak tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. In de onderhavige zaak heeft wel een beëdiging plaatsgevonden, zij het dat geklaagd wordt dat de deskundige niet heeft verklaard dat zij naar waarheid zal verklaren. Volstaan is, zo mag aangenomen worden, met het nog voorhouden door de voorzitter van de ‘oude’ formulering, te weten die van voor de inwerkingtreding van de Wet deskundige in strafzaken. Het moet me van het hart dat ik niet inzie wat het belang is van deze klacht in cassatie. De raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2010 verschenen en hij is aldaar in de gelegenheid gesteld de getuige vragen te stellen en ten aanzien van het deskundigenverhoor opmerkingen te maken, terwijl hij ten aanzien van eventuele gebreken bij de beëdiging van de deskundige niets heeft aangevoerd.2 Niet gesteld is dat is verklaard omtrent zaken die niet te maken hadden met de status van deskundige maar welke opgaven als getuigenverklaring hadden te gelden – hetgeen dan door het ontbreken van de term ‘naar waarheid’ niet zou zijn afgedekt.3 Tenslotte is de verklaring van de deskundige niet als bewijsmiddel gebezigd – wél het eerder door haar als vast gerechtelijk deskundige uitgebrachte verslag. Om vergelijkbare redenen faalt de klacht dat het Hof niet naar de persoonsgegevens en het beroep van de deskundige heeft gevraagd. Klaarblijkelijk waren die gegevens ten aanzien van de betreffende deskundige van het NFI, die het eerder gememoreerde schriftelijk deskundigenverslag had uitgebracht, op de genoemde terechtzitting in confesso, ook ten opzichte van de verdediging. Toen was er geen bezwaar van de kant van de verdediging tegen het expliciet achterwege laten van de genoemde vragen. De klacht in cassatie ontbeert een redelijk belang.

4.5. Het middel faalt mitsdien.

5. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 7 juli 2010 heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 7 april 2010, zonder dat blijkt dat de advocaat-generaal bij het Hof en de verdediging daarmee hebben ingestemd.

5.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2010 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“(p. 9)

Desgevraagd delen de verdachte, de raadsman en de advocaat-generaal mede dat zij afstand doet van de heden gehoorde deskundige en dat, indien de zaak heden wordt aangehouden en het hof bij een nadere behandeling anders zal zijn samengesteld en het onderzoek opnieuw zal moeten worden aangevangen, de deskundige niet opnieuw gehoord hoeft te worden en haar heden afgelegde verklaring na voorlezing ervan als op die nadere zitting afgelegd kan worden beschouwd.

(…)

Schorst het onderzoek tot de terechtzitting van het hof van 7 juli 2010 (…)”

5.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juli 2010 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“De verdachte is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.A. van de Weerd, advocaat te ’s-Gravenhage.

(…)

De voorzitter deelt mede dat reeds op de vorige terechtzitting van 7 april 2010 is bepaald dat de zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar slechts een pro forma zitting zal zijn ter bewaking van het onderzoek.

Voorts deelt de voorzitter mede dat het hof thans anders is samengesteld dan op de zitting van 7 april 2010, maar dat de verdachte, de raadsman van verdachte en de advocaat-generaal bij gelegenheid van voornoemde zitting hebben toegestemd het onderzoek vandaag voort te kunnen zetten in de stand waarop het zich op 7 april 2010 bevond.”

5.3. Het middel klaagt dat het onderzoek aan nietigheid lijdt omdat het Hof op 7 juli 2010, hoewel gewijzigd van samenstelling,4 de zitting heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing, zonder dat uit het proces-verbaal van die zitting of dat van 7 april 2010, waar het Hof op 7 juli 2010 naar verwijst, blijkt dat de advocaat-generaal en de verdachte hiermee hebben ingestemd. Dit terwijl het Hof het arrest wel heeft gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.

5.4. Ingevolge art. 322, derde lid, jo. 415, eerste lid, Sv wordt het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen wanneer de samenstelling van het Hof bij de hervatting is gewijzigd, tenzij de advocaat-generaal en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het proces-verbaal van de zitting moet inhouden dat de instemming is gegeven. Het verzuim ondanks ontbreken van die toestemming het onderzoek ter terechtzitting niet opnieuw aan te vangen leidt tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting waar het onderzoek is hervat en van een mede naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak.5

5.5. Het opnieuw aanvangen van het onderzoek na gewijzigde samenstelling is niet vereist als slechts sprake is van een pro forma-zitting. Op een dergelijke zitting vindt immers geen behandeling van de zaak plaats, zodat niet naar aanleiding van het onderzoek op die zitting beraadslaagd en beslist kan worden.6 Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2011 was sprake van een pro forma-zitting, zodat het middel reeds om die reden faalt. Ten overvloede merk ik op dat het middel eveneens afstuit op de omstandigheid dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2010 niet blijkt dat de verdediging of de advocaat-generaal bij het Hof op enig moment bezwaar heeft gemaakt tegen gewijzigde samenstelling van het Hof, of als opvatting kenbaar gemaakt dat het Hof verplicht was het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aan te vangen. Daar was wel alle gelegenheid voor – wellicht zelfs aanleiding toe - aangezien blijkens het proces-verbaal de voorzitter dadelijk bij de aanvang van de zitting meedeelde dat het Hof er van uit ging dat op 7 april 2010 reeds van een dergelijke instemming gebleken was. Derhalve kan hierover niet met vrucht in cassatie worden geklaagd.7

5.6. Het middel faalt.

6. Het derde middel valt uiteen in twee klachten. Ten eerste behelst het middel de klacht dat ’s Hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van het deskundigenrapport onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Ten tweede behelst het middel de klacht dat de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van medewerkers van de Luxemburgse bank onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. De klachten worden achtereenvolgens behandeld.

6.1. Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“Uit de rapportage van de accountant blijkt dat met behulp van overschrijvingskaarten bedragen van [benadeelde partij] zijn overgeschreven naar de rekening van verdachte. Van 6 kaarten, nrs. 8, 12, 13, 14, 17 en 18, geeft aangeefster aan dat zij die niet zelf heeft ondertekend. Uit het vergelijkend handschriftonderzoek van het NFI, zaaksnummer 2006.06.21.082, blijkt dat deze kaarten hoogstwaarschijnlijk niet zijn ondertekend door aangeefster met een zogenaamde verdraaide of door haar nagebootste handtekening. Uit dit onderzoek van het NFI blijkt voorts dat de handtekeningen hoogstwaarschijnlijk zijn geschreven door verdachte.

Het hof neemt die conclusies van het NFI over.

Door de verdediging is aangevoerd dat er nog veel onzeker is over handschriftkundig onderzoek voor wat betreft de gebruikte methodes en de foutenmarges en dat de resultaten van schriftkundig onderzoek daarom met de grootste voorzichtigheid dienen te worden beoordeeld.

Het hof is zich ervan bewust dat, zoals voor meer deskundigenrapportages geldt, enige subjectiviteit bij de interpretatie van de gegevens aanwezig kan zijn.

Bij het overnemen van de conclusies van de onderzoeken heeft het hof daarom tevens acht geslagen op de door de verdachte ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaringen ten aanzien van de wijze waarop hij de financiële administratie van zijn moeder beheerde, in het bijzonder op hetgeen hij heeft verklaard ten aanzien van de door zijn moeder geopende nummerrekening te Luxemburg.

Verdachte heeft daar op vragen van de voorzitter -kort gezegd- aangegeven dat hij van het geld van die betreffende rekening aandelen heeft gekocht en het rendement heeft teruggestort op 2 augustus 1995, waarna dit geld is geïnvesteerd in staatsobligaties. Hij heeft voorts verklaard dat de constatering van de bank dat sprake was van een foutieve respectievelijk een herstelboeking niet juist is. Hij heeft verklaard dat het geld van die obligaties weer op de genummerde rekening in Luxemburg moet zijn gestort.

Het hof kan niet anders dan vaststellen dat de berichtgeving van de bank en het daarop reagerende accountantsonderzoek een geheel ander beeld geven van het beheer van deze rekening door verdachte dan hij zelf voor het hof aannemelijk heeft willen maken. Dit tast de betrouwbaarheid van zijn verklaringen ten aanzien van zijn financiële beheer als geheel aan.

Gelet op de bevindingen van het NFI, nader toegelicht in hoger beroep, de aangifte en de betreffende rekeningafschriften is naar het oordeel van het hof de opzet van verdachte op het delict vast komen te staan en het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze kaarten valselijk heeft opgemaakt en hiervan gebruik heeft gemaakt.”

6.2. In de toelichting op het middel wordt ten aanzien van het betrouwbaarheidsverweer gesteld dat in het licht van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en de stukken die hij heeft overgelegd het Hof de juistheid van de NFI-conclusies niet kon baseren op onwaarheden die de verdachte zou hebben verteld, maar dat het nader diende te motiveren waarom het de bestreden deskundigenconclusie betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs acht.

6.3. ‘s Hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer van het deskundigenrapport is in het licht van hetgeen door de verdediging daaromtrent is aangevoerd onjuist noch onbegrijpelijk. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de raadsman van de verdachte in eerste aanleg dit verweer heeft onderbouwd door inbrenging van een rapport van dr. M.J. Blom en een aantal artikelen van de hand van prof. dr. Merckelbach en andere (internationale) auteurs. Ter onderbouwing van het betrouwbaarheidsverweer in hoger beroep is door de verdediging – zoals blijkt uit ’s Hofs bewijsoverwegingen – echter niet meer aangevoerd dan dat “er nog veel onzeker is over handschriftkundig onderzoek voor wat betreft de gebruikte methodes en de foutenmarges en dat de resultaten van schriftkundig onderzoek daarom met de grootste voorzichtigheid dienen te worden beoordeeld.” Door te overwegen dat het Hof zich ervan bewust is dat, zoals voor meer deskundigenrapportages geldt, enige subjectiviteit bij de interpretatie van de gegevens aanwezig kan zijn” en het Hof voorts bij het overnemen van de conclusies van de onderzoeken tevens acht heeft geslagen op de door de verdachte ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaringen, heeft het Hof dit verweer dan ook voldoende gemotiveerd verworpen. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de raadsman van de verdachte in het kader van de betrouwbaarheid daarnaast nog meer heeft aangevoerd, en evenmin in de schriftuur wordt aangegeven wat precies uit de (in eerste aanleg overgelegde) stukken zou moeten volgen, gaat de tegen de motivering gerichte klacht niet op. In zoverre faalt het middel.

6.4. In het middel wordt ten tweede geklaagd over de motivering van ’s Hofs afwijzing van het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2012 ingediende voorwaardelijk verzoek tot het horen van medewerkers van de Luxemburgse bank. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman van de verdachte het volgende aangevoerd:

“Er is geen nader onderzoek gedaan naar wat er wel met het geld van de rekening is gebeurd. Mijn cliënt heeft geen toegang tot de stukken. Er is wel degelijk geld belegd. Als het hof waarde hecht aan het standpunt van de advocaat-generaal, inhoudende dat mijn cliënt leugens vertelt over de rekening in Luxemburg, dan kan ik niets anders doen dan een voorwaardelijk verzoek doen tot het horen van medewerkers van de betreffende Luxemburgse bank. Dit verzoek doe ik dus alleen als het hof de leugenachtigheid van mijn cliënt baseert op zijn verklaring aangaande de Luxemburgse rekening.”

6.5. De toelichting op het middel behelst de klacht dat het voorwaardelijke verzoek te beperkt is opgevat en bijgevolg onbegrijpelijk gemotiveerd is afgewezen aangezien de raadsman als voorwaarde aan zijn verzoek verbonden heeft dat het Hof waarde zou hechten aan het standpunt dat de verdachte leugens zou hebben verteld met betrekking tot het geld op de Luxemburgse rekening. Het Hof heeft de verklaringen van de verdachte op dit punt ook onbetrouwbaar geacht. Het Hof had echter de medewerkers van de Luxemburgse bank wel moeten horen om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag wat er nu precies met het Luxemburgse geld is gebeurd, en aldus het verzoek niet mogen afwijzen, aldus de steller van het middel.

6.6. Door te overwegen dat het Hof het niet noodzakelijk acht de medewerkers van de bank te horen nu het “aan de bewezenverklaring niet mede ten grondslag legt de leugenachtigheid van verdachtes verklaring, doch zijn aantoonbaar onjuiste verklaringen slechts heeft genoemd ter adstructie van zijn oordeel dat verdachtes verklaringen niet betrouwbaar zijn” heeft het Hof de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek voldoende gemotiveerd verworpen, en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft zoals blijkt uit de aanvulling met de bewijsmiddelen de verklaring van de verdachte op dit punt niet tot het bewijs gebezigd. Bovendien berust ’s Hofs oordeel dat de verklaringen van de verdachte op dit punt onbetrouwbaar zijn eveneens op de verklaringen van aangeefster en de twee broers van de verdachte alsmede het accountantsrapport. Derhalve bestond kennelijk voor het Hof niet de noodzaak om de getuigen hieromtrent te horen. Voor zover het middel stelt dat het horen van de getuigen niettemin van belang is, faalt het eveneens. Immers, voor de bewezenverklaring is de vraag naar “wat er nu precies met het Luxemburgse geld is gebeurd” niet relevant, nu immers de verdachte uitsluitend veroordeeld is voor het gebruik maken van vervalste overschrijvingskaarten van de Postbank.

6.7. Het middel faalt mitsdien in al zijn onderdelen.

7. Het vierde middel behelst eveneens twee klachten. Ten eerste klaagt het middel erover dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging van feit 1 heeft verlaten, door de verdachte vrij te spreken van de in die tenlastelegging gespecificeerde pleegplaats (Nuenen) en in plaats daarvan bewezen te verklaren dat de verdachte het feit ‘in Nederland’ heeft gepleegd.

7.1. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

“hij op meerdere, althans één, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 1993 tot en met 26 november 2004, te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, in elk geval in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) overschrijvingskaart(en) van de Postbank op naam van [benadeelde partij] e/o L. evers, (een) geschriften) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dat/die geschriften) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die overschrijvingskaart(en) heeft doen toekomen aan de Postbank en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op die overschrijvingskaart(en) vermelde bedrag(en) moesten worden gestort op zijn, verdachte's, Postbankrekening en was/waren dat/die overschrijvingskaart(en) voorzien van (een) handtekening(en), welke moest(en) doorgaan voor de handtekening(en) van [benadeelde partij];”

7.2. Bewezen verklaard is dat:

“hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 juni 2003 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste overschrijvingskaarten van de Postbank op naam van [benadeelde partij] e/o [betrokkene], -zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware die geschriften echt en onvervalst bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die overschrijvingskaarten heeft doen toekomen aan de Postbank en bestaande die vervalsing hierin dat de op die overschrijvingskaarten vermelde bedragen moesten worden gestort op zijn, verdachte's Postbankrekening en waren die overschrijvingskaarten voorzien van handtekeningen, welke moesten doorgaan voor de handtekeningen van [benadeelde partij].”

7.3. Ik stel voorop dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is om de tenlastelegging uit te leggen, waarbij hij kan letten op de opbouw van de tenlastelegging in haar geheel en het onderling verband van haar onderdelen.8 De uiteindelijke bewezenverklaring mag geen andere feitelijke gebeurtenis behelzen dan het openbaar ministerie in zijn tenlastelegging op het oog had, aldus Van Dorst.9 Volgens Corstens en Borgers is een redelijke uitleg van de tenlastelegging het richtinggevende uitgangspunt, dat wil zeggen een uitleg die recht doet aan de bedoelingen van een redelijke steller van een tenlastelegging.10 Bij de beoordeling van de vraag of de rechter bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, stelt de Hoge Raad zich voorts terughoudend op. Als de uitleg van de rechter met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar is, dient deze in cassatie te worden geëerbiedigd.11

7.4. Hetgeen hiervoor onder 7.3. is vooropgesteld in aanmerking nemende, heeft het Hof door van het ten laste gelegde "te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, in elk geval in Nederland” bewezen te verklaren "in Nederland" de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. Het betreffende onderdeel van de tenlastelegging waarin is gesteld dat het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift (door de overschrijvingskaarten van de Postbankrekening te voorzien van verdachtes handtekening, welke moesten doorgaan voor de handtekeningen van zijn moeder) kan uit de tenlastelegging worden losgemaakt (weggestreept) zonder dat de betekenis van die tenlastelegging op ontoelaatbare wijze wordt veranderd, waarbij bovendien de woorden “in elk geval” in aanmerking moeten worden genomen. Er is dus niet iets anders bewezenverklaard dan hetgeen is tenlastegelegd. In zoverre faalt het middel.

7.5. Het middel behelst ten tweede de klacht dat het Hof de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover zij behelst dat de verdachte “opzettelijk gebruik heeft gemaakt” van vervalste overschrijvingskaarten “bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die overschrijvingskaarten heeft doen toekomen aan de Postbank”, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Gesteld wordt dat aan de verdachte niet ten laste is gelegd noch is bewezenverklaard dat de verdachte overschrijvingskaarten heeft vervalst, maar dat hij gebruik heeft gemaakt van vervalste overschrijvingskaarten. De bewijsmiddelen vermelden echter niets van dat gebruikmaken, noch van het doen toekomen van de overschrijvingskaarten aan de Postbank, aldus de steller van het middel.

7.6. De bewijsmiddelen houden onder meer in de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 7), inhoudende:

“Ik heb bepaalde overschrijvingen gedaan. Ik schreef af en toe op de overschrijvingskaarten ten name van wie het geld moest worden overgemaakt.”

7.7. Het Hof is er kennelijk van uitgegaan dat de verdachte de overschrijvingen deed en de overschrijvingskaarten vervolgens aan de Postbank heeft doen toekomen. Naar normaal taalgebruik heeft het Hof uit de zinsnede “ik heb overschrijvingen gedaan” m.i. kunnen afleiden dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de overschrijvingskaarten en voorts dat de verdachte de overschrijvingskaarten aan de Postbank heeft doen toekomen. Derhalve heeft het Hof de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte “opzettelijk gebruik heeft gemaakt” van vervalste overschrijvingskaarten “bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die overschrijvingskaarten heeft doen toekomen aan de Postbank” voldoende gemotiveerd. De accessoire klacht, namelijk dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat het feit in Nederland is gepleegd, gaat overduidelijk niet op. Van algemene bekendheid is dat de Postbank (thans ING) was gevestigd in Nederland. Nader bewijs door het Hof van de locus delicti was niet vereist.

7.8. Het middel faalt mitsdien.

8. Het vijfde middel – zoals gewijzigd bij aanvullend schrijven – behelst de klacht dat de bewezenverklaring ten onrechte mede berust op door de verdachte afgelegde verklaringen, terwijl het Hof de verklaringen van de verdachte aantoonbaar onjuist, niet betrouwbaar en gelogen acht. Daartoe wordt in de toelichting op het middel gesteld dat het Hof de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op de verklaringen van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg (bewijsmiddelen 7 en 8). Het gebruik van die verklaringen zou niet stroken met ’s Hofs nadere bewijsoverwegingen op p. 4-7, waarin het Hof de leugenachtigheid en onbetrouwbaarheid van verdachtes verklaringen uiteenzet.

8.1. ’s Hofs overwegingen ten aanzien van de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte zien op diens verklaringen met betrekking tot de financiële situatie van zijn moeder, een rekening (A.E.H.: lees de Luxemburgse bankrekening) en zijn financiële beheer als geheel. De verklaringen van de verdachte op die punten acht het Hof onbetrouwbaar. De gewraakte bewijsmiddelen betreffen beide verklaringen van de verdachte met betrekking tot het doen van overschrijvingen (bewijsmiddel 7) en het ontvangst van geldbedragen genoemd op de overschrijvingskaarten (bewijsmiddel 8). Uit ’s Hofs nadere bewijsoverwegingen volgt echter niet dat het Hof de verklaringen van de verdachte op die punten eveneens onbetrouwbaar acht, zodat het Hof deze bewijsmiddelen zonder nadere motivering tot het bewijs heeft kunnen bezigen.

8.2. Het middel faalt mitsdien.

9. Het zesde middel klaagt erover dat het Hof heeft bepaald dat het bedrag aan schadevergoeding dat kon worden toegewezen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

9.1. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in de vordering van de benadeelde partij niet is verzocht om toekenning van wettelijke rente, en deze wettelijke rente voorts in eerste aanleg ook niet is toegekend. Aldus heeft het Hof miskend dat het wettelijke rente niet kan toewijzen als dat door de benadeelde partij niet is gevorderd, waarbij wordt gerefereerd aan HR 17 december 1991, NJ 1992/342 en HR 11 januari 2000, NJ 2000/217.

9.2. Bij de stukken bevindt zich een “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” waarmee [benadeelde partij] zich heeft gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte. Het aan het voegingsformulier gehechte “Schade-onderbouwingsformulier” houdt in:

“De schade die nog niet is / wordt vergoed en die in deze procedure wordt gevorderd bedraag totaal € 6.040,--. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum delict en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.”

9.3. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien uit het aan voornoemd voegingsformulier gehecht schadeonderbouwingsformulier blijkt dat de benadeelde partij heeft verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum delict.

9.4. Het middel faalt mitsdien.

10. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel klaagt erover dat het Hof heeft bepaald dat het bedrag aan schadevergoeding dat kon worden toegewezen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Gesteld wordt dat het Hof de wettelijke rente had moeten toekennen vanaf de datum waarop het delict plaatsvond.

10.1. De bestreden uitspraak houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.600,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag.

Het hof is van oordeel dat het overige in hoofdsom gevorderde niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde waarop de vordering (zoals in eerste aanleg gematigd) is gegrond. De benadeelde partij zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

(…)

Beslissing:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 4.850,00 (vierduizend achthonderdvijftig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening

(…)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van EUR 4.850,00 (vierduizend achthonderdvijftig euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

10.2. Voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding en de daarbij behorende wettelijke rente zijn de volgende bepalingen van belang:

“- art. 6:162, eerste lid, BW:

"Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden."

- art. 6:119, eerste lid, BW:

"De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest."

- art. 6:83, aanhef en onder b, BW:

"Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

(...)

b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen;"

10.3. De benadeelde partij heeft blijkens voornoemd voegingsformulier betaling van de wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van het delict over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden als gevolg van het jegens haar door de verdachte bewezenverklaarde opzettelijk gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift. Die onrechtmatige gedraging van de verdachte heeft ingevolge de zojuist aangehaalde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek tot gevolg dat de verdachte schadeplichtig is jegens de benadeelde partij en dat hij zonder ingebrekestelling de wettelijke rente over het schadebedrag verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden.12 Gelet hierop heeft het Hof verzuimd in zijn beslissing de verdachte tevens te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor zover deze is toegewezen, vanaf het moment dat de schade is ingetreden (1 juni 2003).13

10.4. Het middel slaagt mitsdien.

11. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het middel van de benadeelde partij slaagt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover verzuimd is de vergoeding van de gevorderde wettelijke rente toe te wijzen vanaf het moment dat de schade is ingetreden, tot herstel van dat verzuim en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


AG

1 HR 2 juni 1936, NJ 1936/992.

2 HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2930.

3 Vgl. HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1760

4 De zittingscombinatie bestond op 7 april 2010 uit de raadsheren Van Dijk, van der Kaaden en Ruyters; op 7 juli uit Van Dijk, van der Kaaden en Wiemans.

5 Vgl. HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL5584. Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht (2011), p. 640

6 Vgl. HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1970.

7 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot AG Machielse voor HR 13 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BY0066.

8 HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2939.

9 A .J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 7e druk, p. 242.

10 G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 7e druk, p. 655.

11 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 7e druk, p. 242-243.

12 HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559.

13 HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6354.