Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2215

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
12/01320
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:27
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO. Ambtshalve: strafoplegging art. 197 (oud) Sr en terugkeerrichtlijn. HR stelt ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en ECLI:NL:HR:2013:705 voorop. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. HR vernietigt het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01320

Mr. Wortel

Zitting 5 november 2013

conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 28 februari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarbij de verdachte wegens (1) “diefstal” en (2) “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” is veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

2.1 Het middel klaagt erover dat het Hof, overwegende

“De raadsman heeft aangevoerd dat de beschikking waarbij de verdachte ongewenst is verklaard met ingang van 24 december 2010 van rechtswege is opgehouden te bestaan wegens strijd met de Terugkeerrichtlijn (2008/115/EG). Verdachte heeft zich dan ook niet schuldig gemaakt aan artikel 197 Sr.

Het hof is van oordeel dat de ratio van de regelgeving en de Terugkeerrichtlijn niet op gespannen voet met elkaar staan. De strafbaarstelling van verdachte is gebaseerd op de onderliggende stukken in het dossier. Op grond van die stukken is en was verdachte ten tijde van het plegen van het feit ongewenst vreemdeling. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

heeft verzuimd in te gaan op het verweer “dat er ten tijde van het plegen van het feit door de rechtstreekse werking van de Terugkeerrichtlijn geen sprake meer was van een rechtsgeldige beschikking tot ongewenstverklaring en dat daardoor de verdachte ten tijde van het plegen van het feit niet langer was aan te merken als ongewenst verklaarede vreemdeling”.

Blijkens de toelichting op het middel steunde dit verweer op de stelling dat “[e]en ongewenstverklaring van een derdelander die langer dan 5 jaar geleden is opgelegd […]van rechtswege [is] opgehouden te bestaan.”

2.2 Ten tijde van het indienen van de cassatieschriftuur was dat wellicht een belangwekkende stelling, maar inmiddels moet worden vastgesteld dat het middel faalt in verband met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn op 21 mei 2013 uitgesproken arresten, gepubliceerd als ECLI:NL:HR:2012:BZ3928 en ECLI:NL:HR:2012:BZ3930, waarin is overwogen:

“3.2 Het middel faalt voor zover het berust op de opvatting dat de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste datum waarop de lidstaten voor implementatie van de richtlijn benodigde wettelijke bepalingen in werking dienden te laten treden, meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring haar rechtskracht verliest op de enkele grond dat daarin niet is opgenomen dat deze slechts geldt voor een bepaalde duur als bedoeld in art. 11, tweede lid, van de richtlijn met betrekking tot het opleggen van een inreisverbod. Deze opvatting is in haar algemeenheid onjuist.

3.3. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste datum waarop de lidstaten voor implementatie van de richtlijn benodigde wettelijke bepalingen in werking dienden te laten treden, meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring thans op enigerlei wijze gebonden moet worden geacht aan een bepaalde duur als bedoeld in art. 11, tweede lid, van de richtlijn met betrekking tot het opleggen van een inreisverbod, kan het evenmin tot cassatie leiden. Ook als zou moeten worden aangenomen dat die opvatting juist is, zou, aansluitend aan hetgeen in art. 66a, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 is bepaald ten aanzien van een inreisverbod, moeten worden aangenomen dat die duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. De stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt, houden niet in dat die datum is verstreken.”

3.1 Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G