Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2152

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2013
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12/02092
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:477, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Verhoorprotocol. 2. Verwerping verweer n-o OM c.q. bewijsuitsluiting van de met toepassing van het verhoorprotocol verkregen aangiften. Ad 1. De opvatting van het middel dat de in het onderhavige verhoorprotocol neergelegde methode niet mag worden toegepast zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke grondslag bestaat is niet juist. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de enkele toepassing van de in dit protocol vervatte methode van inzet van de dominee en de ervaringsdeskundige (bij het voorafgaand aan het verhoor door de politie voeren van gesprekken met vermeende slachtoffers van mensenhandel) geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van verdachte en niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP0070). Ad 2. Het oordeel van het Hof dat het OM ernstig is tekortgeschoten in de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat deze tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het oordeel van het Hof dat in de gang van zaken m.b.t. de ontwikkeling van het verhoorprotocol en de toepassing van de daarin vervatte methode van inzet van de dominee en de ervaringsdeskundige geen aanleiding ziet om de verklaringen van de vermeende slachtoffers die met gebruik van deze methode zijn gehoord integraal uit te sluiten van het bewijs, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02092

Zitting: 12 november 2013

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 maart 2012 de verdachte wegens 1 en 2 primair “mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

2. Namens de verdachte heeft mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 4] (12/01550), [medeverdachte 3] (12/02097) en [medeverdachte 2] (12/01456), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging althans tot uitsluiting van het bewijs van alle aangiften die verkregen zijn met toepassing van het verhoorprotocol, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Verhoorprotocol

Op dezelfde wijze als zij in eerste aanleg heeft gedaan, heeft de verdediging op grond van de totstandkoming en het gebruik van het verhoorprotocol de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Vormen in het vooronderzoek zijn onherstelbaar geschonden en zijn van een dermate ernst dat het meest zware rechtsgevolg dat de wet kent in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden toegepast.

De rechtbank heeft hieromtrent, voor zover van belang, het navolgende overwogen:

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging omdat het ten behoeve van de onderzoeken Koolvis en [B] opgestelde en bij de verhoren van de vermeende slachtoffers van mensenhandel gebruikte verhoorprotocol niet alleen als zodanig onrechtmatigheden met zich brengt, maar dat ook de wijze waarop politie en externe partners daarmee zijn omgegaan, onrechtmatigheden heeft veroorzaakt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij die onrechtmatigheden sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor zover sprake zou zijn van schending van andere belangen dan die van verdachte, geldt dat het gaat om zeer fundamentele inbreuken waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. De verdediging heeft in dit verband onder meer verwezen naar de arresten inz. Zwolsman en Karman. (...)

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot dit verweer.

Het rapport d.d. 23 augustus 2007, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], waarin het verhoorprotocol is opgenomen, vermeldt als voornaamste reden voor de totstandkoming daarvan: de wens om enerzijds de verklaringsbereidheid bij vermeende slachtoffers van mensenhandel te vergroten - door vertrouwen te winnen en uitleg te geven - en anderzijds de betrouwbaarheid van de eventueel afgelegde verklaringen te bevorderen.

Hel protocol dient twee doelen zo is in het rapport te lezen, namelijk:

1. bevorderen van de waarheidsvinding in het kader van het opsporingsbelang en

2. bieden van hulpverlening aan de vermeende slachtoffers waarbij externe partners worden ingezet om o.a. de invloed van voodoo te bespreken/beperken. Als externe partners zijn ingezet: een Nigeriaanse dominee genaamd M. Alagbe en een ervaringsdeskundige die eerder als tolk is opgetreden in andere mensenhandelzaken.

De opzet van het protocol is besproken tijdens een op 23 augustus 2007 gehouden overleg in Groningen. waarbij een officier van justitie, leden van de onderzoeksteams inz. Koolvis en [B], alsmede de hiervoor bedoelde ervaringsdeskundige en Nigeriaanse dominee aanwezig waren. Het protocol zelf valt uiteen in een vijf-stappenplan waarin – zo constateert de rechtbank - niet alleen een ieders rol is beschreven (van respectievelijk politie, ervaringsdeskundige en dominee) maar waarin ook is aangegeven op welke wijze gesprekken met c.q. verhoren van vermeende slachtoffers dienen plaats te vinden. Daarbij is ook aandacht besteed aan de inzet van audiovisuele hulpmiddelen.

De rechtbank merkt vooreerst op dat de bijzondere aard van dit soort zaken, met name de problemen met betrekking tot de - doorgaans geringe - verklaringsbereidheid van vermeende slachtoffers en de moeizame waarheidsvinding waarmee opsporingsinstanties zich geconfronteerd zien, op zichzelf reden kan zijn op zoek te gaan naar een methode waarbij beide belangen - de waarheidsvinding en een adequate hulpverlening aan slachtoffers - beter gediend worden. De keuze voor een verhoorprotocol, als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, kan daarmee gerechtvaardigd zijn.

Het openbaar ministerie heeft in deze zaak voor een dergelijk verhoorprotocol gekozen en in het kader van de door haar nagestreefde transparantie zijn daarin ook de eisen waaraan de gesprekken tussen vermeende slachtoffers en ervaringsdeskundige/dominee enerzijds en de uiteindelijke verhoren door opsporingsambtenaren anderzijds moeten voldoen, uitdrukkelijk in het verhoorprotocol opgenomen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoorprotocol en de uitvoering daarvan het volgende:

Blijkens het verhoorprotocol hebben de zogenaamde externe partners - de ervaringsdeskundige en de dominee dus - duidelijk een verschillende rol in de fase die voorafgaat aan het uiteindelijke verhoor van vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren. De inzet van de dominee dient kennelijk vooral gericht te zijn op hulpverlening, het als gezaghebbend geestelijke bevrijden van eventuele voodoo-invloeden, terwijl voor de ervaringsdeskundige eerder een rol weggelegd lijkt als inhoudelijk gesprekspartner van de Nigeriaanse meisjes/ vrouwen, een en ander met het oog op het eventueel doen van aangifte. De rechtbank leidt dat niet alleen af uit de verschillende locaties waar ervaringsdeskundige en dominee de gesprekken met de meisjes/vrouwen hebben gevoerd - de dominee op "neutraal" terrein, in elk geval niet het politiebureau, en de ervaringsdeskundige juist wel op het politiebureau - maar ook uit de taakomschrijving van ervaringsdeskundige en dominee.

De dominee moet zich, aldus het protocol, vooral bezighouden met het bestrijden van eventuele voodoo-invloeden terwijl de ervaringsdeskundige meer inhoudelijk bezig is en zaken dient te bespreken als: de invloed van voodoo, de werkwijze van de criminele organisatie waar zij het slachtoffer van was, haar werk in de prostitutie en de uitbuiting.

De ervaringsdeskundige moet met andere woorden haar ervaringen delen met de veronderstelde slachtoffers.

De hiervoor omschreven, in het verhoorprotocol opgenomen, taakverdeling behoeft op zichzelf geen problemen op te leveren indien en voor zover aan de externe partners duidelijke instructies worden gegeven op welke wijze de door hen te voeren gesprekken dienen plaats te vinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de ervaringsdeskundige tijdens haar verhoor ter terechtzitting d.d. 11 mei 2009 desgevraagd heeft verklaard dat zij van de politie geen specifieke instructies voor de door haar met de meisjes/vrouwen te voeren gesprekken heeft gekregen. Aan haar is slechts verteld wat zij in elk geval niet moest doen, namelijk de meisjes dwingen.

Het valt op dat in het verhoorprotocol dergelijke nauwkeurig geformuleerde instructies ontbreken. De rechtbank is niet gebleken dat de externe partners voorafgaande aan de door hen te voeren gesprekken zijn geïnstrueerd door de politie en evenmin is gebleken op welke wijze die gesprekken - in het geval van de ervaringsdeskundige - zijn geëvalueerd.

De rechtbank beschouwt het ontbreken van duidelijke instructies aan de externe partners als een ernstige omissie. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal gesprekken naar het oordeel van de rechtbank terecht scherpe kritiek geuit op de wijze waarop met name de ervaringsdeskundige in gesprek is geweest met de vermeende slachtoffers. De verdediging heeft daarbij onder meer gesteld dat er is gestuurd, gemanipuleerd en geïntimideerd waarbij zowel de ervaringsdeskundige als de dominee als verlengstuk van het opsporingsapparaat zou zijn opgetreden. De rechtbank onderschrijft die kwalificaties niet, omdat daarvan de suggestie uitgaat dat ervaringsdeskundige en dominee doelbewust bezig zouden zijn geweest om een justitie welgevallige en voor de verdachte belastende verklaring te verkrijgen van het betreffende vermeende slachtoffer. Die suggestie mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

Een omissie die niet zozeer aan het verhoorprotocol zelf kleeft, als wel aan de uitvoering daarvan, is het gebrek aan alertheid bij en controle door het openbaar ministerie ten aanzien van zowel de werkwijze van de ervaringsdeskundige als van de dominee. Op grond van het onderzoek is immers komen vast te staan dat de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers heeft verzonden aan politieambtenaren. Zijdens het openbaar ministerie is erkend dat zulks in strijd is met het verhoorprotocol en derhalve niet had mogen gebeuren, maar van die verslagen zou door de politie geen gebruik zijn gemaakt, aldus het openbaar ministerie. Die geruststelling overtuigt de rechtbank niet, immers achteraf kan niet worden meer worden getoetst of en op welke wijze informatie uit bedoelde gespreksverslagen invloed heeft gehad op de inhoud van de in deze zaak afgelegde verklaringen.

Ook ten aanzien van de gesprekken en werkwijze van de ervaringsdeskundige heeft het naar het oordeel van de rechtbank aan de vereiste controle door het openbaar ministerie ontbroken.

In het kader van het doen van een eventuele aangifte dient aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de consequenties daarvan te worden uitgelegd. Die verplichting berust evenwel bij de betreffende opsporingsambtenaar.

De rechtbank stelt echter vast dat de ervaringsdeskundige meer dan eens, en tijdens een en hetzelfde gesprek met een vermeend slachtoffer soms ook bij herhaling, de B9-procedure heeft genoemd en in dat verband niet alleen heeft beklemtoond welke voordelen die procedure kan opleveren, maar ook welke nadelige gevolgen (uitzetting) het kan hebben als je uit de procedure wordt gezet.

Een deugdelijke, inhoudelijke en tijdige evaluatie -aanstonds na een gesprek met een vermeend slachtoffer- had aanleiding kunnen zijn voor de betreffende opsporingsambtena(a)r(en) om aan de ervaringsdeskundige nog eens duidelijk te maken wat wel en wat niet tot haar taak behoorde.

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop sommige gesprekken door de ervaringsdeskundige zijn gevoerd.. In een aantal gevallen lijkt er geen sprake te zijn van een gesprek c.q. dialoog met een vermeend slachtoffer maar eerder van een monoloog van de ervaringsdeskundige waarin zij zeer uitvoerig (soms meer dan 4 pagina 's lang) en gedetailleerd vertelt over wat zij heeft meegemaakt.

Het bepaald niet denkbeeldige risico daarvan is dat een getuige/aangeefster in de door haar uiteindelijk ten overstaan van een opsporingsambtenaar af te leggen verklaring/aangifte bewust dan wel onbewust delen van of details uit de "monoloog" van de ervaringsdeskundige overneemt. Met andere woorden: het gevaar van beïnvloeding ligt hier op de loer, waarmee de uiteindelijke aangifte aan betrouwbaarheid en dus bewijskracht kan inboeten.

Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat - naar de ervaring heeft geleerd en statistieken hebben uitgewezen - nogal eens ten onrechte een beroep op de B9-regeling wordt gedaan door vreemdelingen en extra waakzaamheid te dien aanzien in elk geval geboden is, had naar het oordeel van de rechtbank van het openbaar ministerie in deze zaak mogen worden verwacht dat zij juist bij de inzet van genoemde externe partners volledig de regie had gehouden. Er hadden diverse controlemomenten moeten worden ingebouwd teneinde beïnvloeding van de vermeende slachtoffers te voorkomen.

Met betrekking tot de "daadwerkelijke verhoren " van de vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren is in de toelichting op het verhoorprotocol onder 5. "Monitoren proces/opslag gegevens", vermeld dat daarvan opnamen worden gemaakt en dat die opnamen audiovisueel zullen zijn. De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende aangiftes uitsluitend auditief zijn opgenomen, althans van audiovisuele vastlegging is de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het "daadwerkelijk verhoor" is verder in genoemde toelichting onder 4. onder meer vermeld dat een zogenaamd "studioverhoor" zal plaatsvinden.

Kennelijk heeft men hierbij het oog gehad op het zogenaamde studioverhoor dat standaard - op grond van daarvoor geldende richtlijnen - plaatsvindt in zedenzaken bij het horen van zeer jonge, minderjarige, slachtoffers. De rechtbank constateert dat van studioverhoren geen sprake is geweest ofschoon daar vanwege de aard van de zaak alle reden toe was. Het bevreemdt de rechtbank evenzeer, en zij beschouwt het als een groot gemis in een zo grote en belangwekkend geachte strafzaak als de onderhavige, dat van vorenbedoelde verhoren geen audiovisuele opnamen zijn gemaakt. Daarmee ontbreekt immers de mogelijkheid om de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen te toetsen.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de volgende conclusie. Het verhoorprotocol kan op zichzelf worden beschouwd als een legitieme en goed bedoelde poging van het openbaar ministerie om de hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel te verbeteren en daarmee de verklaringsbereidheid bij diezelfde slachtoffers alsmede de waarheidsvinding in deze gecompliceerde zaken te bevorderen.

De rechtbank is overtuigd van de integriteit van het openbaar ministerie bij het opstellen en uitvoeren van meergenoemd protocol en de keuze en inzet van externe partners daarbij. Van de inzet van een innovatieve, nieuwe opsporingsmethode welke ter goedkeuring aan het College van Procureurs-Generaal had behoren te worden voorgelegd - zoals de verdediging heeft betoogd - is, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De ervaringsdeskundige en de dominee zijn niet ingezet in het kader van het opsporingsonderzoek maar slechts met het oog op het verbeteren van de begeleiding van potentiële slachtoffers van mensenhandel waarbij het kennelijke doel was belemmeringen ten aanzien van het kunnen verklaren over wat er werkelijk was gebeurd, weg te nemen.

Daarbij heeft het openbaar ministerie evenwel uit het oog verloren dat een strakke regie bij uitstek geboden is indien "gebruik" wordt gemaakt van burgerdeskundigen in de fase waarin reeds bewijs wordt vergaard tegen mogelijke verdachten.

Hoezeer die strakke regie vereist is, blijkt alleen al uit het feit dat het openbaar ministerie heeft erkend dat de ervaringsdeskundige, voorafgaande aan het gesprek met [betrokkene 17], ten onrechte kennis heeft genomen van (relevante) tapgesprekken, waarvan zij de inhoud vervolgens heeft voorgehouden aan [betrokkene 17] voornoemd.

Aan het openbaar ministerie kan worden verweten dat zij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het verhoorprotocol en vooral dat zij in ernstige mate te kort is geschoten hij de controle op de uitvoering daarvan.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, kan een en ander verstrekkende gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan. (...)

De rechtbank verwerpt het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overweegt daartoe het volgende.

Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als sanctie is volgens het arrest inz .Zwolsman slechts plaats, indien sprake is van "ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor 'doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan ".

Met andere woorden, er dient sprake te zijn van een grove mate van verwijtbaarheid aan het openbaar ministerie.

Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld, dat de belangen van de verdachte in deze zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ingevolge het arrest inz. Karman kan in hoge uitzondering, ook indien geen verwijtbaarheid bestaat en verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt Dat hiervan alleen in hoge uitzondering sprake is en deze (extra) grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie terughoudend dient te worden toegepast volgt uit opvolgende rechtspraak, onder meer in HR 2002, 8 en HR 14 januari 2003, 2003, 288.

De uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Kahn vs het Verenigd Koninkrijk (12 mei 2000) geeft aan dat aan de eis van eerlijkheid van de strafprocedure is voldaan wanneer de strafprocedure 'as a whole' (in zijn geheel) eerlijk is. Het is derhalve niet meer van belang of een verdachte in een belang is geschaad, maar of met de overtreden norm de eerlijkheid van het proces van verdachte is aangetast, waarmee de Schutznorm wordt gerelativeerd.

De rechtbank is van oordeel dat, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, wel kan worden gesproken van ernstige tekortkomingen van het openbaar ministerie bij met name de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat die tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is, dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, dan wel van de situatie dat in casu een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde is geschonden dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt.

De door de verdediging geuite kritiek ten spijt, kan het hof zich verenigen met de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank. De door de rechtbank gemaakte opmerking dat zij het als een groot gemis beschouwt dat van de verhoren van de vermeende slachtoffers geen audiovisuele opnamen verdient een kanttekening. De opmerking berust op een omissie: de politieverhoren zijn wel audiovisueel geregistreerd.

De ook door de rechtbank benadrukte bijzondere aard van de ten laste gelegde gronddelicten met betrekking tot bewijsvergaring en waarheidsvinding rechtvaardigen een onderzoek naar methoden die in commune strafzaken minder gebruikelijk zijn en daardoor kunnen afwijken van de geijkte paden, zoals in casu is gedaan door de ontwikkeling van een specifiek verhoorprotocol waarin een rol is weggelegd voor de inzet van burgers zoals ervaringsdeskundigen. De veronderstelling van de zijde van het openbaar ministerie dat de vermeende slachtoffers van mensenhandel -mede vanwege de hiermee verband houdende culturele bepaaldheid van dit fenomeen- door op voodoo geïnspireerde bedreigingen belemmerd zouden kunnen worden in het naar waarheid verklaren, komt ook niet zo maar uit de lucht vallen. "Voodoo-praktijken” om de verklaringsvrijheid van slachtoffers van mensenhandel te beperken blijken niet alleen uit (de via gespreksverslagen kenbare) ervaringen van de ervaringsdeskundige maar ook uit de verklaring van de niet aan het verhoorprotocol onderworpen [slachtoffer 2]. Met de rechtbank ziet het hof in de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol geen belemmering om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De daartoe strekkende verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.”

5. De steller van het middel betoogt dat de inzet van een Nigeriaanse dominee en een ervaringsdeskundige is aan te merken als een bijzondere opsporingsmethode die wettelijke regeling behoeft. Bij gebreke daarvan mogen de resultaten van de opsporingsmethode volgens de steller van het middel niet tot het bewijs worden gebezigd.

6. Bij de bespreking van het middel onderscheid ik drie vragen. In de eerste plaats rijst de vraag wat het karakter is van de inzet van de desbetreffende burgers in het onderhavige onderzoek. Vervolgens bespreek ik de vraag of deze inzet een wettelijke grondslag behoeft. Als de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan worden toegekomen aan de derde vraag, te weten of en, zo ja, welke gevolgen aan het ontbreken van een wettelijke grondslag moeten worden verbonden.

7. Het karakter van de inzet van beide burgers wordt beschreven in het “Protocol voor verhoor Nigeriaanse slachtoffers in de onderzoeken Koolvis en [B]“ van 23 augustus 2007.1 Hierin komt tot uitdrukking dat het verhoorprotocol is opgesteld omdat uit onderzoek van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel was gebleken dat de bereidheid van Nigeriaanse slachtoffers van mensenhandel om verklaringen af te leggen “nihil” is en de wel afgelegde verklaringen veelal leugenachtig zijn. In het document worden voor de geringe verklaringsbereidheid twee oorzaken aangewezen: angst, onder meer als gevolg van voodoo-invloeden, en het gebrek aan vertrouwen in de politie in Nigeria. Het verhoorprotocol voorziet in de betrokkenheid van twee burgers, een Nigeriaanse dominee en een ervaringsdeskundige die in het verleden zelf slachtoffer is geweest van mensenhandel. Het verhoorprotocol heeft een tweeledige strekking. Enerzijds wordt daarmee waarheidsvinding beoogd, “in het kader van het opsporingsbelang”. Anderzijds strekt het verhoorprotocol ertoe te voorzien in hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel. Het verhoorprotocol bestaat uit een vijfstappenplan. Eerst vindt er een gesprek plaats tussen de politie en het vermoedelijke slachtoffer. In dit gesprek worden de procedure en de inzet van de ervaringsdeskundige en de dominee uitgelegd. Ook de B-9-regeling2 komt tijdens dit gesprek aan de orde. Op de strafzaak wordt niet ingegaan. Vervolgens (stap 2) is er een gesprek tussen het vermoedelijke slachtoffer en de ervaringsdeskundige. In dit gesprek kan de ervaringsdeskundige haar ervaringen met het vermoedelijke slachtoffer delen. Het gesprek vindt plaats op het politiebureau en daarbij zijn politieambtenaren aanwezig. Van het gesprek wordt door de aanwezige verbalisanten een proces-verbaal opgemaakt, dat in het onderzoeksdossier wordt gevoegd. Daarna (stap 3) vindt er op een andere locatie een gesprek plaats tussen het vermoedelijke slachtoffer en de dominee. De dominee geeft daarin uitleg over zijn rol en zijn ervaringen met slachtoffers van mensenhandel. Op basis van dit gesprek beoordeelt de dominee of het vermoedelijke slachtoffer al dan niet onder invloed van voodoo verkeert. Indien dit het geval is, bestrijdt hij deze invloeden door middel van in Nigeria gebruikelijke gebeden. Het gesprek tussen de dominee en het slachtoffer wordt niet opgenomen. De vierde stap betreft het daadwerkelijke verhoor door de politie. Indien gewenst, bijvoorbeeld op verzoek van het slachtoffer, is de ervaringsdeskundige bij het verhoor van het slachtoffer aanwezig. Ten slotte vindt er een afrondend gesprek plaats met het vermoedelijke slachtoffer.

8. Uit het verhoorprotocol volgt dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, de ervaringsdeskundige en de dominee zijn ingezet in de fase die voorafgaat aan het verhoor door de politie. Hun inzet heeft een gemengd karakter. Aan de ene kant staat het optreden van de dominee en de ervaringsdeskundige voor een belangrijk deel in het teken van de hulpverlening aan en de begeleiding van slachtoffers van mensenhandel. Aan de andere kant is sprake van bemoeienis van het openbaar ministerie en de politie bij het initiëren van de gesprekken, die mede tot doel hebben de waarheidsvinding “in het kader van het opsporingsbelang”. Daarbij sluit aan dat een verhoor door de politie deel uitmaakt van het vijfstappenplan waarin het protocol voorziet. Aldus is het verhoorprotocol en de daarin beschreven inzet van de ervaringsdeskundige en de dominee mede tot stand gekomen in het kader van de opsporing in de ruime betekenis die art. 132a Sv daaraan geeft.3

9. De rechtbank heeft overwogen dat de ervaringsdeskundige en de dominee niet zijn ingezet in het kader van het opsporingsonderzoek maar slechts met het oog op het verbeteren van de begeleiding van potentiële slachtoffers van mensenhandel waarbij het kennelijke doel was belemmeringen ten aanzien van het kunnen verklaren over wat er werkelijk was gebeurd, weg te nemen. Het hof heeft zich met deze zienswijze verenigd. Zoals gezegd meen ik, met de steller van het middel, dat de inzet van de burgers in dezen wel in het kader van het opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden. De inzet vond plaats in het kader van een onderzoek naar strafbare feiten. De rechtbank en het hof hebben het openbaar ministerie verweten onvoldoende regie uit te oefenen op de inzet van de externe partners en hebben het belang beklemtoond van het geven van instructies. Deze overwegingen verdragen zich niet goed met de zienswijze dat de inzet niet plaatsvond in het kader van het opsporingsonderzoek. Welke andere grondslag is aan te wijzen voor het openbaar ministerie om de volgens de rechtbank en het hof zo noodzakelijke controle op de handelwijze van de beide burgers uit te oefenen dan de gezagsuitoefening over de opsporing?

10. Kennelijk hebben de rechtbank en het hof tot uitdrukking willen brengen dat de dominee en de ervaringsdeskundige niet actief betrokken waren bij het rechtstreeks vergaren van bewijs, maar dat zij in het kader van de hulpverlening en de waarheidsvinding zijn ingezet in de fase die voorafging aan de verhoren door de politie. Daarbij nam hulpverlening aan en begeleiding van slachtoffers een belangrijke plaats in. Ik voeg daaraan toe dat de rol van de dominee en de ervaringsdeskundige zich in dit aspect van hulpverlening aan slachtoffers onderscheidt van die van andere burgers die bijstand aan de opsporing verlenen, zoals de stelselmatige informant en de burgerinfiltrant. Ook was hun inzet niet rechtstreeks gericht op bewijsgaring dan wel het verkrijgen van sturingsinformatie. Het oordeel van het hof dat de bijzondere aard van dit soort zaken, met name de problemen met de geringe verklaringsbereidheid van vermeende slachtoffers en de moeizame waarheidsvinding waarmee opsporingsinstanties zich geconfronteerd zien, op zichzelf reden kan zijn te zoeken naar een methode waarbij beide belangen (waarheidsvinding en hulpverlening aan slachtoffers) beter gediend worden en dat een verhoorprotocol als in de onderhavige zaak is gebruikt daarmee gerechtvaardigd kan zijn, acht ik geenszins onbegrijpelijk.

11. Vervolgens rijst de vraag of een methode als in het verhoorprotocol is neergelegd, mag worden gehanteerd zonder dat de wetgever daarvoor een bijzondere voorziening heeft getroffen. Daarbij moet worden vooropgesteld dat niet elke methode die in het kader van de opsporing wordt ontwikkeld, een wettelijke grondslag behoeft. Aan de parlementaire geschiedenis van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden kan het volgende worden ontleend:4

“Het Wetboek van Strafvordering bevat geen systematische beschrijving van opsporingsbevoegdheden. Het is niet de bedoeling geweest van de concipiënten van het wetboek om het opsporingsonderzoek systematisch te beschrijven, maar om bevoegdheden te creëren ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening van delicten. Leidend daarbij is geweest dat bevoegdheden die ingrijpen op de vrijheid of op andere grondrechten van burgers, een specifieke regeling behoeven. De regeling behoeft niet uitputtend te zijn.”

12. Ook in de rechtspraak is benadrukt dat de wet geen limitatieve opsomming van opsporingsbevoegdheden geeft. De Hoge Raad benadrukt in dit verband dat aan het Wetboek van Strafvordering de gedachte ten grondslag ligt dat opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die een inbreuk maken op grondrechten en vrijheden van burgers, een voldoende specifieke wettelijke basis behoeven in de wet. Daarmee hangt samen dat de regeling van opsporingsmethoden niet uitputtend behoeft te zijn. Voor een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing kan worden aangenomen dat de opsporingsautoriteiten alleen bevoegd zijn haar in te zetten indien zij geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van burgers en als deze niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.5 In de desbetreffende zaak was bij de opsporing gebruik gemaakt van bijstand van een bedrijf dat paracetamol en cafeïne — stoffen die in het gewone handelsverkeer legaal voorhanden kunnen worden gehouden en legaal kunnen worden overgedragen — had geleverd aan een persoon die verdacht werd van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet. Het gaat hierbij om een niet specifiek bij wet geregelde opsporingsbevoegdheid, waarvan de toepassing in de omstandigheden van de desbetreffende zaak niet onrechtmatig werd bevonden. Het hiervoor besproken arrest illustreert dat ook het betrekken van burgers bij de opsporing niet limitatief in de wet is geregeld en dat zulks ook geldt voor methoden die gelijkenis vertonen met bijzondere opsporingsbevoegdheden. Er zijn tal van initiatieven van de overheid om burgers bij de opsporing te betrekken, zoals de lijn ‘Meld misdaad anoniem’ en Burgernet. De meeste van deze initiatieven komen zonder expliciete wettelijke basis tot stand.6

13. Het inzetten van de dominee en de ervaringsdeskundige voorafgaand aan de politieverhoren behoefde naar mijn mening evenmin te berusten op een specifieke wettelijke grondslag. Zoals opgemerkt, is de wettelijke regeling van methoden die in het kader van de opsporing kunnen worden gebruikt niet limitatief. In de overwegingen van het hof ligt als zijn kennelijke oordeel besloten dat de enkele inzet en toepassing van het verhoorprotocol geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van verdachte en niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij moet worden bedacht dat het protocol en de inzet van de beide burgers mede was gericht op het bevorderen van waarheidsgetrouwe verklaringen van slachtoffers van ernstige misdrijven. Het hof en de rechtbank hebben geoordeeld dat zij overtuigd zijn van de integriteit van het openbaar ministerie bij het opstellen en uitvoeren van het protocol en de keuze en inzet van de externe partners daarbij. Die overweging impliceert dat de inzet van het verhoorprotocol als zodanig naar het oordeel van de rechtbank en het hof niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.

14. Het uitgangspunt van het middel dat de inzet van het verhoorprotocol is aan te merken als een bijzondere opsporingsmethode die wettelijke regeling behoeft, acht ik dan ook onjuist. Voor zover het middel steunt op de opvatting dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren dan wel verklaringen had moeten uitsluiten van het bewijs op de enkele grond dat een expliciete wettelijke basis voor de inzet van burgers overeenkomstig het verhoorprotocol ontbreekt, kan het dan ook niet slagen, wat er ook zij van de opvatting van het hof over het opsporingsbegrip.

15. Resteert de vraag of het hof overigens het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie toereikend gemotiveerd heeft verworpen. De rechtbank – en daarmee het hof – oordelen dat het openbaar ministerie ernstig tekort is geschoten in de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol. Daarmee wordt terecht het belang onderstreept van het houden van regie over de inzet van personen met wie structureel wordt samengewerkt.7 De rechtbank en het hof brengen tot uitdrukking dat onvoldoende is gedaan teneinde te voorkomen dat door de gesprekken met de ervaringsdeskundige en de dominee bewust of onbewust enige beïnvloeding bestaat. Met name doordat de ervaringsdeskundige in een aantal gevallen gedetailleerd verklaart over wat zij heeft meegemaakt, is het risico ontstaan dat de verklaring van de aangeefster wordt beïnvloed. Het middel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank en het hof dat de geconstateerde tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het standpunt dat in het middel wordt verwoord, is gebaseerd op de aanname dat sprake is van een bijzondere opsporingsmethode die een wettelijke basis behoeft. Uit het voorafgaande volgt dat die aanname onjuist is. Tot een verdergaande motivering op dit specifieke onderdeel was het hof niet gehouden, nu namens de verdachte in hoger beroep een dergelijke stelling niet is ingenomen. De steller van het middel merkt voorts slechts op dat de tekortkomingen onherstelbaar zijn en zich in het voorbereidend onderzoek hebben voorgedaan. Die omstandigheden laten onverlet dat het hof met toepassing van de juiste maatstaf en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat er geen sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan en dat aldus geen plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging.

16. Het middel behelst voorts de klacht dat het oordeel van het hof dat het in de gang van zaken met betrekking tot de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol geen aanleiding ziet om de verklaringen van de vermeende slachtoffers integraal uit te sluiten van het bewijs als sanctie in de zin van art. 359a Sv, ontoereikend is gemotiveerd.

17. Het hof heeft het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Verweer met betrekking tot bewijsuitsluiting in verband met het verhoorprotocol

Voor zover de door de verdediging uitgeoefende kritiek op het verhoorprotocol niet leidt tot de beoogde niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, bepleit de verdediging bewijsuitsluiting ten aanzien van alle aangiftes die verkregen zijn met toepassing van het verhoorprotocol.

Het hof ziet in de gang van zaken met betrekking tot de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol ook geen aanleiding om verklaringen die zijn afgelegd door vermeende slachtoffers integraal uit te sluiten van het bewijs als sanctie in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In die zin worden de daartoe strekkende verweren dan ook door het hof verworpen.

Resteert de vraag of uit een oogpunt van betrouwbaarheid de afgelegde verklaringen wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof is zich bewust dat het inschakelen van derden voorafgaande aan de verhoren het risico meebrengt dat vermeende slachtoffers niet overeenkomstig de waarheid verklaren bij de politie omdat zij door die derden - bewust dan wel onbewust - beïnvloed worden. Zo is niet denkbeeldig dat door kennisneming van de ervaringen van anderen bij de vermeende slachtoffers de indruk wordt gewekt dat zij dienovereenkomstig moeten verklaren. Om die reden is het noodzakelijk in dergelijke gevallen een protocol op te stellen, de in te schakelen derden duidelijk te instrueren en controle achteraf zoveel mogelijk te waarborgen.

Daarbij komt dat uit onderzoek is vastgesteld dat -in strijd met het verhoorprotocol - door de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers zijn verzonden aan politieambtenaren. Het openbaar ministerie heeft erkend dat deze handelwijze in strijd is geweest met het verhoorprotocol en niet had mogen voorkomen. Tevens benadrukt het openbaar ministerie, ook in hoger beroep bij monde van de advocaat-generaal, dat van die verslagen op geen enkele wijze gebruik is gemaakt. Deze 'geruststelling' kon de rechtbank -zo blijkt uit de hierboven aangehaalde onderdelen van het vonnis- echter niet overtuigen. Het hof acht het, alles afwegend, evenwel geenszins waarschijnlijk of aannemelijk dat het verzenden van die gespreksverslagen door de dominee naar de politie de vrijheid van de vrouwen/aangeefsters om naar waarheid te verklaren heeft beïnvloed. Ten overvloede wordt opgemerkt dat verdachte in dit verband geen rechten kan ontlenen aan het feit dat de dominee uit hoofde van zijn ambt tot geheimhouding verplicht is en als getuige verschoningsgerechtigde was. Wel is van belang op te merken dat de status van verschoningsgerechtigde van invloed kan zijn op de mogelijkheid van de verdediging - en ook de rechter - om de gang van zaken rond het verhoorprotocol te toetsen, in zoverre van invloed kan zijn bij het vaststellen van de bewijswaarde van de nadien verkregen aangiftes/verklaringen van de vermeende slachtoffers.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van het doen van aangifte van mensenhandel aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de gevolgen daarvan dienen te worden uitgelegd door een opsporingsambtenaar. Ook de advocaat-generaal heeft daar in hoger beroep nog eens uitdrukkelijk op gewezen. Dat die verplichting bestaat, betekent echter niet dat het bieden van die mogelijkheid niet van invloed kan zijn op de inhoud van de verklaringen die door het vermeende slachtoffer wordt afgelegd. Dit klemt te meer nu is gebleken dat in het onderhavige onderzoek de ervaringsdeskundige in de gesprekken met slachtoffers uitvoerig heeft stilgestaan bij de B9-procedure, met name bij de gevolgen indien de vermeende slachtoffers niet voor die procedure in aanmerking zouden komen.

Zoals hierboven is overwogen kunnen de geconstateerde tekortkomingen gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan. Dit onderzoek is door het hof gedurende de beraadslaging nauwgezet verricht. Het resultaat van dit onderzoek is dat het hof de afgelegde verklaringen niet op alle punten betrouwbaar acht. Met name waar in de verklaringen wordt gerept over het toepassen van voodoorituelen kan niet worden vastgesteld of deze verklaringen overeenkomstig de waarheid zijn, dan wel slechts zijn afgelegd omdat in de voorgesprekken met derden voodoo uitdrukkelijk en bij herhaling aan de orde is gebracht. Daarnaast blijkt de toepassing van voodoo ook onvoldoende uit andere bewijsmiddelen. Dit leidt ertoe dat het hof tot deelvrijspraken komt van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op voodoopraktijken. Voor het overige zal het hof slechts die delen van de verklaringen van aangeefsters gebruiken waarvan het de overtuiging heeft bekomen dat die betrouwbaar zijn, hetzij omdat onwaarschijnlijk is dat die verklaringen slechts zijn afgelegd ten gevolge van beïnvloeding door derden, hetzij omdat die verklaringen passen bij en/of voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.”

18. Uit de pleitnotities die in hoger beroep zijn gebruikt, volgt dat het beroep op bewijsuitsluiting in belangrijke mate is gegrond op de stelling dat de verklaringen van de aangeefsters onbetrouwbaar zijn. Daarnaast heeft het verweer kennelijk de strekking dat door de sturende werking van het verhoorprotocol niet kan worden volgehouden dat de aangeefsters in vrijheid tot hun verklaringen zijn gekomen. De laatste stelling raakt ook de rechtmatigheid van het bewijsmateriaal.

19. Uit de hiervoor weergegeven overweging volgt dat het hof onderkent dat sprake is van tekortkomingen in de uitvoering van het verhoorprotocol. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan het gebrek aan controle door het openbaar ministerie op de wijze van gespreksvoering door de ervaringsdeskundige en de dominee en aan de omstandigheid dat in bepaalde gevallen niet een opsporingsambtenaar maar de ervaringsdeskundige de B9-procedure bij de vermoedelijke slachtoffers ter sprake heeft gebracht. Ook onderkent het hof dat de geconstateerde tekortkomingen gevolgen kunnen hebben voor de voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door de aangeefsters afgelegde verklaringen. Het hof overweegt expliciet dat het ten aanzien van ieder slachtoffer heeft onderzocht of de afgelegde verklaring(en) als betrouwbaar kan (kunnen) worden gekwalificeerd. Verklaringen waarin wordt gerept over het toepassen van voodoorituelen en verklaringen die slechts zijn afgelegd omdat in de voorgesprekken met derden voodoo aan de orde is gebracht, acht het hof onvoldoende betrouwbaar. Het hof overweegt voorts dat het voor het overige slechts die delen van de verklaringen gebruikt waarvan het de overtuiging heeft bekomen dat die betrouwbaar zijn, hetzij omdat onwaarschijnlijk is dat die verklaringen slechts zijn afgelegd ten gevolge van beïnvloeding door derden, hetzij omdat die verklaringen passen bij en/of voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

20. Het hof is aldus slechts gedeeltelijk van het door de verdediging ingenomen standpunt afgeweken. Voor zover het van het standpunt van de verdediging is afgeweken, heeft het hof inzichtelijk gemaakt dat het de verklaringen betrouwbaar acht en dat niet kan worden gezegd dat deze niet in vrijheid zijn afgelegd. In deze overwegingen ligt als oordeel van het hof besloten dat de verklaringen die het wel tot het bewijs bezigt niet tot stand zijn gekomen door het geconstateerde verzuim. Daarmee is eveneens de weg naar bewijsuitsluiting op de voet van art. 359a, eerste lid, onder b, Sv afgesloten. De motivering die het hof aan zijn oordeel ten grondslag legt, acht ik toereikend, zowel voor zover het verweer betrekking heeft op de (on)rechtmatigheid van het bewijsmateriaal als voor zover het ziet op de betrouwbaarheid daarvan. Wat dat laatste betreft, geldt bovendien dat de feitenrechter een grote mate van vrijheid toekomt bij het selecteren en waarderen van het desbetreffende bewijsmateriaal. Het hof was niet gehouden zijn keuze nader te motiveren dan het heeft gedaan.

21. Tot slot doet de steller van het middel een beroep op HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0976, NJ 1998/798, m.nt. Reijntjes. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat een verklaring die onder hypnose was afgelegd niet tot het bewijs mocht worden gebezigd omdat in het algemeen aan de betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen moet worden getwijfeld en de mogelijkheid om in een concreet geval tot een verantwoord oordeel te komen omtrent het waarheidsgehalte van een onder hypnose afgelegde verklaring ontbreekt. Onder die omstandigheden kan aan een onder hypnose afgelegde verklaring geen bewijskracht toekomen.

22. De vergelijking met de inzet en de uitvoering van het verhoorprotocol in de onderhavige zaak gaat naar mijn mening mank. Vooropgesteld moet worden dat de inhoud van de gesprekken die de slachtoffers met de dominee en de ervaringsdeskundige hebben gevoerd, niet tot het bewijs is gebezigd. Het hof heeft bovendien niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de inschakeling van de dominee en de ervaringsdeskundige niet tot gevolg heeft dat alle verklaringen die de aangeefsters die met hen hebben gesproken, hebben afgelegd niet betrouwbaar zijn, maar dat ten aanzien van ieder individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaringen de toets van de betrouwbaarheid kunnen doorstaan. Daarin verschilt de beoordeling van de betrouwbaarheid van die van onder hypnose afgelegde verklaringen, waarbij in het algemeen aan de betrouwbaarheid van die methode moet worden getwijfeld en een verantwoorde toetsing van de betrouwbaarheid niet goed mogelijk is.

23. Het middel faalt.

24. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudende “door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht”, niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

25. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 en 2 primair bewezen verklaard dat:

“Feit 1:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en in België en Frankrijk en Italië, tezamen en in vereniging met een ander:

a. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

en

c. [slachtoffer 1], en [slachtoffer 2], heeft mede genomen met het oogmerk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

immers hebben verdachte en/of verdachtes mededader toen aldaar op verschillende tijdstippen, met voormeld oogmerk en opzettelijk

voor wat betreft genoemde [slachtoffer 1]:

- voor [slachtoffer 1] de reis naar Italië en opvang in Frankrijk geregeld en haar op een deel van de reis vergezeld en voor [slachtoffer 1] (daartoe) een (vals) paspoort of identiteitsdocument (op naam van [alias slachtoffer 1]) geregeld en aan haar verstrekt of doen verstrekken en

- [slachtoffer 1] bewogen, zich in Italië te prostitueren;

voor wat betreft [slachtoffer 2]:

- [slachtoffer 2] naar België gebracht en ervoor gezorgd dat zij vandaar via Parijs naar Italië, is gereisd en aldaar is opgevangen en

- [slachtoffer 2] bewogen, zich in Italië te prostitueren;

Feit 2 primair:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en in België en Frankrijk en Spanje en Italië en Engeland, tezamen en in vereniging met een ander en anderen, te weten

- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die hierboven onder 2. genoemde personen door die personen tot prostitutie te brengen immers heeft verdachte toen aldaar met verdachtes mededader, met voormeld oogmerk bedoelde personen -hun kwetsbare positie in Nigeria kennende- hen naar een of meer andere landen binnen Europa vervoerd of doen of laten vervoeren of overbrengen en/of hen/haar/hem (tijdelijk) daartoe in Frankrijk opgenomen en/of gehuisvest.”

26. Het hof heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“[slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn allen op 5 oktober 2006 verdwenen uit een asielzoekerscentrum in Nederland.

Verdachte heeft verklaard dat zij deze drie meisjes enige dagen onderdak heeft verleend in haar woning in Parijs. Ze heeft de meisjes opgehaald in België en naar haar woning in Frankrijk gebracht. Dit deed ze op verzoek van haar in Nederland woonachtige vriend [getuige 12] (het hof begrijpt: [getuige 12]), die haar de meisjes aanleverde. Twee meisjes waren bestemd voor Italië en het derde meisje ging naar Spanje. Het meisje dat naar Spanje ging heeft zij op de trein gezet en de meisjes die naar Italië gingen heeft zij op de bus gezet. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat de meisjes bestemd waren voor de prostitutie. Dat hebben ze haar verteld. Verdachte heeft verklaard dat zij hen heeft gevraagd waarom ze in de prostitutie gingen werken, in verband met op te lopen ziektes. Ze vertelden dat ze uit een arme familie kwamen en dat er nou eenmaal geld moest worden verdiend, aldus verdachte. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij al van [getuige 12] wist dat ze voor de prostitutie bestemd waren. Van alle meisjes die via [getuige 12] bij haar kwamen wist ze dat ze bestemd waren voor de prostitutie. Door in samenwerking met [getuige 12] de reis van de meisjes van Nederland naar hun plaats van bestemming in het buitenland te organiseren heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mensenhandel.

[slachtoffer 1] is op 5 april 2007 verdwenen uit een asielzoekerscentrum in Nederland. Ook zij is in opdracht van [getuige 12] bij verdachte in Parijs geweest gedurende korte tijd, voordat zij met hulp van verdachte doorreisde naar Italië.

Verdachte heeft verklaard dat zij ook van [slachtoffer 1] had vernomen dat zij bestemd was voor de prostitutie.

Verdachte wist van de kwetsbare positie waarin de eerste drie meisjes zaten. [slachtoffer 1] heeft aan verdachte verteld dat ze wist dat ze in de prostitutie moest gaan werken om geld te verdienen en dat ze veel te lang in Nederland had verbleven. Dat duidt niet op een vrije keus van [slachtoffer 1], hetgeen ook blijkt uit haar verklaring bij de rechter-commissaris over de omstandigheden waaronder zij leefde in Nigeria. Doordat verdachte, terwijl ze op de hoogte is van de kwetsbare positie van de eerste drie meisjes en het feit dat [slachtoffer 1] in de prostitutie moest gaan werken, toch heeft meegewerkt aan het transport van [slachtoffer 1] van Nederland naar haar eindbestemming, heeft zij bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat zij zou worden uitgebuit in de prostitutie. Derhalve heeft verdachte zich jegens [slachtoffer 1] ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel.

Namens verdachte is het verweer gevoerd dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, omdat verdachte niet wist dat misbruik van hun kwetsbare positie werd gemaakt. Zij zou de meisjes juist hebben afgeraden om zich in de prostitutie te begeven en hebben gewezen op de mogelijkheid om asiel aan te vragen.

Het hof overweegt dat de meisjes verdachte hebben verteld over hun situatie en aan verdachte hebben meegedeeld dat er in hun ogen niets anders op zat dan in de prostitutie te gaan werken. Hun kwetsbare positie kennende, heeft verdachte handelingen verricht, opdat de betreffende meisjes op hun eindbestemming in de prostitutie terechtkwamen.”

27. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voorafgaand aan hun eerste contact met verdachte en haar medeverdachte het asielzoekerscentrum vrijwillig hebben verlaten om in de prostitutie te gaan werken. Nu voornoemde aangeefsters vrijwillig het asielzoekerscentrum hebben verlaten, kan niet worden gezegd dat sprake is geweest van misbruik maken van uit feitelijk overwicht voortvloeiende verhoudingen. Dat de aangeefsters het asielzoekerscentrum vrijwillig hebben verlaten in de wetenschap dat zij in de prostitutie zouden gaan werken, leidt de steller van het middel af uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte (bewijsmiddel 8 en 15). De steller van het middel doelt op de volgende passages in de verklaringen. Bewijsmiddel 8, voor zover inhoudende:

“Op de vraag: "Voor wie was het meisje (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) bestemd? " Voor de prostitutie ?", antwoordt [verdachte] : "Ik heb hier met [slachtoffer 1] over gesproken. [slachtoffer 1] vertelde dat ze wist dat ze in de prostitutie moest gaan werken. Ze vertelde dat ze al veel te lang in Nederland had verbleven en eigenlijk al geld had moeten verdienen".

Bewijsmiddel 15 dat betrekking heeft op de aangeefsters [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], voor zover inhoudende:

Vraag: U vraag mij of ik weet dat de meisjes voor prostitutie bestemd waren?

Antwoord: Ik wist dat de meisjes voor de prostitutie bestemd waren. Dat hebben ze zelf verteld. Ik heb ze dat zelf gevraagd en ook gevraagd waarom gelet op de mogelijke ziektes die ze kunnen oplopen. Ze vertelden dat ze uit een arme familie kwamen en dat er nou eenmaal geld verdiend moest worden. Ik heb ze nog gezegd dat ze beter in Frankrijk asiel konden aanvragen maar dat wilden ze niet. Bovendien wist ik al van [getuige 12] dat ze voort de prostitutie bestemd waren. Ik heb daar wel eens met [getuige 12] over gesproken maar [getuige 12] zei dat het hem niet uitmaakte, 'ze komen en ze gaan' zei hij letterlijk.”

28. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” is ontleend aan de artikelen 273a (oud) en 273f Sr. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot art. 250ter (oud) Sr (Stb. 1993, 679), welk artikel is geïncorporeerd in art. 273a (oud) Sr dat vernummerd is tot het huidige art. 273f Sr, houdt in dat “misbruik van uit feitelijk overwicht voortvloeiende verhoudingen” kan worden verondersteld:

"indien de prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. Met deze objectivering van het bestanddeel inzake misbruik wordt in artikel 250bis Sr (nieuw) bescherming geboden aan personen die in een seksinrichting in een uitbuitingssituatie werkzaam zijn en wordt zowel bestuurlijk als justitieel optreden mogelijk gemaakt tegen personen die iemand in een dergelijke situatie houden. Voorts wordt door deze objectivering van het bestanddeel misbruik justitieel optreden in het geldend recht mogelijk gemaakt tegen personen die, gebruik makend van een uitbuitingssituatie, iemand in de prostitutie brengen dan wel gebruik makend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen met het oogmerk iemand in de prostitutie te brengen. Onder de toepassing van het nu voorgestelde artikel 250ter Sr zullen bovendien ook diegenen vallen die gebruik makend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat de ander daardoor in de prostitutie belandt. De hier bedoelde uitbuitingssituaties zullen zich onder meer nogal eens voordoen ten aanzien van personen, die uit het buitenland komen, personen die verslaafd zijn aan verdovende middelen en zeer jonge personen."

en:

"De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. De omstandigheid dat het slachtoffer reeds eerder bij prostitutie betrokken was, vormt op zich geen aanwijzing inzake vrijwilligheid."

(Kamerstukken II, 1988/89, 21 207, nr. 3, blz. 3 e.v.)



Aan de Memorie van Antwoord ontleen ik het volgende:

"Het woord ‘uitbuitingssituatie’ (...) wordt in de memorie van toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ (...). In die memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren.

Daarbij kan onder meer worden gedacht aan schulden, aangegaan om de reis naar Nederland te betalen. De afbetalingsverplichting kan van dien aard zijn dat de zich prostituerende gedwongen is zich te blijven prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de prostitué(e) niet kan beschikken over haar paspoort of dat haar visum is verlopen, brengt de betrokkene eveneens in de hier bedoelde afhankelijke situatie."



en

"Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt, indien de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan (...)."

(Kamerstukken II, 1988/89, 21 027, nr. 5, blz. 3 en 7)

29. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het middel uitgaat van een te beperkte uitleg van het begrip ‘vrijwilligheid’. De enkele omstandigheid dat de personen zelf het asielzoekerscentrum hebben verlaten, sluit niet uit dat sprake is van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Volgens de wetsgeschiedenis doen uitbuitingssituaties zich onder meer nogal eens voor bij zeer jonge personen die uit het buitenland komen. Ook wordt in de wetsgeschiedenis gewezen op de afhankelijke situatie die ontstaat door het ontbreken van geldige identiteitspapieren, op het ontbreken van financiële middelen en op een afbetalingsverplichting.

30. Het hof heeft dan ook terecht uit de enkele omstandigheid dat de betrokkenen het asielzoekerscentrum zelf hebben verlaten niet de gevolgtrekking verbonden dat sprake was van een vrijwillige keuze. Het hof heeft mede uit de verklaring van de verdachte, inhoudende dat [slachtoffer 1] haar had verteld dat ze wist dat ze in de prostitutie moest gaan werken om geld te verdienen en dat ze al veel te lang in Nederland had verbleven, afgeleid dat [slachtoffer 1] niet de vrije keuze had om in de prostitutie te gaan werken. Deze conclusie volgt volgens het hof tevens uit de verklaring die [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd over de omstandigheden waaronder zij leefde in Nigeria. Deze verklaring is eveneens tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 5) en houdt onder meer in dat het slechte leven in Nigeria haar ertoe gebracht heeft om naar Nederland te komen, dat zij geen geld kreeg van haar vader en ook geen eten en dat haar moeder was overleden. Voorts houdt de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 4) in dat zij in Italië in de prostitutie moest gaan werken.

31. Het hof heeft de verklaring van de verdachte inhoudende dat de aangeefsters [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] haar hebben verteld dat zij uit een arme familie kwamen en dat er nu eenmaal geld verdiend moest worden, aldus verstaan dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat ook ten aanzien van hen geen sprake was van een vrije keuze om in de prostitutie te gaan werken. Die uitleg sluit aan bij de als bewijsmiddel 9 gebruikte verklaring van [slachtoffer 2], inhoudende dat zij zich moest prostitueren, dat zij geen andere keuze had en dat zij dat niet wilde doen maar dat zij wel moest werken. Daaraan kan de jonge leeftijd van de betrokkenen alsook het ontbreken van een legale verblijfsstatus nog worden toegevoegd, onder welke omstandigheden een afhankelijke positie mag worden verondersteld.8

32. Het hof heeft aldus het bewijs dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

33. Het middel faalt.

34. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Het desbetreffende document, dat is opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant], bevindt zich in het dossier met als documentnummer pv 27-275933.

2 Gedoeld wordt op de in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire neergelegde mogelijkheid van een tijdelijke verblijfsvergunning voor degene die aangifte doet van mensenhandel voor de duur van de opsporing en vervolging. Thans betreft het de in hoofdstuk B8 van de Vreemdelingencirculaire neergelegde verblijfsregeling mensenhandel.

3 Art. 132a Sv luidt: “Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.”

4 Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 9.

5 De Hoge Raad oordeelde in deze zaak over pseudoverkoop van legale goederen. Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0070, NJ 2012/159, m.nt. Schalken.

6 Zie voor verschillende varianten van de betrokkenheid van burgers bij de opsporing ook L. Gunther Moor e.a. (red.) Burgerparticipatie (2011).

7 Vgl. voor dit belang ook HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655, NJ 2010/440, m.nt. Schalken.

8 HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235. Zie ook HR 27 oktober 2009:ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma.