Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2148

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2013
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
12/01806
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:304, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude, art. 225 Sr. Slagende bewijsklacht opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01806

Zitting: 12 november 2013

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 november 2011 bevestigd het vonnis van de Rechtbank Maastricht van 14 oktober 2010 waarbij de verdachte wegens “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (12/01801), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het middel keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring. Volgens de steller van het middel heeft het hof het verweer dat geen sprake was van opzet ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, verworpen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“meermalen in de periode van 6 februari 2002 tot en met 30 oktober 2003, in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een “Periodieke verklaring”, welke verklaring/welk formulier bestemd was om, na te zijn ingevuld en ondertekend, te dienen tot bewijs van de juistheid van de daarin vermelde gegevens en tot grondslag voor het oordeel of en in hoeverre hij, verdachte, en zijn mededader in aanmerking bleven komen voor een uitkering uit hoofde van de Algemene Bijstandswet (Awb), valselijk hebben opgemaakt, aangezien hij, verdachte, en zijn mededader opzettelijk in strijd met de waarheid de op die verklaring/dat formulier gestelde vragen:

“Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen?”

en/of

“Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten? Indien Ja dient u soort inkomen, bedrag, periode, ontvanger en verstrekker in te vullen.”

hebben beantwoord met “nee”, en die verklaring/dat formulier hebben ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken.”

5. De rechtbank heeft een door de verdediging gevoerd verweer inhoudende – kort gezegd – dat verdachte geen opzet had op het valselijk opmaken van de geschriften, verworpen en daartoe het volgende overwogen1:

“Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de bedragen die niet zijn opgegeven, leningen betroffen van de vader en de oom van medeverdachte [medeverdachte]. Het was de bedoeling dat deze zouden worden terugbetaald vanaf 2015. [verdachte] is ervan uitgegaan, ondanks zijn ziekte en zijn faillissement, dat hij de leningen in de toekomst zou kunnen aflossen. Pas in 2006, dus nadat de leningen waren aangegaan, werd hij voor 80 tot 100 % afgekeurd en werd duidelijk dat hij niet in staat zou zijn de leningen af te lossen.

Bij de aanvraag van de bijstand hebben verdachte en/of zijn partner aan de Gemeentelijke Sociale Dienst gemeld dat zij leningen ontvingen. Op het moment van de aanvraag waren er ook al leningen verstrekt. Dit blijkt ook uit stukken van de Sociale Dienst. De uitkering werd toch toegekend en daaruit heeft [verdachte] afgeleid en mocht hij afleiden dat hij de leningen niet hoefde op te geven. Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat verdachte het opzet had de Periodieke verklaringen in strijd met de waarheid in te vullen.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, samen met zijn toenmalige partner en huidige medeverdachte [medeverdachte], in januari 2002 een bijstandsuitkering aangevraagd bij de gemeente Maastricht. Deze uitkering is met ingang van 19 december 2001 aan hen verstrekt. Verdachten hebben vervolgens iedere maand een zogenoemde “Periodieke verklaring” ontvangen waarop zij inkomen en veranderingen in hun vermogenspositie dienden op te geven. De Periodieke verklaringen over de tenlastegelegde periode (de maanden februari 2002 tot en met oktober 2003) bevinden zich allemaal in het dossier. Op deze verklaringen is vraag 3: “Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kinderen in de periode toegenomen?”, steeds beantwoord met: “nee”. Vraag 4: “heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten?” is ook met “nee” beantwoord, met uitzondering van de maanden maart, april, mei, juni, juli en augustus 2002. Bij deze laatstgenoemde maanden is opgegeven dat inkomen is genoten vanwege verkopen op een rommelmarkt. Op alle verklaringen is als woonplaats Maastricht ingevuld en zijn twee handtekeningen geplaatst.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Periodieke verklaringen heeft ondertekend. Hij heeft voorts verklaard dat hij wist dat [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode maandelijks geld van haar vader of haar oom ontving. Dit geld was volgens hem bedoeld om de woonlasten van de eigen woning te dekken. Het was de bedoeling dat de ontvangen bedragen zouden worden terugbetaald. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij het ontvangen geld bewust niet op de bovengenoemde Periodieke verklaringen heeft ingevuld. Hij dacht dat dit niet nodig was, aangezien de Sociale Dienst volgens hem van de betalingen op de hoogte was. Ook [medeverdachte] heeft verklaard dat zij geld van haar vader en oom kreeg als bijdrage in de woonlasten. Evenals verdachte heeft zij de ontvangen bedragen bewust niet op de Periodieke verklaringen vermeld, omdat zij dacht dat zij dit geld niet hoefde op te geven aan de Sociale dienst.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte] opzettelijk hebben nagelaten de ontvangen bedragen op de Periodieke verklaringen te vermelden en aldus hebben nagelaten dit geld op te geven aan de Sociale Dienst.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of dit nalaten aan verdachte (en [medeverdachte]) kan worden verweten.


Volgens de verdediging is dit niet het geval. In de eerste plaats omdat het hier zou gaan om gelden die noch als “vermogen”, noch als “inkomen” aangemerkt kunnen worden en dus niet vallen onder de in de vragen 3 en 4 genoemde begrippen en in de tweede plaats omdat verdachte niet het oogmerk tot misleiding zou hebben gehad.

De rechtbank is van oordeel dat het in de onderhavige strafzaak niet van belang is of de ontvangen bedragen – al dan niet achteraf – als inkomen dan wel vermogen gekwalificeerd moeten of kunnen worden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het doel van de Periodieke verklaringen is om de Sociale Dienst zo volledig mogelijk te informeren over de (al dan niet gewijzigde) financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Dit kan alleen maar door alle gelden die de uitkeringsgerechtigde in de betreffende periode heeft ontvangen op te geven. Aan de hand van de verstrekte gegevens kan de Sociale Dienst vervolgens beoordelen of de ontvangsten wel of niet van invloed zijn op het recht op, of de hoogte van de ontvangen of nog te ontvangen bijstand. Indien niet alle gegevens bekend zijn is het voor de Sociale Dienst onmogelijk dit goed te doen. Het feit dat hij in de jaren 2002/2003 nog oprecht geloofde de ontvangen bedragen ooit terug te betalen doet hier niet aan af.

Rest de vraag of verdachte, zoals door de verdediging is aangevoerd, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen hebben dat hij de ontvangen bedragen niet aan de Sociale Dienst hoefde te melden.

Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard bij de aanvraag te hebben gemeld dat zij maandelijks een substantieel bedrag van familie kregen om de woonlasten te kunnen blijven voldoen. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (beiden medewerker van de Sociale Dienst) daarentegen hebben beiden onder ede ter terechtzitting verklaard dat noch verdachte, noch [medeverdachte] dit bij hun aanvraag kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft geconstateerd dat op pagina 10 van het rapport dat [getuige 2] naar aanleiding van de aanvraag heeft opgesteld, wel melding wordt gemakt van twee leningen. Zowel [getuige 2] als verdachte hebben echter verklaard dat het hier ging om leningen die waren verstrekt vóór de tenlastegelegde periode. Gelet op het vorenstaande en gezien ook de strekking van een bijstandsuitkering – te weten een verstrekking voor de kosten van levensonderhoud voor degene die daarin niet uit eigen middelen kan voorzien – is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte of [medeverdachte] ook van de toekomstige bijdragen door [medeverdachte] familie melding hebben gemaakt bij de aanvraag van de uitkering en dat [getuige 2] dan wel [getuige 1] zich in die zin tegenover verdachte en [medeverdachte] heeft uitgelaten dat bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij de ontvangen bedragen niet op de Periodieke verklaringen hoefde in te vullen.”

6. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

“Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met dien verstande dat het hof het vonnis zal aanvullen met een nadere overweging ten aanzien van het begrip “inkomen” en een nadere overweging met betrekking tot de strafmaat.

Het hof is evenals de bestuursrechter, op grond van de overwegingen, zoals opgenomen in de uitspraak van de rechtbank Maastricht, procedurenummer AWB 09/1425, van oordeel dat, gelet op de bestemming van de bijdrage (voorzien in kosten levensonderhoud/wonen) en het feit dat de bijdragen periodiek zijn ontvangen, sprake is van inkomen.”

7. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte blijkt dat hij aldaar het volgende heeft aangevoerd:

“Opzet op valsheid

Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de periodieke verklaringen foutief zijn opgesteld, in die zin dat op een van de vragen omtrent vermogen of inkomsten, ten onrechte het vakje “nee” is aangekruist, merkt de verdediging het volgende op.

In de eerste plaats kan [verdachte] niet worden verweten dat hij de leningen niet als een vermogensvermeerdering dan wel als inkomsten heeft opgevat. De bovengevolgde redenering is een plausibele redenering, is ook te volgen voor de gewone burger. Het formulier van de periodieke verklaring geeft ook geen aanleiding daarover anders te denken. Het geeft bij de vermogensvraag zelfs voorbeelden, zoals schenking, prijs in loterij, erfenis. Dat zijn allemaal bedragen die ontvangen worden waarvoor geen terugbetalingsverplichting geldt.

De bovengevolgde kan ook worden opgevat als een pleitbaar standpunt zoals we dat in het belastingrecht kennen. Het gevolg daarvan dient te zijn dat niet kan worden aangenomen dat [verdachte] opzet heeft gehad of het foutief invullen van de periodieke verklaringen; dat kan overigens ook worden afgeleid uit de verklaringen waarin hij nauwgezet andere (echte) inkomsten heeft opgegeven.

Het ontbreken van opzet op het foutief invullen dient te leiden tot vrijspraak.

Daarnaast kan op het volgende worden gewezen. Zoals [verdachte] en ook mevrouw [medeverdachte] meermalen hebben aangegeven is de sociale dienst vanaf het begin op de hoogte geweest van het feit dat er sprake was van leningen van de familie.

In eerste aanleg zijn daarover medewerkers van de sociale dienst gehoord. Deze verklaren daar anders over. In elk geval wordt uit hun verklaringen duidelijk dat bekend was dat er leningen waren van de familie.

[verdachte] en mevrouw [medeverdachte] hebben er nooit enige twijfel over laten ontstaan of bestaan dat van die leningen daadwerkelijk sprake was. Uit de rapportage van de bijstandsconsulent wordt duidelijk dat – vanaf het begin – sprake was van hoge woonlasten. Dan kan het niet anders dat er een andere financieringsbron, in casu de leningen, is geweest. Dat kan niet aan de aandacht van de sociale dienst zijn ontsnapt.

De verdediging heeft begrepen dat de tijdens de zitting van 21 juli j.l. verzochte toevoeging aan het dossier van verslagen/notities van gesprekken tussen mevrouw [medeverdachte] en een bijstandsambtenaar niets heeft opgeleverd, omdat deze er niet zouden zijn. Dat komt op de verdediging merkwaardig over, nu van dergelijke gesprekken doorgaans wel aantekeningen worden gemaakt in het bijstandsdossier. Op deze manier wordt het in feite onmogelijk gemaakt om een en ander nader te controleren. Dat is hier van belang omdat het nu net gaat om de vraag of er mededelingen over zijn gedaan.

Onder die omstandigheden dient aan [verdachte] op dit punt het voordeel van de twijfel te worden gegund, zodat moet worden aangenomen dat [verdachte] heeft gedacht en heeft kunnen denken dat hij de formulieren niet foutief invulde destijds.”

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2011 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman pleit vervolgens overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overlegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd en die hij aanvult als volgt.

Pagina 3, bij Opzet op valsheid, na de derde alinea: ik verwijs naar het rapport van [getuige 2], in het bijzonder naar pagina 10, waar een passage is opgenomen onder de titel “leningen van ouders”. Er is daar dus gesproken over leningen.

Voorts ging het hier om leningen, die niet zijn opgenomen in de voorbeelden bij de gestelde vermogensvraag in de formulieren. Het is dus de vraag waarom cliënt anders had moeten denken.

(...)

De advocaat-generaal repliceert als volgt.

Voor wat betreft de melding van de leningen in het rapport van [getuige 2], merk ik op dat het hier ging om de twee leningen, die waren verstrekt vóór de tenlastegelegde periode en dat deze leningen daarom – terecht – niet waren meegenomen in de vermogenstoets. Dat geldt echter niet voor de latere geldleningen.

De bewering dat het de gemeente kenbaar moet zijn geweest dat hier sprake was van hoge woonlasten voor verdachte en dat zij zich daarom had moeten afvragen hoe cliënt die betaalde en daarnaast nog in zijn levensonderhoud kon voorzien, acht ik onjuist. De aanvrager van een uitkering dient de benodigde gegevens te verschaffen, volgens [getuige 2] heeft verdachte zelf de keuze gemaakt om geen woonlastentoeslag aan te vragen. [getuige 2] zelf kan niet bekijken hoe de werkelijke situatie is.

Het is aan de uitkeringsgerechtigde zelf om daarover duidelijkheid te verschaffen.

Ik persisteer bij het door mij aangevoerde.

De raadsman van verdachte dupliceert als volgt.

Het klopt dat de leningen, vermeld in de rapportage, leningen waren die zijn verstrekt vóór de tenlastegelegde periode. Het gaat er om dat deze leningen niet zijn gebruikt voor de vermogenstoets. Er bestaat dan onduidelijkheid of cliënt bij de beantwoording van het formulier de leningen dan wel moet opgeven of niet, en of cliënt, gelet daarop, mag denken dat niet hoeft te doen. Ik ben van mening dat cliënt dat mocht denken.

[medeverdachte] heeft bij de aanvraag om uitkering opgegeven dat zij steun kreeg van haar familie. Als geen gebruik wordt gemaakt van een aanbod om een woonlastentoelage aan te vragen, dan moet [getuige 2] toch doorvragen waarom dat niet gebeurt. Het is daarom onbestaanbaar dat er niet zou zijn gesproken over de geldleningen.”

9. Het middel behelst de klacht dat het hof het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende – kort gezegd – dat verdachte geen opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van de periodieke verklaringen, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.

10. Aan de verdachte is (samengevat) ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging “opzettelijk in strijd met de waarheid” de vragen 3 en 4 op de periodieke verklaringen met “nee” heeft beantwoord. Dit is ten laste van de verdachte bewezen verklaard. Voor bewezenverklaring is vereist dat het opzet van de verdachte zich, eventueel in voorwaardelijke vorm, mede uitstrekt tot het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is bepleit dat de verdachte en zijn medeverdachte geen opzet hebben gehad op de valsheid. Daartoe is – samengevat - aangevoerd dat de verdachte en zijn medeverdachte de vragen 3 en 4 bewust met “nee” hebben beantwoord omdat hij, mede na gesprekken met medewerkers van de Sociale Dienst, ervan uitging dat zij de ontvangen bedragen niet hoefden op te geven. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard dat hij met ambtenaren van de Sociale dienst heeft gesproken over de geldleningen die de medeverdachte van haar familie ontving en dat nergens stond vermeld dat hij een persoonlijke geldlening moest opgeven. Nu het hof het vonnis van de Rechtbank te Maastricht heeft bevestigd, concentreer ik mij op de vraag of het verweer in het vonnis op goede gronden en toereikend gemotiveerd is weerlegd.

11. De rechtbank overweegt ten eerste dat de verdachte en zijn medeverdachte hebben verklaard dat zij de ontvangen bedragen bewust niet hebben opgegeven. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten om de bedragen op te geven aan de Sociale Dienst. De rechtbank gaat in haar bewijsoverweging voorbij aan de kern van het gevoerde verweer. De kern daarvan is niet dat de verdachte geen opzet zou hebben gehad op het met “nee” invullen van de vragen 3 en 4, maar dat hij geen opzet heeft gehad dat deze opgave niet naar waarheid zou zijn. Indien de rechtbank ervan is uitgegaan dat voor de bewezenverklaring niet is vereist dat het opzet van de verdachte zich uitstrekt tot het in strijd met de waarheid invullen van de verklaringen, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte kan worden afgeleid dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het niet naar waarheid invullen van de periodieke verklaringen, is dat oordeel, in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet begrijpelijk.

12. De rechtbank heeft voorts in reactie op het hiervoor bedoelde verweer geoordeeld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad op misleiding. De rechtbank leidt dit af uit de algemeen geformuleerde omstandigheid dat de Sociale Dienst alleen haar werk kan doen indien bij haar alle ontvangen bedragen bekend zijn. Ook deze overweging acht ik in het licht van het door de verdediging aangevoerde niet begrijpelijk. De verdachte heeft niet aangevoerd dat hij geen oogmerk had de ingevulde periodieke verklaringen als echt en onvervalst te gebruiken, maar hij heeft ontkend dat hij opzet had op het in strijd met de waarheid opmaken van het desbetreffende geschrift. Daarop vormt het door de rechtbank overwogene geen begrijpelijke reactie.

13. De rechtbank overweegt vervolgens dat zij de vraag moet beantwoorden of “dit nalaten” aan de verdachte kan worden verweten, waarmee zij kennelijk doelt op het met “nee” beantwoorden van de hiervoor genoemde vragen 3 en 4. De rechtbank en het hof lijken het verweer daarmee te hebben beschouwd als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Wellicht is het hof daarbij op het verkeerde been gezet doordat de verdediging in het kader van het opzetverweer ook stelt dat de verwijtbaarheid ontbreekt. Niettemin meen ik dat het hof het verweer had moeten opvatten als een verweer dat zag op het ontbreken van opzet op het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen. De kern van het verweer is dat de verdachte bewust de genoemde vragen 3 en 4 met “nee” heeft beantwoord omdat hij dacht dat gelden die hij en zijn medeverdachte uit hoofde van een lening ontvingen niet waren aan te merken als inkomsten. Deze kern blijkt al uit de aanhef van het desbetreffende onderdeel van de pleitnota (“Opzet op valsheid”) en uit de conclusie die de raadsman trekt (“Het ontbreken van opzet op het foutief invullen dient te leiden tot vrijspraak”). Een beroep op afwezigheid van alle schuld is daarin niet te lezen en kan overigens eerst aan de orde komen na bewijs van het opzet.

14. De klacht dat het hof door bevestiging van het vonnis het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, treft dan ook doel.

15. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 17 november 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Nu het middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.2

17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten hier achterwege.

2 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.5.3.