Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2146

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
12/01801
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:303, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude, art. 225 Sr. Slagende bewijsklacht opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01801

Zitting: 12 november 2013

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 november 2011 een vonnis bevestigd van de Rechtbank te Maastricht van 14 oktober 2010, waarbij de rechtbank de verdachte wegens 1. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 2. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” heeft veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (12/01806), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof een door de verdediging gevoerd verweer ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

4. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging onder verwijzing naar de zogenaamde “Salduz”-jurisprudentie bepleit dat verdachte - ook al was zij niet aangehouden – voor haar verhoor door de sociaal-rechercheur gewezen had moeten worden op haar recht op raadpleging van een advocaat. Dit verzuim brengt – kort gezegd – met zich mee dat de door verdachte afgelegde verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs, reden waarom, zo begrijpt het hof, vrijspraak dient te volgen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het hof stelt op grond van het dossier vast dat verdachte op 2 april 2008 voor het eerst een verklaring heeft afgelegd ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1]. Voorafgaand aan dat verhoor is zij niet als verdachte aangehouden.

Volgens de raadsman was er in deze zaak toch sprake van een “Salduz”-situatie, nu er sprake is van een zorgverplichting van de overheid met betrekking tot het verstrekken van deze rechtsinstructie aan een niet aangehouden verdachte.

Naar het oordeel van het hof is voor die stelling van de verdediging echter geen steun te vinden in het recht. Naar het oordeel van het hof is de “Salduz”-jurisprudentie alleen van toepassing op zaken waarbij een verdachte is aangehouden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

5. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de Salduz-jurisprudentie alleen van toepassing is op zaken waarbij een verdachte is aangehouden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof zou daarmee de uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN7727) miskennen.

6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH3079) overwogen dat een aangehouden verdachte door de politie voorafgaand aan diens eerste verhoor moet worden gewezen op het recht een advocaat te raadplegen. In het door de steller van het middel aangehaalde arrest van 9 november 2010 heeft de Hoge Raad overwogen dat die regel niet zonder meer geldt als het gaat om een niet aangehouden verdachte.1 Bijzondere omstandigheden kunnen met zich brengen dat art. 6 EVRM eraan in de weg staat een verklaring van een niet aangehouden verdachte die voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op zijn consultatierecht, tot het bewijs te bezigen. Welke bijzondere omstandigheden de Hoge Raad in dit verband voor ogen staan, kan uit de jurisprudentie vooralsnog niet in algemene zin worden beantwoord. Van dergelijke omstandigheden zal echter niet snel sprake zijn.2 Uit HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7892 volgt dat zodanige situatie zich in elk geval voordoet als ten aanzien van een gedetineerde verdachte de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Een dergelijke van zijn vrijheid beroofde verdachte bevindt zich in een met een aangehouden verdachte vergelijkbare situatie.

7. Het hof heeft overwogen dat de Salduz-jurisprudentie alleen van toepassing is op zaken waarbij een verdachte is aangehouden. Daarmee heeft het hof een te beperkte uitleg gegeven aan de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad. In zoverre is het middel dan ook terecht voorgesteld. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden.

8. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 2 april 2008 voor het eerst een verklaring heeft afgelegd en dat zij voorafgaand aan dat gesprek niet als verdachte is aangemerkt. Het proces-verbaal van dit bewuste verhoor, opgemaakt door sociaal-rechercheur [verbalisant 1], bevindt zich bij de stukken van het geding. Daaruit volgt dat aan de verdachte voorafgaand aan het verhoor de cautie is gegeven. Voorts volgt uit het proces-verbaal van relaas, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 9 september 2008, dat zich eveneens bij de stukken bevindt, dat de verdachte op 2 april 2008 op uitnodiging is verhoord.

9. In aanmerking genomen dat de verdachte op 2 april 2008 op uitnodiging is verhoord en zij op dat moment niet reeds van haar vrijheid was beroofd, geeft het kennelijk oordeel van het hof dat onder deze omstandigheden de Salduz-jurisprudentie niet van toepassing is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.3 Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de verdenking zag op een feit waarvoor inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis mogelijk is, maakt dit niet anders.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van het ten laste gelegde opzet.

12. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat zij:

“1. meermalen in de periode van 6 februari 2002 tot en met 30 oktober 2003, in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een “Periodieke verklaring”, welke verklaring / welk formulier bestemd was om, na te zijn ingevuld en ondertekend, te dienen tot bewijs van de juistheid van de daarin vermelde gegevens en tot grondslag voor het oordeel of en in hoeverre zij, verdachte en haar mededader, in aanmerking bleven komen voor een uitkering uit hoofde van de Algemene Bijstandswet (Awb), valselijk hebben opgemaakt, aangezien zij, verdachte en haar mededader opzettelijk in strijd met de waarheid de op die verklaring / dat formulier gestelde vragen:

“Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen?”

en/of

“Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten? Indien Ja dient u soort inkomen, bedrag, periode, ontvanger en verstrekker in te vullen.”

hebben beantwoord met “nee”, en die verklaring/dat formulier hebben ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken;

2. meermalen in de periode van 30 november 2003 tot en met 29 januari 2008 in de gemeente Maastricht een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een “Periodieke verklaring”, welke verklaring/welk formulier bestemd was om, na te zijn ingevuld en ondertekend, te dienen tot bewijs van de juistheid van de daarin vermelde gegevens en tot grondslag voor het oordeel of en in hoeverre zij, verdachte, in aanmerking bleef komen voor een uitkering uit hoofde van de Algemene Bijstandswet (Awb), valselijk heeft opgemaakt, aangezien zij, verdachte, opzettelijk in strijd met de waarheid de op die verklaring/dat formulier gestelde vragen:

“Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen?”

en/of

“Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten? Indien Ja dient u soort inkomen, bedrag, periode, ontvanger en verstrekker in te vullen”

heeft beantwoord met “nee”, en die verklaring/dat formulier heeft ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken.”

13. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2011 gehechte pleitnota volgt dat de raadsman van de verdachte aldaar heeft bepleit dat de verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het valselijk opmaken van de periodieke verklaringen. Daartoe is ter terechtzitting – kort gezegd – aangevoerd dat het geld dat de verdachte van haar familie ontving een lening betrof en dat zij niet wist dat geldleningen als inkomsten moeten worden aangemerkt. Voorts is ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte dacht dat zij de leningen niet hoefde op te geven, omdat zij bij de aanvraag van de uitkering heeft vermeld dat zij geld leende van haar familie om de hypotheeklasten te kunnen voldoen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij de aanvraag van de uitkering heeft aangegeven dat zij deze leningen niet maandelijks zou opgeven.

14. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het vonnis van de rechtbank houdt, voor zover hier van belang, het volgende in4:

“Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat verdachte voor haar verhoor van woensdag 2 april 2008 niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen. Ingevolge de Salduz-jurisprudentie kan hetgeen verdachte in dit verhoor heeft verklaard daarom niet als bewijs dienen. Voorts waren de gelden die verdachte van haar familie heeft ontvangen leningen en geen “inkomen” in de zin van de Algemene bijstandswet. Het feit dat nu, in 2010, door de bestuursrechter achteraf geoordeeld is dat toch sprake is van inkomsten, doet hier niet aan af. De strafrechter moet immers niet kijken naar de situatie achteraf, maar op het moment van de beweerdelijk gepleegde overtreding. Bovendien kan niet gezegd worden dat verdachte het opzet had de Sociale Dienst te misleiden, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen aan haar ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, samen met haar toenmalige partner en huidige medeverdachte [medeverdachte], in januari 2002 een bijstandsuitkering aangevraagd bij de gemeente Maastricht. Deze uitkering is met ingang van 19 december 2001 aan hen verstrekt. Verdachten hebben vervolgens iedere maand een zogenoemde “Periodieke verklaring” ontvangen, waarop zij inkomen en veranderingen in hun vermogenspositie dienden op te geven. De Periodieke verklaringen over de onder feit 1 ten laste gelegde periode (de maanden februari 2002 tot en met oktober 2003) bevinden zich allemaal in het dossier. Ook de Periodieke verklaringen over de onder feit 2 ten laste gelegde periode (de maanden november 2003 tot en met januari 2008) bevinden zich allemaal in het dossier. Op al deze verklaringen is vraag 3: “Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kinderen in de periode toegenomen?”, steeds beantwoord met: “nee”. Vraag 4: “heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten?” is ook met nee beantwoord, met uitzondering van de maanden maart, april, mei, juni, juli en augustus 2002. Bij deze laatstgenoemde maanden is opgegeven dat inkomen is genoten vanwege verkopen op een rommelmarkt. Op alle verklaringen is als woonplaats Maastricht ingevuld en zijn twee handtekeningen geplaatst.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de Periodieke verklaringen heeft ingevuld en ondertekend. Zij heeft ook verklaard dat zij in de beide ten laste gelegde periode maandelijks geld van haar vader en haar oom ontving. Dit geld was bedoeld om de woonlasten van de eigen woning te dekken. Het was de bedoeling dat de ontvangen bedragen zouden worden terug betaald. Dit is tot op heden niet gebeurd. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij het ontvangen geld bewust niet op de bovengenoemde Periodieke verklaringen heeft ingevuld. Zij dacht dat dit niet nodig was. [medeverdachte] heeft bij de Sociale Recherche verklaard dat hij wist dat [verdachte] geld van haar vader en oom kreeg als bijdrage in de woonlasten. Evenals verdachte heeft hij de ontvangen bedragen bewust niet op de Periodieke verklaringen (zoals genoemd onder feit 1) vermeld, omdat hij dacht dat ze dit geld niet hoefde op te geven aan de Sociale Dienst.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte] opzettelijk hebben nagelaten de ontvangen bedragen op de betreffende Periodieke verklaringen te vermelden en aldus hebben nagelaten dit geld op te geven aan de Sociale Dienst.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of dit nalaten aan verdachte (en aan [medeverdachte]) kan worden verweten.

Volgens de verdediging is dit niet het geval. In de eerste plaats omdat het hier zou gaan om gelden die noch als “vermogen”, noch als “inkomen” aangemerkt kunnen worden en dus niet vallen onder de in de vragen 3 en 4 genoemde begrippen en in de tweede plaats omdat verdachte, noch [medeverdachte] het oogmerk tot misleiding zou hebben gehad.

De rechtbank is van oordeel dat het in de onderhavige strafzaak niet van belang is of de ontvangen bedragen – achteraf – al dan niet als inkomen dan wel vermogen gekwalificeerd moeten of kunnen worden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het doel van de Periodieke verklaringen nu juist is de Sociale Dienst zo volledig mogelijk te informeren over de (al dan niet gewijzigde) financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Dit kan alleen indien alle gelden die de uitkeringsgerechtigde in de betreffende periode heeft ontvangen op te geven. Aan de hand van de verstrekte gegevens kan de Sociale Dienst vervolgens beoordelen of de ontvangsten wel of niet van invloed zijn op het recht op, of de hoogte van, de ontvangen of nog te ontvangen bijstand. Indien niet alle gegevens bekend zijn is het voor de Sociale Dienst onmogelijk dit goed te doen. Dit laatste brengt tevens mee dat verdachte ook het oogmerk had te misleiden. Het feit dat zij wellicht nog steeds van plan is de ontvangen bedragen ooit terug te betalen doet hier niet aan af.

Rest de vraag of verdachte, zoals door de verdediging is aangevoerd, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen hebben dat zij de ontvangen bedragen niet aan de Sociale Dienst hoefde te melden.

Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard bij de aanvraag te hebben gemeld dat zij maandelijks een substantieel bedrag van familie kregen om de woonlasten te kunnen blijven voldoen. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (beiden medewerkers van de Sociale Dienst) daarentegen hebben beiden onder ede ter terechtzitting verklaard dat noch verdachte, noch [medeverdachte] dit bij hun aanvraag kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft geconstateerd dat op pagina 10 van het rapport dat [getuige 2] naar aanleiding van de aanvraag heeft opgesteld, wel melding wordt gemaakt van twee leningen. Zowel [getuige 2] als verdachte hebben echter ter terechtzitting verklaard dat het hier ging om leningen die waren verstrekt vóór de ten laste gelegde periode. Gelet op het vorenstaande en gezien ook de strekking van een bijstandsuitkering – te weten een verstrekking voor de kosten van levensonderhoud voor degene die daarin niet uit eigen middelen kan voorzien – is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte of [medeverdachte] ook van de toekomstige bijdragen door [verdachte] familie melding hebben gemaakt bij de aanvraag van de uitkering. Ook is het niet aannemelijk geworden dat [getuige 2] dan wel [getuige 1] zich in die zin tegenover verdachte en [medeverdachte] heeft uitgelaten dat bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij de ontvangen bedragen niet op de Periodieke verklaringen hoefde in te vullen.”

15. Aan de verdachte is (samengevat) ten laste gelegd dat zij tezamen en in vereniging (feit 1) en alleen (feit 2) “opzettelijk in strijd met de waarheid” de vragen 3 en 4 op de periodieke verklaringen met “nee” heeft beantwoord. Dit is ten laste van de verdachte bewezen verklaard. Voor bewezenverklaring is vereist dat de opzet van de verdachte zich, eventueel in voorwaardelijke vorm, mede uitstrekt tot het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen. Nu het hof het vonnis van de Rechtbank te Maastricht heeft bevestigd, concentreer ik mij op de bewijsconstructie in het vonnis van de rechtbank.

16. De rechtbank overweegt ten eerste dat de verdachte en haar medeverdachte hebben verklaard dat zij de ontvangen bedragen bewust niet hebben opgegeven. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten om de bedragen op te geven aan de Sociale Dienst. De rechtbank gaat naar mijn mening in haar bewijsoverweging voorbij aan de kern van het gevoerde verweer. De kern daarvan is niet dat de verdachte geen opzet zou hebben gehad op het met “nee” invullen van de vragen 3 en 4, maar dat zij geen opzet heeft gehad dat deze opgave niet naar waarheid zou zijn. Indien de rechtbank ervan is uitgegaan dat voor de bewezenverklaring niet is vereist dat het opzet van de verdachte zich uitstrekt tot het in strijd met de waarheid invullen van de verklaringen, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte kan worden afgeleid dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het niet naar waarheid invullen van de periodieke verklaringen, is dat oordeel, in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet begrijpelijk.

17. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad op misleiding. De rechtbank leidt dit af uit de algemeen geformuleerde omstandigheid dat de Sociale Dienst alleen haar werk kan doen indien bij haar alle ontvangen bedragen bekend zijn. Ook deze overweging acht ik in het licht van het door de verdediging aangevoerde niet begrijpelijk. De verdachte heeft niet aangevoerd dat zij geen oogmerk had de ingevulde periodieke verklaringen als echt en onvervalst te gebruiken, maar zij heeft ontkend dat zij opzet had op het in strijd met de waarheid opmaken van het desbetreffende geschrift omdat zij gelden die zij uit een lening ontving niet als inkomsten en vermogen beschouwde die op de periodieke verklaring vermeld zouden moeten worden. Ook in dit opzicht acht ik het oordeel van de rechtbank – en daarmee van het hof - niet begrijpelijk. Uit het overwogene kan niet volgen dat de verdachte opzet op het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen had.

18. De rechtbank overweegt vervolgens dat zij de vraag moet beantwoorden of “dit nalaten” aan de verdachte kan worden verweten, waarmee zij kennelijk doelt op het met “nee” beantwoorden van de hiervoor genoemde vragen 3 en 4. Daarop aansluitend, beoordeelt de rechtbank of de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gehad dat zij de ontvangen bedragen niet aan de Sociale Dienst hoefde te melden. Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat de leningen wel ter sprake zijn gekomen bij de aanvraag van de uitkering. Dit betoog wordt door de raadsman geplaatst in het kader van het verweer dat opzet op het in strijd met de waarheid invullen van de formulieren niet bewezen kan worden (p. 10 van de pleitnota). Over gerechtvaardigd vertrouwen wordt in hoger beroep niet gerept. Kennelijk heeft het hof de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, opgevat als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Die uitleg komt mij niet juist voor. Het overwogene kan bovendien niet bijdragen aan het bewijs dat de verdachte opzet zou hebben op het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen. Een beroep op afwezigheid van alle schuld kan immers eerst aan de orde komen als bewezen is dat sprake is van opzet.

19. Ook overigens kan de bewezenverklaring van het opzettelijk in strijd met de waarheid invullen van de vragen 3 en 4 van de periodieke verklaringen niet uit de door het hof – in navolging van de rechtbank – gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is daarmee ontoereikend gemotiveerd.

20. Het middel is terecht voorgesteld.

21. Het derde middel klaagt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ziet op de overweging van de rechtbank ten aanzien van een feit van algemene bekendheid.

22. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota volgt dat de raadsman aldaar heeft aangevoerd dat getuige Hegt ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat de juridische afdeling van de Sociale Dienst nog lang heeft getwijfeld of er sprake was van fraude en dat derhalve niet van algemene bekendheid kan zijn dat alle gelden bij de Sociale Dienst moeten worden opgegeven.

23. Het hof heeft inderdaad niet nader gemotiveerd waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Tot cassatie behoeft dat niet te leiden. Het hof had het verweer immers slechts kunnen verwerpen omdat de raadsman is uitgegaan van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft niet overwogen dat het van algemene bekendheid is dat alle gelden moeten worden opgegeven, maar dat het van algemene bekendheid is dat het doel van de periodieke verklaringen is om de Sociale Dienst zo volledig mogelijk te informeren. Anders dan door de steller van het middel wordt aangevoerd, volgt uit de overweging van de rechtbank niet zonder meer dat het van oordeel is dat van algemene bekendheid is dat alle gelden moeten worden opgegeven.

24. Het middel faalt derhalve.

25. Het vierde middel keert zich tegen de bewezenverklaring. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft overwogen dat er sprake is van inkomen en dat daarmee onverenigbaar is de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verdachte de vraag “Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen?” in strijd met de waarheid heeft beantwoord met “nee”.

26. Uit de overweging van het hof zou kunnen worden afgeleid dat het hof in die zin een keuze uit de in de tenlastelegging gepresenteerde alternatieven heeft gemaakt dat het van oordeel is dat de ontvangen gelden als inkomsten en niet als vermogen moeten worden aangemerkt. Daarmee zou onverenigbaar zijn de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verdachte de vraag “Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen” in strijd met de waarheid met “nee” heeft beantwoord. In die visie zou het desbetreffende onderdeel van de tenlastelegging als gevolg van een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring zijn blijven staan. Hoe dat ook zij, in geen geval behoeft zulks te leiden tot cassatie.5 Aangezien de aard en de ernst van het bewezen verklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, kan de Hoge Raad de bewezenverklaring zo nodig verbeterd lezen.

27. Het middel faalt.

28. Het tweede middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

29. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 10 november 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Nu het tweede middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.6

30. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Zie tevens HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6908 en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7953.

2 Zie de conclusie van A-G Jörg voorafgaand aan HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3504 en de conclusie van A-G Vegter voorafgaand aan HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2555.

3 HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2555; HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7954; HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6908.

4 Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten hier achterwege.

5 HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0502.

6 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.5.3.