Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2130

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
12/00678
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:53, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00678

Mr. Bleichrodt

Zitting 12 november 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 7 oktober 2011 wegens feit 1 subsidiair “medeplegen van poging om een ander door een belofte te bewegen een moord te begaan”, feit 2 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en feit 3 “opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, verbergen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie. De onderhavige zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (11/04781), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

3.1. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring en valt uiteen in verschillende klachten.

3.2 Ten laste van de verdachte is, voor zover hier relevant, bewezen verklaard dat:

“1 subsidiair:

hij omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 7 juli 2009, in de gemeenten Alkmaar en Delft en Rotterdam, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft gepoogd om [medeverdachte] door in artikel 47, eerste lid, onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte te bewegen om [slachtoffer] te vermoorden, bestaande die belofte uit de toezegging van het betalen van enig geldbedrag, vóór het plegen van het misdrijf en/of de toezegging na het plegen van het misdrijf over te gaan tot het betalen van (nogmaals) enig geldbedrag;

(…)

3:

hij in de periode van 9 juli 2009 tot en met 3 1 juli 2009 in de gemeente Delft opzettelijk een persoon, [betrokkene 1], die verdachte was van het misdrijf van medeplegen van moord op [slachtoffer] [art. 289/47 Wetboek van Strafrecht] heeft verborgen, immers heeft verdachte [betrokkene 1] onderdak verschaft in de woning aan de [a-straat] te Delft”.

3.2. In de eerste plaats betoogt de steller van het middel dat het arrest wat de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair betreft lijdt aan innerlijke tegenstrijdigheid. Aan de ene kant spreekt het hof vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen tot zware mishandeling, omdat gelet op de uiteenlopende verklaringen van de betrokken verdachten niet bewezen kan worden dat het gezamenlijk opzet van de verdachte en zijn medeverdachten dan wel dat van hem alleen gericht is geweest op zware mishandeling, terwijl het hof aan de andere kant in het kader van de bewezenverklaring voor het subsidiair ten laste gelegde de tegenstrijdigheden in de verklaringen voor lief neemt.

3.3 Van innerlijke tegenstrijdigheid is naar mijn mening geen sprake. Het hof heeft uit het beschikbare bewijsmateriaal, onder meer uit de verklaringen van [betrokkene 1] en onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte], afgeleid dat de verdachte en [betrokkene 1] hebben gepoogd [medeverdachte] te bewegen [slachtoffer] te vermoorden. In dat oordeel ligt besloten dat het opzet van de verdachte erop was gericht [medeverdachte] te bewegen een moord te begaan. Deze conclusie is geenszins tegenstrijdig met de vrijspraak voor feit 1, die ziet op het medeplegen van voorbereiding van een ander misdrijf, te weten zware mishandeling.

3.4 In de tweede plaats betoogt het middel dat, voor zover de verdachte en [betrokkene 1] eerst van plan waren het beoogde slachtoffer te doen ombrengen maar later akkoord zijn gegaan met mishandeling, sprake is van vrijwillige terugtred. Het middel faalt reeds omdat een beroep op vrijwillige terugtred, dat een beoordeling van feitelijke aard vergt, niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan1, terwijl uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep niet volgt dat door of namens de verdachte een dergelijk verweer in feitelijke aanleg is gevoerd. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof zou hebben vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] akkoord zijn gegaan met mishandeling, gaat het bovendien uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het derhalve feitelijke grondslag. Het hof heeft juist overwogen dat niet kan worden bewezen dat het gezamenlijk opzet van de verdachte en zijn medeverdachten dan wel dat van hem alleen gericht is geweest op zware mishandeling. In meer algemene zin geldt dat de omstandigheid dat degene die het misdrijf zou moeten uitvoeren niet bereid is dat misdrijf te begaan, maar wel een ander misdrijf, geen van de wil van de verdachte afhankelijke omstandigheid als bedoeld in art. 46b Sr.

3.5 Ook overigens acht ik de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel betoogt, kon het hof de resultaten van de zendmastgegevens van een telefoonnummer dat op 7 juli 2009 in contact heeft gestaan met de telefoons van [betrokkene 1] als redengevend beschouwen, nu het bedoelde nummer op 8 en 9 juli 2009 gebruik heeft gemaakt van zendmasten in Delft, onder andere in de directe nabijheid van de verblijfplaats van de verdachte.

4.1 Ook komt het middel op tegen de bewezenverklaring van feit 3.

4.2 Het hof heeft ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde het volgende overwogen2:

“Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3, eerste onderdeel, te weten het verbergen van de voortvluchtige [betrokkene 1], is ten laste gelegd. Daartoe worden de volgende bewijsmiddelen gebezigd.

Op 9 juli 2009 is in Alkmaar [slachtoffer] doodgeschoten. De medeverdachte [betrokkene 1] is ter zake hiervan op 31 juli 2009 aangehouden. [betrokkene 1] heeft bij zijn eerst gehouden verhoor op 1 augustus 2009 bekend dat hij de persoon is geweest die [slachtoffer] heeft neergeschoten.

Uit de inhoud van een afgeluisterd en opgenomen vertrouwelijk gesprek (OVC) tussen de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] gedurende het transport naar de rechtbank op 9 november 2009, leidt het hof af dat de medeverdachte [betrokkene 1] na het schietincident bij de verdachte in Delft heeft verbleven en zich daar heeft schuilgehouden. In dit gesprek legt [betrokkene 1] aan de verdachte in uiteenlopende bewoordingen uit dat hij hem in zijn verklaringen niet heeft belast en evenmin diens naam heeft genoemd. In het licht van genoemde kennelijke bedoeling van [betrokkene 1] acht het hof redengevend de volgende uitlatingen van [betrokkene 1]: "Maar over Delft: ik praat niet. Ik ben niet eens in Delft geweest" en op de vraag van verdachte of [betrokkene 1] heeft verteld dat hij bij verdachte heeft geslapen en vandaar is weggegaan: "Ik heb helemaal niets over Delft gezegd". Het hof betrekt hierbij dat uit de vraagstelling van de verdachte tijdens dit gesprek blijkt dat aan het verblijf van [betrokkene 1] in Delft een bijzondere betekenis toekomt welke aan onthulling ervan in de weg diende te staan en voorts, dat de verdachte ook hierbij geen ontzenuwende uitleg heeft gegeven voor deze, voor de bewezenverklaring redengevende, inhoud van dit zogeheten OVC-gesprek.

[betrokkene 1] heeft in de dagen na de schietpartij het vuurwapen getoond aan "de jongen van de Opel Astra" en hem verteld wat er met dat wapen is gebeurd. De medeverdachte [betrokkene 1] heeft verklaard dat "de jongen van de Opel Astra" dezelfde persoon is als "de maat uit Rotterdam", ten aanzien van wie het hof in het voorgaande reeds heeft vastgesteld dat deze persoon de verdachte betreft.

Bovendien is uit onderzoek gebleken dat op naam van de verdachte het kenteken [AA-00-BB] is afgegeven, behorend bij een grijze Opel Astra.

Het hof vindt voor het verblijf van [betrokkene 1] voorts bevestiging in een verklaring van de getuige [getuige]. Deze heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] in een woning in Delft heeft aangetroffen en dat [betrokkene 1] bij die gelegenheid had verteld dat hij een jongen had neergeschoten.

Het hof is van oordeel - anders dan de rechtbank en de verdediging - dat ook bewezen is dat de verdachte wist van de dood van [slachtoffer] en de betrokkenheid van [betrokkene 1] daarbij. Het hof wijst daarbij op de hiervoor aangehaalde verklaring van [betrokkene 1] dat hij "de jongen van de Astra" had verteld wat er met het wapen was gebeurd.

Het hof overweegt dat voor het tweede onderdeel van het onder 3 ten laste gelegde geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.”

4.3 Het middel betwist de redengevendheid van het in de hiervoor geciteerde overweging gebezigde afgeluisterd en opgenomen vertrouwelijk gesprek. Volgens de steller van het middel zou het gesprek ook over verdovende middelen kunnen gaan dan wel over een ander feit dat verborgen zou moeten blijven. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep volgt echter niet dat een dergelijke mogelijkheid aan de feitenrechter is voorgehouden. Het hof overweegt dat de verdachte ook hierbij geen ontzenuwende uitleg heeft gegeven voor deze, voor de bewezenverklaring redengevende, inhoud van de opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC). In cassatie kan niet voor het eerst over die feiten worden gespeculeerd.

4.4 Overigens heeft het hof de weergave van de opgenomen vertrouwelijke communicatie redengevend kunnen achten voor het onder 3 bewezen verklaarde. In het gesprek probeert [betrokkene 1] de verdachte ervan te overtuigen dat hij diens naam niet heeft genoemd, dat hij niets over ‘Delft’ heeft verteld en dat hij nooit in Delft is geweest. Mede in het licht van de vraagstelling en de context van het gesprek, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de beide mannen spraken over een verblijf in Delft na de moord op [slachtoffer]. Lezing van het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen3 leert dat in het gesprek herhaaldelijk de namen [slachtoffer] en [betrokkene 2] voorkomen, terwijl de voornaam van het slachtoffer [slachtoffer] was en een medeverdachte [betrokkene 2] heette. Voor de vraagstelling waarnaar het hof verwijst en voor de context van het gesprek valt bijvoorbeeld te wijzen op de volgende passages:

“S: Heb jij ze verteld dat je bij mij in Delft hebt geslapen en vandaar ben weggegaan…

C: Ik heb helemaal niks over Delft gezegd, ik ben niet in Delft geweest. Ik ben nooit in Delft geweest. Snap je.. Die man, die die...

(…)

C: Die mattie van me, die me bij jou heeft gebracht, die van Amsterdam, hij zegt ook niet dat hij me bij jou heeft gebracht, hij zegt hij heeft me bij Amsterdam Sloterdijk gezet. Snap je. En ik zeg: ze hebben me bij mijn zus in Deventer gepakt. Ik ben al die tijd bij haar geweest. Snap je. Ik ben in Deventer gepakt. Ik ben in Deventer gepakt, ik ben nooit in Delft geweest. Jij gaat het dadelijk horen. Nu gaan ze [betrokkene 2] verhoren.

En:

C: “Toen werd ik boos op [betrokkene 2] want in die tijd dat ik me schuil hield bij jou…Hij had allang die stront auto weg moeten brengen.”

En:

“In heb niet eens over jou gesproken en heb niet over Delft zelf gesproken…Ik ben in Deventer gepakt, ik zou naar Den Bosch gaan.”

Het hof heeft uit de resultaten van de OVC kunnen afleiden dat aan het verblijf van [betrokkene 1] in Delft een bijzondere betekenis toekomt welke aan onthulling ervan in de weg diende te staan. Gelet op de hiervoor weergegeven passages uit de weergave van de vertrouwelijke communicatie en gelet op de context van het gesprek, heeft het hof de weergave redengevend kunnen achten voor het bewijs dat de verdachte aan [betrokkene 1] in de periode na de moord op [slachtoffer] onderdak heeft verschaft.

4.5 De stelling dat de bewezenverklaring slechts berust op de verklaring van [betrokkene 1] en dat zulks onvoldoende wettig bewijs oplevert, gaat evenmin op. Het hof heeft naast de verklaring van [betrokkene 1] de hiervoor weergegeven inhoud van de OVC en een getuigenverklaring van [getuige] tot het bewijs gebezigd. Uit deze bewijsmiddelen kon het hof afleiden dat de verdachte [betrokkene 1] in zijn woning te Delft onderdak heeft verleend, dat [betrokkene 1] de dagen na de schietpartij het vuurwapen heeft getoond aan de verdachte en dat hij de verdachte heeft verteld wat er met het vuurwapen is gebeurd. Daarbij heeft de getuige [getuige] verklaard dat hij [betrokkene 1] in een woning in Delft heeft aangetroffen en dat hij bij die gelegenheid had verteld dat hij een jongen had neergeschoten. Aan de redengevendheid doet niet af dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte aan het gesprek heeft deelgenomen. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen naar mijn mening aldus de bewezenverklaring dragen.

4.6 Het middel faalt.

5. Ambtshalve wijs ik op het tijdsverloop. Namens de verdachte is op 12 oktober 2011 beroep in cassatie ingesteld. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 24 maanden zijn verstreken sedert het instellen van dat beroep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Andere gronden dan de hiervoor onder 5 genoemde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Vgl. meer in het algemeen A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 7e druk, p. 277.

2 Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik de voetnoten weggelaten.

3 Zie het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen betreffende de letterlijke uitwerking van de OVC met het nummer 200911121115, opgemaakt door P.J. Groen en J. Nijssen, bijlage E. I 71.2.