Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2125

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
13/00014
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:23, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359a Sv. Verwerping verweer onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Ongeregeldheden tijdens en na voetbalwedstrijd FC Utrecht en FC Twente. Tonen van camerabeelden op het internet. Wettelijke grondslag. Art. 2 Politiewet 1993 en art. 141 en 142 Sv. Het oordeel van het Hof dat art. 2 Politiewet 1993 in samenhang met art. 141 en 142 Sv als wettelijke basis kan dienen voor het tonen van een of meer foto(‘s) van verdachte op internet is juist. Het oordeel van het Hof erop neerkomende dat het tonen van de camerabeelden van verdachte op het internet in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met beginselen van prop. en subs., zodat het tonen van de beelden van verdachte op het internet niet onrechtmatig is geweest en geen vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv oplevert dat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kan geven, is niet onbegrijpelijk en behoefde, mede gelet op hetgeen ten verwere is aangevoerd, geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00014

Zitting: 29 oktober 2013

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 17 juli 2012 verdachte wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (12/03864), [medeverdachte 2] (12/03868), [medeverdachte 3] (12/03937), [medeverdachte 4] (12/04754), [medeverdachte 5] (12/04755), [medeverdachte 6] (12/04782) en [medeverdachte 7] (13/00013), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens verdachte heeft mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Utrecht, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.K.J. Dikkerboom bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Op 4 december 2011 vonden in en rond het stadion De Galgenwaard te Utrecht tijdens en na een voetbalwedstrijd tussen FC Utrecht en FC Twente verschillende ongeregeldheden plaats. Vanuit een vak met Twentesupporters is vuurwerk gegooid en daarna ontstonden er rellen binnen het stadion. Na het staken van de wedstrijd waren er vervolgens rellen buiten het stadion waarbij de politie waarschuwingsschoten heeft gelost. De beide voorgestelde cassatiemiddelen beperken zich tot de rechtmatigheid van zogenaamde opsporingsberichtgeving. Het gaat daarbij in het bijzonder om het verspreiden van beelden via (de media en) internet teneinde de daders te achterhalen. In de lagere rechtspraak is de rechtmatigheid van dergelijke berichtgeving (in het bijzonder na ongeregeldheden bij grootschalige evenementen) inmiddels doorgaans zonder succes een aantal keren1 bestreden. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft de Hoge Raad nog niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan de hier aan de orde zijnde vorm van opsporingsberichtgeving.2 Hoewel de middelen zelf gelet op hun invulling niet onmiddellijk aanleiding geven voor een bredere beschouwing, meen ik dat daar gelet op de aard van de hier aan de orde zijnde materie wel reden toe is.

5. In het arrest van het Hof is de volgende overweging met betrekking tot het bewijs opgenomen:

“Primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het tonen van beelden van verdachte op internet onrechtmatig is geweest. Het tonen van beelden heeft geleid tot het herkennen van verdachte. Het betreft een niet in de wet geregeld opsporingsbevoegd (heid; PV). Daarom moet bewijsuitsluiting volgen en moet verdachte worden vrijgesproken.

(…)

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verweer bewijsuitsluiting

Ingevolge artikel 2 van de Politiewet 1993 is de politie bevoegd handelingen te verrichten welke de in die bepaling aan haar opgedragen taak meebrengt. De algemene taakomschrijving van dit artikel in combinatie met het bepaalde in de artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering biedt naar het oordeel van het hof een toereikende wettelijke grondslag voor het tonen van de beelden op internet. Verder geldt dat de gebruikte methode van opsporing proportioneel was. Oproepen in de pers aan verdachte(n) om zich te melden hebben geen effect gehad. Voorts hebben zich geen getuigen gemeld en waren er kennelijk geen andere manieren om de verdachten te identificeren. Ten slotte speelt de aard van de verdenking een rol. Het verweer wordt verworpen.”

6. Bij kennisneming van de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota valt op dat het Hof het gevoerde verweer erg summier samenvat, maar in cassatie wordt daar geen punt van gemaakt. Daar staat tegenover dat het Hof kennelijk ambtshalve aanleiding ziet om aandacht te besteden aan de vraag of de inzet van opsporingsberichtgeving via internet hier een proportioneel middel was. Aan die vraag wordt in de pleitnota geen woord gewijd. Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat er een wettelijke grondslag is voor de hier aan de orde zijnde vorm van opsporingsberichtgeving en houdt in de kern niet meer in dan dat artikel 2 Politiewet 1993 en de artikelen 141 en 148 Sv onvoldoende zijn om te kunnen worden aangemerkt als wettelijke grondslag. Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat de inzet van opsporingsberichtgeving via internet in de onderhavige zaak proportioneel was. Er wordt niet geklaagd over de hier volstrekt niet toepasselijke algemene overweging (‘stoplap’) die verwijst naar bewijsmiddelen. Ik zal daar niet op ingaan, ook al omdat die overweging kennelijk alleen betrekking heeft op een subsidiair gevoerd verweer. Beide middelen zal ik gezamenlijk bespreken.

7. Hoewel de middelen terecht niet klagen over de opname van de beelden, besteed ik daar kort aandacht aan. Artikel 9 van de vanaf 1 juli 2013 geldende standaardvoorwaarden van de KNVB3 luidt als volgt:

“ 9.1 Het is verboden beeld- en/of geluidsopnamen te maken en/of daaraan mee te werken van (enige activiteit van) het Evenement en/of van de aanwezige bezoekers voor enig ander doel dan gebruik in de privé-sfeer. Bovenstaande geldt niet voor, naar het oordeel van de Club, bevoegde persfotografen, -filmers of journalisten voor zover deze de grenzen van hun accreditatie niet overschrijden. Het maken van beeld- en/of geluidsopnamen ten behoeve van radio, televisie, internet en/of mobiele toepassingen in welke vorm dan ook is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de desbetreffende Club die hieromtrent zeggenschap geniet.

9.2 Een ieder die zich in het Publiek bevindt bij een Evenement:

a. erkent dat het Evenement een publiek, openbaar en commercieel Evenement is;

b. stemt in met opname en/of gebruik van zijn/haar naam, stem, portret en/of afbeelding door middel van al dan niet live uitgezonden of opgenomen audio en video display, uitzending of andere vorm van distributie, zoals foto's of andere huidige of toekomstige media technologieën;

c. geeft onvoorwaardelijk toestemming tot het gebruik van opname/afbeeldingen, zoals beschreven onder b., om niet, voor onbepaalde tijd en wereldwijd;

d. stelt noch de Club noch partijen die met toestemming van de Club gebruik maken van het beeld- en/of geluidsmateriaal voor al dan niet commerciële doeleinden, aansprakelijk voor het gebruik van dit beeld- en/of geluidsmateriaal;

e. doet afstand van zijn/haar portretrecht, voor zover het gaat om beelden in of rond het Stadion waarbij hij / zij herkenbaar in beeld komt.”

8. Zowel de opname als het gebruik van afbeeldingen4 is in artikel 9.2 van een ruime grondslag voorzien. Door de aanschaf van een toegangsbewijs voor een voetbalwedstrijd (nader gedefinieerd in art. 1 onder f) stemt de bezoeker in met de beeld en/of geluidsopname van zijn naam, stem en portret. Als ik het goed zie zijn aan het maken van opnamen geen nadere voorwaarden gesteld. Het gebruik van de opnamen is in beperkte mate nader omschreven. De bezoeker van een voetbalwedstrijd doet in ruime mate afstand van zijn recht op persoonlijke levenssfeer. Hoewel dat mij wel de toon lijkt te zetten in een zaak als de onderhavige, zal ik er verder niet op in gaan. Het punt is immers in cassatie niet aan de orde en niet uitgesloten is bovendien dat enig debat mogelijk is over de wijze waarop afstand is gedaan en de reikwijdte van die afstand. Behalve de beeld- en/of geluidsregistratie zijn voorafgaande aan het tonen van de beelden op internet doorgaans nog andere handelingen noodzakelijk. De beelden moeten worden opgeslagen, bewaard, verstrekt en dan tenslotte gepubliceerd. Aan de aan publicatie voorafgaande handelingen is ter zitting niet of nauwelijks aandacht besteed en in cassatie worden daarop evenmin de pijlen gericht. Daarom zal ik mij verder in hoofdzaak richten op het verspreiden van de beelden via internet (de publicatie).

9. Geschiedde het verspreiden van beelden via internet op basis van het ten tijde van het feit geldende artikel 2 Politiewet 19935 en/of op grond van de artikelen 141 jo 148 Sv? Dat hier sprake is van het daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde als bedoeld in art. 2 Politiewet 1993 wordt terecht in cassatie niet betwist.

Artikel 2 Politiewet 1993 luidt als volgt:

'De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.'

De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde omvat zowel de handhaving van de openbare orde als de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Onder dat laatste is de opsporing begrepen. Bij de invoering van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (Wet BOB)6 is het opsporingsbegrip verruimd en het vond een plaats in art. 132a Sv. Vervolgens is dat begrip gewijzigd bij de Wet verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven.7 Art. 132a Sv luidt als volgt:

“Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.”

Nu het doel van de verspreiding van de afbeeldingen van personen via internet was om personen die waren betrokken bij de ongeregeldheden te identificeren teneinde hen zo mogelijk strafrechtelijk te sanctioneren is hier sprake geweest van opsporing. In de overweging van het Hof ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat het gaat om opsporing.

10. Nu ik de vraag naar afstand van het recht op de persoonlijke levenssfeer hierboven uitdrukkelijk buiten haken heb gezet -het Hof heeft aan die kwestie geen woord gewijd- resteert de vraag naar de toereikende grondslag van de verspreiding van de beelden via internet. Volgens het Hof vormen de artikelen 2 Politiewet 1993 en 141 jo 148 Sv waarin de taakstelling van de politie is geregeld een voldoende wettelijke grondslag. Het Hof laat zich niet uit over de vraag of door de verspreiding van de beelden via internet een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt en daarmee neemt het Hof dus ook geen standpunt in over de mate waarin een dergelijke inbreuk mogelijk heeft plaatsgehad. In de weergave van het verweer van de verdediging in het arrest, maar ook in de pleitnota zelf valt niet terug te lezen dat stelling is genomen voor wat betreft de vraag of er wel of niet sprake was van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de mate waarin dat het geval was. In cassatie wordt het punt niet meer dan aangestipt (schriftuur onder 7): “De hier gewraakte inbreuk op de privacy is dermate ingrijpend dat daarvoor onvoldoende rechtsgrond is aan te wijzen in artikel 2 van de politiewet 1993. Waarbij de gehele context waarin de foto werd genomen en gepubliceerd in aanmerking dient te worden genomen.” De wijze waarop op dit punt het cassatiemiddel wordt ingericht biedt weinig houvast. Immers niet duidelijk wordt gemaakt waarom er sprake is van een al dan niet ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en evenmin welke factoren bepalend zijn voor de vraag of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als ingrijpend moet worden aangemerkt of niet.

11. Inmiddels kan er zonder meer van worden uitgegaan dat de bepalingen die de algemene taak van de politie omschrijven een grondslag kunnen vormen voor opsporingshandelingen die een beperkte inbreuken maken op de persoonlijke levenssfeer.8 Dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde observaties door een zogenaamd veelplegersteam van de politie.9 De enkele omstandigheid dat het Hof het verspreiden van beelden van de verdachte baseert op de zogenaamde taakstellende bepalingen betekent dus anders dan in het eerste middel wordt gesteld niet dat het Hof het recht onjuist heeft toegepast. Of een opsporingsmiddel valt te baseren op de algemeen taakstellende artikelen is onder meer afhankelijk van de mate waarin inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Nu het eerste middel van de mate waarin inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt geen enkel punt maakt, meen ik dat het middel reeds op deze grond faalt.

12. Het voorgaande betekent uiteraard niet dat onder omstandigheden het verspreiden van beelden een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan opleveren dat een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist. Bij de afweging of de inbreuk meer dan beperkt is, komt betekenis toe aan tal van aspecten in onderling verband en samenhang. Allereerst kunnen de omstandigheden waaronder de afbeelding is vervaardigd van belang zijn. In het onderhavige geval is de afbeelding niet vervaardigd in een situatie waarin de verdachte zich onbespied kan wanen. Integendeel, ik volsta te verwijzen naar de onder 7 geciteerde standaardvoorwaarden van de KNVB. De gepubliceerde afbeelding moet functioneel zijn en niet onnodig allerlei aspecten van het privéleven bloot leggen. Het gebruik van de afbeelding moet in redelijke verhouding staan tot het belang dat met de opsporing van het feit is gemoeid. Niet alle strafbare feiten lijken mij in aanmerking te komen; overtredingen moeten m.i. zonder meer worden uitgesloten. Naast de ernst van het feit komt betekenis toe aan de vraag of door het feit beroering in de samenleving10 is ontstaan (geschokte rechtsorde). Denk daarbij aan de schaal waarop ordeverstoring plaatsvindt en de duur ervan. Voorts : gaat het om excessief geweldsgebruik? Wat zijn de aard en de omvang van de toegebrachte schade? De persoon en persoonlijke omstandigheden (first offender of recidivist) van een verdachte moeten zo mogelijk eveneens in aanmerking worden genomen. Een ander aspect bij de afweging is of er eerst minder ingrijpende opsporingsmiddelen zijn beproefd waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat een voortvarende en snelle inzet van het middel noodzakelijk kan zijn.11 De wijze waarop van de afbeelding gebruik wordt gemaakt, is tevens van belang. Via welke kanalen wordt de afbeelding verspreid? Betekent verspreiding algehele openbaarheid? Is de verspreiding in tijd te beperken of blijft de afbeelding tot in lengte van dagen bijvoorbeeld op internet staan12? Is de bevoegdheid om te beslissen tot verspreiding van een afbeelding beperkt tot bepaalde functionarissen? Tenslotte speelt de wijze van verspreiding een rol: televisie en/of internet13 en/of anderszins. De voor de beoordeling van deze vragen noodzakelijke feiten zijn in de onderhavige zaak niet bij wijze van verweer naar voren gebracht. Gelet daarop oordeelde het Hof het kennelijk niet nodig aan de vaststelling van feiten en omstandigheden die in aanmerking zijn genomen bij de beslissing over te gaan tot opsporingsberichtgeving uitvoerig aandacht te besteden.

13. Voor wat betreft de beslissing tot inzet van opsporingsberichtgeving volstaat het Hof met een algemene overweging over de proportionaliteit. Uit het aan het proces-verbaal van het Hof gehechte requisitoir blijkt dat het OM onder verwijzing naar het requisitoir in eerste aanleg uitvoerig aandacht aan de redenen voor de inzet van opsporingsberichtgeving heeft besteed. Daaraan ontleent het Hof dat oproepen in de pers geen effect hebben gehad en zich geen getuigen hebben gemeld. Het Hof was -anders dan de steller van het middel kennelijk van oordeel is- niet gehouden nader te motiveren waarom de aard van de verdenking een rol speelt. Onbegrijpelijk is de overweging van het Hof over de proportionaliteit geenszins. In telegramstijl zijn de omstandigheden waarvan uit het schriftelijk requisitoir14 blijkt dat ze bij de beslissing van het opsporingsmiddel gebruik te maken in aanmerking zijn genomen: er is zeer uitvoerig onderzoek gedaan; er heerste maatschappelijke verontwaardiging over de ongeregeldheden; er was sprake van uiterst agressief tegen de politie gericht gedrag; het ging om ernstige feiten die de rechtsorde ernstig schokten; het was onmogelijk verdachten en betrokkenen op een andere wijze te identificeren (onder meer door: onvoldoende fotomateriaal uit andere bronnen, zoals de administratie van FC Utrecht; geen of onvoldoende bereidheid van aanwezigen om als getuigen te willen verklaren; geen bereidheid aangehouden verdachten om verder mee te werken aan het onderzoek), de noodzaak om snel te handelen en de ernstige gevolgen die het handelen van de geweldplegers op politie en stewards heeft gehad. Voorts is in het requisitoir in hoger beroep ook in algemene zin verwezen naar een zich in het dossier bevindende brief over de afwegingen van OM gericht aan een van de advocaten.15Uit deze brief blijkt dat de beelden van verdachten pas geplaatst zijn op politie.nl en bij bureau Hengelveld van RTV Utrecht, nadat andere mogelijkheden van herkenning zijn onderzocht. Zo zijn de foto’s aan de voetbalcoördinator van de politie getoond en op het interne net van de politie geplaatst. Daarnaast zijn de beelden vergeleken met de foto’s op de seizoenkaarten die zijn opgevraagd bij FC Utrecht.

14. Het verspreiden van afbeeldingen ter opsporing is nader door het openbaar ministerie genormeerd in de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving16. Deze Aanwijzing bevat de volgende omschrijving van dit opsporingsmiddel: “Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin waarbij de hulp van het publiek wordt ingeroepen via de media en andere openbare berichten, om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen.” Volgens de Aanwijzing moet de hoofdofficier van justitie toestemming geven voor de opsporingsberichtgeving. Voor zover hier van belang geldt voorts dat bij onderzoek naar onbekende verdachten de inzet van het middel is toegestaan bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Voorgeschreven is dat er altijd een afweging plaats dient te vinden tussen verschillende belangen, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Uitdrukkelijk (maar gelet op de vanzelfsprekendheid enigszins ten overvloede) wordt in de Aanwijzing vermeld dat de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit van toepassing zijn. Het openbaar ministerie moet bij de inzet van het middel rekening houden met het grote (en steeds grotere) bereik van verschillende mediavormen. Er wordt in de Aanwijzing op gewezen dat het opsporingsbericht van tijdelijke aard is en dat publicatie op internet op gespannen voet kan staan met de beoogde tijdelijkheid van het bericht.

15. Met vorengenoemde Aanwijzing heeft het openbaar ministerie weliswaar geen gedetailleerde voorwaarden gesteld aan de inzet van opsporingsberichtgeving, maar wel een kader geschapen waarbinnen beantwoording van de vraag kan plaatsvinden of er slechts sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Dat kader (meer precies een eerdere versie ervan) nam het College Bescherming Persoonsgegevens ook tot uitgangspunt bij een onderzoek naar opsporingsberichtgeving in 200617. Ook ik meen dat dit kader een bruikbaar handvat biedt voor de inzet van het opsporingsmiddel, maar teken nogmaals aan dat het kader niet meer dan globaal van karakter is.

16. In de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving wordt als wettelijke basis verwezen naar de al vermelde taakstellende artikelen uit de Politiewet en het Wetboek van Strafvordering. Als basis voor Opsporingsberichtgeving wordt in de literatuur ook gewezen op de Wet politiegegevens (verder ook Wpg)18. Het Hof Den Haag19 overwoog onlangs dat aan het bepaalde in artikel 19 aanhef en sub a van de Wet politiegegevens een wettelijke grondslag kan worden ontleend voor het door de politie ter beschikking stellen aan derden (waaronder de audio-visuele media) van het door middel van (beveiligings)camera's verkregen beeldmateriaal. Ik citeer de van belang zijnde bepalingen.

Artikel 1 onder a van de Wet politiegegevens bevat de volgende omschrijving:

“ politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;”

Artikel 3 van de Wet politiegegevens luidt als volgt:

“ 1. Politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze wet geformuleerde doeleinden.

2. Politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover zij rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn.

3. Politiegegevens worden uitsluitend voor een ander doel verwerkt dan waarvoor zij zijn verkregen voor zover deze wet daar uitdrukkelijk in voorziet, deze verwerking niet onverenigbaar is met het doel waarvoor deze gegevens zijn verkregen en de verwerking voor dat andere doel overigens noodzakelijk is en in verhouding staat tot dat doel. De verdere verwerking is alleen mogelijk door personen en instanties die bij of krachtens de wet met het oog op een zwaarwegend algemeen belang zijn aangewezen.

4. Bij de verwerking van politiegegevens op grond van de artikelen 9, 10 en 12 worden de herkomst van de gegevens en de wijze van verkrijging vermeld.”

Artikel 19 van de Wet politiegegevens luidt als volgt:

“In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 van de Politiewet 2012, beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen of instanties voor de volgende doeleinden:

a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;

b. het handhaven van de openbare orde;

c. het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven;

d. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.”

17. In de onderhavige zaak heeft het Hof niets vastgesteld omtrent de verstrekking van de beelden aan een derde zoals een beheerder van een internetsite of een tot uitzending per televisie gemachtigde. De Wet politiegegevens biedt een basis voor (verwerking en) verstrekking van (door de politie op rechtmatige wijze verkregen) beelden (gegevens). Het verstrekken van de beelden (het Haagse Hof spreekt van ter beschikking stellen) is daarmee dus geregeld onder de in de Wet politiegegevens geregelde voorwaarden. Het verspreiden in de zin van tonen van de beelden op televisie, een openbare website of digitale borden op een plaats waar veel mensen komen is hiermee echter nog niet zonder meer van een wettelijke basis voorzien. De verstrekking geschiedt natuurlijk juist met het oog op de verspreiding, maar de verspreiding kan meer en minder ingrijpende vormen aannemen. Al met al komt het mij voor dat hoe dan ook voor die verspreiding dus teruggevallen moet worden op de eerder nader aangeduide algemene taakstellende artikelen. Als gezegd heeft het Hof dat in de hier aan de orde zijnde zaak dan ook terecht gedaan.

18. De slotsom is dat de middelen falen. Het Hof kon in reactie op verweer dat niet meer inhield dan de stelling dat een wettelijke grondslag voor opsporingsberichtgeving ontbreekt, volstaan met te wijzen op de artikel 2 Politiewet 1993 en de artikelen 141 en 148 Sv. De (onverplichte) toevoeging van het Hof dat de inzet van het opsporingsmiddel proportioneel was, is niet onbegrijpelijk.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Rechtbank Rotterdam 12 november 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY3828 (beroving, foto’s getoond bij opsporing verzocht), Hof ’s-Gravenhage 20 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3551 (Hoek van Holland), Hof ’s-Gravenhage 19 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6574 (demonstratie tegen bestuur Feyenoord). Rechtbank Leeuwarden 12 oktober 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY2634 (dit verweer had succes, bewijsuitsluiting), Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4797 (kopschopper Eindhoven, strafvermindering).

2 Zie voor opname via een gesloten videosysteem en de uitzending van die beelden op televisie EHRM 28 januari 2003, LJN AP0717 (Peck tegen Verenigd Koninkrijk). Het betrof beelden van een man die zelfmoord trachtte te plegen. De videobeelden zorgden ervoor dat de politie snel ter plaatse was om zijn leven te redden. Ik besteed verder geen aandacht aan de vraag of er sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door opname en verspreiding van beelden, maar ga daarvan uit.

3 Zie www.knvb.nl. Omdat in de onderhavige zaak de bevoegdheid tot het maken van opnamen niet wordt betwist volsta ik met verwijzing naar de meest recente versie van de Voorwaarden. De zich in het dossier bevindende versie van de Voorwaarden die in ieder geval dateert van voor 1 juli 2013 kent overigens een gelijkluidend artikel 9. In het dossier bevindt zich bovendien een huisreglement van Stadion De Galgenwaard. Daarin is onder meer vermeld dat ter opsporing van strafbare feiten en bewijsvoering video opnames en beelden kunnen worden afgegeven aan opsporingsinstanties en aan derden.

4 Het gebruik van de beelden door een Betaald Voetbalorganisatie bestaat uit het verstrekken van die beelden aan de politie. In de onderhavige zaak wordt daar geen afzonderlijk punt van gemaakt. Zie voor het te beschikking stellen van beelden (van een bewakingscamera bij een flat) aan de politie HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0215. De Hoge Raad wijst daarin op de Wet bescherming persoonsgegevens die een grondslag daartoe bevat. Als ik het goed zie is hierbij nog wel van belang of de beelden zijn vervaardigd door een particuliere of publieke organisatie.

5 Zie art. 3 van de Politiewet 2012 (Wet van 12 juli 2012, Stb. 315; i.w.tr. 1 januari 2013, Stb. 2012, 317).

6 Wet van 27 mei 1999, Stb. 245 (i.w.tr. op 1 februari 2000).

7 Wet van 2 november 2006, Stb. 580 (i.w.tr. 1 februari 2007).

8 Zie bijvoorbeeld Y. Buruma , Buitengewone opsporingsmethoden, Nijmegen 2001, p. 33-37 en J.W. Fokkens, en N. Kirkels-Vrijman, De artikelen 2 Politiewet 1993 en 141 en 142 Strafvordering als basis voor opsporingsbevoegdheden, in: Politie in beeld, Nijmegen 2009, p.110.

9 HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR2012:BW9338, NJ 2013/413 m.nt. Borgers en Ars Aequi 2013, p. 222-229 m.nt. Kooijmans.

10 Bijvoorbeeld de strandrellen in Hoek van Holland ( Hof ’s-Gravenhage 20 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3551).

11 De nader onder 13 te bespreken Aanwijzing Opsporingsberichtgeving legt daarop nogal de nadruk: “Voorheen werd een opsporingsbericht gezien als een laatste redmiddel, als alle andere middelen waren ingezet en onvoldoende aanwijzingen hadden opgeleverd. Tegenwoordig is men ervan doordrongen dat een opsporingsbericht juist ook kort na het plegen van een misdrijf zijn nut kan hebben.” Ook in antwoord op Kamervragen antwoordde de minister van Veiligheid en Justitie op 5 maart 2013 dat als de berichtgeving door de officier van justitie als urgent wordt aangemerkt op zeer korte termijn tot berichtgeving mag worden overgegaan. Ik kan mij voorstellen dat soms van meet af aan vast staat dat het onmogelijk is via andere middelen dan opsporingsberichtgeving te komen tot identificatie van verdachten.

12 In een brief van 3 mei 2006, z2005-0844 van de voorzitter van College Bescherming Persoonsgegevens aan de Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Rotterdam naar aanleiding van rellen op 17 april 2005 rondom de voetbalwedstrijd Feijenoord-Ajax wordt onomwonden opgemerkt: “Beveiliging tegen verdere verspreiding van foto’s op internet was volgens het korps niet mogelijk.”

13 De gebruikers van dat medium laten niet zelden vrijwillig zeer veel van de persoonlijke levenssfeer zien.

14 Requisitoir in hoger beroep (p. 3) onder verwijzing naar requisitoir in eerste aanleg (p. 7).

15 Ter terechtzitting van de politierechter overgelegde brief van de Hoofdofficier van justitie aan mr. R.E.H. de Jager van 23 januari 2012.

16 Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (2009A004), vastgesteld op 16 februari 2009, Stcrt. 2009, 51 (i.w.tr. 16 maart 2009). Zie voor na 1 september 2013, Stcrt. 2013, 5114.

17 Zie de al genoemde brief van 3 mei 2006, z2005-0844 van de voorzitter van College Bescherming Persoonsgegevens.

18 Zie Sackers in T&C Sv aantek. 4 onder b bij art. 3 Politiewet 2012 onder verwijzing naar Hof Den Haag 19 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012: BY6574 (bijgewerkt tot 1 juli 2013).

19 Hof Den Haag 19 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6574 en idem BY6586. Ook in vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4795 (idem 4796 en 4797), de rechtbank Zeeland West-Brabant van 25 juni 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5619 en de rechtbank Leeuwarden van 12 oktober 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY2634 wordt art. 19 Wpg als basis beschouwd.