Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2054

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
11/03197
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:229, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03197

Zitting 29 oktober 2013

Mr. Jörg

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 29 juni 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden wegens 1. mensenhandel door twee of meer verenigde personen, 2. een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen en 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts heeft het Hof beslissingen gegeven omtrent in beslag genomen voorwerpen. Ook heeft het Hof de verdachte hoofdelijk voor het gehele bedrag van de toegewezen vordering van de benadeelde partij verantwoordelijk verklaard en voor dat bedrag - € 11.464,78 – een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 92 dagen hechtenis.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak onder nummer 11/03436, waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr H.W.M. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur vier, en bij aanvullende schriftuur een vijfde middel van cassatie voorgedragen.

4. Ik begin met de bespreking van het vijfde middel, dat de klacht bevat dat de ter terechtzitting van 12 mei 2010 voorgedragen pleitnota zich niet bij de stukken van het geding bevindt zodat het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn.

5. Naar aanleiding van het verzoek van de raadsman aan de rolraadsheer om toezending van de bij de stukken ontbrekende pleitnota is bij het Hof Arnhem, zitting houdend te Leeuwarden, deze pleitnota opgevraagd. Van die zijde is het bericht teruggekomen dat het stuk zich niet in het schaduwdossier bevindt zodat men vreest dat het stuk in het ongerede is geraakt en niet meer kan worden aangeleverd.

6. Blijkens ‘s Hofs arrest is dit gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 mei 2010 en 15 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

7. Blijkens het van de terechtzitting van 12 mei 2010 opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman het woord gevoerd aan de hand van de door hem op schrift gestelde en aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dat proces-verbaal zou moeten zijn gehecht en waarvan de inhoud moet worden geacht in dat proces-verbaal te zijn ingevoegd.

8. Nu was de zitting van 12 mei 2010 een zogenoemde regiezitting. Op zulke zittingen wordt de voortgang van de zaak besproken en kunnen met name verzoeken tot het horen van getuigen en het doen van aanvullend onderzoek aan de orde komen. Hierin onderscheidt het onderhavige geval zich van de gevallen waarin de Hoge Raad als standaard hanteert dat een klacht over het definitief ontbreken van een ter terechtzitting overgelegde pleitnota bij de stukken in cassatie tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak leidt.1 Dat is begrijpelijk voor de pleitnota die aan het eind van de behandeling, wanneer de merites van de zaak door de raadsman in ogenschouw worden genomen, wordt overgelegd: dan kan immers niet worden nagegaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan wel of meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan die welke in de bestreden uitspraak worden genoemd.

9. Geldt ditzelfde uitgangspunt ook voor een pleitnota die op de regiezitting is overgelegd? Voor zover in zo een pleitnota verzoeken zijn gedaan of verweren zijn gevoerd waarop door de feitenrechter niet is ingegaan heeft de verdediging de gelegenheid om in een vervolgzitting dergelijke omissies aan de orde te stellen. Indien deze tijdens een dergelijke zitting niet aan de orde worden gesteld mag worden aangenomen dat de verdediging in dat verdere stadium van het onderzoek ter terechtzitting geen prijs meer stelt op een antwoord van de rechter daarop. Daarbij dient uiteraard aandacht te worden besteed aan de situatie waarin de samenstelling van het college na de hervatting is veranderd en sommige beslissingen wel en andere niet van kracht blijven (art. 322, vierde lid, Sv) tenzij met de hervatting in de stand waarin de zaak zich voor de schorsing bevond wordt ingestemd. Dit neemt evenwel niet weg dat het op de weg van de verdediging ligt om bij het inhoudelijke onderzoek te attenderen op bij de regiezitting onbehandelde verweren of om met nieuwe argumenten op heroverweging aan te dringen van bij de regiezitting afgewezen verzoeken c.q. die verzoeken te herhalen.

10. Steun voor deze gedachte ontleen ik aan HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002, 448. In deze zaak overwoog en besliste Uw Raad dat cassatie achterwege kon blijven ondanks het ontbreken van een door de raadsman ter terechtzitting overgelegd schriftelijk stuk omdat:

"- het proces-verbaal van 23 juni 2000 verscheidene beslissingen van het Hof inhoudt die geacht moeten worden te zijn gegeven op verzoek van de raadsman, gedaan aan de hand van het in het ongerede geraakte schriftelijk stuk;
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 juni 2000 noch de processen-verbaal van daarop volgende terechtzittingen inhouden, dat de verdediging heeft geklaagd over het uitblijven van een beslissing van het Hof op een door de raadsman ter terechtzitting van 23 juni 2000 aan de hand van dit stuk gevoerd verweer of gedaan verzoek en ook in cassatie niet wordt geklaagd over de onvolledigheid of onjuistheid van de beslissingen, terwijl mr. [X] zowel op na 23 juni 2000 gehouden terechtzittingen in hoger beroep waarop de zaak inhoudelijk is behandeld als in cassatie als raadsman is opgetreden.
Onder deze omstandigheden moet er in cassatie van worden uitgegaan dat het Hof geen verweren of verzoeken die een uitdrukkelijk antwoord behoefden onbeantwoord heeft gelaten, zodat zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet valt in te zien in welk concreet belang de verdachte door het verzuim is geschaad. Daarom faalt het middel."

11. Hiermee vergelijkbaar is HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2912:BU7366 waarin uw Raad over een bij de stukken ontbrekend "Preliminair verweer van 82 pagina’s en 439 punten" en een stuk met de titel "verweer die de onschuld van [betrokkene] onomstotelijk bewijst en enige extra klachten over schendingen van het EVRM"2 overwoog en besliste dat

“in het onderhavige geval cassatie echter achterwege [kan] blijven nu het bestreden arrest een reeks van gemotiveerde beslissingen bevat omtrent door de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren alsmede aldaar ingenomen standpunten en in cassatie niet wordt geklaagd over de onvolledigheid of onjuistheid van die beslissingen. Onder deze omstandigheden moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het Hof geen verweren, standpunten of verzoeken die een uitdrukkelijk antwoord behoefden, onbeantwoord heeft gelaten zodat zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet valt in te zien in welk concreet belang de verdachte door het verzuim is geschaad (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD8903, NJ 2002/448). Daarom faalt de klacht.”

12. De onderhavige zaak is weer een variatie op de voorgaande zaken. Het gaat hier (i) om een pleitnota, terwijl (ii) bij de inhoudelijke behandeling bezwaar is gemaakt tegen de nadere beslissingen van het Hof om de hernieuwde verzoeken af te wijzen aangezien niet te verwachten viel dat de (enkele) niet gehoorde getuigen binnen een redelijke termijn zouden kunnen worden gehoord terwijl (iii) in cassatie een middel is geformuleerd tegen de deels afwijzende beslissing van het Hof inzake het verzoek om getuigen te (doen) horen. Wel is sprake van dezelfde raadsman die in zijn appelschriftuur om het horen van 20+ getuigen heeft verzocht, die bij de regiezitting is opgetreden.

13. Gelet op (i) de behandeling van de nadere verzoeken bij het inhoudelijke onderzoek van de zaak en (ii) op de onderbouwing van het tweede middel, die het oordeel van het Hof speculatief noemt in het licht van de door de Indiase autoriteiten ondernomen acties om de getuigen te traceren, terwijl (iii) in dat middel niet wordt teruggegrepen op enige specifieke argumentatie die zou zijn te vinden in de ontbrekende pleitnota en zou zijn veronachtzaamd door het Hof, terwijl (iv) tenslotte een nadere toelichting ontbreekt waarom het ontbreken van de pleitnota ten nadele van de verdachte strekt, meen ik niet dat zich een situatie voordoet waarin de verdediging in enig belang is geschaad.

14. Het middel faalt.

15. Het eerste middel klaagt dat het arrest van het Gerechtshof Arnhem is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen van het Gerechtshof Leeuwarden en mitsdien naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van een ander gerecht dat niet bevoegd was tot behandeling van de zaak.

16. De appeldagvaarding houdt voor zover van belang in dat de advocaat-generaal bij het ressortsparket te Arnhem de verdachte oproept te verschijnen ter terechtzitting van het ‘Gerechtshof te Arnhem, Meervoudige kamer, zittinghoudende in nevenzittingsplaats Leeuwarden’. De processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 mei 2010 (aanwezig: mrs. Foppen, Wemes en Dam) en 15 juni 2011 (aanwezig: mrs. Greve, Wemes en Dam) vermelden als instantie ‘Gerechtshof Leeuwarden’. Het arrest, door mrs. Greve, Wemes en Dam ‘gewezen naar aanleiding van de terechtzittingen van het Hof van 12 mei 2010 en 15 juni 2011’, vermeldt - evenals de akte cassatie - als instantie ‘Gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden’. Het lijkt mij dan ook duidelijk dat het hier gaat om één en hetzelfde Hof en aldus in de processen-verbaal in plaats van Gerechtshof Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden’, kennelijk abusievelijk als instantie ‘Gerechtshof Leeuwarden’ is vermeld.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], en/of [getuige 5] heeft afgewezen op de grond dat deze personen niet binnen een redelijke termijn als getuige gehoord zullen kunnen worden, althans dat die afwijzing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

19. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2010 houdt voor zover van belang het volgende in:

“De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mede:
Het is om te beginnen spijtig dat tot kort voor de zitting werd uitgegaan van een verzoek om getuigen dat getoetst zou moeten worden aan het noodzaakcriterium. Pas zeer recent is gebleken dat de appelschriftuur tijdig was ingediend en dat dus getoetst moet worden aan het verdedigingsbelang. De rechtbank heeft de verklaringen van een aantal door de verdediging genoemde getuigen voor het bewijs gebruikt, dus het horen van die getuigen kan voor verdachte van belang zijn. Van de eerste zeven getuigen lijkt het belang voldoende aangetoond. Ten aanzien van de getuigen 8 en 9 vraag ik mij af of daar een verdedigingsbelang aanwezig is. Deze beide personen worden in de tenlastelegging niet genoemd en gelet op de verklaringen die nu in het dossier zitten zijn de verklaringen van deze getuigen voor het bewijs van de criminele organisatie niet relevant. Naar mijn mening is er geen verdedigingsbelang.
De getuigen 14 tot en met 17 zijn al eerder gehoord. Er resteert nog een groep slachtoffers die nog niet zijn gehoord. Van sommigen van hen is de verklaring wel voor het bewijs gebruikt, dus het horen van die personen is wel van belang voor de verdediging. Ik verzet mij niet tegen het horen van die personen.
Ik vraag me overigens wel af of al deze personen nog te vinden zijn. We zullen nu ook moeten bezien of er een reële kans bestaat dat die mensen allemaal gevonden kunnen worden.
Ik stel voor om de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden, de zaak naar de rechter-commissaris te sturen, en de getuigen door de rechter-commissaris te laten horen.

De raadsman deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Ik ben het met de advocaat-generaal eens voor wat de verwijzing naar de rechter-commissaris betreft. Met betrekking tot de vindbaarheid van de gevraagde getuigen kan er voor de verdediging mee worden volstaan dat van iedere getuige in ieder geval eenmaal wordt getracht om hem op te roepen. Als het dan niet blijkt te lukken om de betreffende getuige voor een verhoor te laten verschijnen, is het voor de verdediging in orde. Eenmaal oproepen is dus voldoende. Wanneer het hof besluit om tot het horen van de getuigen over te gaan, zullen wij er alles aan doen om de adressen van de betreffende personen te verstrekken.

Na schorsing voor beraad deelt de voorzitter - zakelijk weergegeven - mede:

Het hof is van oordeel dat het in het belang van de verdediging is om na te melden door de verdediging opgegeven getuigen te doen horen.

Het hof schorst hiertoe het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd en stelt door tussenkomst van de advocaat-generaal de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Zwolle-Lelystad, teneinde als getuige te horen:

1. [getuige 6];
2. [getuige 7];
3. [getuige 8];
5. [getuige 9];
6. [getuige 10];
7. [getuige 11];
10. [getuige 12];
11. [getuige 1];
12. [getuige 13];
13. [getuige 2];
15. [getuige 3];
16. [getuige 4];
18. [getuige 5];
19. [getuige 14];
20. [getuige 15];
en voorts alle andere onderzoekshandelingen te verrichten welke hem dienstig voorkomen.

Ten aanzien van de getuigen 8. ([getuige 16]) en 9. ([getuige 17]) overweegt het hof dat het hof onvoldoende is gebleken van een verdedigingsbelang om deze personen te horen. Het verzoek wordt in zoverre afgewezen.

Ten aanzien van de getuigen 4. ([getuige 18]), 14. ([getuige 19]) en 17 ([getuige 20]) is het verzoek om hen als getuige te horen ter zitting ingetrokken.”

20. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2011 houdt voor zover van belang het volgende in:

“De voorzitter geeft zakelijk de inhoud weer van de uitkomst de inspanningen die de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad zich heeft getroost om de op de vorige zitting genoemde getuigen te horen.

De raadsman deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Op de vorige zitting is van de zijde van de verdediging aangegeven dat er genoegen mee zou worden genomen wanneer ten aanzien van iedere getuige in elk geval eenmaal zou worden getracht om de getuige op te roepen. In de optiek van de verdediging is daarvan nu nog geen sprake. Ten aanzien van enkelen van de getuigen blijkt slechts dat de rechter-commissaris ze wel wil zoeken, maar dat er feitelijk nog niets is gebeurd. De verdediging kan daar geen genoegen mee nemen. Voor zover ons adressen en persoonsgegevens bekend waren, hebben wij die verstrekt. Er blijkt echter niet dat daadwerkelijk is getracht om de betreffende getuigen te pakken te krijgen om ze te kunnen verhoren. Ik verzoek het hof daarom de behandeling alsnog aan te houden, zodat de rechter-commissaris alsnog kan proberen om de Indiase autoriteiten de betreffende personen te laten opsporen. Ik begrijp dat dit tijd en geld gaat kosten, maar dat moet dan maar zo zijn. Wij willen in ieder geval nog geen afstand doen van de nog niet gehoorde getuigen. Van geen van de niet-gehoorde getuigen doe ik afstand, want als wordt aangehouden is het mogelijk dat ze toch nog gevonden worden en dat ze dan alsnog gehoord kunnen worden.

De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Ik ben het niet met de raadsman eens. De rechter-commissaris is begonnen met het vragen van persoons- en adresgegevens. De adressen van in Nederland wonende getuigen heb ik, voor zover ze bij het openbaar ministerie bekend waren, aan de rechter-commissaris gegeven. Over de andere getuigen had ik geen informatie. De rechter-commissaris is de getuigen van wie dat mogelijk was gaan horen. De rechter-commissaris in Lelystad en de rechter-commissaris in Den Haag hebben de stand van zaken bekendgemaakt en ze hebben aangegeven wat ze hebben ondernomen. Naar mijn mening is het genoeg geweest. Het is nogal eenvoudig om gewoon te stellen dat het nog maar eens geprobeerd moet worden. In Nederland hebben wij een goed GBA-systeem, maar dat hebben ze in India niet. Het kan daar voorkomen dat mensen gewoon niet te vinden zijn. Ook niet via een systeem. Op grond van de voorliggende gegevens kan worden gesteld dat niet aannemelijk is te achten dat de thans nog niet gehoorde getuigen binnen een redelijke termijn alsnog door een rechter gehoord kunnen worden. We moeten nu dus doorgaan met de behandeling.

De raadsman deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Op dit moment blijkt van bijna de helft van de getuigen niet dat een poging is gedaan om ze te vinden. Dit blijkt uit de e-mails van de rechter-commissarissen. Het is nogal wat om onder die omstandigheid af te wijken van reeds toegezegde getuigen. Het hof ontkomt er niet aan dat nog een echte poging moet worden ondernomen om alle getuigen te horen.

Nadat het onderzoek, na een korte onderbreking voor beraad, is hervat deelt het hof bij monde van de voorzitter - zakelijk weergegeven - mee:
Van de getuigen van wie het hof op 12 mei 2010 het verhoor aan de rechter-commissaris heeft opgedragen zijn thans acht getuigen nog niet gehoord. Van deze personen is geen adres of verblijfplaats bekend, en [het] staat niet eens vast of de persoonsgegevens zoals die uit de stukken naar voren komen ook daadwerkelijk kloppen. Ook staat niet vast of deze personen wel in India verblijven. Van de zijde van de verdediging, op wiens verzoek deze getuigen zouden worden gehoord, is geen nadere informatie verstrekt over personalia en/of woon- of verblijfplaats van deze personen. Het hof acht het onder deze omstandigheden onaannemelijk dat deze personen binnen een redelijke termijn als getuige gehoord zullen kunnen worden. Het verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen, en het onderzoek ter zitting wordt voortgezet.

De raadsman deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Ik schaar mij achter het nadere aanhoudingsverzoek dat de raadsman van een van de medeverdachten in zijn zaak heeft gedaan. Dit verzoek houdt in dat het onderzoek thans voor maximaal een à twee maanden wordt geschorst. In die beperkte periode kan dan via de rechter-commissaris in Zwolle-Lelystad of de rechter-commissaris in Den Haag duidelijkheid worden verkregen over de niet-gehoorde getuigen. Door een korte aanhouding is afdoening binnen een zo redelijk mogelijke termijn gewaarborgd. Verdachte heeft behoefte aan meer duidelijkheid rond de nog niet gehoorde getuigen. De rechter-commissaris kan de Indiase autoriteit dwingend toespreken om nadere informatie over die getuigen krijgen. Als blijkt dat de betreffende getuigen echt niet kunnen worden opgespoord, kan verdachte daarmee vrede hebben.

De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Het verzoek voor een beperkte aanhouding lijkt mij niet reëel. Er staat al vast dat de nog niet gehoorde getuigen niet kunnen worden gevonden. Daar is geen onduidelijkheid meer over. Het bericht van de rechter-commissaris is van gisteren en daaruit blijkt dat deze rechter-commissaris gisteren contact heeft gehad met de Indiase autoriteiten. Daar komt bij dat aanhouding op een zo korte termijn in verband met het reeds vaststaande zittingsrooster niet goed mogelijk is.

Nadat het onderzoek, na een korte onderbreking voor beraad, is hervat deelt het hof bij monde van de voorzitter - zakelijk weergegeven - mee:

Uit de e-mails van de rechter[s]-commissarissen blijkt van regelmatig contact met de Indiase autoriteiten. Het laatste contact is van gisteren, 14 juni 2011. Er is van de zijde van de verdediging niets aangevoerd dat een ander licht werpt op de (on)vindbaarheid van de [des]betreffende getuigen. Naar het oordeel van het hof ligt het niet op de weg van de Nederlandse rechter-commissaris om de Indiase autoriteit dwingend toe te spreken. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding voor een beperkte periode van een à twee maanden daarom af.”

21. De stukken van het geding houden aldus voor zover van belang in dat de raadsman van de verdachte bij appelschriftuur heeft aangegeven een aantal getuigen te willen horen, waaronder de in het middel bedoelde getuigen, en dit verzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft gehandhaafd (met de opmerking dat er voor de verdediging mee kan worden volstaan dat van iedere getuige in ieder geval eenmaal wordt getracht om hem op te roepen en als het dan niet blijkt te lukken om de betreffende getuige voor een verhoor te laten verschijnen, het voor de verdediging in orde is). Gelet hierop heeft het Hof de zaak verwezen naar de Rechter-Commissaris teneinde een aantal getuigen (onder wie de in het middel bedoelde getuigen) te horen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2011 heeft het Hof vervolgens vastgesteld dat van de getuigen die nog niet gehoord zijn geen adres of verblijfplaats bekend is, niet vaststaat of de persoonsgegevens kloppen en voorts niet zeker is of de desbetreffende personen in India verblijven. Onder die omstandigheden acht het Hof het onaannemelijk dat deze personen binnen een redelijke termijn als getuige gehoord zullen kunnen worden.

22. Het oordeel van het Hof dat het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen, geeft aldus geen blijk van miskenning van de aan te leggen maatstaf en is in het licht van het voorgaande evenmin onbegrijpelijk. Daarbij komt dat de naam ‘[S.]’ - zoals alle in het middel bedoelde getuigen heten - zowel binnen als buiten India zeer veelvoorkomend is en de kans dat deze getuigen daadwerkelijk binnen een aanvaardbare termijn gevonden kunnen worden ook in zoverre aldus te verwaarlozen is.

23. Het middel faalt.

24. Het derde middel klaagt dat het Hof, in strijd met de eigen overweging dat alle door de verdachte op 9 mei 2006 afgelegde verklaringen van het bewijs worden uitgesloten, een verklaring van de verdachte van deze datum (bewijsmiddel 23) bij de bewijsvoering heeft betrokken.

25. Het Hof heeft in het arrest voor zover van belang het volgende overwogen:

“(…)
Het hof is - met de raadsman en de advocaat-generaal - van oordeel dat er sprake is geweest van een verhoorsituatie na de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte. Verdachte had op dat moment gewezen moeten worden op zijn recht een advocaat te consulteren. Het hof stelt vast dat niet blijkt dat verdachte op dit recht is gewezen en sluit de verklaringen van verdachte, afgelegd op 9 mei 2006, om die reden uit van het bewijs. (…).”

26. De aanvulling met de bewijsmiddelen bevat evenwel een verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 23), afgelegd op 9 mei 2011, kort samengevat inhoudende dat de verdachte illegale mensen laat werken in de fabriek, dat deze personen zowel overdag als ’s avonds en ’s nachts werken en dat de verdachte deze illegalen een vergoeding betaalt en onderdak geeft. Aldus heeft het Hof in weerwil van zijn overweging omtrent het bewijs dat het wegens het Salduz-probleem geen gebruik zal maken van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd op 9 mei 2006, in de aanvulling op zijn arrest wel van een verklaring van die dag gebruik gemaakt.

27. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de bewijsconstructie ook zonder bewijsmiddel 23 toereikend is gemotiveerd.3 De aanvulling met de bewijsmiddelen bevat immers meer verklaringen van de verdachte met een vergelijkbare inhoud en strekking, ten aanzien waarvan het Hof geen schending van de Salduz-rechtspraak heeft vastgesteld (bewijsmiddelen 24, 25, 27, 28d en 29). Ik heb in bewijsmiddel 23 geen punt aangetroffen waarvan – in vergelijking met de andere bewijsmiddelen - zou kunnen worden gezegd dat het Hof een speciale bedoeling heeft gehad met het toch opnemen van het omstreden bewijsmiddel. Indien uw Raad de bewijsmotivering met weglating van bewijsmiddel 23 verbeterd leest, komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

28. Het vierde middel komt op tegen de bewijsoverweging van het hof waarin - aldus het middel - omstandigheden worden genoemd die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen en waarvan de herkomst in de overwegingen evenmin voldoende nauwkeurig is aangegeven.

29. Blijkens de toelichting op het middel gaat het om de volgende overweging van het Hof:

“Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden:

1. De in het onderzoek in deze zaak aangetroffen Indiërs, die als getuige zijn gehoord, betroffen allen mensen die weliswaar zelf de beslissing hebben genomen naar Nederland te gaan, maar zij verbleven allen illegaal in Nederland en waren de Nederlandse taal niet machtig.
2. Zij kwamen naar Nederland om geld te verdienen.
3. Zij hebben zichzelf gewend tot aanwezigen in een Sikhtempel met het verzoek om werk en/of om eten en onderdak.

4. Op een enkeling na had geen van hen enige geldschuld of anderszins een verplichting aan aanwezigen in de Sikhtempel of aan verdachte. Wel hadden zij, direct of indirect, schulden gemaakt om de reis vanuit India naar Europa te kunnen betalen.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat verdachte wist van voormelde feiten en omstandigheden. Doordat hij deze mensen, in hun gegeven situatie, vanuit de Sikhtempel meenam en ze liet werken in de fabriek waar hij mede eigenaar van was, staat eveneens vast dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers verkeerden.”

30. Volgens de steller van het middel volgt uit de bewijsmiddelen van slechts twee van de negen genoemde personen dat zij de Nederlandse taal niet machtig waren (bewijsmiddelen 4 en 10): zodoende niet voor alle aangetroffen Indiërs. Dat geldt ook voor de overige omstandigheden (dat de betrokkenen naar Nederland kwamen om geld te verdienen, dat zij zich in ene Sikhtempel hebben verzocht om werk, eten en onderdak en dat zij schulden hadden), aldus de steller van het middel.

31. Daargelaten dat de desbetreffende feiten en omstandigheden van onderschikte betekenis zijn gelet op de vaststelling dat het allemaal illegalen betrof (en de verdachte in zoverre misbruik heeft gemaakt van uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie waarin zij verkeerden) geldt dat het Hof, gelet op de ervaringen van de verschillende betrokkenen kennelijk een algemeen beeld heeft willen scheppen van de handelwijze van de verdachte. De omstandigheid dat de geschetste handelwijze niet voor iedere betrokkene uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en het Hof voorts niet heeft aangeduid waaraan het een en ander heeft ontleend behoeft dan ook niet tot cassatie te leiden aangezien dit geen substantieel onderdeel vormt van de bewijsvoering en ‘s Hofs redenering dienaangaande dus overbodig is. Het verzuim doet aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet af.

32. Elk middel afzonderlijk faalt en behalve het vijfde middel zouden zij kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Bekend is dat Uw Raad niet op ieder slak zout legt. Onvermijdelijk lijkt mij dat bij een bepaalde hoeveelheid en soort slakken de maat vol is. Wanneer dat het geval is valt moeilijk te overzien omdat – zo leert de gepubliceerde rechtspraak - een minder gelukkig hofarrest veelal slechts over één slak uitglijdt. Deze opmerkingen mogen als een lichte reserve bij mijn slotadvies gelden.

33. Ambtshalve merk ik nog op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.

34. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend A-G

1 Laatstelijk nog HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BX4707.

2 De HR zal de aanhalingstekens ook hebben gebruikt om niet verantwoordelijk te worden gehouden voor de taalkundige onjuistheid van het opschrift.

3 Zie voor een enigeszins vergelijkbaar geval (nl. voor het bewijs gebruik gemaakt van een verklaring van een medeverdachte die niet in de strafzaak tegen de verdachte was afgelegd): HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BV5571.