Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1981

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
12/00849
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2040, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef. HR verklaart de aanvraag gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00849 Hs

Mr. Fokkens

Zitting 17 september 2013

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 22 januari 2002 wegens 3. "poging tot: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 4. "poging tot: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" en 5. en 6. telkens opleverende: "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer van in het arrest omschreven voorwerpen. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 juni 2003 het beroep verworpen.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen. Ook in een samenhangende zaak tegen dezelfde verdachte heeft mr. A.J. Sol een herzieningsaanvrage ingediend (zaaknummer 00851/12 HS).

3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien het Hof bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproeven.

4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zutphen van 23 maart 2007, inhoudende – kort gezegd – dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.

5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen1. De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.

6. Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat:

“3.

hij in de periode van 18 januari 2011 tot en met 19 januari 2001 in de gemeente Aalten, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan de Nederlandse Hervormde Kerk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die kerk te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak een raam met een steen heeft ingegooid en heeft getracht de borgpennen uit het raam/kozijn te trekken en de slotschoof van een zijdeur terug te duwen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in in de periode van 17 juli 2000 tot en met 18 juli 2000 in de gemeente Neede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een aula weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die aula te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, twee deuren aan de achterzijde van die aula heeft getracht te forceren en een klapraam (bovenlicht) (verder) heeft geopend en (daardoor) naar binnen is geklommen en kasten en een bureau heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij in de periode van 17 juli 2000 tot en met 18 juli 2000 in de gemeente Eibergen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk heeft weggenomen een geldbedrag en een bijbel, toebehorende aan de Nederlands Hervormde-Kerk, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking en inklimming;

6.

hij in de periode van 17 juli 2000 tot en met 18 juli 2000 in de gemeente Eibergen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan de Sint Matheus Kerk, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking en inklimming.”

7. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

1. Een als bijlage bij een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0650/01-200594 -gesloten en getekend op 13 februari 2001, door [verbalisant 1], brigadier/rechercheur van politie District Achterhoek- gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal genummerd PL0644/01-604594, gesloten en getekend op 20 januari 2001, door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie team Aalten/Dinxperlo voorzover inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 18 januari 2001 (gelet op pagina 0.7 van het ambtelijk verslag van het procesverbaal met nr. PL0650/01-200594, begrijpt het hof 19 januari 2001) te 03.30 uur, surveilleerden wij, verbalisanten, op de Bredevoortsestraatweg te Aalten. Op dat moment zagen wij dat aldaar op die weg een manspersoon fietste in de richting Bredevoort komende vanuit de kern van Aalten.

Wij, verbalisanten, spraken die man met die fiets, komend vanaf de oprit van perceel Bredevoortsestraatweg 108 te Aalten, aan. Hij deelde ons mede te zijn:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1968, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats].

Wij verbalisanten troffen in de directe omgeving van de Bredevoortsestraatweg 108 te Aalten een tas aan met onder meer: een zaklamp, een schroevendraaier, een glassnijder, tape en een schaar. Deze tas lag achter een heg en was vanaf de openbare weg niet zichtbaar.

[aanvrager] deelde ons mede dat die tas met inhoud van hem was en dat hij die tas met inhoud zojuist had achtergelaten.

2. Een als bijlage bij een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0650/01-200594 -gesloten en getekend op 13 februari 2001, door [verbalisant 1], brigadier/rechercheur van politie District Achterhoek- gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte genummerd PL0644/01 -206670, opgemaakt op 19 januari 2001, door Broshuis, hoofdagent van politie team Aalten/Dinxperlo voorzover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte van inbraak, gepleegd in de periode tussen 18 januari 2001 18.00 uur en 19 januari 2001 10.00 uur. Hetgeen is weggenomen behoort de Nederlands Hervormde Kerk te Bredevoort, Markt 1, -namens wie ik gemachtigd ben aangifte te doen- geheel of ten dele in eigendom toe. Niemand had het recht of toestemming om door middel van braak het goed weg te nemen en zich toe te eigenen.

De uitvoering van het misdrijf is niet voltooid.

Tussen 18 januari 2001, 18.00 uur, en 19 januari 2001, 10.00 uur heeft men getracht in te breken in voornoemde kerk. Men heeft een raam ingegooid met een steen. Daarna heeft men getracht de borgpennen uit het raam/kozijn te trekken, maar de dader kon deze er niet uitkrijgen. Tevens heeft men getracht de slotschoof van een zijdeur terug te duwen. Dit lukte niet omdat er een sluitkom in het kozijn was aangebracht.

3. Een verslag van sporenonderzoek, genummerd PL0644/01 -206670, opgemaakt en gesloten op 22 januari 2001 door [verbalisant 4], technisch rechercheur van politie Noorden Oost Gelderland, voorzover luidende als relaas van verbalisant:

In de periode tussen 18 januari 2001, 18.00 uur, en 19 januari 2001, 10.00 uur, werd aan de linkerzijde van de kerk in Bredevoort, Markt 1, met een steen een ruitje ingegooid. Deze steen werd in de kerk aangetroffen. Er werd gepoogd een deur open te breken door te wrikken in de sluitnaad ter hoogte van de slotschoot.

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal veiligstellen van sorteermateriaal opgemaakt en gesloten op 22 januari 2001 door [verbalisant 4], technisch rechercheur van politie Noord- en Oost Gelderland, voorzover luidende als relaas van verbalisant:

Op 19 januari 2001 heb ik een onderzoek ingesteld te Bredevoort, Markt 1. Tijdens dit onderzoek heb ik op de voorgeschreven wijze een geurdoek aangebracht op een steen die in de kerk werd aangetroffen. Ik stelde de geurdoek veilig in een glazen pot, welke ik met een schroefdeksel afsloot. Ik voorzag de pot van de noodzakelijke gegevens.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van geuridentificatieproef nr. 29.01.01.11.20.JACSMI, gesloten en getekend op 29 januari 2001 door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], respectievelijk speurhondengeleider tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente en brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland, voorzover inhoudende als relaas van bevindingen van verbalisanten:

Op 29 januari 2001 werd door mij, [verbalisant 5], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Rex.

Met de hond Rex haalde ik op 1 december 1999 een certificaat Politie speurhond menselijke geur, Identificatie taak, certificaatnummer 06/99.

Corpus delicti: geurmonster van een steen (01-206670), welke werd veiliggesteld op 19 januari 2001 door [verbalisant 4], technisch rechercheur te Noord- en Oost Gelderland.

Conclusie:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Rex bleek mij, [verbalisant 5], dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (Geurmonster steen (01-206670)) en de geurdragers welke waren vastgehouden door verdachte, [aanvrager].

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

1. Een als bijlage bij een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0650/01-200594 -gesloten en getekend op 13 februari 2001, door [verbalisant 1], brigadier/rechercheur van politie District Achterhoek- gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal genummerd PL0645/00-664042, opgemaakt op 18 juli 2000 door [verbalisant 7], brigadier van politie team Eibergen/Groenlo voorzover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 2]:

Ik doe aangifte van inbraak gepleegd tussen 17 juli 2000 17.00 uur en 18 juli 2000 09.00 uur.

Hetgeen is weggenomen behoort de benadeelde Stichting [A] te Neede -namens wie ik gemachtigd ben aangifte te doen- geheel of gedeeltelijk in eigendom toe.

Niemand had het recht of toestemming om door middel van braak of inklimming het goed weg te nemen en zich toe te eigenen.

Vanochtend, 18 juli 2000, kwam ik bij de aula van de Stichting [A] te Neede en zag ik dat het raam van mijn kantoor openstond. Ik zag dat men in mijn kantoor is geweest en dat men daar de kasten en het bureau heeft doorzocht. Tot nu toe mis ik niets.

Het klapraam aan de voorzijde van voornoemd gebouw was opengebroken en de deur naar het kantoor van de aula is kapot getrapt. De deur naar het kerkelijk bureau is eveneens opengebroken.

Door de dader of daders werd geprobeerd om twee deuren aan de achterzijde van het gebouw te forceren, hetgeen niet lukte. Men kwam binnen via een klapraam (bovenlicht) aan de voorzijde dat toegang geeft tot de vergaderzaal.

2. Een verslag van sporenonderzoek, genummerd PL0645/00-664042, opgemaakt en gesloten op 19 juli 2000 door [verbalisant 8], technisch rechercheur van politie Noord- en Oost Gelderland, voorzover luidende als relaas van verbalisant:

In de periode tussen 17 juli 2000 17.00 uur en 18 juli 2000 09.00 uur, werd bij de hoofdingang van Stichting [A] te [plaats] een bovenlicht geforceerd. Er werd gewrikt in de ondersluitnaad van een raam. De combisluiting werd verdraaid en daarbij ook vernield. De geur van deze combisluiting werd veiliggesteld met behulp van een geurdoek. Door voornoemd raam klom men binnen. In het kerkelijk buro doorzocht men de niet afgesloten

vrijstaande safe. Enkele hieruit afkomstige enveloppen werden opengescheurd. De papiersnippers van deze enveloppen zijn veiliggesteld.

Het sporenonderzoek vond op 18 juli 2000 plaats.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van geuridentificatieproef nr. 29.01.01.12.00.JANSCH, gesloten en getekend op 29 januari 2001 door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], respectievelijk speurhondengeleider tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente en brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland, voorzover inhoudende als relaas van bevindingen van verbalisanten:

Op 29 januari 2001 werd door mij, [verbalisant 6], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Max.

Met de hond Max haalde ik op 23 december 1999 een certificaat Politie speurhond menselijke geur, Identificatie taak, certificaat 8/99.

Corpus delicti: twee geurmonsters van een combisluiting en papiersnippers, veiliggesteld op 18 juli 2000 door [verbalisant 8], technisch rechercheur te Noord- en Oost Gelderland.

Conclusie:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Max bleek mij, [verbalisant 6], dat Max geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (2 geurmonsters combisluiting en papiersnippers) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte, [aanvrager].

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

1. Een als bijlage bij een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0650/01-200594 -gesloten en getekend op 13 februari 2001, door [verbalisant 1], brigadier/rechercheur van politie District Achterhoek- gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte genummerd PL0651/00-663984, opgemaakt op 18 juli 2000 door [verbalisant 9], agent van politie team Eibergen/Groenlo, voorzover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 3]:

Ik doe aangifte van inbraak in de Nederlands Hervormde Kerk, gepleegd tussen 17 juli 2000 15.00 uur en 18 juli 2000 7.30 uur. Ik ben beheerder van de Nederlands Hervormde Kerk, gevestigd aan de Grotestraat 50 te Eibergen, en als zodanig gemachtigd tot het doen van aangifte. De weggenomen goederen behoren de kerk in eigendom toe. Niemand had het recht of toestemming om door middel van braak en/of verbreking en inklimming de goederen weg te nemen en zich toe te eigenen.

Op 17 juli 2000, omstreeks 15.00 uur, heb ik de Nederlands Hervormde Kerk afgesloten. Ik zag dat op dat moment de kerk heel en in goede staat was. Op 18 juli 2000, omstreeks 7.30 uur, liep ik voor de kerk langs en zag ik dat een glas in loodraam voor de kerk in het gras lag. Ik zag dat deze stuk was en afkomstig was uit de muur boven de deur naar de consistorie. Ik zag dat tevens twee glas-in-loodramen in de muur aan de linkerzijde van de toegangsdeur waren vernield. Er lagen diverse glassplinters op de grond. Vermoedelijk is men door het vernielde glas in loodraam de kerk ingeklommen.

Ik zag dat men een bijbel had weggenomen. Ik zag ook dat twee geldkistjes van de muur waren gerukt, waarvan er één was opengebroken. In deze kistjes zat geld.

In de hal lag een gele schroevendraaier. Deze is niet van de kerk en moet dus van de daders zijn.

2. Een verslag van sporenonderzoek, genummerd PL0651/00-663984, opgemaakt en gesloten op 19 juli 2000 door [verbalisant 8], technisch rechercheur van politie Noord een Oost Gelderland, voorzover luidende als relaas van verbalisant:

In de periode tussen 17 juli 2000 15.00 uur en 18 juli 2000 7.30 uur, werd aan de linkerzijde van de Nederlands HervormdeKerk te Eibergen, Grotestraat 50, het rechter glas in loodraam verwijderd. Er werden twee loodstrippen veiliggesteld. Door dit raam klom men naar binnen.

Een offerblok werd opengebroken. Bij het offerblok bleef een dader-schroevendraaier achter, van welke de geur door middel van een geurdrager werd veiliggesteld.

Het sporenonderzoek vond plaats op 18 juli 2000.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van geuridentificatieproef nr 29.01.01.10.35. PAUMAR, gesloten en getekend op 29 januari 2001 door [verbalisant 6], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland en door [verbalisant 10], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland, voorzover inhoudende als relaas en bevindingen van verbalisanten:

Op 29 januari 2001 werd door mij, [verbalisant 10], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Barry.

Met de hond Barry haalde ik op 23 december 1999 een certificaat Politie speurhond menselijke geur, Identificatie taak, certificaatnummer 7/99.

Corpus delicti: twee loodstrippen en een geurmonster van een schroevendraaier (00-663984), veiliggesteld op 18 juli 2000 door [verbalisant 8], technisch rechercheur te Noord- en Oost.Nederland.

Conclusie:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Barry bleek mij, [verbalisant 10], dat Barry geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (2 loodstrippen en geurmonster schroevendraaier (00-663984)) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte, [aanvrager].

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

1. Een als bijlage bij een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0650/01-200594 -gesloten en getekend op 13 februari 2001, door [verbalisant 1], brigadier/rechercheur van politie District Achterhoek- gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte genummerd PL0644/01-200594, opgemaakt op 18 juli 2000 door [verbalisant 9], agent van politie team Eibergen/Groenlo, voorzover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 4]:

Ik doe aangifte van inbraak, gepleegd tussen 17 juli 2000 17.00 uur en 18 juli 2000 09.50 uur. Ik ben koster van de Sint Mattheuskerk, gevestigd aan de Grotestraat 88 te Eibergen en als zodanig bevoegd tot het doen van aangifte. Niemand had het recht om door middel van braak en of verbreking en inklimming geld weg te nemen en zich toe te eigenen.

Op 17 juli 2000, omstreeks 17.00 uur, heb ik de kerk afgesloten. Op dat moment was alles in goede staat en heel. Op 18 juli 2000, omstreeks 09.50 uur, kwam ik terug bij de kerk en zag dat er was ingebroken. Ik zag dat een glas-in-loodraam van het toilet van de linker zijbeuk vernield was. Vervolgens zag ik dat de toegangsdeur vanaf het toilet de kerk in was geforceerd, vermoedelijk door middel van een breekijzer. Ik zag dat alle collectebusjes waren geleegd.

Deze busjes worden gevuld met giften van mensen die kaarsjes aansteken. Het is onbekend hoeveel geld er in de busjes zat.

2. Een verslag van sporenonderzoek, genummerd PL0651/00-664043, opgemaakt en gesloten op 19 juli 2000 door [verbalisant 8], technisch rechercheur van politie Noord een Oost Gelderland, voorzover luidende als relaas van verbalisant:

In de periode tussen 17 juli 2000 17.00 uur en 18 juli 2000 9.50 uur werd aan de linkerzijde van de Sint Mattheuskerk te Eibergen, Grotestraat 88, een glas-in-loodraam vernield en verwijderd.

Van dit raam werd de geur van twee loodstrips veiliggesteld. Door de ontstane opening klom men binnen. Vanuit de hal poogde men de binnendeur naar de kerk te forceren. Er werd met een beitel in de sluitnaad gewrikt. Vervolgens werd onder de slotkast een gat door de holle board-deur gemaakt. Er werden schilvers afkomstig uit dit gat veiliggesteld. Bij de geforceerde binnendeur ontsloot men van binnenuit de buitendeur. Hier verliet men het gebouw.

Het sporenonderzoek vond plaats op 19 juli 2000.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van geuridentificatieproef nr 30.01.01.11.15 HANNA, gesloten en getekend op 30 januari 2001 door [verbalisant 6], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland en door De Haas, africhter/geleider speurhonden, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, akte van beëdiging 4107865/0/Asd, werkzaam bij de dienst levende have politie van het Korps landelijke politiediensten, voorzover inhoudende als relaas en bevindingen van verbalisanten:

Op 30 januari 2001 werd door mij, [verbalisant 11] africhter/geleider speurhonden, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, akte van beëdiging 4107865/0/Asd, werkzaam bij de dienst levende have politie van het Korps landelijke politiediensten, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Spike.

Met de hond Spike haalde ik op 15 juni 2000 een certificaat Politie speurhond menselijke geur, Identificatie taak, certificaatnummer 04/00.

Corpus delicti: geurmonsters van loodstrips en schilvers van een binnendeur (00-664043), veiliggesteld op 18 juli 2000 (het hof begrijpt dat bedoeld is 19 juli 2000) door [verbalisant 8], technisch rechercheur te Noord- en Oost Gelderland.

Conclusie:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Spike bleek mij, [verbalisant 11], dat Spike geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (Geurmonsters loodstrips en schilvers binnendeur (00-664043)) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte, [aanvrager].”

8. Samengevat komt de hierboven onder 7 weergegeven bewijsconstructie van het Hof op het volgende neer. In de periode juli 2000 tot januari 2001 is ’s nachts (althans tussen sluiting aan het einde van de dag en opening de volgende ochtend) ingebroken in kerken en een aula in verschillende gemeenten die in een straal van 30 kilometer van elkaar liggen. Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 wordt de betrokkenheid van verdachte bij deze inbraken slechts ondersteund door de positieve geuridentificatieproef. Ten aanzien van feit 3 komt daarbij de in het proces-verbaal nr. PL0650/01-200594 van 13 februari 2001 neergelegde verklaring van de verbalisanten die in de nacht van 18 op 19 januari 2001 te 3.30 uur een man zagen fietsen komende vanuit de kern van Aalten, zij spraken de man aan en hij deelde hen mee te zijn [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Voorts troffen zij achter een heg een tas aan met inbrekersspullen. Verdachte deelde verbalisanten mee dat die tas met inhoud van hem was en dat hij die zojuist had achtergelaten.

9. Nu het dossier ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 behoudens de positieve geuridentificatieproef geen bewijsmateriaal inhoudt, waaruit kan volgen dat aanvrager daadwerkelijk bij de inbraak betrokken is geweest, acht ik het niet aannemelijk dat het Hof zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van deze feiten zou zijn gekomen. Ook ten aanzien van feit 3 blijft zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef te weinig bewijsmateriaal over. Het enkele feit dat aanvrager in de bewuste nacht in het desbetreffende dorp is aangetroffen en een tas met inbrekersspullen bij zich had, lijkt mij – ondanks de overeenkomstige modus operandi2 - niet voldoende om aan te nemen dat daaruit de betrokkenheid van de aanvrager bij de inbraak volgt. Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Hof, ware het op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproeven ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze zijn uitgevoerd, tot een vrijspraak van het tenlastegelegde onder 3, 4, 5 en 6 zou zijn gekomen.

10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Hof zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie bijv. HR 22 april 2008, LJN: BC9637, NJ 2008, 592 en HR 22 april 2008, LJN: BC8789, NJ 2008, 591.

2 Vergelijk HR 11 november 2008, LJN BG3853; een eerdere herzieningsaanvraag van dezelfde verdachte waarin de Hoge Raad oordeelde dat het ervoor moest worden gehouden dat het Hof zonder de uitkomsten van de geuridentificatieproeven niet zou hebben geoordeeld dat het overige gebezigde bewijsmateriaal elkaar zodanig verstrekt, dat daaruit de betrokkenheid van de aanvrager bij die inbraken met voldoende mate van aannemelijkheid volgt.