Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1976

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12/05017
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2035, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05017

Zitting: 26 november 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 27 augustus 2012 de verdachte ter zake van “medeplegen van doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van in het arrest vermelde inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (12/04975). In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat te Bussum, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of ontoereikend is gemotiveerd.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en aldaar met dat opzet, meermalen met een koevoet tegen het hoofd en aangezicht van voornoemde [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten: hersenschade en functieverlies van hersenen en bloedverlies en afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken van neus en bovenkaak, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.” 

6. Deze bewezenverklaring steunt op de in het bestreden arrest opgenomen bewijsvoering, waarvan ik hier alleen de meest relevante onderdelen weergeef:

B2.2 Conclusies

Het hof trekt op grond van het voorgaande in samenhang met hetgeen onder A is vermeld de volgende conclusies.

[slachtoffer] heeft de vriendin ([betrokkene 1]) van [medeverdachte] beledigd en gekwetst en [medeverdachte] is daarom boos geworden. [medeverdachte] heeft daarom het voornemen opgevat [slachtoffer] een lesje te leren door hem in elkaar te slaan. [betrokkene 2] en [verdachte] waren van een en ander op de hoogte en hebben zich bij dit voornemen aangesloten.

[medeverdachte] en [verdachte] hebben teneinde voormeld voornemen uit te voeren zich (na 21.44.36 uur) met de auto van [verdachte] begeven naar het pand waar [slachtoffer] verbleef, alwaar zij kort na 21.54.03 uur zijn aangekomen, terwijl [betrokkene 2] met datzelfde voornemen zich op zijn fiets daarheen heeft begeven.

Er hebben zich ten minste twee koevoeten bevonden in de auto van [verdachte] waarmee [medeverdachte] en [verdachte] zich naar het pand hebben begeven. Een of meer verdachten hebben deze koevoeten vervolgens na aankomst bij het pand uit de auto gehaald en ter hand genomen. Alle drie de verdachten zijn (vervolgens) het pand binnengegaan. Niet aannemelijk is dat het meenemen van de koevoeten het pand in één van hen kan zijn ontgaan.

[medeverdachte], [verdachte] en [betrokkene 2] hebben zich na afloop van het jegens [slachtoffer] toegepaste geweld samen, althans kort na elkaar, naar buiten begeven en de als slagwapen gebruikte koevoeten zijn in de auto van [verdachte] geplaatst. [medeverdachte] heeft zich op de fiets begeven naar het huis van [verdachte] en [verdachte] als bestuurder en [betrokkene 2] als passagier hebben zich per auto daarheen begeven. Zij zijn alle drie aldus van de plaats van het misdrijf weggevlucht, terwijl uit voormeld proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 2) en de verklaring van [verdachte] volgt dat noch [verdachte], noch [betrokkene 2] bij gelegenheid van de staande houding tegenover de politie heeft verklaard dat er zich in het desbetreffende pand een zwaargewond persoon bevond, die dringend medische hulp nodig had.

[verdachte] heeft bij thuiskomst zijn kleren gewassen en tevens de broek van [medeverdachte]. Ook heeft [verdachte] de beide koevoeten, waarvan er ten minste één was gebruikt om [slachtoffer] te slaan, gewassen. Naar het oordeel van het hof had dit schoonmaken geen ander doel dan om sporen te verwijderen. Ten slotte is door [medeverdachte], [verdachte] en [betrokkene 2] besproken dat zij tegenover de politie hun mond zouden houden omtrent al hetgeen was voorgevallen en is (daardoor) niets meer ondernomen in de richting van autoriteiten of hulpverlenende instanties om deze op de hoogte te stellen van de situatie waarin [slachtoffer] was gebracht door een of meer van hen.

B3. Eerste tussenconclusie

Door [slachtoffer] met een of meer koevoeten met kracht tegen het hoofd te slaan is sprake van doodslag. Reeds op grond van voorgaande vaststellingen in samenhang met de vaststaande feiten, is het hof van oordeel dat er tussen [medeverdachte], [verdachte] en [betrokkene 2] sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking rond deze doodslag, terwijl niet is gebleken dat een van hen zich van de gang van zaken op enig moment heeft gedistantieerd, dat ten aanzien van ieder van hen sprake is van het medeplegen daarvan.

In zoverre falen de verweren die tot een andere conclusie leiden reeds. Voor zover op dit punt nog nadere verweren zijn gevoerd, worden die hierna besproken.

(…)

B2.5. Tweede tussenconclusie

[medeverdachte] heeft met een koevoet [slachtoffer] tegen het hoofd geslagen. Daarna heeft [betrokkene 2] met een andere koevoet [slachtoffer] een aantal malen tegen het hoofd geslagen. Ten slotte heeft [medeverdachte] wederom met de koevoet [slachtoffer] tegen het hoofd geslagen. [verdachte] was daarbij (in elk geval aanvankelijk) aanwezig.

(…)

Ad c.

Zoals hiervoor overwogen is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 2]. Het hof leidt dit af uit het gezamenlijk optreden van [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 2] voorafgaand, gedurende en na het plegen van het feit, zoals hiervoor weergegeven. Dat [verdachte] op een gegeven moment zich zou hebben verwijderd van de plek waar [slachtoffer] werd geslagen doet daar niet aan af. Hij heeft zich daarmee niet gedistantieerd van het handelen van [medeverdachte] en [betrokkene 2], maar is zich blijven aansluiten bij hun opzet hetgeen kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat hij niets heeft ondernomen om de handelingen van de medeverdachte te voorkomen, waar dit naar het oordeel van het hof wel binnen zijn mogelijkheden had gelegen. Dat hij zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd kan ook worden afgeleid uit zijn handelwijze nadien, door niet de politie in te lichten op het moment dat hij werd staande gehouden kort na vertrek uit de loods, door [betrokkene 2] in zijn auto mee naar zijn huis te nemen, [medeverdachte] aldaar daar ook te ontvangen, door de koevoeten mee te nemen, schoon te maken en daarmee van sporen te ontdoen, door kleding van hemzelf en ook van [medeverdachte] te wassen en daarmee van sporen te ontdoen, en door het maken van afspraken om niets te vertellen aan de politie indien het tot een aanhouding zou komen.

(…)

Eindconclusie

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag.” 

7. De verdachte heeft, zoals het hof heeft vastgesteld, [slachtoffer] niet zelf geslagen. Desondanks heeft het hof geoordeeld dat tussen de verdachte en zijn medeverdachten sprake was van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat zij de bewezenverklaarde doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand, gedurende en na het plegen van het feit gezamenlijk zijn opgetreden.

8. Het middel keert zich blijkens de toelichting in het bijzonder tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte zich niet van de handelingen van zijn medeverdachten heeft gedistantieerd, ook al heeft hij zich op een gegeven moment verwijderd van de plek waar [slachtoffer] (door zijn medeverdachten) werd geslagen. Dat de verdachte zich niet van de handelingen van zijn medeverdachten heeft gedistantieerd, heeft het hof afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte:

 niets heeft ondernomen om de handelingen van zijn medeverdachten te voorkomen terwijl dit wel binnen zijn mogelijkheden lag,

 de politie niet heeft ingelicht op het moment dat hij werd staande gehouden,

 medeverdachte [betrokkene 2] in zijn auto mee naar zijn huis heeft genomen,

 medeverdachte [medeverdachte] in zijn huis heeft ontvangen,

 de koevoeten heeft meegenomen, schoongemaakt en aldus van sporen heeft ontdaan,

 zijn eigen kleding en de kleding van medeverdachte [medeverdachte] heeft gewassen en daarmee van sporen heeft ontdaan, en

 afspraken heeft gemaakt met zijn medeverdachten om niets te vertellen aan de politie indien het tot een aanhouding zou komen.

Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Gelet op deze door het hof vastgestelde omstandigheden en voorts in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld met betrekking tot het gezamenlijk optreden van de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand aan het plegen van het feit, geeft het oordeel van het hof dat de verdachte zo bewust en nauw met zijn medeverdachten heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen van doodslag geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.1 De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.

9. Voor zover in de toelichting op het middel nog de klacht moet worden gelezen dat uit ’s hofs motivering ten aanzien van de vrijspraak van de voorbedachte raad volgt dat de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad zich van de gedragingen van zijn medeverdachten te distantiëren,2 berust deze klacht op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Uit ‘s hofs hiervoor onder punt 8 weergegeven vaststellingen volgt immers dat de verdachte wel degelijk de gelegenheid had om afstand te nemen van de handelingen van zijn medeverdachten, maar dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

10. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2769.

2 Vgl. HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2187; T&C Sr aant. 6d bij art. 47 Sr.