Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1960

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12/00625
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2009, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, (kort) voorhanden hebben, art. 420bis Sr. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte nadat hij van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij, verdachte, bestuurde, was gestolen, met deze auto nog een minuut à anderhalve minuut is doorgereden. ’s Hofs oordeel dat verdachte over de auto en het bijbehorende kentekenbewijs een zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen i.d.z.v. art. 420bis Sr “voorhanden heeft gehad”, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. V.zv. het middel klaagt dat het voorhanden hebben van de voorwerpen door verdachte niet heeft bijgedragen aan het verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen en dat het bewezenverklaarde daarom o.g.v. regels uit recente rechtspraak van de HR niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, miskent het dat deze rechtspraak alleen betrekking heeft op het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR ECLI:NL:HR:2013:2002). Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00625

Mr. Wortel

Zitting 5 november 2013

conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 26 januari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Blijkens de akte is het cassatieberoep beperkt tot de veroordeling ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit. Ter zake van dat als “witwassen” aangemerkte feit is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

1.2 Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

2.1 Ten laste van de verdachte is onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 20 april 2008, te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp, te weten een personenauto, merk Seat, kleur groen, kenteken [AA-00-BB] en een kentekenbewijs, behorende bij voornoemde auto, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.”

2.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte (proces-verbaalnummer: 2008111411-1) d.d. 20 april 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (p. 1-4).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 april 2008 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Tussen zondag 13 april 2008 te 20.00 uur en donderdag 17 april 2009 te 14.00 uur, werd te Amsterdam weggenomen: een personenauto, merk/type Seat Cordoba 1.8 Glx, kleur groen, kenteken [AA-00-BB], tezamen met een kentekenbewijs (deel III), behorende bij het voornoemde kentekenvoertuig. Ik ben eigenaar van genoemde auto. Hierbij doe ik aangifte van diefstal van mijn auto. In mijn auto lagen de volgende goederen: deel 1a-kentekenbewijs, groen (1 stuks); deel 1b-kentekenbewijs, groen (1 stuks); deel III-kentekenbewijs, groen (1 stuks). Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

2. Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer: PL11PC/08-026957) d.d. 20 april 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (p. 13-16).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten:

Op zondag 20 april 2008, omstreeks 05.16 uur, waren wij gekleed in uniform en herkenbaar als politieman, in een opvallend politievoertuig, op de Westerstraat te Purmerend, gemeente Purmerend.

Wij zagen dat een groenkleurige personenauto, merk Seat, ons tegemoet reed. Wij zagen dat het kenteken van die Seat de combinatie [AA-00-BB] had. Verder zagen wij drie manspersonen in die Seat zitten. Vervolgens hebben wij via de meldkamer het kenteken van de Seat opgevraagd. Blijkens opgave van de meldkamer bleek het voertuig in Amsterdam als vermist te zijn opgegeven. Wij besloten omstreeks 05.18 uur een nader onderzoek in te stellen naar de identiteit van de inzittenden en wi gaven een stopteken via het daktransparant van ons politievoertuig. Tevens gaf ik, eerste verbalisant, met het grote licht van ons voertuig, attentieseinen aan de bestuurder. Wij zagen vervolgens dat de bestuurder het stopteken negeerde en de snelheid van het voertuig verhoogde. Wij hebben vervolgens de volgende route gereden, waarbij wij de daktransparant constant aan hadden, evenals de blauwe zwaailichten. Vanaf de Gorslaan de Wherebrug over, over de Churchill-laan, de rotonde met de Hannie Schaftstraat, rechtsaf de Rudolf Garellstraat in en aan het einde linksaf een parkeervak van de flat Rode Garell op.

Deze rit heeft ongeveer een minuut á anderhalve minuut geduurd. De snelheid bedroeg maximaal 80 kilometer per uur. Wij zagen wel dat de Seat bij enkele bochten uitbrak. Wij zagen dat de bestuurder van de Seat uitstapte, kort in onze richting rende en daarna wegrende.

3. Verklaring van verdachte ter zitting van het hof op 12 januari 2012:

U houdt mij voor dat ik op 20 april 2008 zou hebben gereden in een gestolen Seat, met kenteken [AA-00-BB]. Ik kwam van een feestje vandaan. Na dit feestje zijn we, [betrokkene 2] en ik met nog een jongen, weggereden. Ik bestuurde de auto (het hof begrijpt: de gestolen Seat met kenteken [AA-00-BB]). [betrokkene 2] liet me na het instappen het kentekenpapier zien. Het waren papieren van [betrokkene 1]. Op het moment dat de politie het stopteken gaf, zei [betrokkene 2] tegen mij dat de auto gestolen was. Na het stopteken reed ik door omdat [betrokkene 2] zei dat de auto was gestolen.”

2.3 In de bestreden uitspraak is voorts overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte pas maximaal 1 tot 1,5 minuten vóór zijn aanhouding te weten kwam dat hij in een gestolen auto reed, en dat daarom, mede in het licht van alle omstandigheden van het geval, niet meer gesproken kan worden van "voorhanden hebben".

Het hof verwerpt dit verweer.

Terwijl de verdachte de auto bestuurde, is aan hem medegedeeld dat het een gestolen auto betrof. Op dat moment heeft verdachte er voor gekozen om, in plaats van te stoppen, door te rijden en heeft hij daarbij getracht de politie, die het voertuig op dat moment achtervolgde, af te schudden. Hiermee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan witwassen. Dat hij dit slechts gedurende een korte periode heeft gedaan, maakt dit niet anders.”

3.1 Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van een auto en de daarbij behorende kentekenpapieren gedurende maximaal 1 tot 1,5 minuut, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, kan worden aangemerkt als "voorhanden hebben" in de zin van art. 420bis Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. Het middel klaagt er voorts over dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr zonder dat het Hof heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die auto heeft bijgedragen aan verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

3.2 Om met die laatste klacht te beginnen: de rechtspraak over ‘enkel voorhanden hebben dat niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst’ (de stellers van het middel noemen HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, maar inmiddels kan ook gewezen worden op HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264) heeft betrekking op de voortbrengselen van een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Deze rechtspraak beoogt te bevorderen dat de bezitshandeling die volgens de tenlastelegging moet worden aangemerkt als witwassen van het door eigen misdrijf verkregen goed een zelfstandig verwijt rechtvaardigt, niet volledig samenvallend met het begaan van het ‘brondelict’ waardoor de zaak in de macht van de verdachte is gekomen.

Uit deze rechtspraak kan niet worden opgemaakt dat ‘verbergen of verhullen van de criminele herkomst’ ook verlangd wordt voor de strafbaarheid van het voorhanden hebben van een door het misdrijf van een ander verkregen voorwerp. In die situatie rijst de vraag naar de strafwaardigheid van het bezit naast de strafwaardigheid van de verkrijging eenvoudigweg niet.

3.3 De eerste klacht in het middel lijkt me wel hout te snijden. Daarbij stel ik voorop dat uit de vrijspraak ter zake van de als feit 2 primair tenlastegelegde heling van de auto en bijbehorend kentekenbewijs, door het Hof aldus gemotiveerd dat geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door diefstal was verkregen, onvermijdelijk voortvloeit dat het als ‘witwassen’ bewezen verklaarde voorhanden hebben (feit 2 subsidiair) beperkt is tot de tijd die is verstreken tussen het moment waarop de politie een stopteken gaf en de verdachte van zijn bijrijder hoorde dat de auto gestolen was, en het moment waarop de verdachte na een mislukte poging om aan de politie te ontkomen is uitgestapt en weggerend. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat tussen deze twee momenten één of hooguit anderhalve minuut is verstreken.

3.4 Ik zal het Hof nageven dat de wetsgeschiedenis de opvatting toelaat dat “voorhanden hebben” – bij toepassing van de witwasbepalingen niet anders uit te leggen dan bij toepassing van de strafbaarstelling van opzet- of schuldheling - ruim moet worden opgevat, en daaronder elke vorm van feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook, begrepen mag worden (HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1754, NJ 2000, 736). Niettemin maak ik uit de rechtspraak op dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen volgen dat de verdachte een “zodanige feitelijke zeggenschap” over het desbetreffende voorwerp had dat hij het niet alleen feitelijk maar ook in de zin van de zojuist genoemde strafbaarstellingen “voorhanden” heeft gehad, vgl HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6053.

3.5 Het Hof heeft van de verdachte willen aannemen dat hij vóór het stopteken van de politie nog niet besefte dat hij een gestolen auto bestuurde. Dit feitelijk oordeel moet in cassatie worden gerespecteerd (en ik zal dus voor me moeten houden dat ik er zo het mijne van denk, ook omdat de verdachte vóór dat moment al gezien had dat het kenteken niet op naam van zijn vriend stond ). Daarvan uitgaande, acht ik het oordeel dat de verdachte door één à anderhalve minuut door te rijden een zodanige zeggenschap over de auto heeft uitgeoefend dat hij het in de zin van art. 420bis Sr “voorhanden heeft gehad” niet zonder meer begrijpelijk, ook omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zo handelde met het doel zelf aan de politie te ontkomen.

In zoverre slaagt het middel.

4.1 Het tweede middel klaagt over het uitblijven van een beslissing over het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn voor berechting.

4.2 In de toelichting op het middel is al te vinden waarom het faalt. Hetgeen blijkens de aan het proces-verbaal van de in hoger beroep gehouden terechtzitting gehechte pleitaantekeningen is aangevoerd, te weten

“28. Mocht uw Gerechtshof ondanks het voorgaande toch tot een bewezenverklaring komen dan geldt in ieder geval het volgende met betrekking tot de strafmaat.

29. Het door de politierechter gewezen vonnis dateert van 13 november 2009. We zijn inmiddels ruim 2 jaar verder.

30. Het is voor de verdediging niet mogelijk na te gaan of en, zo ja, hoe vaak en op welke wijze getracht is de verstekmededeling aan cliënt te betekenen. Afschriften van stukken waaruit dit zou kunnen blijken zitten niet in het aan de verdediging verstrekte dossier.

31. Ik verzoek uw Gerechtshof een en ander dan ook na te gaan op basis van het rechtbankdossier.

32. Mocht blijken dat het OM niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij het betekenen van de verstekmededeling zodat om die reden sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn dan wordt hierop door de verdediging expliciet een beroep op gedaan. Een en ander dient dan wat de verdediging betreft te leiden tot een korting op de op te leggen straf conform de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt.”

valt (hooguit) aan te merken als “een expliciet verzoek aan het Hof te onderzoeken of in casu sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn”. Een verzoek is geen ter terechtzitting gevoerd verweer, zodat het aangevoerde het Hof niet tot een gemotiveerde beslissing noopte (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358).

Aldus ten overvloede: blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken is de mededeling van het bij verstek gewezen vonnis op 15 februari 2010, dat wil zeggen binnen een jaar na de uitspraak in eerste aanleg, rechtsgeldig betekend door uitreiking aan de griffier, als voorzien in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv, omdat de verdachte niet als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend was.

Het middel faalt.

5.1 Het eerste middel slaagt gedeeltelijk, hetgeen tot de na te melden beslissing zal moeten leiden.

Het tweede middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

5.2 Deze conclusies strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G