Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1951

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
13/00160
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1968
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 80a RO. Dat brengt met zich dat de HR niet kan toekomen aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de b.p. (vgl. HR ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.5).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00160

Zitting: 29 oktober 2013

Mr. Hofstee

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

I. Inleiding

1.

In mijn conclusie van 4 juni 2013 heb ik in deze zaak reeds het standpunt ingenomen dat de verdachte [verdachte] in zijn beroep in cassatie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de voet van art. 80a RO, omdat de namens hem voorgestelde middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat standpunt neem ik ook thans nog in en vormt niet de aanleiding om tot deze aanvullende conclusie te komen.

II. Probleemstelling

2.

De reden voor deze aanvullende conclusie is gelegen in de schriftuur houdende een middel van cassatie, die in de onderhavige zaak namens de benadeelde partij [benadeelde] door mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, in de onderhavige zaak tijdig is ingediend.

3.

In een viertal gelijkluidende overzichtsarresten betreffende de toepassing van art. 80a RO ten aanzien van het door een partij ingediend cassatieberoep, heeft de Hoge Raad omtrent de positie van de benadeelde partij het volgende overwogen:

“Benadeelde partij

2.5.

Ingevolge art. 437, derde lid, Sv is de benadeelde partij bevoegd harerzijds door een advocaat een cassatieschriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt betreffende haar vordering. De benadeelde partij kan dus van haar kant slechts middelen voorstellen en geen beroep instellen, zodat zij daarin ook niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarom zullen haar middelen ingeval deze op grond van art. 80a RO geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan overeenkomstig het hiervoor onder 2.4.2 overwogene.

Daarbij verdient opmerking dat in HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003/329 is beslist dat de Hoge Raad niet bevoegd is tot de beoordeling van een namens de benadeelde partij ingediende schriftuur ingeval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Er bestaat geen grond anders te oordelen ingeval die niet-ontvankelijkheid van het beroep steunt op de toepassing van art. 80a RO.”1

4.

In deze aanvullende conclusie wordt de vraag opgeworpen of het oordeel van de Hoge Raad – inhoudend dat er geen grond bestaat anders te oordelen ingeval de niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie van de verdachte of het Openbaar Ministerie steunt op de toepassing van art. 80a RO – niet voor heroverweging vatbaar is. Komt de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in het kader van art. 80a RO in wezen overeen met de andere gevallen waarin de verdachte of het Openbaar Ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard? Zijn er bij toepassing van art. 80a RO geen (zwaarder wegende) argumenten te bedenken op grond waarvan toch kan worden aangenomen dat de Hoge Raad bevoegd is tot een inhoudelijke beoordeling van de cassatieschriftuur van de benadeelde partij? In deze aanvullende conclusie zullen deze vragen aan een nadere beschouwing worden onderworpen.

III. Korte historische schets van de positie van het slachtoffer en de benadeelde partij in het strafproces 2

5.

Een omslagpunt in het denken over de positie van het slachtoffer in het strafproces werd bereikt door de invoering van de zogenoemde Wet-Terwee van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29; i.w.tr. op 1 april 1995). Tot die tijd waren de rechten van het slachtoffer betrekkelijk gering.3De mogelijkheid van voeging in het strafproces van de benadeelde partij ter zake van haar civiele vordering was nog gekoppeld aan een maximumbedrag en bovendien werd als eis gesteld dat op eenvoudige wijze moest kunnen worden beoordeeld of die vordering gegrond was. De Wet-Terwee voorzag ter versterking van de positie van het slachtoffer onder meer in een verruiming van de voegingsmogelijkheden van de benadeelde partij. Deze behoefde zich niet langer ter terechtzitting te melden maar kon zich voortaan ter zake van haar vordering voegen door middel van invulling van een voegingsformulier. Bovendien was de vordering niet langer gebonden aan een maximumbedrag. Om het accessoire karakter van de vordering van de benadeelde partij te benadrukken en te voorkomen dat de behandeling van deze vordering een al te prominente plaats in het strafproces zou innemen, werd in de Wet-Terwee bepaald dat wanneer de vordering niet van eenvoudige aard bleek en zich ‘dus’ niet zou lenen voor behandeling binnen het strafproces, de rechter de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zou verklaren.

6.

Terugblikkend kan worden vastgesteld dat met de inwerkingtreding van de Wet-Terwee nog maar de eerste belangrijke stappen werden gezet tot versteviging van de positie van het slachtoffer in het strafgeding. Nadien is de aandacht van de maatschappij en onze wetgever voor de belangen van het slachtoffer in het strafgeding in versterkte mate toegenomen. Daaraan parallel ongeveer, liepen de verschillende initiatieven die vanuit bijvoorbeeld de Europese Unie en van de zijde van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn ontplooid teneinde de positie van het slachtoffer te verbeteren.4 Al deze ontwikkelingen hebben in meer of mindere mate bijgedragen aan de invoering van de Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1; i.w.tr. op 1 januari 2011). Onderdeel daarvan is de inruiming in het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering van een aparte Titel IIIA met als opschrift “Het slachtoffer”. Met deze wetswijziging is het slachtoffer een eigen positie in het strafproces toebedeeld5 en heeft de wetgever tevens willen voldoen aan de instructie te komen tot implementatie van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 aangaande de status van het slachtoffer in het strafproces.6

7.

Dat het slachtoffer – en daaronder mede begrepen de benadeelde partij – principieel is erkend als belanghebbende in het strafproces wil nog niet zeggen dat hij ook procespartij of procesdeelnemer is, die zich in omvang laat vergelijken met de van oudsher bestaande strafvorderlijke positie van de verdachte en het Openbaar Ministerie.7 Zover is het nog niet, hoewel de laatste plannen van staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie – het slachtoffer moet ook zijn mening kunnen uitspreken over (bijvoorbeeld) de schuld van de verdachte, het bewijs dat in de strafzaak is verzameld en wat de straf zou moeten worden (hier en daar ook wel het ‘adviesrecht’ genoemd) - zo langzamerhand wel in die richting lijken te voeren.

8.

Overigens moet nu al bij enkele zedenmisdrijven de minderjarige van twaalf jaar of ouder (indien mogelijk) door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid worden gesteld om zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken (art. 167a Sv). Voorts heeft het slachtoffer in het kader van de strafvervolging enige ruimte om daarop invloed uit te oefenen. Als bekend komt de bevoegdheid tot strafvervolging exclusief toe aan het Openbaar Ministerie, welk vervolgingsmonopolie is geworteld in het opportuniteitsbeginsel waarvan de toepassing eveneens in handen van het Openbaar Ministerie is. Het daarmee samenhangend beleid - dat van publiekrechtelijke aard is en waarin niet alleen individuele belangen van de verdachte en het slachtoffer in ogenschouw worden genomen, maar waarin zeker ook aan het algemeen belang of aan rechtstatelijke normen ontleende waarderingen en afwegingen kunnen doorklinken - mag geen hinder ondervinden van een soort privaat vervolgingsrecht waarin geen sprake is van een onafhankelijke beoordeling naar objectieve maatstaven.8 Niettemin heeft de wetgever al in 1926 met betrekking tot dit normatieve uitgangspunt willen voorzien in een correctiemiddel waarvan de rechtstreeks belanghebbende, en dus ook het slachtoffer, gebruik kan maken en waarmee hij langs een bepaalde weg en tot op zekere hoogte invloed kan uitoefenen op een (uiteindelijke) beslissing tot vervolging. Het beklagrecht als bedoeld in art. 12 Sv geeft de rechtstreeks belanghebbende namelijk de mogelijkheid de beslissing tot niet (verdere) vervolging aan te vechten bij het daartoe bevoegde gerechtshof.9 Daarnaast zijn sommige misdrijven enkel op een door het slachtoffer ingediende klacht – inhoudende de aangifte met verzoek tot vervolging (art. 164, eerste lid, Sv) - vervolgbaar. Omdat de klacht dan voorwaarde is voor vervolging, kan het slachtoffer daaraan in sommige gevallen (dat wil zeggen bij de absolute klachtdelicten) sturing geven.

IV. Enkele aspecten van de huidige wettelijke regeling inzake het slachtoffer en de benadeelde partij

Algemeen/eerste aanleg

9.

In de bedoelde Titel IIIA (art. 51a-51h Sv) heeft de wetgever diverse rechten voor het slachtoffer verankerd.art. 51a-51h Ik noem het recht op informatie over de voortgang van het strafproces en over de mogelijkheden tot schadevergoeding, het recht op rechts- en/of tolkbijstand, kennisneming van de processtukken en toevoeging van stukken aan het procesdossier.10 Daarnaast is het, hevig bediscussieerde, spreekrecht op de terechtzitting een voor het slachtoffer (of diens nabestaande) belangrijke verworvenheid.11 Dat spreekrecht is op 1 januari 2005 op initiatief van het toenmalige Kamerlid Dittrich ingevoerd12 en is recentelijk uitgebreid bij de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces (Stb. 2012, 345; i.w.tr. 1 september 2012) “opdat de stem van het slachtoffer bij diens ontstentenis beter op de terechtzitting kan worden gehoord.”13

10.

Als slachtoffer wordt overeenkomstig art. 51a Sv aangemerkt degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit14, kan zich ter zake van zijn civiele vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces overeenkomstig het bepaalde in art. 51f Sv. Deze vordering is accessoir aan de strafzaak (art. 51f, eerste lid, Sv) en zal wel al direct in het strafgeding in eerste aanleg moeten worden ingediend, nu degene die zich voor het eerst in hoger beroep voegt daartoe onbevoegd is (art. 421, eerste lid, Sv).

11.

De benadeelde partij is in haar vordering ontvankelijk indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van art. 9a Sr, en indien sprake is van rechtstreekse schade die is toegebracht door het bewezenverklaarde feit of door een op de dagvaarding ad informandum gevoegd feit. Voorts kan de rechter de vordering van de benadeelde partij geheel of ten dele niet-ontvankelijk verklaren indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (art. 361, derde lid, Sv). Ik benadruk dat dit (bij amendement geïntroduceerde) criterium niet is bedoeld om het aantal vorderingen van benadeelde partijen af te remmen, maar integendeel er juist toe strekt om de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij te laten beslissen.15

Hoger beroep

12.

In hoger beroep duurt de voeging van rechtswege voort, voor zover de gevorderde schadevergoeding in eerste aanleg is toegewezen (art. 421, tweede lid, Sv)16. Indien in eerste aanleg de gevorderde schadevergoeding niet (of slechts ten dele) is toegewezen, kan de betrokkene zich in hoger beroep in de strafzaak opnieuw als benadeelde partij ten overstaan van het gerechtshof voegen (art. 421, derde lid, Sv). Dat kan hij uiteraard niet als beide procespartijen – verdachte en het Openbaar Ministerie – van het instellen van hoger beroep afzien. In dat geval staat voor de benadeelde partij evenwel een interessante afslag open. Zij kan dan tegen de afwijzing van haar civiele vordering door de strafkamer van de rechtbank zelf in hoger beroep komen bij de burgerlijke kamer van het gerechtshof (art. 421, vierde lid, Sv). Bijgevolg zijn vervolgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Daardoor ontstaat de bijzondere situatie dat de benadeelde partij die haar vordering in eerste instantie in het strafproces had ingestoken, opeens de weg van het burgerlijk recht kan volgen en na een afwijzende beslissing van de burgerlijke kamer van het gerechtshof nog een laatste voor hem openstaand rechtsmiddel daartegen kan aanwenden: zij kan dan zelfstandig beroep in cassatie instellen bij de civiele kamer van de Hoge Raad.

13.

Dat is anders wanneer in de strafzaak de verdachte en/of het Openbaar Ministerie wel hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis in eerste aanleg. In dat geval ‘gaat’ de benadeelde partij ‘mee’ in de behandeling van de strafzaak in appel.

Cassatie

14.

Het voorgaande heeft voor de benadeelde partij consequenties in de fase van cassatie. In strafzaken heeft zij geen zelfstandige mogelijkheid tot het instellen van beroep in cassatie tegen een niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van haar vordering door het gerechtshof. In dat verband is zij afhankelijk van de procedurele wil van de verdachte en het Openbaar Ministerie om met het oog op hun eigen belang in cassatie te gaan.17 In zijn annotatie onder HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9128, NJ 2013/245 merkt Bleichrodt met betrekking tot art. 80a RO terecht op dat het lot van de benadeelde partij (soms) lijkt af te hangen van de kwaliteit van de schrifturen van de raadsman van de verdachte dan wel van de kwaliteit van de schrifturen van het Openbaar Ministerie.18

15.

Indien in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen en de verdachte noch het Openbaar Ministerie beroep in cassatie heeft aangetekend, kan de benadeelde partij niets doen. “De wet bevat voor de fase na het hoger beroep niet een met art. 421 lid 4 Sv vergelijkbare regeling die de benadeelde partij toestaat dan zelfstandig door te procederen”, aldus Van Dorst.19 En als de indiener van het cassatieberoep door de Hoge Raad niet–ontvankelijk wordt verklaard, zal een namens de benadeelde partij ingediende schriftuur buiten bespreking blijven. Dat is het geval wanneer (i) het cassatieberoep te laat is ingesteld20, (ii) de schriftuur te laat is ingekomen21, (iii) er geen middelen zijn voorgesteld22, (iv) door of namens de indiener van het rechtsmiddel van cassatie een schriftuur is gepresenteerd die geen middelen van cassatie in de zin der wet bevat23 of (v) – en daar gaat het in deze aanvullende conclusie uitsluitend om – indien art. 80a RO is toegepast. Pas als het beroep in cassatie wel ontvankelijk is, kan de benadeelde partij een middel over een rechtspunt dat haar vordering betreft ter inhoudelijke behandeling aan de Hoge Raad voorleggen (art. 437, derde lid, Sv, waarover straks meer). In dit verband haal ik nog even de volgende overwegingen uit het arrest van HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 aan:

“4. Beoordeling van de schrifturen van de benadeelde partijen

4.1.

Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie appèl heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appèlrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. HR 26 februari 2002, LJN AD7011, NJB 2002, blz. 769). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten.

Dat brengt mee dat de Hoge Raad in de genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van een benadeelde partij.24

4.2.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de namens de benadeelde partijen ingediende schrifturen onbesproken moeten blijven.”

16.

Aandacht verdient ook het navolgende. Het Wetboek van Strafvordering heeft voor de cassatieprocedure nadere regels gesteld ten behoeve van de benadeelde partij, waarvan de naleving dwingend is voorgeschreven. Zo wordt de benadeelde partij, hier verder te verstaan als degene die zich als zodanig in het strafgeding heeft gevoegd, van elk ingesteld cassatieberoep vanwege het Openbaar Ministerie bij het gerecht dat het vonnis of het arrest heeft gewezen, kennis gegeven (art. 433, derde lid, Sv). Zijn de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad ontvangen, dan dient de Procureur-Generaal daarvan door middel van betekening kennis te geven aan de benadeelde partij en aan haar de mededeling te doen van hetgeen is bepaald in art. 437, derde lid, Sv (art. 435, tweede lid, Sv). In het derde lid van art. 437 Sv is de benadeelde partij de bevoegdheid gegeven om binnen een maand nadat voornoemde kennisgeving aan haar is verzonden, harerzijds door een advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt hetwelk, zoals gezegd, uitsluitend haar vordering betreft. De advocaat van de benadeelde partij kan desgewenst deze middelen schriftelijk dan wel mondeling toelichten. Is sprake van een aankondiging tot mondelinge toelichting op een openbare terechtzitting van de Hoge Raad, dan verwijst de enkelvoudige strafkamer de zaak naar de meervoudige strafkamer (art. 438, tweede lid aanhef en onder b, Sv). Ongetwijfeld met het oog op art. 6 EVRM – waarin onder meer het beginsel van hoor en wederhoor is vervat– zijn voorts in het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad enkele in acht te nemen regels opgenomen ter waarborging van een effectieve gebruikmaking van haar rechten in cassatie. Van Dorst wijst in dat verband tevens op “de gelijkheid van partijen en de contradictoire trekken van de rechtsstrijd over een civiele vordering”.25 Ingevolge art. V van het Procesreglement wordt de benadeelde partij een afschrift toegezonden van de cassatieschriftuur van de procespartij die het beroep in cassatie heeft aangetekend, indien deze (mede) betrekking heeft op haar vordering tot schadevergoeding. Daarbij is tevens voorzien in de mogelijkheid voor de advocaat van de benadeelde partij binnen dertig dagen na verzending van de bedoelde cassatieschriftuur een verweerschrift in te dienen. In de wet zelf, te weten in art. 439, vierde lid, Sv, is bovendien voorgeschreven dat aan de advocaat van de benadeelde partij die cassatiemiddelen voorstelt, een afschrift van de door (of namens) de Procureur-Generaal genomen conclusie wordt toegezonden, waarop de advocaat van de benadeelde partij schriftelijk kan reageren (art. 439, vierde lid en vijfde lid, Sv). Op grond van art. 444, tweede lid en derde lid, Sv ten slotte geeft de Procureur-Generaal tevens kennis aan de benadeelde partij van de beslissing van de Hoge Raad en verstrekt hij desgevraagd aan haar een afschrift van het arrest van de Hoge Raad.

17.

Het hiervoor aangehaalde beginsel van hoor en wederhoor, en de in art. V van bedoeld Procesreglement verankerde mogelijkheid voor de benadeelde partij om een verweerschrift te doen indienen door tussenkomst van een advocaat, kan niet anders betekenen dan dat de benadeelde partij in staat moet worden gesteld om te reageren op de cassatieschriftuur van de partij die in cassatie is gekomen, voor zover de middelen betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij. De vraag is - zoals Knigge al in zijn conclusie formuleerde – of dat ook moet gelden als alle middelen klaarblijkelijk kansloos zijn. Voorstelbaar is immers dat pas tot toezending van een afschrift van de schriftuur aan de benadeelde partij wordt overgegaan als het beroep niet op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard. Alsdan zou art. V van het Procesreglement daaraan moeten worden aangepast. Ik zou dat echter geen gelukkige gedachte vinden, omdat dit op gespannen voet komt te staan met dat beginsel van hoor en wederhoor en de door Van Dorst genoemde gelijkheid van partijen alsmede de contradictoire trekken van de rechtsstrijd over een civiele vordering, te meer indien toepassing wordt gegeven aan art. 80a RO ‘na de poort’ (daarover meer hierna in 39).

18.

De hiervoor gepresenteerde uiteenzetting van de rechten van de benadeelde partij in de fase van cassatie laat zien dat de desbetreffende voorschriften bedoeld zijn om – aldus Van Dorst26 - haar beter in staat te stellen gebruik te maken van haar (beperkte) bevoegdheden in cassatie.

19.

Ik kom nu toe aan mijn bespreking van art. 80a RO in relatie tot de benadeelde partij.

IV. Art. 80a RO en de benadeelde partij

20.

Op 1 juli 2012 is de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (Wet versterking cassatierechtspraak, Stb. 2012, 116) in werking getreden.27

21.

Artikel 80a RO luidt, voor zover relevant voor de beoordeling van deze aanvullende conclusie:

“1. De Hoge Raad kan, gehoord de procureur-generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

2.

De Hoge Raad neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat de Hoge Raad kennis heeft genomen van:

a. (…)

b. de schriftuur, houdende de middelen van cassatie, bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering; dan wel

c. (…)

3.

Het beroep in cassatie wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt.


4. Indien de Hoge Raad toepassing geeft aan het eerste lid, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.”

22.

Met art. 80a RO beoogt de wetgever een selectiemechanisme mogelijk te maken waarbij “aan de poort” inhoudelijk wordt getoetst of de schriftuur van de indiener van het cassatieberoep kans van slagen heeft en zich leent voor nadere behandeling in cassatie.28

23.

Mijn ambtgenoten Knigge, Machielse en Vellinga hebben zich ieder in een eigen conclusie vóór de hierboven aangehaalde overzichtsarresten van de Hoge Raad (zie voetnoot 1) uitgelaten over de (invulling van de) criteria voor toepassing van art. 80a RO en over het overgangsrecht bij dit artikel. De kwestie van het overgangsrecht maakte een belangrijk onderdeel van hun conclusies uit, maar voor deze aanvullende conclusie is zij niet relevant. Ik ga daar dan ook niet op in. Waar het mij hier wel om gaat, is dat de drie conclusies vooral ook duidelijk maken dat in de wetsgeschiedenis nauwelijks aandacht is besteed aan de concrete invulling van de ‘80a-criteria’. En inderdaad, na lezing van de parlementaire stukken resteren daarover vooral vragen. Tekenend is de vaststelling van de AG Knigge:

“5.5.1. (…). Ik zal daarom inventariseren op welke punten art. 80a RO de cassatieprocedure wijzigt. Het probleem daarbij is, zeg ik er maar meten bij, dat daarover weinig duidelijkheid bestaat. Dat komt vooral door de discrepantie die kan worden gesignaleerd tussen de tekst van art. 80a RO en de wijze waarop het wetsvoorstel door de verantwoordelijke bewindslieden is gepresenteerd en verdedigd . Volgens de tekst van de wet is sprake van een (extra) grond om cassatieberoepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het artikel heeft zo gezien betrekking op het door de cassatierechter te geven oordeel over het cassatieberoep. Zoals hierna zal blijken, is in de wetsgeschiedenis echter keer op keer benadrukt dat er geen verandering wordt gebracht in de beoordelingscriteria. Er zou enkel sprake zijn van een versnelde afdoening "aan de poort" van kansloze zaken. In die benadering verandert er dus niets aan de beoordeling van de zaak, maar wordt de procedure die tot de beoordeling leidt, aangepast. Nu zijn aparte, van de normale gang van zaken afwijkende procedurevoorschriften in art. 80a RO niet of nauwelijks te vinden. (…).”

En:

“5.5.3. Het is gezien het voorgaande zeer de vraag of een uitleg van art. 80a RO mogelijk is die zowel recht doet aan de wettekst en de ratio legis als aan de wetsgeschiedenis. Het nieuwe artikel roept in elk geval tal van interpretatieproblemen op die zich vanwege de gesignaleerde discrepanties niet eenvoudig laten beantwoorden. Nu hangt zoals gezegd van die antwoorden af wat in dit geval als een redelijke invulling van de onmiddellijke werking van de wet kan worden beschouwd. Toch zal ik niet proberen deze vragen van een finaal antwoord te voorzien. Ik beperk mij tot een verkenning van de problematiek teneinde aan te kunnen geven op welke punten duidelijkheid geschapen moet zijn voordat over een redelijke invulling van het overgangsrecht uitspraken kunnen worden gedaan. Ik merk daarbij op dat de onzekere inhoud van de wet een argument vormt om terughoudend te zijn met de dadelijke toepassing ervan. (…).”

24.

Vooreerst komt de vraag op wat hier onder “klachten” en onder “schriftuur” moet worden verstaan. Zijn daaronder ook de klachten en de schriftuur van de benadeelde partij begrepen? De Memorie van Toelichting en de daaropvolgende Kamerstukken hullen zich wat dat betreft in stilzwijgen.

25.

Bezien we de tekst van art. 80a RO zelf, dan zijn daarin twee gronden te onderkennen die tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep leiden. Dat is wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat (a) de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat (b) de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

26.

De eerste grond doelt onmiskenbaar op het ontbreken van voldoende belang van de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld, in strafzaken de verdachte of het Openbaar Ministerie.29 Het kan niet anders dan dat daarbij de schriftuur van de indiener van het cassatieberoep leidend is.

27.

Maar hoe zit dat bij de tweede grond? Een beperking zoals ten aanzien van de eerste grond expliciet aangebracht, ontbreekt met betrekking tot de tweede grond. Betoogd kan worden dat de grond “omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden” logischerwijs en ook in het licht van de zinsconstructie van het eerste lid van art. 80a RO aansluiten bij en mitsdien ook overeenkomen met het inleidende “wanneer de aangevoerde klachten” geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt etc. Aldus geredeneerd, volgt daaruit dat het om dezelfde klachten gaat, te weten die van de indiener van het cassatieberoep en in strafzaken niet ook die van de benadeelde partij.

28.

Dat neemt evenwel niet weg dat in art. 80a, tweede lid aanhef en onder b, RO is voorgeschreven dat de Hoge Raad de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet neemt dan na kennisneming van “de schriftuur, houdende de middelen van cassatie, bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering”. Artikel 437 Sv benoemt - kort samengevat - de schriftuur van respectievelijk het Openbaar Ministerie (lid 1), van de verdachte (lid 2) en van de benadeelde partij (lid 3). Nu het derde lid van art. 437 Sv – waarin de benadeelde partij de bevoegdheid is gegeven om binnen een bepaalde termijn harerzijds een cassatieschriftuur in te dienen – niet is buitengesloten, wekt de verwijzing naar art. 437 Sv in het tweede lid van art. 80a RO de indruk dat onder “schriftuur” mede de schriftuur van de benadeelde partij is te verstaan. Als dat juist is, rijst de vraag of daarvan de logische consequentie zou moeten zijn dat ook ingeval van niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO, de cassatieschriftuur van de benadeelde partij inhoudelijk behoort te worden beoordeeld. In de parlementaire stukken wordt deze vraag niet bevestigend, maar zeker ook niet ontkennend beantwoord, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat daarin de benadeelde partij in het geheel niet ter sprake komt. In de Memorie van Toelichting wordt omtrent art. 80a, tweede lid, RO slechts opgemerkt:

“In het tweede lid van artikel 80a Wet RO wordt aangegeven van welke documenten in beginsel kennis genomen moet zijn om te kunnen beslissen tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van het eerste lid. Het wetsvoorstel volgt hier grotendeels de keuze die de Commissie normstellende rol in haar rapport gemaakt heeft (blz. 43): in civiele zaken de dagvaarding of het verzoekschrift en (voor zover zich een wederpartij heeft gesteld, zie ook onderstaand) de conclusie van antwoord of het verweerschrift; in strafzaken de cassatieschriftuur (artikel 437 Sv); en in belastingzaken het beroepschrift waarbij beroep in cassatie wordt ingesteld, bedoeld in artikel 28 AWR en, voor zover ingediend, het verweerschrift.”30

29.

De passage uit het rapport van de Commissie normstellende rol Hoge Raad, getiteld “Versterking van de cassatierechtspraak”, waarnaar in bovenstaande passage wordt verwezen, houdt het volgende in:

“De commissie stelt zich voor dat de voor elke sector afzonderlijk in het leven te roepen selectiekamer, (…), zich in beginsel beperkt tot bestudering van: in civiele zaken, de cassatiedagvaarding dan wel het verzoekschrift tot cassatie en de conclusie van antwoord (eventueel in het incidenteel beroep); in strafzaken, de cassatieschriftuur en in belastingzaken het rekest, steeds waar nodig aangevuld met kennisneming van bepaalde processtukken.”

30.

Het is niet verwonderlijk dat mijn ambtgenoot Knigge omtrent art. 437 Sv en art. 80a RO in zijn conclusie vóór HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146 het volgende heeft opgemerkt:

“5.5.28. Een andere vraag houdt verband met de al even ter sprake gekomen schriftuur van de benadeelde partij (hiervoor, onder 5.5.22). Die vraag is of onder de in art. 437 Sv bedoelde schriftuur waarvan art. 80a lid 2 RO spreekt, ook de in art. 437 lid 3 Sv genoemde schriftuur van de benadeelde partij is begrepen. Die vraag hangt samen met een andere vraag, namelijk of onder de "klachten" waarvan in art. 80a lid 1 RO spreekt, alleen de klachten moeten worden begrepen van de partij die cassatie heeft ingesteld, dan wel of daartoe ook de klachten van de benadeelde partij moeten worden gerekend. Die vraag is van belang in het geval de verdachte (of het OM) middelen heeft ingediend die evident niet kunnen slagen, terwijl het middel van de benadeelde partij niet bij voorbaat kansloos moet worden geacht. Indien de vraag in de eerst vermelde zin wordt beantwoord (alleen de klachten van de insteller van het beroep tellen mee), lijkt de consequentie te zijn dat het middel van de benadeelde partij niet kan worden besproken omdat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is.(70)31 Art. 80a RO brengt dan dus een verslechtering van de positie van de benadeelde partij met zich mee. Dat is niet het geval als de vraag in de laatst vermelde zin wordt beantwoord (ook de middelen van de benadeelde partij tellen mee). (…)”

31.

Als men van mening is dat de wettekst van art. 80a, tweede lid, RO in samenhang bezien met de uitleg van de Memorie van Toelichting en de zienswijze van de Commissie normstellende rol tenminste ruimte openlaat voor de opvatting dat de Hoge Raad pas tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO kan komen, indien hij niet alleen van de inhoud van de schriftuur van de indiener van het cassatieberoep heeft kennisgenomen, maar ook van de inhoud van de schriftuur van de benadeelde partij, doet de vervolgvraag zich voor wat de zin daarvan dan zou zijn als ingeval van niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a RO de schriftuur van de benadeelde toch geen inhoudelijke bespreking behoeft. Als bekend, door de Hoge Raad is meermalen geoordeeld dat de wettelijke regeling geen grond biedt de klachten van de benadeelde partij te bespreken indien de indiener van het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Hoe de wetgever daartegen aankijkt is onduidelijk. Daaruit zou men een argument kunnen putten voor de stelling dat de wetgever kennelijk geen aanleiding heeft gezien de positie van de benadeelde partij in de fase van cassatie op welke wijze dan ook te wijzigen. Immers: had de wetgever dit bij afdoening op de voet van art. 80a RO anders gewild, zou hij dan te dien aanzien niet tenminste zijn bedoeling kenbaar hebben gemaakt?

32.

Sterk vind ik een dergelijke argumentatie niet, en die kant zou ik ook niet op willen, omdat aannemelijker is dat de wetgever bij de invoering van art. 80a RO in het geheel niet heeft stilgestaan bij eventuele consequenties daarvan voor de benadeelde partij. Ook meer in het algemeen spreken argumenten met als strekking dat de wetgever geacht kan worden met de wetssystematiek op de hoogte te zijn mij minder aan. Zoals mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie heeft laten zien, heeft de wetgever met art. 80a RO een product afgeleverd dat het systeem van de wet in tal van opzichten geweld aandoet en dat mede daardoor zo onduidelijk is dat men er alle kanten mee op kan.

33.

Zo kan men zich in aansluiting op het voorgaande – en met betrekking tot het onderhavige onderwerp bepaald niet onbelangrijk – eveneens afvragen of de niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in art. 80a RO inhoudelijk gezien wel gelijk gesteld kan worden met de andere gronden voor niet-ontvankelijkheid.

34.

Met name mijn ambtgenoten Vellinga en Knigge zijn op die vraag ingegaan in hun respectieve conclusie voorafgaand aan het overzichtsarrest van HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 onderscheidenlijk HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Beide komen, onafhankelijk van elkaar, na een analyse van de wettekst en de wetsgeschiedenis tot de slotsom dat het in strafzaken bij toepassing van art. 80a RO in wezen niet gaat om een evidente niet-ontvankelijkheid, maar om een verwerping van het cassatieberoep. Ik ga nu niet hun daartoe strekkend betoog integraal herhalen en meen daarvoor te mogen verwijzen naar hun conclusies. De essentie van hun op talrijke passages uit de wetgeschiedenis gebaseerde betoog is dat de beide Kamers bijkans wordt bezworen door de Minister van Veiligheid en Justitie dat alle klachten even serieus als voorheen zouden worden beoordeeld. Daartoe werden vast ook de klachten van de benadeelde partij gerekend, nu het tegendeel niet uit de wetsgeschiedenis blijkt. Dat de Hoge Raad ook na invoering van art. 80a RO in strafzaken niet kan afzien van een inhoudelijke beoordeling van de middelen zoals voorgesteld in de schriftuur van de indiener van het cassatieberoep (alsook van ambtshalve beoordeling van de uitspraak waarvan beroep), heeft de Minister nog eens tegenover de Eerste Kamer verzekerd, en wel als volgt:

“In geval van toepasselijkheid van artikel 80a RO zal er overigens geen sprake zijn van een minder vergaande inhoudelijke toetsing. De inhoudelijke toetsing blijft een toetsing in volle omvang. Er wordt een nieuwe afdoeningsmodaliteit geïntroduceerd die in voorkomende gevallen meebrengt dat een cassatieberoep in een eerder stadium tot een einde komt.”32

35.

Hier wringt natuurlijk iets; een inhoudelijke toetsing in volle omvang en het behoud van de ambtshalve toetsing, hoe spaarzaam ook van dit laatste instrument door de Hoge Raad pleegt te worden gebruik gemaakt, verdraagt zich niet met de aard van een zuivere niet-ontvankelijkverklaring. Niet-ontvankelijkheid brengt immers mee dat de rechter aan de inhoudelijke beoordeling en behandeling van de zaak niet toekomt. Treffend merkt mijn ambtgenoot Vellinga daarover in zijn conclusie op: “Hoe dan ook, het blijft een wat tweeslachtige oplossing, wel inhoudelijke beoordeling, ook ambtshalve, en een uitspraak geven die suggereert dat een en ander niet gebeurt”.

36.

Wat de ambtshalve cassatie als bedoeld in art. 440, eerste lid, Sv betreft: de Hoge Raad is zelf ambtshalve gaan casseren als door de feitenrechter ten onrechte niet op de vordering van de benadeelde partij is beslist.33 Als ik het wel heb geldt dat ook, of juist, als de benadeelde partij geen schriftuur heeft ingediend. Dat past lijkt mij ook bij de rechtsbeschermende taak van de Hoge Raad en de rechtsontwikkeling. Die ambtshalve aandacht onderstreept in dat verband dat het niet alleen gaat om de partij die in cassatie is gegaan. Daarbij komt dat volgens de Memorie van Toelichting de invoering van art. 80a RO niets afdoet aan de mogelijkheid van ambtshalve cassatie: “Zaken waarin nu ambtshalve cassatie plaatsvindt, zullen ook na invoering van artikel 80a Wet RO voor ambtshalve cassatie in aanmerking komen”.34 Deze opmerking sluit aan bij de andere visie waarvan de wetgever blijk heeft gegeven, de zienswijze waarin de niet-ontvankelijkheid in wezen wordt beschouwd als een verwerping van het beroep na een – althans in de woorden van de wetgever volledig - inhoudelijke beoordeling van de zaak.

37.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de wonderlijke figuur van niet-ontvankelijkheid bij toepassing van art. 80a RO naar haar betekenis niet overeenkomt met de zogenoemde evidente of zuivere gevallen van niet-ontvankelijkheid in cassatie. Omdat de mogelijkheid van een ‘80a-afdoening’ een inhoudelijke beoordeling niet overbodig maakt en geen ‘echte’ grond voor niet-ontvankelijkheid heeft geïntroduceerd, komt zij pas in beeld nadat is vastgesteld dat een zuiver geval van niet-ontvankelijkheid zich niet voordoet. Dus nadat is gebleken dat de zaak vatbaar is voor beroep in cassatie (art. 427 Sv en art. 445 Sv), het cassatieberoep tijdig is ingesteld (art. 432 Sv en art. 446 Sv), de schriftuur tijdig is ingezonden (art. 437 Sv en art. 447 Sv) en er middelen (in de zin der wet) zijn voorgesteld. De ‘80a-beoordeling’ mag dan bedoeld zijn als selectiemechanisme aan de poort, de ophaalbrug is al wel neergelaten.

38.

Veelzeggend is voorts wat mijn ambtgenoten Vellinga en Knigge over de benadeelde partij en art. 80a RO in hun meergenoemde conclusies hebben geschreven, te weten:

Vellinga

“19.De positie van de benadeelde partij

19.1.

Art. 437 lid 3 Sv bepaalt dat de benadeelde partij binnen een maand nadat haar de kennisgeving is verzonden dat de griffier van de Hoge Raad de stukken van het geding heeft ontvangen (art. 435 lid 1 Sv), harerzijds bij de Hoge Raad een schriftuur kan doen indienen, houdende middelen van cassatie uitsluitend betreffend een rechtspunt dat haar vordering betreft. Kan echter de verdachte respectievelijk het Openbaar Ministerie niet in het beroep in cassatie worden ontvangen dan is de Hoge Raad niet bevoegd te oordelen over de schriftuur van de benadeelde partij (HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003/329). De vraag is of een dergelijk gevolg ook verbonden is aan een cassatieberoep dat op de voet van art. 80a niet ontvankelijk wordt verklaard. Zoals hiervoor onder 12.1 reeds aan de orde is gekomen is deze niet-ontvankelijkheid in wezen een verwerping van het cassatieberoep. Daarom zou ik menen dat een niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO geen belemmering vormt voor het bespreken van middelen van de benadeelde partij.

19.2.

In beginsel is art. 80a RO ook van toepassing op de middelen van de benadeelde partij. Probleem is dat de benadeelde partij niet in cassatie kan gaan doch slechts middelen mag indienen. Een niet-ontvankelijkheid in het — door haar niet ingestelde — beroep in cassatie past dus niet. Afdoening op de voet van art. 81 RO lijkt daarom de eenvoudigste oplossing.

19.3.

Hiervoor onder 16 is reeds aangesneden dat ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak aan het licht kan brengen dat verzuimd is op de vordering van de benadeelde partij te beslissen en in zoverre ambtshalve vernietiging van de uitspraak waarvan beroep aangewezen is. Is art. 80a van toepassing dan kan een niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep worden uitgesproken behalve voor zover niet is beslist op de vordering van de benadeelde partij en kan de zaak vervolgens worden afgewerkt volgens het patroon van art. 440 lid 2 Sv.”

En

Knigge

“5.5.22. Ik kom nu toe aan het argument dat ontleend zou kunnen worden aan het tweede lid van art. 80a RO. Ik wijs er daarbij op dat de in art. 437 Sv bedoelde schriftuur waarvan het artikellid spreekt, niet uit de lucht komt vallen. Die schriftuur kan moeilijk anders bij de Hoge Raad zijn binnengekomen dan na de in art. 435 Sv bedoelde aanzegging, die volgens dat artikel dient te geschieden na de ontvangst van de stukken.(63) Volgens het tweede lid van dat artikel moet na ontvangst van de stukken eveneens een kennisgeving uitgaan naar de benadeelde partij, die erop moet worden gewezen dat zij zelf ook een schriftuur kan indienen. Aangezien de toepassing van art. 80a RO in dit stadium van de procedure nog niet aan de orde is, kan aan dit artikel bezwaarlijk een argument worden ontleend om art. 435 lid 2 Sv buiten toepassing te laten. Over de vraag of de schriftuur van de benadeelde partij bij de toepassing van art. 80a RO moet worden betrokken, kom ik aanstonds apart te spreken. (…).

5.5.23.

Normaal gesproken hebben de verdachte en de benadeelde partij het recht om hun schriftuur op de eerste rechtsdag mondeling toe te lichten. De verdachte heeft bovendien het recht om het cassatieberoep van het OM tegen te spreken. Als van dit recht gebruik wordt gemaakt, dient de rolrechter de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen (art. 438 lid 2 sub a). De vraag is of de rolrechter hiervan in zoverre mag afwijken dat hij de zaak eerst naar de meervoudige kamer verwijst ter beoordeling van de vraag of de zaak zich voor afdoening op voet van art. 80a RO leent. Met andere woorden: geldt het recht op toelichting en tegenspraak alleen voor zaken die er niet aan de poort zijn uitgezeefd? Een andere vraag - die ook speelt als niet de wens te kennen is gegeven om toe te lichten of tegen te spreken - is waarop de verwijzing naar de meervoudige kamer voor de art. 80a RO-toets dient te worden gebaseerd. Verwijzing op voet van art. 438 lid 2 sub c Sv kan alleen als de rolrechter daarbij de dag van de uitspraak bepaalt, hetgeen nog afgezien van het bepaalde in art. 439 lid 2 Sv (waarover aanstonds) niet goed mogelijk is omdat de uitkomst van de toets ook kan zijn dat er geen reden is om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.(64) Verwijzing op voet van art. 438 lid 2 sub d Sv (verwijzing is "wenselijk") lijkt daarom passender.(65) Toch doet zich ook hier een moeilijkheid voor. De meervoudige kamer kan de zaak "wederom" naar de rolrechter verwijzen als zij geen reden ziet om art. 80a RO toe te passen. De vraag is of die verwijzing ook nodig is als de kamer wél meent dat art. 80a RO moet worden toegepast. Kan zij uitspraak doen als de rolrechter geen dag voor de uitspraak heeft bepaald?”

39.

Dan nog een enkele opmerking over de tegenwoordige toepassing van art. 80a RO ‘na de poort’. Daarmee wordt gedoeld op zaken die niet al meteen ‘aan de poort’ op ‘80a’ zijn geselecteerd, maar die het normale traject hebben doorlopen – met een ’81 RO’ bespreking van de Advocaat-Generaal leidende tot verwerping van het beroep, al dan in samenhang met vernietiging wat de opgelegde straf betreft en vermindering daarvan - om op het laatste moment toch met toepassing van art. 80a RO te worden afgedaan.35 Juist ook deze variant maakt het nogal wrang dat de benadeelde partij eerst wordt uitgenodigd om een schriftuur in te dienen, zij vervolgens ziet dat haar klachten in de conclusie van de Advocaat-Generaal worden besproken – over opgewekte verwachtingen gesproken – en tot slot toch te horen krijgt dat haar klachten buiten bespreking dienen te blijven.36 Zou ook en vooral hier niet de rechtsbescherming een rol behoren te spelen? Weliswaar is de rechtsbescherming in art. 80a RO ongenoemd gelaten, maar dat neemt uiteraard niet weg dat naast de bevordering van rechtseenheid en rechtsontwikkeling ook de rechtsbescherming tot de taken van de Hoge Raad wordt gerekend. Rechtsbescherming blijft een zelfstandige functie van het beroep in cassatie, schrijft mijn ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie37, en dat betekent mijns inziens dat als het cassatieberoep ‘80a’ kan worden afgedaan, omdat de indiener ervan daar niet voldoende belang bij heeft, het wezenlijke punt van rechtsbescherming aangaande de benadeelde partij nog altijd overeind staat. Natuurlijk wordt het strafprocesrecht sterk ingekleurd door de onderlinge verhouding van verdachte en Openbaar Ministerie en dient het met betrekking daartoe te voldoen aan de maatstaven van een eerlijk proces waarin de verdedigingsrechten worden gerespecteerd. Maar daarnaast staat dat het slachtoffer aan datzelfde strafproces deelneemt - en zelfs in toenemende mate -, met eigen belangen en bevoegdheden. Voor deze rechtsontwikkeling zou toch ook, indien daarvoor interventie van de wetgever niet nodig is, de eindfase van cassatie moeten kunnen openstaan? Ik vermag niet in te zien waarom daar het belang van de partij die in cassatie is gegaan op volle aandacht mag rekenen en dat door deze eenzijdige gerichtheid de rechtsbeschermende taak van de Hoge Raad ten aanzien van de benadeelde partij die een schriftuur heeft ingediend een ondergeschoven functie krijgt. Ook op het niveau van het beroep in cassatie dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat het slachtoffer, hier in de hoedanigheid van de benadeelde partij die een schriftuur heeft ingezonden, (verdere) schade in zijn eigen belang ondervindt. Dat de Hoge Raad in het kader van art. 80a RO ruimte heeft om zonder tussenkomst van de wetgever zijn rechtsbeschermnende taak ook tegenover de benadeelde partij te vervullen, hoop ik in de voorgaande beschouwing aannemelijk te hebben gemaakt.

VI. Slotsom

40.

Het wordt tijd voor een afronding van deze voorbeschouwing. Zoals zo vaak gaat het om een keuze uit conflicterende argumenten en daarmee om een waardering van die argumenten. Wat moet het zwaarst wegen? Daarover kan verschillend worden gedacht.

41.

Niettemin meen ik op grond van al het voorgaande dat er valide argumenten zijn aan te voeren op grond waarvan de Hoge Raad bij toepassing van art. 80a RO alsnog de deur voor de benadeelde partij kan openzetten – en in zoverre ‘om’ gaat -, en wel in die zin dat al wordt het beroep in cassatie op grond van die bepaling niet-ontvankelijk verklaard, de schriftuur van de benadeelde partij ‘gewoon’ inhoudelijk wordt beoordeeld nu wettelijke belemmeringen en de rechtsontwikkeling daaraan niet in de weg staan. Bij wijze van korte samenvatting kan daarbij het volgende in aanmerking worden genomen:

- de Hoge Raad heeft de ruimte en het instrumentarium om de onderhavige problematiek zelf op te lossen; ingrijpen door de wetgever is niet noodzakelijk;

- ontwikkelingen, ook op wetgevend terrein (zowel nationaal als internationaal), tonen een aanwezigheid van groeiend besef dat de positie van het slachtoffer in het strafproces nog altijd versterking behoeft;

- de niet-ontvankelijkheid als bedoeld in art. 80a RO is, zeker in het licht van de bedoeling van de wetgever, in wezen een verwerping van het beroep, zodat niet al te zwaar hoeft te worden getild aan een zekere inconsistentie met de zuivere gevallen van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de daaraan verbonden nadelige consequentie voor de benadeelde partij die een schriftuur heeft ingediend38;

- het in deze aanvullende conclusie door mij bepleite standpunt past in (i) de huidige rechtsontwikkeling, (ii) de rechtsbeschermende taak van de Hoge Raad; (iii) de mogelijkheid van de Hoge Raad om ambtshalve te casseren indien door de feitenrechter ten onrechte niet op de vordering van de benadeelde partij is beslist, (iv) de tegenwoordige toepassing van art. 80a RO door de Hoge Raad ‘na de poort’;

- in voorkomende gevallen wordt tegemoetgekomen aan het zelfstandige belang van de benadeelde partij die via zijn advocaat een schriftuur heeft ingediend – welk belang zij uiteraard niet verliest ingeval van een niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO – zonder dat haar lot afhankelijk is van de kwaliteit van de schriftuur met middelen van de indiener van het cassatieberoep en het voorkomen van een geforceerde uitwijking naar een ’81 RO –afdoening’39;

- behoud en realisatie van de zin om de benadeelde partij uit te nodigen tot het indienen van een schriftuur.40

42.

Rest mij thans – mijn slotsom leidt daar immers toe - het middel van de benadeelde partij te bespreken.

VII Beoordeling van het middel van de benadeelde partij

43.

De benadeelde partij is op 10 april 2013 kennis gegeven van de ontvangst van de stukken van het geding als bedoeld in art. 435, tweede lid, Sv. In deze kennisgeving is de benadeelde partij gewezen op art. 437, derde lid, Sv waarin te lezen valt dat de benadeelde partij bevoegd is, binnen een maand nadat de in het tweede lid van art. 435 Sv bedoelde kennisgeving is verzonden, “harerzijds bij de Hoge Raad door een advocaat een schriftuur te doen indienen, inhoudende haar middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft”. Aan dit wettelijk vereiste voldoet de schriftuur van de benadeelde partij, nu mr. Sijmons zich bij brief van 25 april 2013 als advocaat van de benadeelde partij heeft gesteld en op 8 mei 2013 een door hem namens de benadeelde partij opgesteld schriftuur bij de Hoge Raad is ingekomen.

44.

Het middel houdt in dat in het bijzonder de artikelen 361, vierde lid, en 415 Sv zijn geschonden doordien het Hof de afwijzing van de vordering niet nader heeft gemotiveerd, zodat de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

45.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 631,71, bestaande uit € 281,71 aan materiële schade en € 350,- aan immateriële schade. De vordering is bij vonnis van de Rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 531,71 (waaronder € 250,- aan immateriële schade).

46.

Blijkens het voegingsformulier is de materiële schade opgebouwd uit telefoonkosten, reiskosten, parkeergeld en eigen risico ziektekostenverzekering. Volgens het schadeonderbouwingsformulier betreffen de telefoonkosten het verbruik van het beltegoed van € 25,- wegens telefoontjes aan politie, ziekenhuis, werkgever, huisarts, ouders en advocaat. De reis- en vervoerskosten hebben betrekking op bezoeken aan het ziekenhuis, de huisarts en het politiebureau. Daarbij zijn gevoegd een drietal parkeerkwitanties. Het eigen risico van € 155,- is opgegaan aan het maken van een röntgenfoto, echo en SEH, maar ten aanzien daarvan was het blijkens het schadeonderbouwingsformulier niet gelukt tijdig een afschrift te krijgen en te produceren. De bijlage 3 en 4 betreffen medische informatie van de afdeling röntgenologie en heelkunde over een (mogelijke) zwelling in het kaakgewricht en het maken van een foto. Voorts is bijgevoegd p. 179 van (kennelijk) de ANWB Smartengeldgids.

47.

De benadeelde partij heeft zich, gezien het wensenformulier van 18 juli 2012, in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

48.

Op de terechtzitting van het Hof van 23 oktober 2012 heeft de benadeelde partij gebruik gemaakt van haar spreekrecht en daarbij het volgende meegedeeld:

“Het is altijd vervelend als je wordt betrokken in een burenruzie. Mijn gevoel van veiligheid is door dit incident aangetast. Verdachte ging op 4 mei 2011 compleet door het lint. Hij was niet voor rede vatbaar. Er viel niet met hem te praten. Door dit incident heb ik last gekregen van slaapproblemen.”

49.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof voor zover thans van belang bewezenverklaard dat:

“2:

hij op 04 mei 2011 te De Meern, gemeente Utrecht,

- (…)

- opzettelijk mishandelend [benadeelde] tegen haar hoofd, heeft geslagen waardoor voornoemde [benadeelde] pijn heeft ondervonden”

50.

In het bestreden arrest heeft het Hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij overwogen:

“Naar het oordeel van het hof is de gestelde schade door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte onvoldoende belegd met bewijsstukken. Verdachte is daarom niet ter vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.”

51.

Vooropgesteld moet worden dat een onderzoek naar de door de benadeelde partij gestelde kosten van feitelijke aard is en dat daarvoor in cassatie in beginsel geen plaats is. Dat neemt niet weg dat de motivering van het Hof dienaangaande zich wel in cassatie op haar begrijpelijkheid laat toetsen.

52.

Gelet op het door het Hof bewezenverklaarde, het schadevergoedingsformulier, het schadeonderbouwingsformulier met bijlagen en de verklaring van de benadeelde partij op de terechtzitting van het Hof, ben ik van mening dat ’s Hofs oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde schade – naar ik begrijp op alle onderdelen daarvan - onvoldoende met bewijsstukken is belegd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

53.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 september 2012, ECLI:HR:2012:BX0129, BX0132, BX0146 en BX7004, NJ 242-244 m.nt. Bleichrodt.

2 Zie voor een uitgebreider historisch overzicht: F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, tweede druk, 2010, p. 1-10.

3 Zie voor een beschrijving van de oude wetgeving: M.S. Groenhuijsen, Schadevergoeding voor slachtoffers van delicten in het strafgeding (diss.), 1985.

4 Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3 (MvT), p. 3 e.v. en Kamerstukken II 2004/05, 30 143, nr. 3 (MvT), p. 1.

5 Van Dorst wil in zijn studiepocket strafrecht nog niet van een zelfstandige positie van het slachtoffer in het strafproces spreken. Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, 2012, p. 31. Anders G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende door M.J. Borgers bewerkte druk, 2011, p. 56: “Hiermee is aan het slachtoffer een zelfstandige – en niet slechts een van de hoedanigheid waarin het slachtoffer optreedt, afgeleide – (rechts)positie toegekend”. Volgens T. Kooijmans kan dit worden aangemerkt als “een unieke doorbraak met grote symbolische waarde”. Zie zijn oratie “Dat is mijn zaak!”, Tilburg 2011, p. 31.

6 PbEG 22 maart 2001, I, 82.

7 In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de ‘Wet versterking positie slachtoffer’ werd nog opgemerkt dat deze versterking niet betekent dat het slachtoffer wordt erkend als afzonderlijke partij in het strafproces, noch dat hij een aan de verdachte en het Openbaar Ministerie gelijkwaardige positie inneemt (Kamerstukken II 2004/05, 30 143, nr. 3, p. 7 en 9). Wat de benadeelde partij betreft, schrijft Van Dorst (a.w., p. 31 en 123) dat het strafproces niet moet worden overschaduwd door haar (civiele) vordering.

8 Zie Corstens, a.w., p. 34 en 74.

9 En zo ook als de vervolging plaatsvindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

10 Zie voor een nadere beschrijving van deze rechten: Langemeijer, a.w., p. 73 e.v.

11 Zie hierover onder meer: A.L.J. van Strien, De positie van het slachtoffer in het strafproces, in: M.S. Groenhuijsen en G. Knigge (red.), Strafvordering 2001, eerste interim-rapport, p. 249-265 en C.P.M. Cleiren, Het opstandige slachtoffer, preadvies NJV 2003, p. 33-104.

12 Wet van 21 juli 2004, Stb. 2004, 382.

13 Kamerstukken II 2011/12, 33 176, nr. 3, p.1.

14 Dat kan ingevolge art. 51f, tweede lid, Sv ook een bepaalde erfgenaam zijn.

15 Daarmee wilde de wetgever het groot aantal niet-ontvankelijkverklaringen aan de hand van het voordien geldende criterium ‘niet van eenvoudige aard’ terugdringen. Zie Kamerstukken II 2007/08, 30 143, nr. 16 en Langemeijer, a.w., p. 107.

16 Vgl. HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2536.

17 Gaat het Openbaar Ministerie in cassatie enkel met de bedoeling zich te keren tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, dan wordt het niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep (HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AL6537, NJ 2003/557).

18 Geheel nieuw is dat overigens niet: wanneer de Hoge Raad oordeelt dat de door de indiener van het cassatieberoep ingezonden schriftuur geen middelen bevat, blijkt dezelfde afhankelijkheid. Zie bijvoorbeeld HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4496.

19 Van Dorst, a.w., p. 125.

20 HR 8 mei 2001, LJN ZD2662 (niet gepubliceerd).

21 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329.

22 HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9031 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6052.

23 In dat geval wordt het ervoor gehouden dat de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, zodat niet in acht is genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv en hij deswege in het cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Zie HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4496 (rov.2.1): “Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.” Ik wijs erop, zonder in deze aanvullende conclusie op die specifieke figuur in te gaan, dat ook om tot dat oordeel te kunnen komen een zekere inhoudelijke beoordeling nodig is.

24 Kritisch daarover: G.P. Hamer, Het slachtoffer in de strafvorderlijke cassatieprocedure, NJB 2008, p. 386-389. Zie ook Corstens, a.w., p. 824: “Dat is een ernstige omissie waardoor de belangen van slachtoffers worden miskend. De wetgever zou dit moeten oplossen.”

25 Van Dorst, a.w., p. 126.

26 A.w., p. 126.

27 Zie het Besluit van 18 april 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet versterking cassatierechtspraak (Stb. 2012, 175).

28 Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 15 en Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 6, p. 3.

29 Artikel 427 Sv bepaalt dat beroep in cassatie openstaat voor het Openbaar Ministerie en voor de verdachte. De benadeelde partij heeft, als gezegd, zelf geen mogelijkheid beroep in cassatie in te stellen.

30 Kamerstukken II, 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 20.

31 Noot 70 in de conclusie van Knigge houdt in: “Vergelijk HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003/329, waarin de verdachte niet tijdig een schriftuur had ingediend. De Hoge Raad zou niet anders hebben geoordeeld als de verdachte tijdig een schriftuur had ingediend met ondeugdelijke middelen. De vraag is of er reden is om anders te oordelen als de middelen klaarblijkelijk kansloos zijn.”

32 Kamerstukken I 2011/12, 32 576, nr. C, p. 1-2.

33 Vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9541, NJ 2003/574. Zie voorts (met name overweging 33 van) de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga vóór 24 februari 2004, NJ 2004/477 waarin hij de ambtshalve cassaties van de Hoge Raad inventariseert. Zie ook Van Dorst, a.w., p. 102-104 (met name p. 103).

34 Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 20.

35 Zie bijvoorbeeld HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3499, HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3502 en HR 8 oktober 2013, ECLI:HR:2013:902.

36 Zelfs is niet uitgesloten dat de Advocaat-Generaal met het oog op de bespreking van de schriftuur van de benadeelde partij in zijn of haar conclusie stukken opvraagt bij het gerechtshof of de rechtbank.

37 Zie voor een kritische blik op de uitoefening van de rechtsbeschermende taak door de Hoge Raad: Willem Jebbink, Hoe zuiver is de strafkamer van de Hoge Raad?, in: NJB 3 mei 2013, afl. 18, p. 1201-1205.

38 Daargelaten dat de eigenlijke inconsistentie erin zit dat de wetgever aan de toepassing van art. 80a RO het gevolg van niet-ontvankelijkheid en niet dat van verwerping heeft verbonden.

39 Ik merk daarbij op dat een ‘81 RO-afdoening’ met zich kan brengen dat de bestreden uitspraak wat betreft de opgelegde straf dient te worden vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn en dat de opgelegde straf moet worden verminderd, welke mogelijkheid zich bij toepassing van ‘art. 80a’ niet voordoet.

40 Daaraan doet niet af dat die zin er (ook) niet is ingeval sprake is van een ‘echte’ niet-ontvankelijkheid, bijvoorbeeld doordat de schriftuur van de indiener van het cassatieberoep te laat is ingediend. Alle kleine beetjes die dat zo mogelijk anders kunnen maken, helpen naar mijn mening.