Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1949

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
12/05810
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1967, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

29 oktober 2013

mr. Vegter

nr. 12/05810

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 15 augustus 2012 heeft het Hof te Arnhem verdachte wegens ‘opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Namens de verdachte heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

3. Tegen dezelfde verdachte is een zaak aanhangig onder nummer 13/00265. De onderhavige zaak hangt hiermee inhoudelijk samen nu de bewezenverklaring betrekking heeft op het gebruik van een geschrift in de andere zaak.

4. Het middel richt zich tegen de kwalificatiebeslissing van hetgeen ten laste van verdachte bewezen is verklaard.

5. Bij inleidende dagvaarding van 13 mei 2011 is aan verdachte ten laste gelegd dat

‘hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 augustus 2010 tot en met 20 oktober 2010 te De Steeg, gemeente Rheden, en/of Bemmel, gemeente Lingewaard, en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid:
- een verklaring van [betrokkene 1], gedateerd en ondertekend op 15 september 2010 en/of
- een verklaring van [betrokkene 2], gedateerd en ondertekend op 15 september 2010 en/of
- een zgn. Bill of Sale van [betrokkene 3], gedateerd 9 juli 2010, en gericht aan [betrokkene 4]
heeft/hebben opgesteld waaruit (onder meer) zou blijken - zakelijk weergegeven -:
- dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] op 09 juli 2010 het paard Cascade de Licorne zou hebben verkocht aan [betrokkene 5] in Griekenland voor een bedrag van 36.000 Euro en/of
- dat [betrokkene 2] voornoemd bedrag van 36.000 Euro op 01 augustus 2010 van genoemde [betrokkene 4] in ontvangst zou hebben genomen en voor [betrokkene 1] in bewaring zou hebbengenomen en/of
- dat voornoemd paard Cascade de Licorne op 02 augustus 2010 door [verdachte] is vervoerd/overgebracht naar Stoeterij [A] en/of
- dat [verdachte] voornoemd bedrag van 36.000 Euro ten behoeve van [betrokkene 1] op 02 augustus 2010 van [betrokkene 2] in ontvangst en/of bewaring heeft genomen,
zulks terwijl een verkoop danwel overdracht van geld, zoals bovenomschreven, niet heeft plaatsgevonden,

en/of (vervolgens) deze verklaring(en) en/of Bill of Sale aan het Openbaar Ministerie te Arnhem heeft/hebben doen toekomen als bjilage(n) bij een brief van 20 oktober 2010 van de raadsman van [verdachte], te weten mr. P.R.M. Noppen (in het kader van een lopende strafzaak tegen [verdachte] met parketnummer 05-702596-10, om daarmee aan te tonen dat een tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 03 augustus 2010 aangetroffen geldbedrag van 36.000 Euro niet van die [verdachte] zou zijn);
art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht’.

6. Het Hof heeft bewezen verklaard dat verdachte

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 augustus 2010 tot en met 20 oktober 2010 te De Steeg, gemeente Rheden, en/of Bemmel, gemeente Lingewaard, en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) dat een ander of anderen opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid:
- een verklaring van [betrokkene 1], gedateerd en ondertekend op 15 september 2010 en/of
- een verklaring van [betrokkene 2], gedateerd en ondertekend op 15 september 2010 en/of
- een zgn. Bill of Sale van [betrokkene 3], gedateerd 9 juli 2010, en gericht aan [betrokkene 4]
heeft/hebben opgesteld waaruit (onder meer) zou blijken - zakelijk weergegeven -:
- dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] op 09 juli 2010 het paard Cascade de Licorne zou hebben verkocht aan [betrokkene 5] in Griekenland voor een bedrag van 36.000 Euro en/of
- dat [betrokkene 2] voornoemd bedrag van 36.000 Euro op 01 augustus 2010 van genoemde [betrokkene 4] in ontvangst zou hebben genomen en voor [betrokkene 1] in bewaring zou hebbengenomen en/of
- dat voornoemd paard Cascade de Licorne op 02 augustus 2010 door [verdachte] is vervoerd/overgebracht naar Stoeterij [A] en/of
- dat [verdachte] voornoemd bedrag van 36.000 Euro ten behoeve van [betrokkene 1] op 02 augustus 2010 van [betrokkene 2] in ontvangst en/of bewaring heeft genomen,
zulks terwijl een verkoop danwel overdracht van geld, zoals bovenomschreven, niet heeft plaatsgevonden,
en/of verdachte (vervolgens) deze verklaring(en) en/of Bill of Sale aan het Openbaar Ministerie te Arnhem heeft/hebben doen toekomen als bijlage(n) bij een brief van 20 oktober 2010 van de raadsman van [verdachte], te weten mr P.R.M. Noppen (in het kader van een lopende strafzaak tegen [verdachte] met parketnummer 05-702596-10, om daarmee aan te tonen dat een tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 03 augustus 2010 aangetroffen geldbedrag van 36.000 Euro niet van die [verdachte] zou zijn);

7. Aan de tenlastelegging heeft het Hof die onderstreepte woorden toegevoegd en bewezenverklaard: achtereenvolgens ‘verdachte’, ‘dat een ander of anderen’ en ‘verdachte’. Hierover wordt in cassatie evenwel niet geklaagd zodat dit verder onbesproken kan blijven.

8. Met betrekking tot het bewijs heeft het Hof nog een en ander overwogen dat van belang is voor de daarop gevolgde kwalificatiebeslissing. De overweging luidt als volgt:

‘De advocaat-generaal heeft gevorderd dat - conform het vonnis van de politierechter - bewezen kan worden verklaard het medeplegen van het valselijk opmaken van de in de tenlastelegging genoemde geschriften. Het hof is hieromtrent van oordeel dat vast is komen te staan dat deze stukken vals zijn. Er is echter onvoldoende bewijs voorhanden om betrokkenheid van verdachte bij het valselijk opmaken van deze stukken bewezen te verklaren.

Het hof acht wel bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften (als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat toen hij de in de tenlastelegging genoemde geschriften onder ogen kreeg, hij wist dat deze valselijk waren opgemaakt. Vervolgens heeft hij deze geschriften bij zijn raadsman laten bezorgen om in een andere strafzaak tegen hem aan te tonen dat een in zijn huis gevonden geldbedrag niet van hem was, aldus de verdachte. Verdachte heeft derhalve naar het oordeel van het hof opzettelijk gebruik gemaakt van deze geschriften als waren zij echt en onvervalst.

Dat de verkoop van het paard en de overdracht van het geld niet hebben plaatsgevonden en de geschriften vals zijn, blijkt ook uit de verklaring van [betrokkene 2], de verklaring van [betrokkene 6] en de verklaring van [betrokkene 7].’

9. Het Hof heeft het bewezen verklaarde strafbaar geacht en overwogen dat het oplevert ‘opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’.

10. Nu het Hof de bewezenverklaring heeft gekwalificeerd overeenkomstig het bepaalde in art. 225, tweede lid, Sr, moet de vraag worden beantwoord of het Hof heeft mogen aannemen dat daarmee de in genoemd artikellid opgenomen bestanddelen zijn vervuld. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat dit niet het geval is voor het bestanddeel ‘als ware het echt en onvervalst’ en ‘terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’. Daarnaast behelst de toelichting de klacht ‘dat in het arrest een bewezenverklaring is opgenomen van een feit dat geen strafbaar feit is’ omdat het bewezen verklaarde niet te kwalificeren valt.

11. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat de feitenrechter een ‘flinke speelruimte’ heeft de tenlastelegging overeenkomstig haar kennelijke strekking een uitleg te geven die met de bewoordingen ervan niet letterlijk overeenstemt, mits die uitleg met die bewoordingen niet onverenigbaar is.1 De feitenrechter komt eveneens een grote mate van vrijheid toe bij de beslissing welk delict de tenlastegelegde feiten opleveren.2 Hij is niet gebonden aan de kwalificatie die de opsteller van de tenlastelegging kennelijk op het oog heeft gehad (i.c. art. 225, eerste lid, Sr).3

12. Om tot een kwalificatie te kunnen komen, behoeft de tenlastelegging niet alle bestanddelen woordelijk te bevatten, als hetgeen ten laste is gelegd en vervolgens bewezen is verklaard maar de bestanddelen vervult.4 Vereist is ‘een met een bestanddeel van de delictsomschrijving corresponderend onderdeel’ uit de bewezenverklaring, zoals Pelser dat omschrijft.5 Aldus konden tenlasteleggingen waarin begrippen als ‘stelselmatig’, ‘mishandelend’ of ‘wederrechtelijk’ ontbraken, worden gekwalificeerd als ‘belaging’, ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ respectievelijk ‘oplichting’.6

13. Voor de onderhavige zaak gaat het om de volgende drie bestanddelen: ‘opzettelijk’, ‘als ware het echt en onvervalst’ alsmede ‘terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’. Dit zijn drie van de vier bestanddelen van art. 225, tweede lid, Sr, dat als volgt luidt:

‘Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.’

14. Hoewel niet woordelijk ten laste is gelegd dat de verdachte ‘opzettelijk’ gebruik heeft gemaakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst, is ten laste gelegd en heeft het Hof bewezen verklaard dat de verdachte de geschriften aan het OM heeft doen toekomen ‘om daarmee aan te tonen dat een tijdens de doorzoeking’ aangetroffen geldbedrag niet van verdachte zou zijn. Het Hof heeft het ‘doen toekomen […] om daarmee aan te tonen’ kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als een omschrijving van het ‘opzettelijk’ gebruiken van een vals geschrift als bedoeld in art. 225, tweede lid, Sr.

15. Met betrekking tot het bestanddeel ‘als ware het echt en onvervalst' is van belang dat ten laste is gelegd en het Hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte de geschriften – waaronder de Bill of Sale ‘aan het Openbaar Ministerie te Arnhem heeft doen toekomen als bijlage bij een brief van 20 oktober 2010 van de raadsman van [verdachte], te weten mr P.R.M. Noppen, in het kader van een lopende strafzaak tegen [verdachte] met parketnummer 05-702596-10 [dit is de samenhangende zaak, PCV], om daarmee aan te tonen dat een tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 03 augustus 2010 aangetroffen geldbedrag van 36.000 Euro niet van die [verdachte] zou zijn’. Het Hof heeft dit kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als een omschrijving van het bestanddeel ‘als ware het echt en onvervalst’ als bedoeld in art. 225, tweede lid, Sr.

16. De klacht die betrekking heeft op het bestanddeel ‘terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd zoals hierboven onder 1 is vermeld. Het betreft een van de delicten van art. 225, tweede lid, Sr, te weten ‘hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst’. Naast dit ‘gebruik maken’ behelst art. 225, tweede lid, Sr de delicten ‘afleveren’ en ‘voorhanden hebben’.7 Beide delicten zijn opgenomen in het onderdeel van art. 225, tweede lid, Sr dat betrekking op hij die ‘opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’. Het afleveren en voorhanden hebben zijn als delicten ingevoegd bij Wet van 4 juni 1992 tot wijziging van enige bepalingen inzake valsheid in geschrift in het Wetboek van Strafrecht, Stb. 287.8 Met andere woorden, het bestanddeel ‘terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’ maakt geen deel uit van het bewezen verklaarde feit noch van het feit zoals het Hof dit heeft gekwalificeerd.

17. Door het bewezen verklaarde te kwalificeren als onder 1 vermeld en ter zake de aldaar vermelde straf op te leggen, kan niet worden gezegd dat het Hof in strijd met art. 350 Sv niet op de grondslag van de tenlastelegging heeft beraadslaagd en beslist.

18. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

19. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van het bestreden arrest moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


A-G

1 Melai/Groenhuijsen, art. 261 Sv, aant. 7.3 (suppl. 125, oktober 2001, D.H. de Jong).

2 D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces, diss. Groningen, Arnhem: Gouda Quint BV 1981, p. 145.

3 HR 27 juni 1995, NJ 1996/126 (Klare Taal) r.o. 6.2.2 m.nt. M.S. Groenhuijsen onder NJ 1996/127 ‘Overigens kan de rechter oordelen dat aan het telastegelegde feit voor zover bewezenverklaard, een andere kwalificatie moet worden gegeven dan de opsteller van de telastelegging kennelijk op het oog heeft gehad.’.

4 HR 27 juni 1995, NJ 1996/126 (Klare Taal) r.o. 6.2.3 m.nt. M.S. Groenhuijsen onder NJ 1996/127 ‘feiten en omstandigheden […] op grond waarvan – indien deze worden bewezen – kan worden geoordeeld dat alle bestanddelen van een wettelijke delictsomschrijving zijn vervuld.’

5 C.M. Pelser, De naam van het feit. Over de kwalificatiebeslissing in strafzaken, diss. Leiden, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 109-110.

6 HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9184 (stelselmatig); HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6569 (mishandelend); HR 5 maart 1991, NJ 1991/531 (wederrechtelijk)

7 J.G. Postma & H.J.B. Sackers, ‘Valsheid in geschrift’, in H.J.B. Sackers & P.A.M. Mevis, Fraudedelicten, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 33 e.v. op p. 41-42.

8 Kamerstukken II 1988/89, 21 186, nr. 3, p. 11-12.