Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1943

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12/01747
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:194, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie en middel verdachte (art. 81.1 RO). Gewoontewitwassen. Afkomstig uit enig misdrijf. (middel OM) Het Hof heeft geoordeeld dat het i.c. vereiste nader onderzoek door het OM naar f&o "die de legale herkomst van de tlgd. geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten" onvoldoende is gebeurd en als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat hetgeen door het OM aan materiaal is gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen en dat ook overigens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de in de tll. genoemde geldbedragen en goederen (mede) "afkomstig was/waren uit enig misdrijf". Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bestanddeel "afkomstig (…) uit enig misdrijf" a.b.i. art. 420bis Sr en is ook niet onbegrijpelijk. V.zv. het middel het standpunt huldigt dat het Hof ten onrechte de eis heeft gesteld dat "het concrete bedrag of de concrete bedragen met voldoende precisie bewezen moeten kunnen worden" en dat niet kan worden volstaan met de bewezenverklaring van "enig geldbedrag", gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan wordt betoogd, heeft het Hof niet geoordeeld dat voor het bewijs van de in de tll. opgenomen bestanddelen "voorwerp afkomstig uit enig misdrijf" en "een geldbedrag" is vereist dat steeds de concrete brondelicten en de precieze omvang van de daaruit voortvloeiende gelden moeten worden bewezen, maar dat het bewijs daarvan i.c. ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01747

Zitting: 1 oktober 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 9 maart 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 4. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 12/01599 en 12/04518, in welke zaken ik heden eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

4. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal te Amsterdam M.E. de Meijer heeft eveneens een middel van cassatie voorgesteld.

I Het namens de verdachte voorgestelde middel

5. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde verboden wapenbezit niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

6. Ten laste van verzoeker heeft het Hof onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij op 1 februari 2010 te Beverwijk een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Glock, model 19, kaliber 9 x 19 mm, en munitie van categorie III, te weten 41 scherppatronen, merk MFS, kaliber 9 x 19 mm, voorhanden heeft gehad.”

7. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

21. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 2009030848 van 1 februari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (Dossiermap [verdachte] vde 1.01, doorgenummerde pagina's 72-76). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 februari 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

V: Wat is jouw verblijfplaats?

A: Ik woon samen met mijn partner [betrokkene] op de [a-straat 1] te Beverwijk.

22. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met het nummer 2009030848 van 1 februari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (Dossiermap [verdachte] vel.01, doorgenummerde pagina's 186-187 en 213). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevinding van de verbalisant:

Op 1 februari 2010 werd de woning [a-straat 1] te Beverwijk doorzocht. Tijdens de doorzoeking werd een aantal voorwerpen aangetroffen en in beslag genomen, te weten:

zakje inhoud vuurwapen, houder en patronen gevonden aan een haakje tussen schuur en woning.

23. Een proces-verbaal van bevindingen met het nummer AMB-01 van 2 februari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (Dossiermap [verdachte] ve1.01, doorgenummerde pagina's 216-217). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek vond onder leiding van de rechter-commissaris op maandag 1 februari 2010 een doorzoeking plaats in perceel [a-straat 1] te Beverwijk. [a-straat 1] is een gelijkvloerse woning, bestaande uit een woonkamer, keuken, badkamer, twee slaapkamers en aangrenzend een aantal schuren. Vanuit de achterste slaapkamer wordt via een deur toegang verschaft tot een kleine besloten binnenplaats. Een aantal van die schuren kan alleen via die besloten binnenplaats worden bereikt. Ik zag bij het betreden van de besloten binnenplaats, dat tussen de woning en de schuur een kleine ruimte van ongeveer 15 cm was vrijgehouden. De schuur stond als het ware los van de woning. Ik keek vervolgens in deze ruimte en zag aan een soort haakje een bruine stoffen zak hangen. Ik trok vervolgens de zaak aan het koortje omhoog en voelde dat er iets zwaars in de zak zat. Vervolgens opende ik de bovenzijde van de zak. Ik zag dat zich in de zak een pistool met een hoeveelheid patronen bevonden. Ik heb de zak met inhoud in beslag genomen.

24. Een proces-verbaal bevindingen met het nummer 2009030848-80 van 14 april 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (Dossiermap overige strafbare feiten # 03, doorgenummerde pagina's 1287-1288. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Door mij, verbalisant, taakaccenthouder Wet Wapens en munitie, wordt het volgende verklaard.

Op 6 april 2010 werd door hoofdagent [verbalisant 6] aan mij ter beschrijving overhandigd een pistool en 41 scherpe patronen.

Het op het adres [a-straat 1] te Beverwijk aangetroffen vuurwapen is een pistool van het merk Glock, model 19, kaliber 9 x 19 mm.

Het wapen is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder l van de Wet Wapens en munitie (het hof begrijpt: een vuurwapen van categorie III).

Bij het vuurwapen werden 41 scherppatronen aangetroffen van het kaliber 9 x 19 mm. Het betreft hier volmantel patronen van het merk MFS. Het betreft hier munitie als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Wet Wapens en Munitie.”

8. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2012 overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer aangevoerd:

“Feit 4: voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie

Wapen en de munitie tijdens de doorzoeking aangetroffen in een ruimte tussen de woonwagen van [verdachte] en zijn schuur. Ik ben van mening dat er vrijspraak moet volgen, nu de vereiste wetenschap op het voorhanden heeft ontbroken (HR 02-02-2010, LJN: BK6138).

[verdachte] heeft verklaard dat het niet zijn wapen is en dat hij niet heeft geweten dat het wapen daar hing. De verklaring is ook aannemelijk; er zijn geen vingerafdrukken of DNA van [verdachte] op gevonden.

En het is heel goed denkbaar dat iemand anders het daar neer heeft gehangen. En er is zelfs op het dak van een andere woonwagen een soortgelijk vuurwapen aangetroffen. Gelet op de observaties rijden en lopen er nogal wat mensen van allerlei pluimage het kamp op en af. Het OM verdenkt veel van die mensen van handel in softdrugs. De mogelijkheid dat één daarvan zijn wapen daar verstopt heeft, zonder dat * daarvan op de hoogte was, is denkbaar en niet uit te sluiten. Heel goed denkbaar dat derde wapen op voor een ieder toegankelijke plaats heeft verstopt. Handig om vuurwapen juist bij ander te verstoppen...

Vrijspraak dus bij gebrek aan wetenschap.”

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2012 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

U, voorzitter, houdt mij voor dat tijdens een doorzoeking een vuurwapen van het merk Glock en de daarbij behorende munitie in de besloten binnenplaats, die via de achterste slaapkamer van de woning kan worden betreden, zijn aangetroffen. U houdt mij voor dat het vuurwapen en de munitie waren verborgen in een zakje dat aan een haakje in de ruimte van ongeveer 15 centimeter tussen een zijmuur van de woonwagen en die van een aangrenzende schuur was opgehangen. U vraagt mij wat ik met dit vuurwapen moest. Het vuurwapen is niet van mij. Ik heb vijf keer een inval in mijn woning gehad. Bij ieder van die gelegenheden is mijn woning doorzocht. Nooit is er iets gevonden. Nu vinden ze opeens een vuurwapen en munitie. Ik weet niet wie het vuurwapen daar heeft opgehangen. Iedereen heeft de toegang tot het woonwagenkamp. Voor zover ik weet zijn er ook geen vingerafdrukken of DNA aangetroffen op

het vuurwapen en/of de munitie.

Op een vraag van de raadsman verklaart de verdachte - zakelijk weergegeven -:

U vraag mij wie er nog meer toegang hebben tot de binnenplaats. Iedereen kan daar komen. De schuur is ook vanaf de weg en via het dak te bereiken. Het woonwagenkamp is bovendien eenvoudig toegankelijk voor derden.”

10. Het Hof heeft bedoeld verweer in zijn bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

“Overwegingen ten aanzien van het bewijs van het onder 4 ten lastegelegde

De raadsman heeft bij pleidooi bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende munitie. De raadsman heeft daartoe in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte wist niet van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie. De ruimte waar de voorwerpen zijn aangetroffen was voor meer mensen toegankelijk. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een ander - buiten medeweten van de verdachte - het wapen en de munitie daar heeft achtergelaten, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hiertoe als volgt.

Het vuurwapen van het merk Glock en de daarbij behorende munitie zijn blijkens een proces-verbaal met betrekking tot het aantreffen van een vuurwapen bij gelegenheid van een doorzoeking van de woning van de verdachte in de besloten binnenplaats, die via de achterste slaapkamer van de woning kan worden betreden, aangetroffen. Het vuurwapen en de munitie waren verborgen in een zakje dat aan een haakje in de ruimte van ongeveer 15 centimeter tussen een zijmuur van de woonwagen en die van een aangrenzende schuur was opgehangen. Het hof is van oordeel dat deze ruimte, gelet op de beslotenheid ervan tot het privédomein van de verdachte moet worden gerekend.

Nu de verdachte ter onderbouwing van zijn stelling niet concreet heeft aangevoerd welke personen behoudens hijzelf en zijn partner toegang hadden tot de besloten binnenplaats, dan wel gebruik maakten van de aan die binnenplaats aangrenzende schuren, en overigens niet valt in te zien waarom een ander de voorwerpen op die plek op een dergelijke wijze zou willen verstoppen, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van die voorwerpen op die binnenplaats. Het hof betrekt voorts bij zijn oordeel dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat het vuurwapen in ieder geval niet van zijn partner is. Bij deze stand van zaken acht het hof bewezen dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad.”

11.

Strafbaar gesteld in art. 26 WWM is de kerngedraging ‘het voorhanden hebben’ van een wapen of munitie van de categorieën II en III.1 Wat daaronder precies moet worden verstaan, heeft de wetgever om begrijpelijke redenen in het midden gelaten. De casuïstiek in de praktijk is immers te gevarieerd en uiteenlopend om de kerngedraging in een voor alle gevallen geldende definitie te vatten. Hier ligt dus een taak voor de rechtspraak. Met het oog daarop heeft, bij de wetswijziging van 1995, de Memorie van Toelichting wel meegegeven dat de kerngedraging ruim moet worden uitgelegd.2 In rechtspraak en strafrechtsliteratuur zijn inmiddels enige lijnen getrokken die het ‘voorhanden hebben’ nader begrenzen. Heersend standpunt is thans toch wel dat het ‘voorhanden hebben’ in de zin van art. 26 WWM inhoudt dat sprake moet zijn van (i) het aantreffen van het wapen of de munitie van de categorieën II en III bij of in de directe omgeving van de verdachte, (ii) een machtsrelatie van de verdachte over dat wapen of die munitie en (iii) een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.3 Kort samengevat gaat het dus om drie strafbepalende factoren: aanwezigheid, machtsuitoefening en bewustheid. In de praktijk kunnen deze drie factoren al snel dicht bij elkaar liggen, en wel in deze zin dat naarmate het wapen en de munitie meer in de buurt van de verdachte worden gevonden, te eerder diens bewustheid daarvan kan worden aangenomen.4

12.

Omdat het er in deze zaak om spant of de verdachte gezegd kan worden zich bewust te zijn geweest omtrent de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie, nu zij beide niet in de woning, maar daarbuiten in een besloten en kleine binnenruimte tussen slaapkamer en schuur zijn aangetroffen, schets ik in het kort een kader aan de hand van enige casuïstiek en rechtspraak van de Hoge Raad wanneer (nog) wel en wanneer niet (meer) bewustheid werd aangenomen. Geen probleem in dat verband doet zich voor indien het vuurwapen bijvoorbeeld bij fouillering tevoorschijn komt. Ook als het vuurwapen in iemands woning wordt gevonden, zal in het algemeen al snel een zodanige relatie tussen bewoner en dat wapen en derhalve van bewustheid en beschikkingsmacht kunnen worden aangenomen.5 Maar niet altijd. Bewijsrechtelijk lastiger wordt het in het geval dat de verdachte tezamen met een ander of anderen (partner en kinderen, familieleden) in de woning verbleef. Het gaat dan immers om een woning, of een plek in de directe omgeving daarvan, waartoe meerdere personen onafhankelijk van elkaar toegang hebben. In deze variant zal de rechter in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zijn in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel dat sprake is geweest van bewustheid bij de verdachte nader moeten motiveren.6 Aan het aannemen van de bewustheid worden dan zwaardere eisen gesteld. Het verweer moet wel goed (en gedetailleerd) onderbouwd en niet onwaarschijnlijk zijn.7 Is tegenover een goed onderbouwde betwisting van de bewustheid – niet zelden door middel van een Meer- en Vaartverweer – de motivering van het Hof van de verwerping van het verweer gebrekkig, of kan de “meer of in mindere mate van bewustheid” niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid8, dan pleegt de Hoge Raad over te gaan tot vernietiging van de uitspraak.9

13.

Meer in het bijzonder wijs ik nog op de volgende uitspraken van de Hoge Raad. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van HR 7 december 2010, LJN BN2370, NJ 2010/682 was een vuurwapen en munitie aangetroffen in een door de verdachte gehuurde opslagruimte en had de verdachte ter terechtzitting verklaard dat ook anderen dan hijzelf de sleutel hadden van de opslag box. De Hoge Raad vernietigde omdat de bewijsmiddelen deze verklaring niet weerspraken. In HR 14 juni 2011, LJN BQ3804, NJ 2011/287 was een wapen gevonden in een opbergdoos in een kast van de kantoorruimte van de verdachte. Het Hof had geoordeeld dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust was geweest van de aanwezigheid van het wapen en dat aan één en ander niet in de weg staat dat mogelijk ook anderen dan de verdachte toegang hadden tot de kantoorruimte. De Hoge Raad vond dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep was aangevoerd met betrekking tot de vindplaats van het wapen en de vele momenten dat andere personen toegang hadden tot de plek waar het wapen was aangetroffen. Hoewel het niet gemakkelijk is in de rechtspraak van de Hoge Raad de begrenzing van het ‘voorhanden hebben’ van een vuurwapen en/of munitie te trekken, meen ik wel daaruit te kunnen opmaken dat zodra het gaat om woningen, of andere plekken in de directe omgeving daarvan, waarin meerdere mensen gewoon kunnen in- of uitlopen dan wel daarin verblijven summierlijk gemotiveerde arresten van Hoven de toets van de Hoge Raad niet zullen doorstaan.10

14.

Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het middel bevat allereerst de klacht dat het oordeel van het Hof dat de ruimte (kennelijk doelt het Hof hierbij op de binnenplaats, EH) gelet op de beslotenheid ervan tot het privédomein van verzoeker moet worden gerekend, zonder nadere motivering die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

15.

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging vastgesteld dat:

- de verdachte met zijn partner op de [a-straat 1] te Beverwijk woont;

- [a-straat 1] een gelijkvloerse woning is, bestaande uit een woonkamer, keuken, badkamer, twee slaapkamers en aangrenzend een aantal schuren;

- vanuit de achterste slaapkamer via een deur toegang wordt verschaft tot een kleine besloten binnenplaats;

- een aantal van die schuren alleen via die besloten binnenplaats kan worden bereikt;

- de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] bij het betreden van de besloten binnenplaats zag dat tussen de woning en de schuur een kleine ruimte van ongeveer 15 cm was vrijgehouden en dat in een zakje aan een haakje in deze ruimte de in de bewezenverklaring bedoelde vuurwapen en munitie zijn aangetroffen;

- de verdachte bij de politie heeft verklaard dat het vuurwapen in ieder geval niet van zijn partner is.

16.

Door de verdachte is op de terechtzitting van het Hof van 7 februari 2012 aangevoerd dat de schuur ook vanaf de weg en via het dak is te bereiken. Daarmee is nog niet gesteld dat ook de ruimte van 15 cm tussen de schuur en de woning van verzoeker en/of de binnenplaats vanaf de weg en via het dak bereikbaar is. Evenmin is aangevoerd dat andere mensen dan de verdachte gebruikmaakten van een aantal van de schuren die slechts via de binnenplaats kunnen worden bereikt. Derhalve is mijns inziens geen sprake van een duidelijk, stellig en gespecificeerd verweer waarop het Hof uitvoerig had moeten reageren. Het oordeel van het Hof dat de binnenplaats, gelet op de beslotenheid ervan, tot het privédomein van de verdachte moet worden gerekend acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede gelet op de omstandigheid dat het Hof uit het als bewijsmiddel 23 gebezigde proces-verbaal van bevindingen heeft kunnen afleiden dat de ruimte waarin het wapen en de munitie zijn aangetroffen toegankelijk was vanuit de achterste slaapkamer van de verdachte. Dat door de verdediging voorts naar voren is gebracht dat heel goed denkbaar is dat een derde het wapen op een voor een ieder toegankelijke plaats heeft verstopt, doet daar mijns inziens niet aan af. Weliswaar vat het Hof het pleidooi van de raadsman (onder meer) aldus samen, dat de ruimte waar de voorwerpen zijn aangetroffen voor meer mensen toegankelijk was, maar blijkens het zittingsverbaal luidt de onderbouwing van het verweer niet zo concreet. De raadsman heeft in zijn pleidooi enkel gesteld dat er nogal wat mensen van allerlei pluimage het kamp op en afloopt (en sluit daarna gemakshalve af met de opmerking dat het heel goed denkbaar is dat een derde het wapen op een voor een ieder toegankelijke plaats heeft verstopt), terwijl de verdachte op een vraag van de raadsman slechts heeft geantwoord dat het woonwagenkamp eenvoudig toegankelijk is voor derden. Het middel is dan ook in zoverre tevergeefs voorgesteld.

17.

Voor zover in de toelichting op het middel de klacht besloten ligt dat het Hof ten onrechte de bewijslast omdraait door van de verdachte te verlangen dat hij (concreet) aanvoert welke personen behoudens hijzelf en zijn partner toegang hadden tot de binnenplaats, dan wel gebruikmaakten van de aan die binnenplaats aangrenzende schuren, zie ik dat anders. Ik meen dat het Hof de omstandigheid dat de verdediging ter onderbouwing van haar verweer op dat punt niets concreets heeft aangevoerd, mocht meenemen in zijn oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en de munitie op de bedoelde binnenplaats. Het Hof heeft immers geoordeeld dat deze voorwerpen zijn aangetroffen in het privédomein van de verdachte en vastgesteld dat hij bij de politie heeft verklaard dat het vuurwapen in ieder geval niet van zijn partner is. Gelet daarop is het niet meer dan redelijk om van de verdachte te verlangen dat hij aangeeft wie dan wel behalve hijzelf en zijn partner toegang hadden tot zijn privédomein. In dat licht bezien is van omkering van de bewijslast geen sprake.

18.

Voorts bevat het middel de klacht dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat het uitgesloten is dat de besloten binnenplaats van buiten af is te bereiken, nu de binnenplaats is omringd door schuurtjes waarvan via de platte daken gemakkelijk de binnenplaats kan worden bereikt. Dat de binnenplaats is omringd door schuurtjes waarvan via de platte daken gemakkelijk de binnenplaats kan worden bereikt, is blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep en de aldaar overgelegde pleitnotities voor het Hof door de verdediging niet aangevoerd.11 Een dergelijk verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd. Als een proces-verbaal van bevindingen van een tot het opmaken daartoe bevoegd opsporingsambtenaar inhoudt dat een binnenplaats is besloten, mag het Hof van die beslotenheid - dat wil zeggen dat niemand anders dan in dit geval de verdachte en zijn partner die binnenplaats kunnen betreden - uitgaan, tenzij de verdediging onderbouwd bepleit dat en waarom dat niet zo is. Het middel faalt ook in zoverre.

19.

Het middel bevat ten slotte de klacht dat de overweging van het Hof dat niet valt in te zien waarom een ander de voorwerpen op die plek op een dergelijke wijze zou willen verstoppen, niet redengevend is voor een bewezenverklaring. De steller van het middel heeft hier een punt. Ik meen echter dat deze overweging als ‘ten overvloede’ kan worden beschouwd, zonder welke overweging het oordeel van het Hof dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van die voorwerpen op de binnenplaats voldoende is gemotiveerd.

20.

Op grond van het voorgaande meen ik dat de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde verboden wapenbezit naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof zijn oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en de munitie op de binnenplaats toereikend heeft gemotiveerd door daarbij in aanmerking te nemen a) dat de besloten binnenplaats waarop het wapen en de munitie zijn aangetroffen tot het privédomein van de verdachte moet worden gerekend, b) dat de verdachte niet concreet heeft aangevoerd welke personen behalve hijzelf en zijn partner toegang hadden tot de besloten binnenplaats en c) dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat het vuurwapen in ieder geval niet van zijn partner is. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder 11 t/m 13 heb vooropgesteld, heeft het Hof mede uit de bewustheid bij de verdachte het ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in art. 26 WWM kunnen afleiden.

21.

Het middel faalt.

II Het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel

22.

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit (gewoontewitwassen), althans dat het de verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd, althans dat het Hof dit oordeel onjuist, ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, aangezien het is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het in de tenlastelegging voorkomende bestanddeel “afkomstig (…) uit enig misdrijf”, nu het Hof aan zijn vrijsprekend oordeel kennelijk ten grondslag heeft gelegd dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de precisie en de concreetheid van het te bewijzen geldbedrag, alsmede dat concrete (fiscale) brondelicten in de tenlastelegging (en het requisitoir) tot uitdrukking moeten zijn gebracht wil een bewezenverklaring kunnen volgen, terwijl een juiste uitleg van de relevante strafbepalingen dergelijke eisen niet stelt.

23.

Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

“hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 16 december 2007 tot en met 01 februari 2010, te Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander of ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- van onderstaand(e) voorwerp(en)(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) is/zijn en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of

- onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:

- (meerdere), althans (een) vakantie(s) en/of reizen naar het buitenland (waaronder Spanje en/of Parijs en/of Curaçao) althans ticket(s)/voucher(s) voor de reis naar en/of het verblijf op deze bestemming(en)en/of

- een of meer geldbedrag(en) van ongeveer (in totaal) 7.852,97 euro althans een of meer geldbedrag(en) en/of

- diverse Swarovski kristallen en/of beeldjes en/of

- merkkleding (en -schoeisel) en/of tassen en/of accesoires (van onder meer het merk Louis Vuitton) en/of

- diverse sieraden en/of horloges (van onder meer de merken Rolex en/of Audemars Piquet en/of Breitling en/of

- een of meerdere personenauto('s),te weten een BMW X6 met kenteken [AA-00-BB] en/of een BMW X6 met kenteken [CC-00-DD] en/of een Volkswagen Golf met kenteken [EE-00-FF] en/of

- divers onroerend goed, te weten een recreatiewoning (Gilze en Rijen […] (gelegen op recreatiepark Wouwerdries) en/of een parkeerterrein te Vinkeveen (kadastraal object Vinkeveen […]);

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moet(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”

24.

Het Hof heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken. Daartoe heeft het onder meer als volgt overwogen:

“Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van het hof is, zoals eerder vermeld, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. 

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het gewoontewitwassen door middel van het voorhanden hebben van de ten laste gelegde geldbedragen, sieraden, merkkleding en tassen, auto's en voorts door middel van vakanties bewezen kan worden verklaard. 

Zij baseert zich daarbij kort gezegd op de vaststelling dat het legale inkomen, voor zover bekend, van de verdachte aanzienlijk lager is dan de door hem in de ten laste gelegde periode bestede geldbedragen. Zij wijst voorts op enkele door haar als opvallend gekarakteriseerde omstandigheden die aan het bewijs kunnen bijdragen. 

Namens de verdachte is om vrijspraak verzocht. 

Zoals in het voorgaande is overwogen zal het hof ten laste van de verdachte één transactie waarbij hennep is vervoerd en overgedragen, bewezen verklaren. 

Dit brengt met zich dat het bewijs voor witwassen van de voorwerpen en geldbedragen, zoals ten laste gelegd op de inleidende dagvaarding onder 3, beoordeeld zal dienen te worden tegen de achtergrond dat een rechtstreeks verband met concrete misdrijven, welke financieel voordeel voor de verdachte zouden hebben opgeleverd, nagenoeg ontbreekt. Dit betekent dat het hof een ander vertrekpunt kiest dan de rechtbank heeft gedaan die, zo blijkt uit het vonnis, uitging van een aanzienlijk aantal ten laste van de verdachte bewezen verklaarde handelingen met hennep als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b, van de Opiumwet. 

Daar komt bij dat de ten laste gelegde pleegperiode van het witwassen de periode van 16 december 2007 tot en met 1 februari 2010 betreft, hetgeen een aanzienlijke uitbreiding in de tijd betekent ten opzichte van de pleegdatum van de bewezen te verklaren henneptransactie. 

Ook deze omstandigheid leidt ertoe dat het hof het toetsingskader zal dienen te hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd- het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. 

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. 

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. 

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. 

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende overwogen. 

De advocaat-generaal heeft, kort samengevat, op het navolgende gewezen. 

Uit de processen-verbaal witwassen blijkt dat de verdachte en zijn partner in de ten laste gelegde periode kennelijk contante uitgaven hebben gedaan voor de aanschaf van dure merktassen, vakanties en een drietal auto's. Voorts is onder de verdachte een contant geldbedrag van ruim € 7.500,- in beslag genomen. Het totaal aan hiermee gemoeide geldbedragen is reeds hoger dan de legale inkomsten van de verdachte en zijn partner. Daarnaast dient er van te worden uitgegaan dat de verdachte vaste lasten heeft gehad in verband met onder meer kosten voor levensonderhoud, hypotheek en leasing van auto's. 

Het hof is van oordeel dat de advocaat-generaal - gezien het vorenstaande en door middel van de in het geding gebrachte stukken - geldstromen en vermogensbestanddelen in beeld heeft gebracht die zich tegen de achtergrond van het legale inkomen van de verdachte, zoals dat is gebleken uit aangiftes gedaan bij de belastingdienst en documenten betrekking hebbend op zijn commerciële bedrijfsvoering, niet zonder nadere verklaring volkomen laten begrijpen. Het hof is dan ook van oordeel dat het vorenstaande een zogeheten witwasvermoeden oplevert. 

De advocaat-generaal heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat bij deze stand van zaken het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat alle uitgaven wel verklaard kunnen worden uit legale bronnen en dat, nu een dergelijke verklaring ontbreekt, witwassen bewezen kan worden verklaard. 

Het hof stelt vast dat de verdachte gedurende het onderzoek telkens heeft verklaard dat hij in auto's handelt en dat hij in de loop van de onderzochte periode de kentekens van een groot aantal auto's voor kortere of langere tijd op zijn naam heeft doen stellen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij gedurende zijn detentie in de jaren 2005 en 2006 een financiële reserve heeft opgebouwd doordat hij in die periode maandelijks een uitkering ontving.

Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte in elk geval gedurende een deel van de pleegperiode waarin transacties plaatsvonden een bankrekening had, welke rekening blijkens de stukken in het dossier ten onrechte niet in het politieonderzoek is betrokken. 

Het hof overweegt dat het opsporingsonderzoek dat bekend is geworden onder naam "Kever" primair gericht is geweest op de handel in hennep. Daarbij zijn tevens voorwerpen in beslag genomen en zijn, onder meer met toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden, inlichtingen gevorderd op basis waarvan geldstromen de verdachte betreffend in kaart zijn gebracht. Het dossier is, zo is het hof op grond van achtereenvolgens kennisneming van dat dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder begrepen de door de advocaat-generaal gedane mededelingen gebleken, niet primair vanuit een financiële oriëntatie opgebouwd. 

Op grond van de bevindingen van de politie kan naar het oordeel van het hof als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte heeft gehandeld in auto's en dat de daarmee gegenereerde omzet noch het daaruit verkregen inkomen door hem aan de fiscus adequaat zijn verantwoord. In zoverre kan de conclusie worden getrokken dat vermoedelijk voordeel van enige omvang is verkregen uit fiscale delicten. De omvang van de omzet respectievelijk het inkomen waarvoor een aangifteverplichting bestond is echter niet onderzocht door ter zake deskundige of bevoegde ambtenaren en valt naar het oordeel van het hof ook overigens niet af te leiden uit of te ramen op basis van informatie in het dossier (bijvoorbeeld door opgelegde belastingaanslagen). De inhoud van het requisitoir van de advocaatgeneraal geeft het hof overigens geen aanleiding ervan uit te gaan dat de advocaat-generaal het oog heeft gehad op fiscale misdrijven als brondelicten. 

Bij deze stand van zaken komt het hof tot het oordeel dat mogelijk zou kunnen worden uitgegaan van de bewijsbaarheid van het subsidiair in de tenlastelegging opgenomen "enig geldbedrag". Gelet echter op de bewoordingen van de tenlastelegging en de daarop door de advocaat-generaal in het bestek van haar requisitoir gegeven toelichting moet het er evenwel voor worden gehouden dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op een, van de feitelijke bevindingen geabstraheerde en naar omvang niet gedefinieerde, geldstroom die het resultaat is van niet nader onderzochte fiscale delicten. 

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het - in het licht van de bij de beoordeling te nemen stappen - op de weg van verdachte ligt de door haar gepresenteerde bewijsmiddelen te weerspreken bij gebreke waarvan het ten laste gelegde witwassen voor bewezenverklaring gereed ligt, in die zin dat - aldus de advocaat-generaal - de bewezenverklaring van "een geldbedrag" mogelijk is en gevorderd wordt. 

In bewoordingen, kennelijk ontleend aan de procedure ter vaststelling en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de advocaat-generaal gesteld dat de verdachte aannemelijk dient te maken dat het gepresenteerde witwasvermoeden ongegrond is. 

Door haar standpunt aldus te formuleren heeft de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het toetsingskader. 

Anders dan in de ontnemingsprocedure, waarin de rechter immers schattenderwijs de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel op aannemelijkheid wordt berekend en geschat, worden in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard, andere, in de zin van hogere eisen gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de bewijslastverdeling in de onderscheiden procedures en voor aan de proceshouding van een verdachte te verbinden consequenties.

Door dit onderscheid onvoldoende in acht te nemen heeft de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof niet onderkend dat de bewijskracht en bewijswaarde van hetgeen zij ter terechtzitting in hoger beroep op basis van het dossier heeft gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van de verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen. 

De verklaringen van de verdachte, hoe gefragmenteerd en onvolledig ook, - hetgeen op zich niet onbegrijpelijk is in het licht van het feit dat de door het openbaar ministerie aangeleverde onderbouwing geenszins eenvoudig te lezen viel - leverden nu door die verklaringen niet met voldoende mate van zekerheid de legale herkomst kan worden uitgesloten, althans onvoldoende duidelijk is in welke mate er (mogelijkerwijs) sprake is van vermenging van legale en illegale geldstromen, naar het oordeel van het hof een verplichting voor het openbaar ministerie op om in de vorm van nader onderzoek feiten en omstandigheden aan te brengen die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten. Dit laatste is - naar het oordeel van het hof - onvoldoende gebeurd. 

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet uitgelaten over het bewijs voor het ten laste gelegde medeplegen van het witwassen. 

Voor zover de tenlastelegging ziet op handelingen van de verdachte die een nauwe en bewuste samenwerking met zijn partner ten aanzien van door haar gedane uitgaven opleveren overweegt het hof als volgt. 

De verklaringen van mevrouw Verweij bieden geen enkel aanknopingspunt dat zij wetenschap heeft gehad van brondelicten, gepleegd in de ten laste gelegde periode, van welker opbrengst zij opzettelijk uitgaven heeft gedaan. 

Nu het vereiste onderzoek niet is geschied en ook overigens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dient de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen. 

Tot slot maakt het hof het openbaar ministerie opmerkzaam op het volgende. De complicaties die zich hebben voorgedaan bij de beoordeling van het bewijs voor het ten laste gelegde gewoontewitwassen waren naar het oordeel van het hof voorzienbaar. 

Het heeft ontbroken aan volledigheid in het opsporingsonderzoek en er is geen samenhang aangebracht in de uiteenlopende onderzoeksbevindingen. Ondanks nadrukkelijk gestelde vragen van het hof is ook de advocaat-generaal er in haar requisitoir niet in geslaagd de benodigde samenhang alsnog aan te brengen waarbij het hof aantekent dat dit tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier een vrijwel onmogelijke opgave was. 

Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de beschuldiging van witwassen aan de tenlastelegging is toegevoegd op grond van aangetroffen vermogensbestanddelen die vragen opriepen en gevorderde gegevens die zicht boden op het ontbreken van een geordende en regelmatige administratie. Het heeft in dit op hennephandel gerichte opsporingsonderzoek aan een gerichte oriëntatie op bewijsvergaring voor witwassen ontbroken. Voorts heeft de officier van justitie op de terechtzitting in eerste aanleg medegedeeld dat het openbaar ministerie ook een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal maken. 

Tegen deze achtergrond bezien heeft zich de vraag opgedrongen naar de toegevoegde waarde van de opgestelde tenlastelegging, mede bezien in het licht van achtereenvolgens de aanmerkelijke belasting die vervolging van witwassen in gevallen als deze doorgaans en ook in het onderhavige geval oplevert voor het strafproces als geheel en de afwegingen die voortdurend aan de orde zijn over de aanwending van schaarse middelen in het publieke domein, meer in het bijzonder de strafrechtelijke keten. In het besef dat een rechterlijke waardering van deze aard minder gebruikelijk is acht het hof het, nu deze zaak niet op zichzelf staat, niettemin aangewezen om deze vraag bij wijze van signaal uit te spreken.

25.

In de toelichting op het middel legt de steller van het middel twee vragen aan Uw Raad voor, te weten hoe de bestanddelen “voorwerp (…) afkomstig uit enig misdrijf” en hoe het bestanddeel “enig geldbedrag” nader moeten worden omlijnd. De steller leest ’s Hofs motivering van de vrijspraak zo dat daarin door het Hof de eis wordt gesteld “dat concrete (fiscale) brondelicten in de tenlastelegging (en het requisitoir van het openbaar ministerie ter toelichting daarop) tot uitdrukking moeten worden gebracht wil een bewezenverklaring kunnen volgen, en dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de precisie en concreetheid van het geldbedrag dat van misdrijf afkomstig is”, en dat niet kan worden volstaan met de bewezenverklaring van “enig geldbedrag” die de tenlastelegging in casu als subsidiaire mogelijkheid biedt. Volgens de steller geven deze overwegingen van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het Hof dit oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd.

26.

Aan de beantwoording van de door de steller van het middel opgeworpen vragen zal ik niet toekomen, nu ik in dat verband meen dat het middel (alsook de toelichting daarop) op een verkeerde lezing van het arrest berust. In deze zaak gaat het wezenlijk niet om de inhoud van de bestanddelen “voorwerp (…) afkomstig uit enig misdrijf” en “enig geldbedrag”, maar om het bewijs ervan en om de bewijslastverdeling. Met het oog daarop komt het mij dienstig voor de hier relevante overwegingen van het Hof op een rijtje te zetten. Deze overwegingen houden het volgende is:

  • -

    (i) ten laste van de verdachte zal worden uitgegaan van één transactie waarbij hennep is vervoerd en overgedragen;

  • -

    (ii) dat brengt met zich dat in deze zaak een rechtstreeks verband met concrete misdrijven die financieel voordeel voor de verdachte zouden hebben opgeleverd nagenoeg ontbreekt, reden waarom het toetsingskader van toepassing is dat wordt gehanteerd ingeval sprake is van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is12;

  • -

    (iii) er is sprake van een witwasvermoeden (cursivering, EH), nu de advocaat-generaal geldstromen en vermogensbestanddelen in beeld heeft gebracht die zich tegen de achtergrond van het legale inkomen van de verdachte, zoals dat is gebleken uit aangiftes gedaan bij de belastingdienst en documenten betrekking hebbend op zijn commerciële bedrijfsvoering, niet zonder nadere verklaring volledig laten begrijpen;

  • -

    (iv) de advocaat-generaal heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat alle uitgaven wel verklaard kunnen worden uit legale bronnen en dat, nu een dergelijke verklaring ontbreekt, witwassen bewezen kan worden verklaard;

  • -

    (v) een dergelijke verklaring van de verdachte ontbreekt echter niet. De verdachte heeft gedurende het onderzoek telkens verklaard dat hij in auto’s handelt. Voorts heeft hij verklaard een financiële reserve te hebben opgebouwd uit de maandelijkse uitkeringen die hij tijdens zijn detentie ontving. Verder is gebleken dat de verdachte over een niet nader onderzochte bankrekening beschikte;

  • -

    (vi) hoewel het dossier niet primair vanuit een financiële oriëntatie is opgebouwd kan op grond van de bevindingen van de politie als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte heeft gehandeld in auto's en dat de daarmee gegenereerde omzet noch het daaruit verkregen inkomen door hem aan de fiscus adequaat is verantwoord. In zoverre kan de conclusie worden getrokken dat vermoedelijk (cursivering, EH) voordeel van enige omvang is verkregen uit fiscale delicten;

  • -

    (vii) de omvang van de omzet respectievelijk het inkomen waarvoor een aangifteverplichting bestond is echter niet onderzocht door ter zake deskundige of bevoegde ambtenaren en valt ook overigens niet af te leiden uit of te ramen op basis van informatie in het dossier (bijvoorbeeld door opgelegde belastingaanslagen);

  • -

    (viii) de inhoud van het requisitoir van de advocaat-generaal geeft overigens geen aanleiding ervan uit te gaan dat de advocaat-generaal het oog heeft gehad op fiscale misdrijven als brondelicten;

  • -

    (ix) bij deze stand van zaken komt het Hof tot het oordeel dat mogelijk zou kunnen worden uitgegaan van de bewijsbaarheid van het subsidiair in de tenlastelegging opgenomen "enig geldbedrag" (cursivering, EH);

  • -

    (x) gelet echter op de bewoordingen van de tenlastelegging en de daarop door de advocaat-generaal in het bestek van haar requisitoir gegeven toelichting moet het er evenwel voor worden gehouden dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op een, van de feitelijke bevindingen geabstraheerde en naar omvang niet gedefinieerde, geldstroom die het resultaat is van niet nader onderzochte fiscale delicten;

  • -

    (xi) de advocaat-generaal heeft door zich op het standpunt te stellen dat het de verdachte is die de gepresenteerde bewijsmiddelen moet weerspreken bij gebreke waarvan de bewezenverklaring van “een geldbedrag” mogelijk is, een onjuiste uitleg gegeven aan het toetsingskader;

  • -

    (xii) in tegenstelling tot een ontnemingsprocedure dienen in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard namelijk hogere eisen te worden gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de bewijslastverdeling (cursivering, EH) en voor aan de proceshouding van een verdachte te verbinden consequenties;

  • -

    (xiii) de advocaat-generaal heeft door dit onderscheid onvoldoende in acht te nemen niet onderkend dat de bewijskracht en bewijswaarde van hetgeen zij ter terechtzitting heeft gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van de verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen (cursivering, EH);

  • -

    (xiv) gelet op de verklaringen van de verdachte kan niet met voldoende mate van zekerheid de legale herkomst worden uitgesloten, althans is onvoldoende duidelijk in welke mate er (mogelijkerwijs) sprake is van vermenging van legale en illegale geldstromen (cursivering, EH);

  • -

    (xv) hetgeen een verplichting voor het Openbaar Ministerie opleverde om in de vorm van nader onderzoek feiten en omstandigheden aan te brengen die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten. Dit laatste is onvoldoende gebeurd;

  • -

    (xvi) gelet op het voorgaande en op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (medeplegen van) gewoontewitwassen.

27.

Blijkens het voorgaande heeft het Hof zijn motivering van de vrijspraak toegespitst op de bewijsproblematiek in de onderhavige zaak en niet op een eigen (onjuiste) rechtsopvatting omtrent het begrip gewonnte)witwassen.

28.

Het Hof heeft vastgesteld dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen jegens verzoeker (iii).13 Die omstandigheid maakt gezien HR 13 juli 2010, LJN BM0787, NJ 2010/456 dat van een verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, maar dat dit er nog niet zonder meer toe leidt dat het dan aan die verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.14 Daaruit vloeit mijns inziens voort dat als de (van meet af aan afgelegde) verklaring van de verdachte voldoende substantie heeft – in de woorden van de Hoge Raad: de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het geld niet zo onwaarschijnlijk is dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld -, het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt nader onderzoek te doen naar die verklaring. Dat heeft het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak nagelaten en kennelijk ook niet tot zijn taak gerekend, hoewel de complicaties van het achterwege laten van dat nader onderzoek volgens het Hof voorzienbaar waren. Door de verklaringen van de verdachte en het ontbreken van een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en (overige) voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten, kan naar het oordeel van het Hof niet met voldoende mate van zekerheid de legale herkomst daarvan worden uitgesloten, is althans onvoldoende duidelijk in welke mate er (mogelijkerwijs) sprake is van vermenging van legale en illegale geldstromen (iv). Kortom het Hof heeft op grond van de feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid niet kunnen vaststellen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen en de overige voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. De kern van ’s Hofs motivering van de vrijspraak is dan ook gelegen in de overweging dat hetgeen door de advocaat-generaal als bewijs is gepresenteerd ontoereikend is om de tekortkomingen in de verklaringen van de verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen (xiii). Het op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gebaseerde oordeel van het Hof dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is, is dan ook niet onbegrijpelijk.

29.

Ik veroorloof mij nog enkele afsluitende opmerkingen.

30.

Blijkens hetgeen hiervoor onder 24 (en samengevat onder 26 ad xii) is weergegeven, heeft het Hof overwogen dat, anders dan in de ontnemingsprocedure, in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard, andere, in de zin van hogere eisen worden gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden en dat dit verstrekkende gevolgen heeft voor de bewijslastverdeling in de onderscheiden procedures en voor aan de proceshouding van een verdachte te verbinden consequenties. Ook deze opmerking heeft het Hof gemaakt, gelet op het daaraan voorafgaande, in het kader van de bewijsvraag en de bewijslastverdeling. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het Hof daarmee niet tot uitdrukking gebracht dat “niet kan worden volstaan met de bewezenverklaring van ‘enig geldbedrag’ die de tenlastelegging als subsidiaire mogelijkheid biedt”. Het Hof heeft juist integendeel de mogelijkheid van de bewijsbaarheid van het subsidiair ten laste gelegde niet op voorhand willen uitsluiten of uitgesloten (zie onder 26 ad ix). Dat het Hof ook van dit subsidiair tenlastegelegde bestanddeel heeft vrijgesproken, dient eveneens in het licht van de bewijskwestie te worden begrepen. Voor zover het middel daarover bedoelt te klagen, en op de veronderstelling berust dat het Hof in zijn arrest als voorwaarde voor bewezenverklaring van het op art. 420bis Sr ontleende “voorwerp (…) afkomstig uit misdrijf” de eis stelt dat niet kan worden volstaan met de bewezenverklaring van ‘enig geldbedrag’, mist het feitelijke grondslag.

31.

Voor zover het middel nog klaagt dat Hof ten onrechte de eis stelt dat ook het concrete (fiscale) brondelict met voldoende precisie bewezen moet kunnen worden, meen ik dat het ook in zoverre feitelijke grondslag mist. Daarvoor verwijs ik naar de (drie) inleidende overwegingen van het Hof die als achtergrondkader van de daaropvolgende overwegingen hebben gediend. Daarin zegt het Hof immers met zoveel woorden dat witwassen bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

32.

Het middel is mijns inziens tevergeefs voorgesteld.

III Afsluitend

33.

Zowel het door de verdachte voorgestelde middel als het door de plaatsvervangend advocaat-generaal te Amsterdam aangevoerde cassatiemiddel faalt.

34.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

35.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1976/77, 14 413, nrs. 1-3, p. 33.

2 Kamerstukken II 1994/95, 24 107, nr. 3, p. 13.

3 Vgl. onder meer HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537 en HR 2 februari 2010, LJN BK6138, NJ 2010/86.

4 H.J.B. Sackers in zijn Studiepocket Strafrecht, nr.42, Wet Wapens en Munitie, paragraaf 6.3 (digitale uitgave; bijgewerkt tot 1 augustus 2012).

5 HR 6 juni 1995, LJN ZD1123, NJ 1995/653. Zie ook HR 11 september 2012, LJN BX4467 en HR 17 november 2009, LJN BJ8567, in welke zaken de Hoge Raad de dienaangaande middelen met ‘81 RO’ afdeed. Zie voorts H.J.B. Sackers, a.w., paragraaf 6.3 (digitale uitgave; bijgewerkt tot 1 augustus 2012).

6 HR 25 januari 2011, LJN BN4133. In de woning waarin verdachte met zijn vriendin verbleef waren een wapen en een patroonhouder met munitie aangetroffen in respectievelijk de afzuigkap en de meterkast. Naar het oordeel van de Hoge Raad had het Hof in het licht van hetgeen was aangevoerd, zijn in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het wapen, de patroonhouder en de munitie, nader moeten motiveren.

7 HR 17 november 1998, LJN ZD1403, NJ 1999/152 en HR 11 september 2012, LJN BX4467. Zie ook Oskam in Tekst & Commentaar Strafrecht, aant. 6c bij art. 26 WWM (bijgewerkt tot 1 juli 2012).

8 De verwerping van het verweer kan ook in de gebezigde bewijsmiddelen besloten liggen. Zie HR 7 juli 2009, LJN BI3888.

9 Zie bijvoorbeeld HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537 en HR 2 februari 2010, LJN BK6138, NJ 2010/86.

10 H.J.B. Sackers, a.w., paragraaf 6.8 (digitale uitgave; bijgewerkt tot 1 augustus 2012).

11 Verzoeker heeft blijkens het zittingsverbaal gezegd: “De schuur is ook vanaf de weg en via het dak te bereiken”.

12 Het toetsingskader (met de daarin vervatte bewijslastverdeling) is ontleend aan HR 13 juli 2010, LJN BM0787, NJ 2010/456. Daartegen richt het middel zich dan ook niet.

13 Deze en de hierna in de tekst tussen haakjes geplaatste aanduidingen verwijzen naar de door mij hierboven onder 26. opgesomde bewijsoverwegingen van het Hof.

14 HR 13 juli 2010, LJN BM0787, NJ 2010/456