Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1938

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
12/04379
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:654, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04379

Zitting: 1 oktober 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 24 januari 2012 door het Gerechtshof Arnhem wegens “1. primair medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft”, “3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en “4. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden als in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer, en de teruggave gelast van enige andere inbeslaggenomen voorwerpen aan verzoeker respectievelijk aan de rechthebbenden. Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en voor het toegewezen bedrag van € 558,05 een schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 11 dagen hechtenis, opgelegd.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/04379, 12/04378P, 12/00646 en 12/00647P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het door het Hof ten laste van verzoeker onder feit 1 primair bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, mede in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring van dit medeplegen slechts is gestoeld op één bron (ik begrijp: als bedoeld in art. 342, tweede lid Sv), te weten op de verklaringen van (medeverdachte) [betrokkene 5] en de resultaten van de met hem verrichte fotoconfrontaties, en de overige bewijsmiddelen onvoldoende steun bieden voor het (mede)daderschap van verzoeker. Ook zou het Hof volgens de steller van het middel hebben nagelaten het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 5] onbetrouwbaar zijn en worden weersproken door bewijsmiddelen in het dossier, nader te onderzoeken, althans zou het Hof de verwerping van dit verweer ontoereikend hebben gemotiveerd.

5. Ten laste van verzoeker is onder 1 primair bewezen verklaard dat:

“hij op 12 maart 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk de totale lading van een vrachtwagencombinatie, te weten een grote hoeveelheid digitale goederen (ter waarde van ongeveer 280.000 Euro excl. BTW), toebehoorde aan het bedrijf [A] te Naarden, en welke goederen zijn mededader uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking1 wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;”

6. Deze bewezenverklaring berust, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“1. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

Ik ken de getuige [betrokkene 5]. Ik heb in het verleden drugs aan hem geleverd. (…)

2. de verklaring van de getuige [betrokkene 5], afgelegd ter terechtzitting van het hof, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

Ik herken [medeverdachte] en [verdachte], thans ter terechtzitting aanwezig als verdachten, als mijn mededaders. Ik noem [medeverdachte] in mijn verklaringen “de kale of de reus”. Als [verdachte] over zijn broer sprak, dan had hij het over [medeverdachte]. Ik heb [medeverdachte] voor het eerst ontmoet tijdens de eerste bespreking over de ons te plegen diefstal. [verdachte] ken ik al langer, hij was mijn drugsdealer. Ik noemde [verdachte] in mijn verklaringen ook wel [verdachte] of [verdachte]. Het plan om een overval in scene te zetten is afkomstig van [medeverdachte] of [verdachte] of van hen beiden. Wij hadden afgesproken dat wij alle drie zouden delen in de opbrengst. Mijn aandeel bedroeg uiteindelijk slechts € 3.000,00. Ik weet nog wel dat ik [verdachte] en [medeverdachte] op die foto’s heb herkend. Ik heb [medeverdachte] en [verdachte] aangewezen als mijn mededaders. [medeverdachte] heb ik ontmoet bij de eerste voorbespreking in The Wall langs de A2. Dit was enkele maanden voordat de overval in scene werd gezet. Hij heeft mij uitgelegd wat er moest gebeuren. Hij vertelde ook dat hij een “Jammer” zou gaan gebruiken. Enkele weken voor de overval vond de tweede voorbespreking plaats. We zijn toen in de auto van Houten naar Hilversum en vandaar via Almere naar Weesp gereden. Van Weesp zijn we weer terug naar Houten gereden. Tijdens die rit kreeg ik van [medeverdachte] een mobiel telefoontoestel overhandigd dat bestemd was voor de communicatie voorafgaande aan de overval. Op de dag van de overval, 12 maart 2010, heb ik met deze telefoon Sms-berichten verzonden. Het eerste bericht verstuurde ik toen ik met mijn lading vertrok en het tweede bericht toen ik in de buurt kwam van het afgesproken punt. Op het afgesproken punt stapte [medeverdachte] in mijn vrachtauto. Hij had de “Jammer” bij zich. Op zijn aanwijzingen ben ik naar de loods in Weesp gereden. [verdachte] en een ander reden achter mijn vrachtwagen aan. Ik ben achteruit rijdend die loods ingereden. [medeverdachte] was al eerder uit mijn vrachtauto gestapt. Ik zag dat [medeverdachte] de loods inliep. Daarna is mijn wagen gelost met behulp van een heftruck. Ik ben in de cabine van mijn vrachtauto blijven zitten. Ik zag dat aan de overzijde nog iemand in een kantoor aan het werk was. Ik zag dat hij mij ook zag. Daarna is mijn wagen gelost. Nadat mijn wagen gelost was ben ik achter [verdachte] aan gereden naar Diemen, waar ik de vrachtauto heb achtergelaten. Ik ben daarna bij [verdachte] ingestapt en mee terug gereden naar Breukelen.

3. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen, pagina’s 194 t/m 198 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisanten:

Op 12 maart 2010 kwam er bij de regiopolitie de melding binnen dat er een vrachtwagenchauffeur, [betrokkene 5], was overvallen en van zijn lading was beroofd. De vrachtwagenchauffeur zou gedwongen zijn in te stappen in een personenauto en werd in Breukelen weer vrijgelaten. De vrachtwagen werd nog dezelfde avond leeg teruggevonden. Op 29 en 30 september 2010 werd in het arrestantencomplex van de regiopolitie Utrecht voornoemde vrachtwagenchauffeur als verdachte gehoord, die volledig was genaamd:

[betrokkene 5], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats].

Verdachte [betrokkene 5] verklaarde dat de overval in scene was gezet en dat hij zelf zijn vrachtwagen naar een loods in Weesp had gereden, alwaar de lading uit zijn vrachtwagen gehaald werd. Op 13 oktober 2010 stelden wij een onderzoek in naar de loods, die eerder door [betrokkene 5] werd aangewezen als zijnde de mogelijke loods alwaar hij op 12 maart 2010 zijn vrachtwagen zou hebben geparkeerd en lading zou zijn gelost. Bij deze loods twijfelde [betrokkene 5] en wees vervolgens een andere loods aan. De loods waar [betrokkene 5] bij twijfelde betrof de achterzijde van perceel [a-straat 1] te Weesp, gelegen aan de [b-straat] te Weesp.

Tegenover deze loods was een kantoorpand, perceel [c-straat 1] alwaar het bedrijf [D] was gevestigd. In dit bedrijf spraken wij met een medewerker, genaamd [betrokkene 6]. Wij deelden [betrokkene 6] mede dat er op 12 maart 2010 tussen 18.30 uur en 19.00 uur een gestolen vrachtwagencombinatie op de Gooimeerstraat te Weesp was geweest, waarvan wij het vermoeden hadden dat de lading van deze vrachtwagen gelost was in een van de loodsen grenzend aan de Gooimeerstraat. Op de vraag of hij mogelijk iets gezien had wat verband hield met voornoemde diefstal en het lossen van de lading verklaarde hij dat hij wel eens iets gezien had waarbij hij geen goed gevoel had.

[betrokkene 6] verklaarde dat hij een tijd geleden aan het begin van de avond nog aan het werk was. Dat hij op een bepaald moment achter zijn bureau zat en het geluid van een vrachtwagen hoorde. Dat hij de lamellen opzij schoof en zag dat er op dat moment een vrachtwagen achteruit reed en inparkeerde. Wij hoorden [betrokkene 6] zeggen dat er 3 of 4 personen in het zwart gekleed in de buurt van de vrachtwagen aanwezig waren, waarvan er één een zwart mutsje op had en waarvan er één ook handschoenen droeg. Wij hoorden [betrokkene 6] zeggen dat hij zag dat de vrachtwagen een vrachtwagencombinatie betrof. Wij hoorden [betrokkene 6] zeggen dat hij de indruk had dat de mensen die bij de vrachtwagen liepen van hem schrokken. Wij hoorden dat hij zag dat de loods, voor hem aan de overzijde was geopend en het licht aan was. We hoorden dat hij zag dat de eigenaar van het aldaar gevestigde bedrijf in de loodsopening stond en was genaamd “[betrokkene 5]”. Wij hoorden [betrokkene 6] zeggen dat zij even oogcontact hadden. [betrokkene 6] verklaarde vervolgens dat hij zag dat de vrachtwagencombinatie achteruit de loods in reed en dat de roldeur van de loods zo ver als mogelijk werd gesloten en tot aan het dak van de vrachtwagen dicht ging. [betrokkene 6] verklaarde dat hij voor zijn gevoel 10 minuten nadat de vrachtwagen was komen aanrijden zelf het kantoorpand was uitgegaan. Dat hij zag dat de betreffende vrachtwagen weg was en ook de loodsgesloten was. Hij verklaarde dat hij zag dat een van de betonnen blokken, gelegen op de Gooimeerstraat ter hoogte van zijn eigen bedrijf en recht tegenover de loods scheef stond. Desgevraagd verklaarde [betrokkene 6] dat de vrachtwagen uit de richting van de TNT was komen aanrijden en dat de vrachtwagen links achteruit in de loods parkeerde. Dat hij een van de mannen die bij de vrachtwagen liep kom omschrijven als een Marokkaanse of Turkse man in de leeftijd van 25 a 30 jaar met een sportief figuur en een lengte waarvan hij vermoedde dat die wel gelijkwas als zijn eigen lengte, zijnde 1.96 meter lang. Desgevraagd verklaarde [betrokkene 6] dat hij nooit eerder een dergelijk grote vrachtwagen bij de loods had zien laden of lossen. In de betreffende loods heeft men de beschikking over een heftruck.

4. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen, pagina’s 679 t/m 709 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 7]:

Ik doe aangifte van diefstal van goederen. Deze diefstal vond plaats tijdens een overval op een transport door het bedrijf [E]. Ik ben manager logistiek bij het bedrijf [A], [A], en [F]. Dit bedrijf bevindt zich aan de [d-straat 1] te Naarden. Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte vanuit mijn functie.

[betrokkene 8], van [E], belde mij op 12 maart 2010 om ongeveer 21.00 uur. Hij vertelde mij toen dat hij het vermoeden had dat er een transport overvallen was. Hij gaf dit bij mij aan omdat hij dacht dat er goederen van [A] in dit transport zaten. Gedurende de nacht werd duidelijk dat de goederen inderdaad ontvreemd waren. De goederen die tijdens deze overval ontvreemd zijn, zijn eigendom van [A] en [F]. De totale waarde bedraagt € 280.261,04. Dit is exclusief BTW.

5. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 710 t/m 712 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 8]:

Ik doe aangifte van diefstal. Deze diefstal vond plaats op 12 maart 2010 tijdens een overval op een transport dat door mijn bedrijf [E] werd uitgevoerd in opdracht van de firma [A] te Naarden. Ik ben directeur van het bedrijf [E], gevestigd aan de [e-straat 1] te ‘t Gooi, gemeente Houten. Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte vanuit mijn functie. De firma [A] is eigenaar van de goederen die ontvreemd zijn uit de oplegger.

6. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 966 en 967 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5]:

Ik ben als chauffeur werkzaam bij het bedrijf [E]. Dit bedrijf zit in ‘t Gooi. Op 12 maart 2010 omstreeks 17.25 uur vertrok ik van het bedrijf [G] te Lelystad. Ik had een lading voor het bedrijf [A]. Ik ben met de lading bestaande uit telefoons en navigatiesystemen vertrokken vanuit Lelystad en ik ging richting ‘t Gooi, gemeente Houten.

7. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 1036 en 1046 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 5]:

Opmerking verbalisanten:

V: vraag verbalisanten,

A: antwoord of reactie verdachte,

O: opmerking verbalisanten of verdachte.

V: Wat was de aanleiding voor [verdachte] om jou te benaderen om een overval in scene te zetten?

A: Hij wist wat ik vervoerde en hij zei tegen mij dat zijn broer hem verteld had dat hij aan mij moest gaan vragen of ik er aan mee wilde werken.

V: Had het nog een bepaalde reden waarom jij hem vertelde wat jij vervoerde?

A: [verdachte] vroeg erna.

V: Was er een specifieke reden dat deze ontmoeting plaatsvond.

A: Het was altijd om dezelfde reden. Ik sprak altijd met [verdachte] af omdat ik drugs van hem wilde hebben.

V: Wie waren er bij deze ontmoeting aanwezig?

A: [verdachte] en ik.

V: Wat werd er exact gezegd?

A: Volgens mij hebben wij eerst afgehandeld waar ik voor kwam en toen vroeg hij of ik wat meer wilde verdienen, wat extra verdienen. Ik vroeg toen hoezo? Hij zei daarop: “Je vervoert dit en dat en ik heb met mijn broer gesproken en daar kunnen wij wel wat mee.” Ik vroeg vervolgens wat hij bedoelde, waarop hij aangaf dat hij voorstelde om een overval in scene te zetten en dat ik er een leuk bedrag mee kon verdienen.

V: Wat zou jouw rol in de in scene gezette overval zijn?

A: Ik hoefde alleen maar te rijden en een verhaal te vertellen.

V: Jij stemt er op een gegeven moment mee in en toen?

A: Hij zei tegen mij: “Je hoeft helemaal niets te doen, alleen maar erheen te rijden en je verhaal te doen.

V: Is er toen ook al besproken welk verhaal jij zou moeten doen?

A: Nee, dat is later met die grote Marokkaan, die reus besproken.

V: Noemen anderen hem ook reus?

A: Dat weet ik niet. Als [verdachte] en ik het over hem hadden werd gesproken over zijn broer.

V: Na deze keer, het moment dat je instemt, hoe ging het verder?

A: We spraken nog een aantal malen af omdat ik verslaafd was en later spraken we af bij The Wall, waar ook de reus uitleg gaf.

V: Je zegt dat jullie telefonisch contact hadden?

A; Ja, ik heb hem regelmatig gebeld of ge-Smst. Tijdens een van deze contacten werd een nieuwe locatie afgesproken. De nieuwe locatie was bij The Wall. Hier stond ik even te wachten en toen kwamen [verdachte] en die reus eraan.

V: En vervolgens?

A: Eerst stapte [verdachte] uit, die kwam bij mij in de auto zitten. Eerst even gehandeld waarvoor we de afspraak hadden gemaakt. [verdachte] stapte uit en toen kwam de reus bij mij in de auto zitten. Ik zag hem toen voor het eerst.

V: Hoe ging het toen hij in de vrachtauto stapte?

A: Hij vroeg of [verdachte] al verteld had wat ik moest vertellen. Toen ik zei dat dat niet het geval was, vertelde hij mij dat ik moest vertellen dat ik een bordje “politie volgen” kreeg te zien. Dat ik aangehouden ben geweest en dat er twee mensen met bivakmutsen mij uit de vrachtauto trokken, dat zij mijn telefoon afpakten en dat zij er met de vrachtwagen vandoor gingen. En dat ik later gedumpt werd op een dumpplaats die wij pas uitkozen op de avond zelf, de avond nadat de in scene gezette overval had plaatsgevonden.

V: Wat zou er dan daadwerkelijk gebeuren?

A: Ik zou naar hen toe rijden en dan zouden zij achter mij aan rijden en op een goede locatie zou hij bij mij met een stoorzender instappen en naar een loods rijden die hij zou regelen. De reus zei tegen mij dat ik hem een Sms-je moest sturen als ik in de middag of in de avond naar Lelystad ging om de spullen te laden. Het was bij hen bekend dat ik dit niet dagelijks deed.

V: Je moest hem een Sms sturen, met welke inhoud?

A: Er zou een codetaal voor zijn, wat zou betekenen: “het gaat gebeuren vanavond.” Ik kon de code zelf bepalen en zei op dat moment dat de code zou zijn:” Dat we koffie zouden gaan drinken”. Ik heb uiteindelijk die ochtend gestuurd: “Vanavond koffie?”

V: Naar welk nummer moest jij dit Sms sturen?

A: Dat weet ik niet, ik heb dat nummer nooit gezien. Ik heb pas bij een volgende afspraak een telefoon gekregen waarmee ik dat Sms’je zou sturen. De reus vertelde mij bij The Wall dat ik een telefoon zou krijgen waarmee ik de Sms moest versturen.

V: Zijn er nog dingen waar over gesproken is in de vrachtwagen?

A: Dat ik maximaal twee weken later, na de in scene gezette overval, geld zou ontvangen. Het bedrag was afhankelijk van wat het op zou leveren. Dat jullie (de politie) mij maximaal een maand zouden afluisteren, lastig vallen en dat hij zeker wist dat zo zou gaan omdat hij dat vaker had meegemaakt. De telefoon kreeg ik ongeveer een weekje later.

V: Wanneer werd bekend dat jullie met de voorbereidingen verder zouden gaan?

A: Op een dag werd ik gebeld door [verdachte] dat wij de volgende dag een rit zouden gaan maken.

V: Waar spraken jullie af?

A: Zij zouden mij in Houten ophalen en dat hebben zij ook gedaan. Dat was bij café “[…]”. Daar ging ik in de zwarte Opel Corsa zitten.

V: En verder?

A: We hebben een afslag gepakt bij Hilversum. Toen we die afslag af waren gingen wij bij het verkeerslicht rechtdoor en de volgende linksaf. Daar zette [verdachte] de auto stil. De reus ging daar met twee telefoons aan de gang. Eentje kreeg ik. Het betrof twee Nokia’s. Ik kreeg de telefoon van de reus en hij vertelde mij dat ik deze telefoon moest gebruiken om te Sms’en. De simkaart kreeg ik van [verdachte].

V: Wat is er over de rolverdeling gesproken?

Er is alleen besproken wat ik moest doen en er werd natuurlijk gezegd dat de reus bij mij in de auto kwam zitten en dat [verdachte] en nog een persoon in een andere auto zouden zitten en achter ons aan zouden rijden. De reus zou bij mij met een stoorzender instappen.

V: Wat zou de reus nog meer regelen?

A: Hij zou de loods regelen, en een dumpplaats voor de auto.

V: En na Hilversum, wat gebeurde er toen?

A: Wij zijn naar Almere gereden. Daar hebben zij mij een plek aangewezen waar zij zouden wachten en waar het zou gebeuren. Wij zijn gereden naar de Nederstichselaan, daar waar de overval zou plaatsvinden. [verdachte] reed erheen, geloodst door de reus. Aan het einde van de weg werd er gezegd door de reus dat hij daar zou instappen met de stoorzender.


9. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 1006 t/m 1009 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 5]:

Opmerking verbalisanten:

V: vraag verbalisanten,

A: antwoord of reactie verdachte,

O: opmerking verbalisanten of verdachte.

V: Je hebt eerder aangegeven dat het een nauwe straat was in de nabijheid van een TNT-bedrijf. Tevens gag je aan dat er betonnen bakken stonden. Kun je wat meer vertellen over die bakken?

A: Er stond er eentje scheef met een lakstreep erop.

V: Waar stond dat specifieke blok?

A: Toen ik de straat inreed stonden de blokken aan de rechterzijde. Ik reed vooruit en de TNT voorbij. De blokken waren rechts van mij, net zoals het TNT bedrijf. Daarna reed ik iets achteruit en draaide achteruit de loods in.

V: De loods, wat gebeurde daar verder?

A: Ik moest steeds iets verder naar binnen rijden. Totdat ik echt een heel end binnen stond, tot ongeveer nabij de as van mijn trailer. Toen hebben zij de auto leeg getrokken.

V: Hoeveel personen heb je bij de loods gezien?

A: Ik heb er een op een heftruck gezien en de grote Marokkaan.

Waar was [verdachte] gebleven?

A: [verdachte] is met die ander om de hoek in de auto blijven wachten.

9. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina 1003 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5]:

Opmerking verbalisanten:

V: vraag verbalisanten,

A: antwoord of reactie verdachte,

O: opmerking verbalisanten of verdachte.

A: Ik heb twee weken later het geld gekregen. Er werd gezegd dat de opbrengst tegenviel omdat er een hoop huistelefoons bij zaten. Ik kreeg € 3.000,00.

10. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 557 t/m 580 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Hierbij verklaar ik door de korpsbeheerder aangewezen als confrontatieleider van fotobewijsconfrontaties het volgende:

Op 9 november 2010 heb ik naar aanleiding van een op 12 maart 2010 gepleegde diefstal in het cellencomplex APU te Houten een sequentiële fotobewijsconfrontatie gehouden waarbij [betrokkene 5] middels het tonen van foto’s werd geconfronteerd met 13 foto’s van personen, waaronder een foto van [medeverdachte]. Deze foto met nr. 4620642704 was vervaardigd in 2010 en was afkomstig uit het fotobestand van het rijbewijzenregister van het CRB/RDW. Alle geselecteerde foto’s waren qua formaat, kleur, beeldvulling en lay-out nagenoeg identiek aan de gebruikte foto van verdachte. Met de foto van verdachte en de foto’s van de figuranten maakte de getuigenbegeleider [getuigenbegeleider] in willekeurige volgorde een fotoselectie. Iedere foto was voorzien van een nummer, oplopend van nr. 1 t/m 13. De foto van verdachte kwam op plaats nr. 7. De getoonde fotoselectie is vastgelegd onder kenmerk “Confrontatie 4”.

11. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 581 en 582 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Op 9 november 2010 confronteerde ik als getuigenbegeleider op verzoek van de confrontatieleider [verbalisant 1] in de audiovisuele verhoorruimte in het cellencomplex APU in Houten de getuige [betrokkene 5] met een fotoselectie van 13 personen. De selectie was gewaarmerkt als “Controle 4”. In de selectie waren geen foto’s opgenomen van personen die ik kende. Ik toonde aan de getuige de foto’s van de personen simultaan middels het neerleggen van de foto’s op het bureaublad. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met 13. Ik liet de fotoselectie ongeveer 4 seconden per foto aan de getuige zien. Ik observeerde de getuige terwijl deze naar de selectie keek. Ik nam daarbij het volgende waar: Op het moment dat de getuige de man aanwees op foto 7 wees hij met zijn wijsvinger op de foto. De getuige drukte met zijn wijsvinger op de foto. Nadat ik de foto toonde aan de camera, wilde de getuige nogmaals de foto zien. Hij zei dit om voor 100% zeker van zijn zaak te zijn. De getuige keek nogmaals naar de foto en zei dat man op foto nr. 7 voor 100% de man was die hij bedoelde. Hij zei: “Ik bedoel hier de lange kale man.”

12. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 562 t/m 565 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Hierbij verklaar ik door de korpsbeheerder aangewezen als confrontatieleider van fotobewijsconfrontaties het volgende:

Op 15 november 2010 heb ik naar aanleiding van een op 12 maart 2010 gepleegde diefstal in het cellencomplex APU te Houten een sequentiële fotobewijsconfrontatie gehouden waarbij [betrokkene 5] middels het tonen van foto’s werd geconfronteerd met 12 foto’s van personen, waaronder een foto van [verdachte]. Deze foto met nr. PL0911:07:01503 was vervaardigd in 2007 en was afkomstig uit het fotobestand van de politie te Utrecht. Alle geselecteerde foto’s waren qua formaat, kleur, beeldvulling en lay-out nagenoeg identiek aan de gebruikte foto van verdachte. Met de foto van verdachte en de foto’s van de figuranten maakte ik in willekeurige volgorde een fotoselectie. Iedere foto was voorzien van een nummer, oplopend van nr. 1 t/m 12. De foto van verdachte kwam op plaats nr. 9. De getoonde fotoselectie is vastgelegd onder kenmerk “Confrontatie 3”.

13. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina’s 566 en 567 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Op 15 november 2010 confronteerde ik als getuigenbegeleider op verzoek van de confrontatieleider [verbalisant 1] in arrestanten complex politie Utrecht te Houten de getuige [betrokkene 5] met een fotoselectie van 12 personen. De selectie was gewaarmerkt als “Controle 3”. In de selectie waren geen foto’s opgenomen van personen die ik kende. Ik toonde aan de getuige de foto’s van de personen simultaan middels de foto’s op het bureaublad neer te leggen. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met 12. Ik liet de fotoselectie ongeveer 4 seconden per foto aan de getuige zien. Terwijl de getuige naar de selectie keek hoorde ik dat hij uit eigen beweging zei: “Dat is hem, nr. 9, dat is de persoon die ik bedoel, dat is [verdachte]. Ik zag dat de getuige de man afgebeeld onder fotonummer 9 aanwees. Ik hoorde getuige vervolgens zeggen: “Dat is [verdachte].” Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider mij mede dat de foto van verdachte in de selectie op plaats 9 stond.

14. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina 323 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Op 6 januari 2011 was ik als hulpofficier van justitie bij een doorzoeking in een woning, perceel [adres]. Nadat de doorzoeking was afgelopen werden de in beslag genomen goederen getoond aan drie bewoners waren de zussen van de (mede)verdachte [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1089, wonende te [adres]. Nadat er twee zogenaamde groene “handelaarkentekenplaten” aan deze drie zussen werden getoond hoorde ik (zus) [betrokkene 9], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, zeggen: “Dat is van die [betrokkene 10].”

15. Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, pagina 330 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Op 6 januari 2011 vond er een doorzoeking plaats in het pand [a-straat 2] te Weesp. Daar was een persoon aanwezig, genaamd [betrokkene 11]. [betrokkene 11] verklaarde: “Mijn werkzaamheden verricht ik vanuit het kantoorgedeelte van de [a-straat 2] te Weesp. Dit kantoorgedeelte en bijbehorende vergaderruimte gebruik ik van [betrokkene 10]. [betrokkene 10] heeft ook een pand op de [a-straat 1] te Weesp.”

16. een geschrift, te weten Analyse telecomgegevens 09BRMN01, opgenomen op blz. 27, van het proces-verbaal dossiernummer 1103071200.END.AAN van BRMN, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina’s 1 t/m 45, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 6 januari 2011 is [medeverdachte] aangehouden en is er een zoeking geweest in de woning, [f-straat 1] te Vianen. Hierbij is aangetroffen:

Simkaart Hi 06-[008] in een Nokia, type 6700C, imeinummer [007]. Bij een Centraal informatiepunt onderzoek telecommunicatie bevraging op 30 november 2010 blijkt het telefoonnummer 06-[008] op naam te staan van [medeverdachte], wonende [f-straat 1] te Vianen. Telefoonnummer 06-[009] straalt op 17 december 2009 masten aan bij “the Wall”.

Naar aanleiding hiervan is het telecomgebruik van dit telefoon nummer vergeleken over de periode van 5 januari 2010 tot en met 13 maart 2010, de periode waarover de historische printgegevens zijn opgevraagd van telefoonnummer 06-[009] met die van telefoonnummer 06-[008], welke op naam is gesteld van [medeverdachte]. Hierbij bleek dat deze telefoonnummers op tijdstippen welke dicht bij elkaar zijn gelegen, bij telecomcontacten masten aanstraalden op dezelfde locatie of een direct daarnaast gelegen locatie ook wanneer er kennelijk zendmasten werden aangestraald over een traject van en naar andere steden zoals Utrecht, Amsterdam, Eindhoven of Rotterdam. Dat deze telefoonnummers masten ‘s ochtends en ‘s avonds masten aanstraalden in Vianen de woonplaats van [medeverdachte]. Het is daarom aannemelijk dat telefoonnummers 06- [009] en 06-[008] door één persoon werden gebruikt.

Het hof leidt uit het vorenstaand relaas af dat de telefoonnummers 06-[009] en 06-[008] worden gebruikt door verdachte [medeverdachte].

17. een geschrift, te weten Analyse telecomgegevens 09BRMN01, opgenomen op blz. 31, van het proces-verbaal dossiernummer 1103071200.END.AAN van BRMN, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina’s 1 t/m 45, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Het telefoonnummer 06-[009] (in gebruik bij verdachte [medeverdachte]) belt op 21 februari 2010 om 21.18 uur uit naar telefoonnummer 06-[010].

18. een geschrift, te weten Analyse telecomgegevens 09BRMN01, opgenomen op blz. 16, van het proces-verbaal dossiernummer 1103071200.END.AAN van BRMN, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina’s l t/m 45, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 6 januari 2011 is [verdachte] aangehouden en is er een zoeking gedaan in zijn woning, perceel [adres] ,en in een personenauto, welke in gebruik was bij [verdachte]. Hierbij werd onder meer aangetroffen:

Een simkaart van Lyca met het telefoonnummer 06-[010]. Op 16 maart 2010 geeft [verdachte] bij een aanrijding op gebruik te maken van het telefoonnummer 06-[010].

(...)

Het hof leidt uit de onder de nrs. 17. en 18. gebezigde bewijsmiddelen af - anders dan verdachte daaromtrent heeft verklaard - dat [medeverdachte] en [verdachte] contact met elkaar hebben gehad.”

7. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het hoofdje “Het oordeel van het hof”, het volgende in:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De door de medeverdachte [betrokkene 5] bij de politie en dit hof afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van het hof voldoende nauwkeurig en stemmen op wezenlijke onderdelen met elkaar overeen. Daarnaast worden de belastende verklaringen van [betrokkene 5] ondersteund door de aangifte door [betrokkene 7], de processen-verbaal van bevindingen van de politie, de verklaring van de zus van verdachte bij de politie omtrent de kentekenplaten, de analyse van de historische printgegevens en de fotobewijsconfontaties. Dit steunbewijs ondersteunt niet alleen de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 5] maar onderstreept tevens de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Evenals de rechtbank acht het hof niet aannemelijk dat medeverdachte [betrokkene 5] er enig belang bij heeft om twee onschuldige mensen aan te wijzen als zijn mededaders. Voorts acht het hof niet aannemelijk dat medeverdachte [betrokkene 5] verdachte de schuld in de schoenen heeft willen schuiven vanwege schulden die hij zou hebben bij verdachte. Tot slot is het hof met de rechtbank van oordeel dat uit de afgeluisterde telecommunicatie niet kan worden afgeleid dat medeverdachte [betrokkene 5] tegen [betrokkene 13] heeft gezegd dat hij de initiator was van het plan om de vrachtwagen met mobiele telefoons te verduisteren noch dat hij dat plan alleen heeft georganiseerd.”

8. Vooropgesteld moet worden dat volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.2

9. Ik merk op dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging zoals hiervoor onder 7 is weergegeven, niet slechts ingaat op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 5] – zulk een motivering kan niet bijdragen aan het oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 5] voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen3 – doch tevens expliciet overweegt waarin het steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 5] is gelegen. In dat verband merkt het Hof op dat de verklaringen van [betrokkene 5] worden ondersteund door de aangifte door [betrokkene 12] (bewijsmiddel 4), de processen-verbaal van bevindingen van de politie (bewijsmiddelen 3 en 15), de door de zus van verzoeker bij de politie afgelegde verklaring omtrent de kentekenplaten (bewijsmiddel 14), de analyse van de historische printgegevens (bewijsmiddelen 16 t/m 18) en de (resultaten van de) fotobewijsconfrontaties (bewijsmiddelen 10 t/m 13).

10. Uit genoemde bewijsmiddelen volgt onder meer dat de verklaring van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 2) dat hij samen met [medeverdachte], verzoeker en een andere man - derhalve met vier personen - naar de loods in Weesp is gereden, en dat er bij die loods drie personen waren (hij, “de grote Marokkaan” (ik begrijp: medeverdachte [medeverdachte], EH) en een man op een heftruck), en verzoeker samen met de andere man waarmee hij naar de loods was gereden om de hoek in de auto is blijven wachten, wat betreft het aantal bij de in scene gezette overval betrokken personen (en de aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte] daarbij), bevestiging vindt in de verklaring van [betrokkene 6], zoals gerelateerd in het relaas van de verbalisanten (bewijsmiddel 3), dat hij zag dat er 3 of 4 personen in de buurt van de vrachtwagen aanwezig waren - waaronder een Marokkaanse of Turkse man met een lengte van ongeveer 1.96 meter -, en hij de eigenaar van het in die loods gevestigde bedrijf in de loodsopening zag staan. Ook komt de verklaring van [betrokkene 5] dat er een betonnen bak scheef stond (bewijsmiddel 9) en dat iemand in een kantoor aan de overzijde hem zag (bewijsmiddel 2) overeen met de in het relaas van de verbalisanten opgenomen verklaring van [betrokkene 6] (bewijsmiddel 3) dat hij zag dat een van de betonnen blokken scheef stond en dat hij even oogcontact had met “[betrokkene 5]” (ik begrijp: [betrokkene 5], EH). Voorts vindt de verklaring van [betrokkene 5] dat de eerste voorbespreking met verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] enkele maanden voor de overval (op 12 maart 2010) plaatsvond bij “The Wall”, wat betreft de aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte] bij deze voorbespreking, steun in de telecomgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte], inhoudende dat op 17 december 2009 – derhalve enkele maanden voor de overval op 12 maart 2010 - masten bij “The Wall” worden aangestraald (bewijsmiddel 16). Uit de analyse van genoemde telecomgegevens blijkt verder dat verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] op 21 februari 2010 – derhalve een paar weken voor de overval – telefonisch contact hebben gehad (bewijsmiddelen 17 en 18). Ook houden de bewijsmiddelen in dat op 6 januari 2011 tijdens een doorzoeking in het huis van verzoeker kentekenplaten van [betrokkene 10] – de persoon van wie de loods is waar de lading van de vrachtwagen is gelost – zijn aangetroffen (bewijsmiddelen 14 en 15). De verklaring van [betrokkene 5] dat één van zijn mededaders de persoon is die drugs aan hem leverde (“[verdachte]”), vindt bevestiging in de verklaring van verzoeker dat hij in het verleden drugs aan [betrokkene 5] heeft geleverd (bewijsmiddel 1). Daarnaast vindt de verklaring van [betrokkene 5] dat zijn mededaders “de grote Marokkaan/de kale/de reus” en “[verdachte]/[verdachte]” zijn, steun in de resultaten van de fotobewijsconfrontaties, inhoudende de verklaringen van de verbalisant dat [betrokkene 5] verzoeker respectievelijk medeverdachte [medeverdachte] aanwees als zijnde de mannen waarover hij in zijn verklaringen spreekt (bewijsmiddelen 10 t/m 13).

11. Op grond van het voorgaande heeft het Hof naar mijn oordeel genoegzaam kunnen afleiden dat verzoeker als ‘medepleger’ van de bewezenverklaarde verduistering in dienstbetrekking kan worden aangemerkt. Ook volgt uit genoemde bewijsvoering dat van schending van het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv geen sprake is.

12. Voorts merk ik op dat het Hof, anders dan de steller van het middel meent, door te overwegen dat (i) het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, (ii) de door [betrokkene 5] afgelegde verklaringen voldoende nauwkeurig zijn, op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenstemmen en steun vinden in andere bewijsmiddelen, en derhalve betrouwbaar worden geacht, (iii) niet aannemelijk is dat [betrokkene 5] er enig belang bij heeft om twee onschuldige mensen aan te wijzen als zijn mededaders, (iv) niet aannemelijk is dat [betrokkene 5] verzoeker de schuld in de schoenen heeft willen schuiven vanwege schulden die hij zou hebben bij verzoeker, en (v) uit de afgeluisterde telecommunicatie niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij de initiator was van de in scene gezette overval, noch dat hij dat plan alleen heeft georganiseerd, het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging toereikend gemotiveerd en op niet onbegrijpelijk wijze heeft verworpen.

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kennelijk per abuis weggestreept: “onder zich had”.

2 Vgl. o.a. HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers.

3 Vgl. bijv. HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers.