Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1909

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
11/05180
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1944, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05180

Zitting 1 oktober 2013

Mr. Jörg

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 22 november 2011 is de verdachte door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens 1. “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 2. “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd”, 4. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 5. “een ambtenaar een gift doen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

2. Namens de verdachte hebben mrs. D. Moszkowicz en H.M.W. Daamen, advocaten te Maastricht, dertien middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste, het tweede en het vierde middel klagen dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, subsidiair strafvermindering heeft verworpen. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. Het eerste middel ziet op de stelling dat geen onpartijdig en onafhankelijk opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden, het tweede middel op de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie ten onrechte inzage in het dossier heeft verleend en afschriften daaruit heeft verstrekt aan het UWV en derden en het vierde middel richt zich op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het Hof heeft de hiervoor bedoelde verweren van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“F.
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: SIOD) en justitie een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak is tekortgedaan. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:
(…)
2. geen sprake is van een onpartijdig en onafhankelijk opsporingsonderzoek;
3. de privacy van verdachte is geschonden door het geven van inzage in het strafdossier en/of het verstrekken van afschriften daaruit door het openbaar ministerie aan het UWV en aan derden;
4. de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
(…)


H.
Met betrekking tot het hiervoor onder F. 2. gestelde:

H.1

Ter adstructie van het verweer dat geen sprake is van een onpartijdig en onafhankelijk opsporingsonderzoek heeft de verdediging gewezen op:
- de aanwezigheid van veel oud-UWV’ers in het Atoem-team, met gevoelens van loyaliteit en sympathie jegens de oude werkgever;
- de continue informatie-uitwisseling met het UWV;
- het voorstel om als deskundige iemand van het UWV te benoemen;
- het "één-tweetje" tussen openbaar ministerie en UWV waarmee het strafrechtelijk beslag op de tegoeden van [A] BV werd omgezet in een civielrechtelijk beslag;
- de veelvuldige contacten tussen het openbaar ministerie, SIOD en UWV;
- de omstandigheid dat niet de SIOD zelf, maar het UWV de steekproef heeft uitgevoerd waarbij de werkgevers en vervolgens de werknemers werden geselecteerd die door de SIOD nader zouden worden onderzocht;
- de omstandigheid dat stukken in de zaak tegen [… 2] zonder enige gebleken noodzaak vanuit de SIOD naar het UWV zijn gegaan.
Voorts is aan het verweer ten grondslag gelegd - zakelijk weergegeven - dat gelet op de belangen van het UWV bij de zaak en de wijze van optreden van het UWV de opsporing meer distantie en onafhankelijkheid dient te bewaren dan in deze zaak, omdat de waarheidsvinding anders ernstig in het gedrang komt. Gelet daarop heeft het openbaar ministerie ten onrechte het onderzoek aan de SIOD overgelaten.

H.2

Naar het oordeel van het hof verzet geen rechtsregel zich tegen de wijze waarop het UWV, de organisatie die aangifte heeft gedaan, in de onderhavige zaak betrokken is geweest bij het opsporingsonderzoek. Daarom is geen sprake van het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus van een vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassing mist. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is reeds daarom niet aan de orde.

H.3

De SIOD van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is sinds 1 januari 2002 operationeel. Blijkens de toelichting bij het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SIOD 2002 pakte zij vanaf dat moment de zware, complexe en sectoroverschrijdende zaken op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op.
Op grond van artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten is de SIOD vanaf 1 juni 2007 een bijzondere opsporingsdienst. Blijkens de Memorie van Toelichting doet de SIOD zware zaken op het terrein van de werknemers- en volksverzekeringen, de Algemene bijstandswet en aanverwante regelingen, de Wet arbeid vreemdelingen en subsidiefraude af.
Gelet op het vorenstaande was de SIOD de bevoegde opsporingsdienst.

H.4

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de inzet van de SIOD het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus een vormverzuim oplevert. De enkele omstandigheid dat binnen het opsporingsteam oud-medewerkers van het UWV werkzaam zouden zijn geweest, maakt dat niet anders.

Het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering mist derhalve toepassing, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

I.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 3. gestelde:

I.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:
- ten onrechte inzage in het strafdossier is verleend en afschriften daaruit zijn verstrekt door het openbaar ministerie aan het UWV, aangezien artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing was, nu het UWV zich niet had gevoegd als benadeelde partij en niet is gehandeld in overeenstemming met de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden;
- ten onrechte inzage in het strafdossier is verleend en afschriften daaruit zijn verstrekt door het openbaar ministerie aan [B], aangezien dit bedrijf niet of slechts zijdelings voorkomt in het strafdossier en niet valt in te zien welk spoedeisend en zwaarwegend algemeen belang is gediend met het verlenen van inzage in het strafdossier aan deze partij;
- gelet op het gemak waarmee in deze zaak door het openbaar ministerie inzage werd gegeven in het strafdossier niet valt uit te sluiten dat ook andere partijen inzage hebben gehad.

I.2

Op grond van artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering zoals dat luidde tot 1 januari 2011 werd aan een benadeelde partij op haar verzoek toestemming verleend om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang had. Bovendien kon zij van de stukken waarvan haar de kennisneming was toegestaan, een afschrift krijgen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het UWV als benadeelde partij kan worden aangemerkt. Zij kon zich immers op grond van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering ter zake van een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Gelet daarop was artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, zodat de inzageverlening en de verstrekking van afschriften rechtmatig was. Van een vormverzuim is bijgevolg geen sprake.
Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

I.3.1

Bij de pleitnota in eerste aanleg is als bijlage gevoegd een memorie van grieven van [B]. Blijkens deze memorie van grieven was sprake van een civielrechtelijk geding tussen enerzijds [B] en anderzijds medeverdachten [C] en [D] B.V. Blijkens deze memorie van grieven heeft het openbaar ministerie in dat kader inzage in het strafdossier verleend alsmede afschriften daaruit verstrekt aan [B].

I.3.2

Het hof stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wordt bedoeld heeft te oordelen. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

I.3.3

Voor zover al sprake was van het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus van een vormverzuim bij de inzageverlening en verstrekking van afschriften aan [B], is het hof van oordeel dat dit vormverzuim niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassing mist. Immers, kennelijk heeft de inzageverlening en afschriftverstrekking plaatsgevonden in de strafzaak tegen [C] en/of [D] B.V. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is reeds daarom niet aan de orde.

I.4

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat inzage is verleend in onderhavig dossier of afschriften zijn verstrekt aan anderen dan het UWV en [B].

J.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 4. gestelde:

J.1

Aan het verweer dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden, is ten grondslag gelegd dat vanaf de inval onder leiding van de rechter-commissaris op 8 mei 2007 tot aan de uitspraak in eerste aanleg de zaak bijna drie jaar heeft geduurd, terwijl sprake is geweest van twee perioden van inactiviteit: de periode tussen de inval in mei 2007 en de aanhoudingen eind augustus 2007 en de periode tussen december 2007 en de eerste zitting in januari 2009. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn aanving op 28 augustus 2007, op welke datum verdachte was aangehouden.

J.2

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

J.3

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 28 augustus 2007, de dag waarop de verdachte is aangehouden. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 29 april 2010. Er is dus sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de uitspraak in eerste aanleg.

J.4

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van:
- de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten;
- de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, waartoe kanworden gerekend het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak;
- de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, waartoe kan worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

J.5

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onder meer het volgende gebleken.

De verdachte is op 28 augustus 2007 aangehouden. Op 1 december 2007 is het onderzoek door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: SIOD) gesloten. Vervolgens is op 5 december 2007 aan de officier van justitie bericht dat de procesdossiers voor gezien en akkoord getekend zijn. De procesdossiers beslaan 18 ordners, bevattende 4748 pagina’s. Blijkens deze procesdossiers werden negen natuurlijke personen en vier rechtspersonen als verdachte aangemerkt.

Op 16 december 2008 is verdachte gedagvaard om te verschijnen op 14 januari 2009 ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank. Vervolgens is op 14 januari 2009 het onderzoek ter terechtzitting aanvangen. Mede naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 29 juni 2009 teneinde door de SIOD aanvullende processen-verbaal te laten opmaken. Op 29 juni 2009 is het onderzoek in de zaak tegen verdachte hervat. Het onderzoek werd vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde op verzoek van de verdediging zestien getuigen te doen horen door de rechter-commissaris. Deze getuigen zijn door de rechtercommissaris gehoord in oktober 2009.

Ten slotte is de zaak op 14 en 15 april 2010 inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft vervolgens op 29 april 2010 vonnis [] gewezen.

J.6

Gelet op de tenlastelegging en het onder J.5 weergegevene zijn naar het oordeel van het hof bijzondere omstandigheden aanwezig die de overschrijding van de termijn rechtvaardigen, te weten:
- de complexiteit van de strafbare feiten;
- de omvang van het verrichte opsporingsonderzoek;
- het aantal personen dat in het kader van het opsporingsonderzoek als verdachte is aangemerkt;
- de omstandigheid dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 14 januari 2009 en 29 juni 2009 is geschorst teneinde - (mede) naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging - aanvullende processen-verbaal te laten opmaken respectievelijk zestien getuigen te doen horen.
Aldus is naar het oordeel van het hof de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet geschonden.

J.7

Van een vormverzuim is gelet op het vorenstaande geen sprake. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging reeds daarom niet aan de orde is.

K.

Naar ‘s-hofs oordeel kunnen op grond van het boven overwogene de stellingen van de verdediging op zich, noch in samenhang met elkaar bezien, leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.”

5.

Vooropgesteld moet worden dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma, rov. 3.6.5).

6.

Het Hof heeft geoordeeld dat de namens de verdediging aangevoerde omstandigheden geen vormverzuimen opleveren nu:
- geen feiten en omstandigheden aannemelijkzijn geworden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat geen onpartijdig en onafhankelijk opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden (middel 1);
- aan het UWV inzage en afschriften konden worden verstrekt (daargelaten of deze informatieverstrekking daadwerkelijk op grond van art. 51d(oud) Sv, dan wel op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens heeft plaatsgehad, NJ) en de verstrekking van de gegevens aan derden, zo dit al een vormverzuim oplevert, in elk geval niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de hem tenlastegelegde feiten (middel 2) en;
- gegeven de bijzondere omstandigheden in de onderhavige zaak (de complexiteit van de feiten, de omvang van het opsporingsonderzoek, het aantal verdachten en de verzoeken van de kant van de verdediging) niet gesteld kan worden dat sprake is van een schending van de redelijke termijn (middel 4).

7.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld geeft het oordeel van het Hof dat de stellingen van de raadsman op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen leiden, ook bezien in het licht van hetgeen in de toelichtingen op de middelen 1, 2 en 4 is gesteld, mijns inziens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het Hof dit geenszins onbegrijpelijk gemotiveerd.

8.

Het derde middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek naar het verlenen van inzage in het strafdossier en het verstrekken van afschriften daaruit.

9.

Het Hof heeft ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek het volgende overwogen:

“De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof niet tot het oordeel zou komen dat er sprake is van een verstrekking van gegevens aan derden die een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert, verzocht nader onderzoek hiernaar te doen plaatsvinden.
Uit hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, is het hof de noodzaak van dat nader onderzoek niet gebleken, nu de resultaten van dat onderzoek niet van belang zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak tegen verdachte. Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.”

10.

Het Hof heeft het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane voorwaardelijke verzoek tot nader onderzoek afgewezen op de grond dat de noodzaak hiertoe niet is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

11.

Het verzoek van de raadsman strekte ertoe een proces-verbaal te laten opmaken door het Openbaar Ministerie waarin wordt aangegeven aan wie, wanneer, om welke reden, op welke grondslag en in hoeverre inzage is verleend en/of afschriften zijn verstrekt uit het strafdossier, teneinde te kunnen nagaan in hoeverre het Openbaar Ministerie in strijd met het bepaalde in art. 8 EVRM heeft gehandeld. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof ter onderbouwing van zijn verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer op dit punt is ‘s Hofs oordeel dat de resultaten van dat onderzoek niet van belang zijn voor enige te nemen beslissing in de onderhavige zaak mijns inziens niet onbegrijpelijk. Daar komt bij dat (i)(op p. 19 van de in hoger beroep overgelegde pleitnota) niet is aangegeven in welk opzicht de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden; en (ii) het aan de civiele (verhaals)rechter is om de bewijswaarde van de eventueel onwettig verstrekte informatie te bepalen.

12.

Het vijfde middel klaagt dat de materiële valsheid in het bewezenverklaarde onder 1 en 2 niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat een daartoe strekkend verweer van de verdediging ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is verworpen.

13.

Het Hof heeft ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer voor zover van belang allereerst in zijn “Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" (p. 96 van het arrest) het volgende overwogen:

“M.1
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verwere betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat ten onrechte werknemers werden opgevoerd op aanvragen en dat daardoor ten onrechte WAO-premies werden terugbetaald aan werkgevers. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat in alle gevallen waarin de bestuursrechter is geadiëerd, bestuursrechtelijk is komen vast te staan dat de toekenning, ook omvattende de werknemers waarvan het UWV meent dat deze onterecht was, juist was, zodat de geldigheid van de beschikkingen op grond van het leerstuk van de formele rechtskracht voor het hof een gegeven is en het hof zich moet onthouden van enig zelfstandig onderzoek en zelfstandige beoordeling.

M.2

Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat in het onderhavige geval de leer van de formele rechtskracht niet aan de orde is. Daartoe overweegt het hof dat in het onderhavige geval de bestuursrechter niet is toegekomen aan een materiële beoordeling van de materie. Immers, de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de in artikel 13, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering gestelde verjaringstermijn voor premievaststelling was verstreken en er geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die grond gaven om de [des]betreffende termijn buiten toepassing te laten, zodat het UWV niet bevoegd was om in 2007 nader premie vast te stellen over de jaren 1998 tot en met 2001.”

14.

Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld is gelet op de uitspraak van de bestuursrechter geen sprake van tegenstrijdige rechtspraak. De Centrale Raad van Beroep is immers, zoals het Hof heeft overwogen, niet toegekomen aan een materiële beoordeling van de zaken omdat de in artikel 13, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering daaraan in de weg staat: de daar gestelde verjaringstermijn voor premievaststelling was verstreken zonder dat was gebleken van bijzondere omstandigheden die grond geven om de desbetreffende termijn buiten toepassing te laten. Aldus kon het Hof zich een eigen oordeel vormen omtrent de juistheid van de arbeidsgehandicaptestatussen. Hierover heeft de CRvB zich niet uitgelaten.

15.

Het Hof heeft, voor zover van belang, voorts het volgende overwogen:

“O.l

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verwere betoogd dat op grond van een eendagsmelding in het [des]betreffende jaar of de vijf jaren eraan voorafgaand [betrokkene 12], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] wel degelijk arbeidsgehandicapte waren, zodat zij in de aanvraag konden worden opgenomen.

O.2

Op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten konden ten tijde van de tenlastelegging1 - zakelijk weergegeven - als arbeidsgehandicapte worden aangemerkt:
- de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, de WAZ of de WAJONG, tot vijf jaar na de datum waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met vermindering van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd;
- de persoon aan wie op grond van een wettelijk voorschrift in verband met ziekte of gebrek een voorziening is toegekend die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid of ten behoeve van wie een subsidie voor met een voorziening verband houdende kosten is verstrekt, tot vijf jaar na de datum waarop de voorziening is geëindigd;
- de persoon die bij indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van de WSW behoort tot de doelgroep voor de WSW, doch niet werkzaam is als werknemer in de zin van de WSW of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de WSW;
- voor de duur van vijf jaar na de datum van beëindiging van een dienstbetrekking op grond van de WSW, de persoon die arbeid heeft verricht op grond van de WSW;
- voor de duur van vijf jaar na de datum van een herindicatiebeschikking op grond van de WSW, de persoon die na herindicatie niet meer behoort tot de doelgroep van de WSW;
- de persoon ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid, gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van vaststelling.

O.3

Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stonden [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] geregistreerd met een AAW/WAO-uitkering waarvan de ingangsdatum en einddatum hetzelfde wa[ren]. In dergelijke gevallen diende dossieronderzoek plaats te vinden om te kunnen vaststellen of zij de status arbeidsgehandicapt hadden. Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de getuigenverklaringen van de genoemde personen, is het hof van oordeel dat deze personen geen arbeidsgehandicapten in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten waren. Aldus zijn zij ten onrechte opgenomen in de bewezen verklaarde aanvragen.
De enkele omstandigheid dat het kantoor van het UWV te Eindhoven - in het kader van efficiency-maatregelen - zonder nader onderzoek aannam dat deze personen arbeidsgehandicapten waren, kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze wijze van handelen doet immers niet af aan de wettelijke definitie van arbeidsgehandicapte.

O.4
Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat omwille van efficiency personen die gedurende een gedeelte van het jaar arbeidsgehandicapt waren, werden meegenomen als waren zij het hele jaar arbeidsgehandicapten. Het hof merkt in dat verband op dat de aanvraagformulieren reeds inhielden dat voor werknemers die slechts een deel van de gewerkte periode arbeidsgehandicapt waren het aantal dagen en het brutoloon SV over deze periode apart moest worden opgegeven. Zulks is evenwel nagelaten in de aanvraagformulieren en de daarbij gevoegde lijsten. Aldus zijn op aanvraagformulieren valselijk en in strijd met de waarheid personen opgevoerd die niet de status van arbeidsgehandicapte hadden in het gehele [des]betreffende premiejaar.
De enkele omstandigheid dat het kantoor van het UWV te Eindhoven - in het kader van efficiency-maatregelen - beweerdelijk bij de beoordeling steeds het gehele jaar in aanmerking zou nemen, kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze wijze van handelen doet immers niet af aan de in de wettelijke regelingen vastgelegde bepalingen.

O.5
Namens de verdachte is ten aanzien van de status van arbeidsgehandicapte van de in de aanvragen genoemde werknemers ten slotte naar voren gebracht dat zij terecht zijn opgenomen in de aanvragen omdat zij op basis van de wettelijke regeling dan wel op basis van de efficiency-maatregelen zoals die door het UWV werden toegepast werden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.
Het hof is ten aanzien van [betrokkene 13], [betrokkene 14], [betrokkene 12], [betrokkene 15], [betrokkene 1], [betrokkene 16], [betrokkene 17], [betrokkene 18], [betrokkene 19], [betrokkene 20], [betrokkene 21], [betrokkene 22], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 23], [betrokkene 4], [betrokkene 24], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat zij in de bewezen verklaarde jaren niet de status van arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten hadden. Aldus zijn zij valselijk en in strijd met de waarheid op de [des]betreffende lijsten opgenomen. Voor zover is aangevoerd dat aan deze personen een voorziening is verstrekt, overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat dit een wettelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten was.
Voorts is het hof van oordeel dat valselijk en in strijd met de waarheid op de lijst de naam van [betrokkene 27] is opgevoerd, omdat deze niet in het gehele jaar 1999 de status van arbeidsgehandicapte had.
Ten slotte is het hof van oordeel dat [betrokkene 25], [betrokkene 26] en [betrokkene 28] ten onrechte zijn opgevoerd, omdat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zij tijdens hun dienstverband bij de [des]betreffende werkgever niet de status van arbeidsgehandicapte hadden.

O.6

Het hof acht onder 1. wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 18] (premiejaar 2001), [betrokkene 29] (premiejaar 2000) en [betrokkene 30] (premiejaar 1999) ten onrechte zijn opgevoerd, omdat zij in het desbetreffende premiejaar niet in dienst waren bij de in de tenlastelegging genoemde werkgevers.
Het verweer dat in geval geen sprake was van een dienstverband niet gesproken kan worden van oplichting behoeft geen bespreking, omdat het hof ten aanzien van deze drie werknemers ten aanzien van de genoemde premiejaren de onder 2. ten laste gelegde oplichting niet bewezen acht.”

16.

Het stond het Hof gelet op de selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter vrij om de (on)juistheid van de arbeidsgehandicaptestatussen onder meer af te leiden uit de verklaringen van de personen zelf die die status al dan niet zouden hebben. Uit bewijsmiddel 62 volgt immers dat indien een arbeidsgehandicaptestatus wordt toegekend, de betrokkene hiervan middels een beschikking in kennis wordt gesteld. Uit de bewijsmiddelen 50 tot en met 61 volgt dat de betrokkenen een dergelijke beschikking niet hebben gekregen. Een en ander vindt steun in bewijsmiddel 48, waarin per werknemer staat beschreven dat en waarom de desbetreffende werknemer geen arbeidsgehandicaptestatus had voor de opgevoerde periode. Hier heeft het Hof uit af kunnen leiden dat de arbeidsgehandicaptestatussen onjuist waren.

17.

Het middel faalt.

18.

Het zesde middel klaagt dat het Hof het verzoek om uitdraaien uit de BRP betreffende de werknemers genoemd in de tenlastelegging aan het dossier toe te voegen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

19.

Het Hof heeft ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek in zijn “Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" het volgende overwogen:

“X.2
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep, op de gronden als vermeld in de pleitnota, verzocht om uitdraaien uit de BRP aan het dossier toe te voegen.
Ter terechtzitting van 6 juli 2011 heeft het hof dat verzoek afgewezen. Door of namens de verdachte zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen nopen tot een andere beslissing.
Het hof is van oordeel dat het toevoegen van die uitdraaien niet noodzakelijk is, aangezien de gegevens uit het BRP via WeBBR waren te raadplegen en de informatie uit WeBBR in het dossier aanwezig is. De verdediging heeft aangevoerd dat niet het systeem WeBBR als uitgangspunt voor de AGH-statusbeoordeling had moeten worden genomen, maar het systeem BRP. Nu slechts de gegevens uit WeBBR aan het dossier zijn toegevoegd dienen ook de BRP-uitdraaien aan het dossier te worden toegevoegd.
Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd zijn discrepanties tussen die systemen echter gebleken noch aannemelijk geworden. Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.”

20.

Het Hof heeft het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoek tot nader onderzoek afgewezen op de grond dat de noodzaak hiertoe niet is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. In aanmerking genomen dat het Hof heeft geoordeeld dat de gegevens uit het BRP via WeBBR geraadpleegd konden worden en de informatie van WeBBR wel in het dossier is opgenomen en niet gebleken is en evenmin aannemelijk is geworden dat er discrepanties tussen die systemen bestonden, is de afwijzing van het verzoek voorts toereikend gemotiveerd.

21.

Het zevende middel klaagt dat de bewezenverklaring van het opzet op valsheid onder 1 en het opzet op de listige kunstgreep onder 2 ontoereikend is gemotiveerd.

22.

Het Hof heeft in het arrest op dit punt het volgende overwogen:

“R.1
Ter terechtzitting in hoger beroep is ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde omdat het opzet ontbreekt. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte te goeder trouw was, zodat hij geen opzet heeft gehad op eventuele onjuistheden. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat het ten aanzien van bepaalde werknemers zo duidelijk is dat zij ten onrechte op een lijst zijn beland dat men dat wel had moeten zien, moet het ervoor worden gehouden dat het in die gevallen een onschuldige fout betreft.

R.2
Het hof stelt voorop dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen verdachte deskundig was op het gebied van de onderhavige Kortings- en Vrijstellingsregeling. Verdachte moet dus hebben geweten wie op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten als arbeidsgehandicapte werden aangemerkt en dus met betrekking tot wie een aanvraag als de onderhavige gedaan kon worden. Voorts kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat voor het vaststellen van de status van arbeidsgehandicapte onder omstandigheden nader onderzoek noodzakelijk was, zoals ten aanzien van de personen ten aanzien van wie een AAW/WAO-uitkering waarvan de ingangsdatum en einddatum hetzelfde [zijn], is geregistreerd. Tevens komt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren dat op grond van de gegevens zoals die in WeBBR aanwezig waren op zijn minst nader onderzoek noodzakelijk was om vast te stellen dat de [des]betreffende werknemers de status van arbeidsgehandicapte hadden dan wel nog een dienstverband hadden bij de [des]betreffende werkgever. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat verdachte met betrekking tot de werknemers die in de bij de aanvraagformulieren behorende lijsten zijn opgenomen WeBBR heeft geraadpleegd, dan wel gegevens afkomstig uit WeBBR voorhanden heeft gehad.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat door verdachte nader onderzoek is verricht met betrekking tot de na te melden werknemers. Blijkens de verklaring van [… 1] werd geen dossieronderzoek verricht bij de bedrijven.
Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte wist dat er van controle van de door hem ingediende aanvragen door medewerkers van het UWV geen sprake (meer) was.

R.3
Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door onder de hiervoor onder R.2 weergegeven omstandigheden de na te melden werknemers op te voeren in de bij de aanvraagformulieren behorende lijsten minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat werknemers werden opgevoerd die niet (of niet in het gehele jaar) de status van arbeidsgehandicapte hadden dan wel niet in dienst waren bij de op de aanvraagformulieren genoemde werkgevers. Aldus heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanvraagformulieren met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers valselijk werden opgemaakt.

R.4

De stelling dat in de onderhavige gevallen sprake is van onschuldige fouten is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat het hier om uitzonderlijke gevallen gaat.”

23.

Het Hof is dus – anders dan de verdediging – van oordeel dat het handelen van de verdachte niet berust op onschuldige fouten (al dan niet ingegeven doordat de verdachte zich op andere informatie heeft gebaseerd zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd), maar getuigt van voorwaardelijk, zo niet onvoorwaardelijk, opzet. De verdachte - die bekend stond als een gewaardeerde ex-collega gegeven zijn ruime ervaring en kennis van sociale verzekeringen, het doceren binnen het gebied van Polis & Premie en zijn kennis en vaardigheden bij de ontwikkeling en toepassing van de benodigde systemen – heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de desbetreffende werknemers. Daardoor heeft hij minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat werknemers zijn opgevoerd die niet, of niet het gehele jaar de arbeidsgehandicaptestatus bezaten, dan wel niet in dienst waren bij de genoemde werkgevers. Aldus het Hof. Gelet hierop is de bewezenverklaring wat betreft het (voorwaardelijk) opzet door het Hof toereikend gemotiveerd.

24.

Het achtste middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door in de bewezenverklaring onder 3 de passage “overgenomen en/of gewijzigd en/of verwerkt” op te nemen, althans dat het gedeelte “vervolgens gegevens (…) overgenomen” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het Hof de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “overnemen” een onjuiste betekenis heeft toegekend.

25.

Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

“hij meermalen, althans eenmaal, in de periode van 15 december 2006 tot en met 31 december 2006, te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk en/of in een deel daarvan, namelijk in de/het geautomatiseerde syste(e)m(en) (WEBBR en/of PVWG en/of in e-mailbestanden en/of Wordbestanden en/of in overige bestanden) van UWV en/of GAK, deel uitmakend van het (geautomatiseerde) netwerk van UWV en/of GAK, immers heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (telkens) zich met (een) niet voor hem bestemde accountna(a)m(en) en/of inlogna(a)m(en) (te weten van [betrokkene 31] en/of [betrokkene 32] en/of [betrokkene 33] en/of [betrokkene 34]) en met (een) niet voor hem bestemd(e) wachtwoord(en), toegang verschaft tot het voor [betrokkene 31] en/of [betrokkene 32] en/of [betrokkene 33] en/of [betrokkene 34] voornoemd gereserveerde deel van het geautomatiseerde netwerk van UWV en/of GAK, met behulp van een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, en heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), vervolgens gegevens (in het kader van de aanvraag cq. restitutie van Korting- en Vrijstellingsgelden), te weten namen en/of sofinummers en/of burgerservicenummers en/of aansluitnummers en/of arbeidsgehandicaptenstatussen van werknemers en/of van werkgevers van verschillende bedrijven (te weten [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] B.V. en/of [L] en/of [M] en/of [N] B.V.), die waren opgeslagen en verwerkt door middel van het geautomatiseerde werk, waarin hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), zich wederrechtelijk bevond(en), voor zichzelf/henzelf en/of voor een ander, overgenomen en/of uitgeprint en/of afgetapt en/of gewijzigd en/of verwerkt en heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (vervolgens) voornoemde (door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) gewijzigde) gegevens in dat/die geautomatiseerde syste(e)m(en) en/of geautomatiseerde bestand(en) (opnieuw) ingevoerd en/of geaccordeerd en/of laten invoeren en/of laten accorderen.” (curs.v.NJ)

26.

Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij meermalen in de periode van 15 december 2006 tot en met 31 december 2006 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk en/of in een deel daarvan, namelijk in geautomatiseerde systemen van UWV, deel uitmakend van het geautomatiseerde netwerk van UWV,
immers hebben hij, verdachte, en zijn medeverdachte zich met niet voor hen bestemde accountnamen of inlognamen (te weten van [betrokkene 31] en [betrokkene 32]) en met niet voor hen bestemde wachtwoorden, toegang verschaft tot het voor [betrokkene 31] en/of [betrokkene 32] voornoemd gereserveerde deel van het geautomatiseerde netwerk van UWV, met behulp van een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid,
en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte vervolgens gegevens, te weten namen en/of sofinummers en/of aansluitnummers en/of arbeidsgehandicaptestatussen van werknemers en/of van werkgevers van verschillende bedrijven (te weten [F] en [L] en [N] B.V.), die waren opgeslagen en verwerkt door middel van het geautomatiseerde werk, waarin hij, verdachte, en zijn medeverdachte zich wederrechtelijk bevonden, overgenomen en/of gewijzigd en/of verwerkt en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte (vervolgens) gegevens in die geautomatiseerde systemen ingevoerd en/of geaccordeerd.” (curs.v.NJ)

27.

Art. 138a(oud) luidde als volgt:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:
a. door het doorbreken van een beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt. (curs.v.NJ)
3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, indien de dader vervolgens
a. met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk;
b. door tussenkomst van het geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde.”

28.

Ik stel voorop dat hier een gekwalificeerd delict is tenlastegelegd en bewezen verklaard. Een en ander begint met het verwijt van een gedraging die in het eerste lid van art. 138a (oud) Sr strafbaar was gesteld: binnendringen in een geautomatiseerd werk. Het gaat dan door (middels het voegwoord en) met het verwijt wat de verdachte en zijn mededaders vervolgens in dat geautomatiseerde werk hebben uitgespookt. De wet stelt in het tweede lid strafbaar het overnemen, aftappen of opnemen van de aangetroffen gegevens. Dat is een strafverhogende activiteit.

29.

Mijn tweede voorafgaande opmerking is dat in de toelichting op het middel nu wel wordt gesteld dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, zonder evenwel aan te duiden in welk opzicht de bewezenverklaring ten opzichte van de tenlastelegging daarvan blijk geeft. In zoverre faalt het middel. Van de verfeitelijkte gedragingen van de tenlastelegging “overgenomen en/of uitgeprint en/of afgetapt en/of gewijzigd en/of verwerkt" heeft het Hof bewezen verklaard “overgenomen en/of gewijzigd en/of verwerkt." Die selectie mocht het Hof maken.

30.

Iets anders is dat de tenlastelegging en in het voetspoor daarvan: de bewezenverklaring, termen bezigen die in de wet ontbreken. Dat behoeft geen probleem te zijn indien de gebezigde woorden de wettelijk termen dekken. Dat roept dus de vraag op of aan wijzigen en verwerken naast het overnemen nog betekenis toekomt in de zin der wet. Ik kan dat niet inzien ten aanzien van het wijzigen, aangezien de strafbaarstelling niet ziet op het veranderen van de aangetroffen gegevens. Verwerken daarentegen kan een feitelijke omschrijving zijn van aftappen of opnemen: men verwerkt data door ze te highlighten of er een ander attentieteken aan te geven, ze uit te printen of op een papiertje te noteren, ze op te slaan op usb-stick of te verzenden per mail. Zo gezien vervult het bewezenverklaarde verwerken wel de delictsinhoud van aftappen en opnemen.

31.

Echter, ook als deze uitlegt te ver zou gaan blijft het bewezenverklaarde overnemen voldoende voor het aannemen van de gekwalificeerde strafbaarheid. Er is niet iets méér bewezen verklaard dan is ten laste gelegd (rechterlijke doodzonde nummer 1)2, maar niet alles wat is bewezenverklaard vervult enige delictsinhoud. Daarom is de in de toelichting geciteerde passage bij Van Dorst dat een uitdrukkelijke keuze vereist is indien deze ten aanzien van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging van belang zijn voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde hier niet op zijn plaats.

32.

Is het overnemen voldoende belegd met bewijsmiddelen? Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd kan dit wel degelijk uit de bewijsmiddelen worden afgeleid: zo houdt bewijsmiddel 93 in dat de verdachte gegevens, te weten sofinummers en jaarloongegevens van werknemers, uitprintte vanuit de UWV systemen (zie in dat kader ook onder meer de bewijsmiddelen 97, 98, 100 en 105). Gelet hierop is de ‘gekwalificeerde vorm’ van computervredebreuk door het Hof mijns inziens toereikend gemotiveerd. Het Hof is hier kennelijk van uitgegaan: gelet op overweging V.4, waarin het Hof ten aanzien van het medeplegen overweegt dat “verdachte en [betrokkene 31] bij het zich verschaffen van toegang met de door hen gebruikte usernames en wachtwoorden tot het geautomatiseerde netwerk van het UWV en het vervolgens verrichten van handelingen in dat geautomatiseerde netwerk met betrekking tot aanvragen van verdachte in verband met de kortings- en vrijstellingsregeling."

33.

Het negende middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde, in het bijzonder de pleegplaats en het medeplegen, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

34.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij meermalen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007, te Eindhoven en/of Bunde, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen telkens opzettelijk een brief, al dan niet op briefpapier van UWV, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid die brieven geschreven in naam van [betrokkene 32] en/of op die brieven de paraaf van die [betrokkene 32] geplaatst, met het oogmerk om voormelde brieven als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken.”

35.

Het Hof heeft onder W. overwogen dat het gelet op de gebezigde bewijsmiddelen niet anders kan zijn dan dat de verdachte of een van de met hem samenwerkende medeverdachten de brieven hebben geschreven in naam van [betrokkene 32] en/of op die brieven de paraaf van die [betrokkene 32] geplaatst.

36.

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan, voor zover van belang, worden afgeleid dat de verdachte overdag vanuit het UWV te Eindhoven en ’s avonds thuis in Bunde werkzaamheden met betrekking tot de aanvragen Korting en Vrijstelling verrichtte (zie o.a. bewijsmiddel 93). Vast is komen te staan dat er brieven zijn verstuurd met als onderschrift ‘[betrokkene 32] Teamleider Polis en Premie’ die niet door [betrokkene 32] zijn opgemaakt en ondertekend (bewijsmiddel 95), waarover zij in bewijsmiddel 99 heeft verklaard: “Ik had geen weet van het feit dat [verdachte] op mijn naam brieven heeft gestuurd naar [O] en [E].” Uit de bewijsmiddelen volgt evenwel ook dat een aantal medewerkers werkzaamheden voor de verdachte hebben verricht (bewijsmiddelen 92, 101 en 105) en verschillende werkgevers door verschillende personen zijn afgehandeld (bewijsmiddel 95). Bewijsmiddel 103, een verklaring van [betrokkene 31], luidt voorts als volgt:

“Ik ben [verdachte] op een gegeven moment één dag in de week in Eindhoven gaan helpen met aanvragen K&V. Dat meehelpen van mij betekende dat ik aan de hand van de lijsten uit PVWG (jaarloonopgaven werkgever) per sofi-nummer ging kijken hoe dit sofi-nummer bekend was binnen WeBBR en/of BRD. Naast mij zat 19 december 2006 [verdachte] en ik heb gezien dat hij bezig was met inbrengen van sofi-nummers in PVWG, in een pc die naast me stond.

U vertelt mij dat er op de navolgende dagen is ingelogd:
14-12-2006: 1831 inlogs op naam van [betrokkene 32];
18-12-2006: 96 inlogs op naam van [betrokkene 32];
20-12-2006: 2139 inlogs op naam van [betrokkene 32] en
22-12-2006: 797 inlogs op naam van [betrokkene 32].
Dat zijn nogal wat sofi-nummers die zijn ingebracht. Ik heb gezien dat [verdachte] heel vaardig is in het inbrengen van sofi-nummers. Als er overdag werd ingevoerd in PVWG dan werden deze gegevens ’s nachts geautomatiseerd vergeleken en de dag erna kwamen de brieven uit het systeem. Deze beslissingsbrieven werden door het UWV Amsterdam naar de werkgever verzonden.”

37.

Dat het Hof uit het voorgaande heeft afgeleid dat het niet anders kan dat de verdachte en/of de met de verdachte samenwerkende medewerkers de desbetreffende brieven heeft/hebben geschreven en geparafeerd, en dit zodoende medeplegen oplevert acht ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk.

38.

Het tiende middel klaagt dat het Hof in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging feit 5 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard. Het elfde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 dat giften zijn gedaan naar aanleiding van het aan de verdachte verschaffen van de toegang tot het gebouw van UWV te Eindhoven, niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

39.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 5 bewezenverklaard dat:

“hij op 20 januari 2007 te Gemert telkens opzettelijk een ambtenaar, te weten [betrokkene 32] in haar hoedanigheid van teamleider Polis en Premie van het UWV en [betrokkene 35] in haar hoedanigheid van assistent-polisbeheerder van de afdeling Polis en Premie van het UWV, een gift heeft gedaan naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaren in hun (vroegere) bediening, in strijd met hun plicht, is gedaan of nagelaten, hebbende hij, verdachte, die [betrokkene 32] en [betrokkene 35] voornoemd in voormelde periode de volgende giften gedaan:
aan [betrokkene 32] op 20 januari 2007 een bedrag groot 7.821,52 euro;
aan [betrokkene 35] op 20 januari 2007 een bedrag groot 10.805,09 euro,
zijnde die giften gedaan naar aanleiding van het aan verdachte verschaffen van de toegang tot het gebouw van UWV te Eindhoven en/of het verrichten van diverse werkzaamheden ten behoeve van verdachte.”

40.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2011 overgelegde pleitaantekeningen heeft de verdediging kort samengevat aangevoerd dat niet van strijd met de plicht kan worden gesproken nu niet blijkt dat er meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan handelingen die in overeenstemming zijn met de taak van het UWV, te weten het verstrekken van informatie aan de ondernemingen om de K&V-aanvragen te kunnen opstellen.

41.

Mijns inziens ligt de verwerping van het door de verdediging aangevoerde besloten in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. In dat kader verwijs ik naar de inhoud van bewijsmiddel 95, een verklaring van [betrokkene 32]:

“(…) Ik noch [betrokkene 36] spraken er uiteraard over dat wij deze werkzaamheden voor [verdachte] niet kenbaar zouden maken aan het UWV. Het is namelijk verplicht om nevenwerkzaamheden bij je werkgever te melden. Dat was natuurlijk niet de enige reden. Het was ons bekend dat wij geen gegevens vanuit de UWV systemen aan derden mochten verstrekken en dat gingen wij dus wel doen. Ik wist natuurlijk dat het niet zuiver op de graat was dat ik en ook [betrokkene 36] voor [verdachte] zijn gaan werken en hem gegevens en inlichtingen zijn gaan verstrekken om zijn K&V-aanvragen in te dienen. Het is mij uiteraard bekend dat ik vanuit mijn positie als medewerker van het UWV geen vertrouwelijke gegevens aan derden mag verstrekken.”

42.

Ten aanzien van de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat giften zijn gedaan naar aanleiding van het aan de verdachte verschaffen van de toegang tot het gebouw van UWV te Eindhoven, verwijs ik voorts naar de inhoud van bewijsmiddel 93, eveneens een verklaring van [betrokkene 32]:

“U vraagt mij andermaal of ik überhaupt heb nagedacht over het wel of niet aanwezig mogen zijn van [verdachte] op de afdeling in Eindhoven. Uiteraard heb ik daar over nagedacht. Ik vond het vreemd [verdachte] daar aan te treffen. Diep van binnen wist ik wel dat een buitenstaander daar niet aanwezig mocht zijn en ook geen gebruik mocht maken van de UWV systemen. [verdachte] had alle user-gegevens van [betrokkene 37] gekregen. Daarmee kon hij gebruik maken van Outlook, het PVWG (Premie Vaststelling Werkgevers Gegevens) systeem, het WeBBR systeem (Basis Registratie) en het systeem BRWG (Basis Registratie Werkgever Gegevens). [verdachte] gebruikte de gegevens van [betrokkene 37].
U vraagt hoe [verdachte] toegang tot de parkeerplaats van het UWV gebouw en het gebouw zelf had. [verdachte] had al een toegangspas van het UWV gebouw in Eindhoven. Hij had in eerste instantie geen pas om te kunnen parkeren op het parkeerterrein van het UWV gebouw. In juli 2006 gaf hij mij zijn pas met de mededeling dat zijn pas hem geen toegang gaf om op de parkeerplaats van het UWV te parkeren. [verdachte] vroeg of het mogelijk was om een pas ter beschikking te krijgen met parkeergelegenheid. Die heb ik vervolgens aan hem gegeven. Ik had nog een aantal passen van ex-medewerkers liggen. Deze waren niet meer in gebruik en ook niet geblokkeerd. Het beleid van het UWV is dat externen enkel een UWV pand mogen betreden onder begeleiding van iemand die werkzaam is bij het UWV. [verdachte] kon op deze manier het gebouw van het UWV inlopen en weer verlaten zonder registratie met een pas die hij eigenlijk niet behoorde te bezitten.3 Achteraf besef ik [] wel terdege dat dit niet had mogen plaatsvinden. [verdachte] had eigenlijk nooit in het bezit mogen zijn van een toegangspas. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de inloggegevens van [betrokkene 37]. Het is geen beleid om externen in de UWV systemen te laten werken en hun daarvoor inloggegevens te verstrekken. Door het UWV worden enkel inloggegevens verstrekt aan medewerkers van het UWV. Deze gegevens worden verstrekt op basis van een personeelsnummer en dat had [verdachte] uiteraard niet.”

43.

Bewijsmiddel 95, wederom een verklaring van [betrokkene 32], houdt voorts het volgende in (p. 85):

“(…) Ik noch [betrokkene 36] spraken er uiteraard over dat wij deze werkzaamheden voor [verdachte] niet kenbaar zouden maken aan het UWV. Het is namelijk verplicht om nevenwerkzaamheden bij je werkgever te melden. Dat was natuurlijk niet de enige reden. Het was ons bekend dat wij geen gegevens vanuit de UWV systemen aan derden mochten verstrekken en dat gingen wij dus wel doen. Ik wist natuurlijk dat het niet zuiver op de graat was dat ik en ook [betrokkene 36] voor [verdachte] zijn gaan werken en hem gegevens en inlichtingen zijn gaan verstrekken om zijn K&V-aanvragen in te dienen. Het is mij uiteraard bekend dat ik vanuit mijn positie als medewerker van het UWV geen vertrouwelijke gegevens aan derden mag verstrekken.”

44.

Het middel faalt.

45.

Het twaalfde middel klaagt dat het Hof de mate waarin het onder 2 bewezenverklaarde tot financiële schade heeft geleid voor de gedupeerde, in het kader van de strafoplegging heeft meegewogen, zonder dat het daarover iets heeft vastgesteld.

46.

Daargelaten dat uit de bewijsmiddelen afgeleid kan worden dat de door het handelen van de verdachte ontstane schade aanzienlijk geweest moet zijn en de bedoelde overweging blijkens de strafmotivering slechts een van de in totaal dertien omstandigheden betreft waar het Hof ten aanzien van de ernst van het feit in het bijzonder op heeft gelet, was het Hof niet gehouden de mate van financiële schade nader te concretiseren, noch een concreet bedrag op te nemen in de bewijsmiddelen. Het middel faalt.

47.

Het dertiende middel klaagt dat het Hof het verzoek tot nader onderzoek naar de berekening van het nadeel ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

48.

Het Hof heeft het desbetreffende verzoek afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval het hof zou willen uitgaan van het beweerdelijk nadeel dat niet kan worden toegeschreven aan in de tenlastelegging genoemde werkgevers, verzocht in de gelegenheid te worden gesteld de berekening van dat nadeel te toetsen door toevoeging aan de stukken van alle relevante documenten en eventueel getuigenverhoor van de betrokkenen. Subsidiair heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht een deskundige op het vlak van statistiek te benoemen. De verzoeken behoeven geen bespreking reeds omdat de aan de verzoeken verbonden voorwaarde niet is vervuld. Immers, het hof zal geen acht slaan op het gestelde benadelingsbedrag van 4,4 miljoen euro.”

49.

Voor zover het middel klaagt dat het Hof ‘het verzoek heeft gedenatureerd’ door in plaats van werknemers, het woord werkgevers te noemen meen ik dat het hier gaat om een kennelijke schrijffout.4 Voor zover wordt geklaagd dat zonder overweging over de mate van het nadeel niet getoetst kan worden of de aan het verzoek verbonden voorwaarde daadwerkelijk niet is ingetreden, merk ik op dat het Hof heeft aangegeven dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld en het niet gehouden was nader te motiveren waarom de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet is ingetreden.

50.

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

51.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend AG

1 Bedoeld zal zijn: in de jaren die in de tenlastelegging voor ieder afzonderlijke, beweerdelijke, arbeidsgehandicapte worden bedoeld.

2 Nummer twee is het vooruitlopen op een nog af te leggen getuigenverklaring.

3 Bedoeld zal zijn dat de verdachte zonder registratie op eigen naam, maar met registratie op eens anders naam het gebouw in en uit kon.

4 Zo luiden de teksten in de pleitnota, onderdelen 7.7 en 11.17. Het maakt overigens niets uit, want in de bewezenverklaringen komen ook werkgevers voor, die door de verdachte en zijn kompanen werden bevoordeeld met gelden waarop zij geen recht hadden.