Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1883

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-10-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12/02838
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:180, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-naleving art. 322.3 Sv, instemming hervatting onderzoek bij gewijzigde samenstelling na schorsing. Het p.v. tz. houdt in dat het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich bevond t.t.v. de schorsing daarvan doch houdt niet in dat de AG en verdachte daarmee hebben ingestemd, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het Hof het onderzoek opnieuw moeten aanvangen. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat art. 322.3 Sv ertoe strekt te garanderen dat ‘het vereiste van de herhaling, indien en v.zv. dat door verdachte als een zijn rechten beschermend vereiste wordt beleefd’ in stand blijft. Art. 322.3 Sv biedt de verdediging daarom de mogelijkheid haar instemming te onthouden aan voortzetting van het onderzoek ttz. in een gewijzigde samenstelling, en aldus het onderzoek ttz. opnieuw te laten aanvangen. Hieruit volgt dat de naleving van het voorschrift dat bij een gewijzigde samenstelling het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen, afhankelijk is van het belang dat de verdediging daaraan in een concreet geval hecht. Tegen die achtergrond en gelet op ECLI:NL:HR:2012:BX0146 brengt het voorgaande mee dat in cassatie aan een schriftuur waarin wordt geklaagd over de niet-naleving van het in die bepaling gegeven voorschrift, de eis moet worden gesteld dat wordt aangegeven in welk in rechte te respecteren belang de verdachte door die niet-naleving is getroffen. De schriftuur, die is ingediend na de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146 genoemde datum 1 oktober 2012, vermeldt niet in welk rechtens te beschermen belang verdachte als gevolg van de niet-naleving van art. 322.3 Sv is getroffen. De HR verklaart daarom – gezien art. 80a RO – het beroep niet-ontvankelijk. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/47 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NBSTRAF 2014/96
VA 2015/19
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02838

Zitting: 15 oktober 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 25 mei 2012 verdachte wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen”, 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 3. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de teruggave aan verdachte gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. A. D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over de hervatting op 11 mei 2012 van het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing, bij een gewijzigde samenstelling van het Hof, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 mei 2005 niet blijkt dat de Advocaat-Generaal en de verdachte hebben ingestemd met de hervatting van het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.

4.2. De procesgang in hoger beroep is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest.

i) De zaak heeft gediend op de terechtzittingen van 27 maart 2007, 20 april 2009, 28 oktober 2009, 17 juni 2011, 17 november 2011 en 11 mei 2012.

ii) Op de terechtzittingen van 27 maart 2007, 20 april 2009, 28 oktober 2009, 17 juni 2011 en 17 november 2011 was het Hof telkens anders samengesteld. Om die reden is het onderzoek op de zitting op 20 april 2009 opnieuw aangevangen. Voorts is het onderzoek op de zittingen van 28 oktober 2009, 17 juni 2011 en 17 november 2011 telkens met instemming van de partijen hervat in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van de schorsing ervan bevond.

iii) Op de zittingen van 20 april 2009, 28 oktober 2009, 17 juni 2011 en 17 november 2011 is de zaak in zoverre behandeld dat beslissingen zijn genomen met betrekking tot het horen van getuigen en de aanvulling van het dossier en dat (op 28 oktober 2009) ondervraging van de verdachte heeft plaatsgevonden. Op de zitting van 17 juni 2011 is de zaak aangehouden omdat voor de gedetineerde verdachte geen transport bleek te zijn geregeld. Op de zitting van 17 november 2011 is de zaak aangehouden omdat gelijktijdige behandeling met de zaak van de medeverdachte – die moest worden aangehouden – wenselijk werd geoordeeld.

iv) Op de zitting van 11 mei 2012 was het Hof wederom anders samengesteld dan op alle voorgaande zittingen. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt: “Het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing d.d. 17 november 2011 bevond”. Op deze zitting werd de zaak inhoudelijk behandeld.

v) De bestreden uitspraak houdt onder meer in: “Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 april 2009, 28 oktober 2009, 17 juni 2011, 17 november 2011 en 11 mei 2012”.

vi) Uit de aanvulling op het verkorte arrest blijkt dat het Hof (een deel van) de verklaring die de verdachte aflegde op de terechtzitting van 28 oktober 2009 als bewijsmiddel 7 voor het bewijs heeft gebezigd.

4.3. Nu op de voorafgaande zittingen enige behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden en het Hof blijkens de bestreden uitspraak mede naar aanleiding van die zittingen heeft beraadslaagd en beslist, gaat het middel er terecht vanuit dat het Hof het onderzoek op 11 mei 2012 niet zonder instemming van de verdachte en de Advocaat-Generaal had mogen hervatten in de stand waarin het zich op genoemde datum bevond. Nu van die instemming uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt, moet het ervoor gehouden worden dat die instemming niet is gegeven. Het middel is dus op zich gegrond.

4.4. De vraag is of dat tot cassatie moet leiden. Ik stel daarbij voorop dat de schriftuur na 1 oktober 2012 is ingediend, zodat er geen reden is om terughoudendheid te betrachten bij de toepassing van art. 80a RO. Het middel houdt niet in dat en waarom de verdachte door het verzuim in enig rechtens te respecteren belang is getroffen, zodat de vraag is of de verdachte bij de onderhavige klacht voldoende belang heeft.2 Nu het evenwel om de schending van een fundamenteel zittingsvoorschrift gaat en uit de aanvulling op het arrest blijkt dat het Hof gebruik heeft gemaakt van de verklaring die de verdachte aflegde op een zitting waarop het Hof in andere samenstelling zat (zodat duidelijk is dat het met bedoeld zittingsvoorschrift beschermde belang daadwerkelijk in het gedrang is gekomen), meen ik dat het in elk geval vooralsnog te ver gaat om op straffe van niet-ontvankelijkheid te eisen dat een en ander in de schriftuur wordt uiteengezet.

5. Het middel slaagt derhalve.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/02836), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8797.