Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1822

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-11-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
12/06001
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:214, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Schadevordering van eigenaar motorfiets jegens bestuurder auto na aanrijding. Appelprocesrecht, devolutieve werking, motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/72
JBPR 2014/29 met annotatie van Mr. G. van Rijssen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/06001

Mr. F.F. Langemeijer

29 november 2013

Conclusie inzake:

1. New India Insurance Representative N.V.

2. [verzoeker 2]

tegen

[verweerder]

In deze zaak gaat het om de vaststelling van zaakschade na een verkeersongeval.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

De bestreden vonnissen in appel bevatten geen afzonderlijke vaststelling van de feiten. Mijns inziens kan in cassatie van het volgende worden uitgegaan1:

1.1.1.

Op 12 januari 2006 omstreeks 21.30 uur heeft zich te San Nicolaas (Aruba) op de weg Caya Jose Geerman Sr. ter hoogte van perceel 69 een aanrijding voorgedaan tussen een door [betrokkene] bestuurde motorfiets van het merk Ducati, en een door de tweede eiser in cassatie, [verzoeker 2], bestuurde auto (pick-up truck) van het merk Toyota. Als gevolg van deze aanrijding is schade ontstaan aan de motorfiets, die in eigendom toebehoorde aan verweerder in cassatie, [verweerder] (de vader van [betrokkene]; in de gedingstukken kortweg: [verweerder]).

1.1.2.

[verzoeker 2] was ten tijde van deze aanrijding voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij New India Assurance Representative N.V. (hierna kortweg: New India)2.

1.1.3.

[betrokkene] beschikte ten tijde van de aanrijding niet over een rijbewijs voor het besturen van een motorfiets; wel was hij in het bezit van een rijbewijs voor het besturen van een auto.

1.2.

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 10 augustus 2006, heeft [verweerder] gevorderd dat New India en [verzoeker 2], hoofdelijk, zullen worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van Afl. 31.326,-, zijnde de door hem geleden schade aan de motorfiets. [verweerder] heeft gesteld dat [verzoeker 2] het ongeval heeft veroorzaakt, kort gezegd door te stoppen en hinderlijk achteruit te rijden, waarna de achter hem rijdende motorrijder [betrokkene] niet meer tijdig kon stoppen of uitwijken en tegen de auto van [verzoeker 2] is aangereden.

1.3.

[verzoeker 2] en New India hebben, ieder voor zich, verweer gevoerd. [verzoeker 2] heeft de gestelde toedracht betwist en zich subsidiair beroepen op eigen schuld van [betrokkene], die geen motorrijbewijs had en zijn motorfiets onvoldoende beheerste om tijdig te reageren op de verkeerssituatie vóór hem en de auto te passeren. Subsidiair heeft [verzoeker 2] de gestelde schade betwist. Dat laatste was ook het standpunt van New India: de motorfiets is ‘total loss’ verklaard. De dagwaarde van de motorfiets is, na aftrek van de waarde van het wrak, vastgesteld op Afl. 5.750,-. New India heeft aangeboden dat bedrag te betalen; bij dupliek heeft New India medegedeeld dat dit bedrag (onverplicht) aan [verweerder] is voldaan.

1.4.

Bij vonnis van 7 november 2007 heeft het Gerecht van eerste aanleg van Aruba (GEA) aan [verweerder] opgedragen te bewijzen dat de aanrijding ook zonder de overtreding van [betrokkene] (het rijden zonder motorrijbewijs) zou zijn ontstaan en enkel is veroorzaakt door het verkeersgedrag van [verzoeker 2].

1.5.

Na getuigenverhoor heeft het GEA bij vonnis van 19 augustus 2009 overwogen dat het gevraagde bewijs niet is geleverd. Het GEA heeft de vordering van [verweerder] afgewezen. Het GEA verenigde zich uitdrukkelijk met de opvatting van de verweerders dat uit het geheel van de getuigenverklaringen het beeld naar voren komt van een jongeman die voor het eerst op de zeer krachtige racemotor van zijn vader reed en niet adequaat heeft gehandeld toen zich een niet abnormale verkeerssituatie voordeed (rov. 2.3 GEA).

1.6.

[verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Bij tussenvonnis van 22 november 2011 heeft het hof overwogen dat de bewijslast op [verweerder] ligt, nu hij zich op het rechtsgevolg van de door hem gestelde feiten beroept. [verweerder] dient dan ook te bewijzen dat [verzoeker 2] in zijn auto is achteruit gereden, anders dan stapvoets en aan de rechterzijde van de rijbaan waarop hij zich bevond voordat hij achteruit ging rijden, en dat daardoor gevaar voor het verkeer is ontstaan en/of schade aan [verweerder] is toegebracht (rov. 4.3.1). Uit hetgeen de getuigen − in het kader van een andere, de door het GEA gegeven, bewijsopdracht − hebben verklaard en een opmerking van [verzoeker 2] in de gedingstukken leidde het hof het feitelijk vermoeden af dat het ongeval is veroorzaakt zoals door [verweerder] gesteld. Het hof heeft [verzoeker 2] en New India dan ook in de gelegenheid gesteld dit vermoeden te ontzenuwen (rov. 4.3.3.).

1.7.

Met betrekking tot de hoogte van de gestelde schade heeft het hof overwogen dat [verweerder] onvoldoende gemotiveerd heeft ontkend dat de motorfiets ten tijde van het ongeval een dagwaarde had van Afl. 7.250,-. Het hof voegde hieraan toe (rov. 4.4):

“Met als uitgangspunt deze dagwaarde dient de motor, gelet op de reparatiekosten, als ‘total loss’ te worden beschouwd, zodat in elk geval niet meer zal worden toegewezen dan Afl. 7.250,- van welk bedrag kennelijk reeds Afl. 5.750,- is betaald”.

1.8.

New India en [verzoeker 2] hebben om proceseconomische redenen afgezien van verdere bewijslevering. Bij vonnis van 18 september 2012 heeft het hof het vonnis van het GEA van 19 augustus 2009 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker 2] en New India hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van Afl. 1.500,-. Het hof heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.9.

Namens [verzoeker 2] en New India is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel van het hof, dat de schade Afl. 7.250,- bedraagt, verminderd met het reeds betaalde bedrag van Afl. 5.750,-, onbegrijpelijk is zonder nadere motivering: New India en [verzoeker 2] hadden immers gesteld dat bij de vaststelling van de schade de wrakwaarde van Afl. 1.500,- in mindering dient te worden gebracht op de dagwaarde van Afl. 7.250,-. Aldus resteert volgens de klacht een schade van Afl. 5.750,- en die is reeds vergoed.

2.2.

De devolutieve werking van het appel bracht mee dat, toen het hof het vonnis van het GEA vernietigde en opnieuw recht deed, het hof rekening behoorde te houden met alle relevante verweren die in eerste of in tweede aanleg door [verzoeker 2] en door New India waren aangevoerd. Daartoe behoort het verweer dat de waarde van het wrak van de motorfiets (dat klaarblijkelijk bij [verweerder] is gebleven) behoort te worden afgetrokken van de dagwaarde (waarde van de motorfiets in het economisch verkeer op de dag van het ongeval)3. Uit het bestreden eindvonnis blijkt niet dat het hof dit verweer inhoudelijk heeft beoordeeld. Het probleem is hierin gelegen dat het hof in het tussenvonnis in rov. 4.4 − op zich correct − tot de gevolgtrekking is gekomen “dat in elk geval niet meer zal worden toegewezen dan Afl. 7.250,- van welk bedrag kennelijk reeds Afl. 5.750,- is betaald”, waarmee werd aangeven dat het schadebedrag dat nog voor toewijzing in aanmerking kwam in hoofdsom niet hoger kon zijn dan Afl. 1.500,-. In rov. 2.2 van het eindvonnis heeft het hof overwogen dat in het tussenvonnis de omvang van de schade was bepaald op Afl. 7.250,-, waarna het hof in rov. 2.3 van het eindvonnis overweegt dat het hem niet vrij staat van deze eindbeslissing terug te komen. In werkelijkheid had het hof in zijn tussenvonnis de vraag of ook die laatste Afl. 1.500,- aan [verweerder] moest worden vergoed, nog open gelaten. De motiveringsklacht van onderdeel 1 slaagt en heeft tot gevolg dat het eindvonnis niet in stand kan blijven.

2.3.

Onderdeel 2 klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op essentiële verweren van [verzoeker 2] en/of van New India met betrekking tot de eigen schuld van [betrokkene] aan het ongeval, waardoor de beslissing onbegrijpelijk is althans ontoereikend gemotiveerd. Voor de desbetreffende stellingen (onder a - j) verwijs ik naar het cassatieverzoekschrift.

2.4.

Het GEA, dat de vordering afwees, is niet toegekomen aan het beroep op eigen schuld van de benadeelde. De devolutieve werking van het appel bracht mee dat, toen het hof het vonnis van het GEA vernietigde en opnieuw recht deed, het hof rekening behoorde te houden met alle relevante verweren die in eerste of in tweede aanleg door [verzoeker 2] en door New India waren aangevoerd. Daartoe behoorde het beroep op eigen schuld van [betrokkene]. Weliswaar gaat de motiveringsplicht niet zo ver dat het hof elk van de (onder a tot en met j bedoelde) gestelde feiten met zoveel woorden in zijn motivering diende te betrekken, maar wel is nodig dat het hof de lezer inzicht biedt in de gronden waarop het beroep op eigen schuld van [betrokkene] is verworpen. Dat ontbreekt. Indien het hof van oordeel is geweest dat het bewijsoordeel de verwerping van het beroep op eigen schuld impliceert, spreekt dat niet vanzelf. Naar het hof in rov. 2.1 van het eindvonnis bevestigt, hield het vermoeden in dat het ongeval is veroorzaakt zoals [verweerder] had gesteld, d.w.z. doordat [verzoeker 2] met zijn auto hinderlijk achteruit is gereden terwijl de door [betrokkene] bestuurde motorfiets achter hem reed op dezelfde weghelft. Dat zo zijnde, is niet uitgesloten dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. De motiveringsklacht van onderdeel 2 slaagt.

2.5.

Onderdeel 3 is gericht tegen de proceskostenveroordeling en bouwt hoofdzakelijk voort op de voorgaande klachten. Indien één of meer van de voorgaande klachten slagen, komt ook de proceskostenveroordeling op losse schroeven te staan. Tot zover acht ik de klacht gegrond.

2.6.

Daarnaast bevat het middelonderdeel de zelfstandige klacht dat gedurende de procedure in eerste aanleg door New India al een schadevergoeding ten bedrage van Afl. 5.750,- is aangeboden en betaald. Volgens de klacht had het hof daarom de proceskosten, als nodeloos veroorzaakt, ten laste van [verweerder] moeten brengen, althans is het andersluidend oordeel omtrent de proceskosten onbegrijpelijk zonder nadere motivering. Deze klacht faalt. In de feitelijke instanties hebben [verzoeker 2] en New India weliswaar het standpunt ingenomen dat [verweerder] dient te worden veroordeeld in de kosten van het geding, maar niet met het argument dat [verweerder] nodeloos proceskosten heeft veroorzaakt4. Er was voor het hof dan ook geen noodzaak om in zijn motivering nader op de proceskostenveroordeling in te gaan.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van 18 september 2012 en tot verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie ook het vonnis in eerste aanleg van 7 november 2007 onder 2.1 - 2.4.

2 In de gedingstukken, waaronder bescheiden met het gedrukte briefhoofd, en in de vonnissen van het GEA wordt de naam gespeld als “Assurance”; in de vonnissen van het Hof van Justitie als “Insurance”; het verzoekschrift in cassatie volgt de spelling van het hof. M.i. kan de spelling verbeterd worden gelezen. Voor de liefhebbers ontleen ik aan de Concise Oxford English Dictionary, 2006, sub voce assurance: “Assurance is used of insurance policies under whose terms a payment is guaranteed, either after a fixed term or on the death of the insured person; insurance is the general term, and is used in particular of policies under whose terms a payment would be made only in certain circumstances (e.g. accident or death within a limited period)”.

3 CvA van [verzoeker 2], onder 9; CvA van New India onder 4, herhaald in de CvD van New India onder 6 en 13; conclusie na niet gehouden enquete in appel van New India onder 7. Zie ook de twee brieven van [verzoeker 2] advocaat aan het hof van 10 januari 2012 over dit onderwerp.

4 Het meest in de buurt komt nog punt 14 in de CvD van New India, maar ook daar wordt erkend dat het standpunt van [verweerder] omtrent de hoogte van de schade (onderbouwd met een bij het inleidend verzoekschrift overgelegde offerte) en het betalingsvoorstel van New India ad Afl. 5.750,- sterk uiteenliepen.