Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1780

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
12/02982
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1754, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel dat de voorbedachte raad kan worden bewezenverklaard niet toereikend gemotiveerd. De door het Hof vastgestelde gang van zaken die heeft geleid tot de dood van het slachtoffer, laat de reële mogelijkheid open dat sprake was van een spontaan ontstane ruzie over drugs, welke ruzie in korte tijd escaleerde, waarbij het besluit tot levensberoving eerst in een latere fase is genomen, terwijl in dat verband ook niet duidelijk is in welke zin het Hof betekenis heeft toegekend aan de door hem genoemde tijdspanne tussen de twee schoten. Voorts is uit de bewijsvoering niet af te leiden op welke wijze het Hof in zijn oordeel heeft betrokken de omstandigheid dat niet verdachte maar zijn medeverdachte op het slachtoffer heeft geschoten, zodat niet zonder meer begrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat de door het Hof genoemde gedragingen van verdachte – bestaande uit het achtervolgen van het slachtoffer en het gebruik van fysiek geweld tegen het slachtoffer – “veeleer [duiden] op een weloverwogen optreden” van verdachte, met welk “optreden” het Hof doelt op de levensberoving. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02982

Mr. Aben

Zitting 15 oktober 2013

Conclusie inzake

[verdachte]1

1. Het gerechtshof te Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem, heeft bij arrest van 31 mei 2012 de verdachte ter zake van feit 1 primair: “medeplegen van moord”, feit 2: “handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, feit 4: “poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen” en feit 6: “diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk op die diefstal gemakkelijk te maken en afpersing” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], toegewezen tot het bedrag van €16.068,77 en tevens de schadevergoedingsmaatregel aan de Staat opgelegd tot het bedrag van €16.068,77, één en ander zoals omschreven in het bestreden arrest. Ten slotte heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven pistool inclusief houder met vier patronen.

2. Namens de verdachte heeft mr. H.O. den Otter, advocaat te Arnhem, cassatie ingesteld. Namens de verdachte hebben mrs. J-L.A.M. le Cocq d’Armandville en E.A. Blok, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie. Namens de benadeelde partij heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, een verzoek ingediend om de verdachte in de kosten voor de rechtsbijstandverlening in cassatie te veroordelen.

3. Met het verzoek dat namens de benadeelde partij is gedaan om de verdachte in de kosten voor de rechtsbijstandverlening ad € 77,-- in cassatie te veroordelen, wordt eraan voorbij gegaan dat in een cassatieprocedure niet is voorzien in een veroordeling van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in die aanleg heeft gemaakt.2

4. Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1. primair, voor zover inhoudende dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, onvoldoende met redenen is omkleed.

4.1. Ten laste van verdachte is onder feit 1. primair bewezen verklaard dat:

“hij op 13 januari 2008 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van [betrokkene 1] geschoten, tengevolge waarvan [betrokkene 1] is overleden.”

4.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Volgens de verdediging zou sprake zijn geweest van een drugsgerelateerde vechtpartij waarbij per ongeluk een wapen is afgegaan.

4.3. Het bestreden (promis) arrest bevat het volgende bewijsoverzicht en nadere overwegingen met betrekking tot feit 1. primair:3

“Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de Dickenslaan met de Cervanteslaan een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [betrokkene 1].

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [betrokkene 1]. Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding. Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linker schouderblad. Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd.

Van het incident zijn verscheidene mensen getuige geweest.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij geschreeuw hoorde op straat en dat hij ruzie hoorde maken. Het geschreeuw kwam van de Cervanteslaan op de hoek met de Dickenslaan te Utrecht. Hij zag dat één persoon de Dickenslaan inliep en dat anderen achter diegene aan liepen. Even later hoorde hij een knal. Na dit schot hoorde hij roepen: "Nee, nee, niet doen." De getuige hoorde aan het stemgeluid dat de persoon als het ware smeekte om het niet te doen. Hierna hoorde de getuige weer een knal. Na het tweede schot renden twee personen weg over de Cervanteslaan. De getuige zag dat zij in een personenauto stapten die ongeveer 20 à 30 meter van de hoek Cervanteslaan/Dickenslaan stond geparkeerd.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij aan het tennissen was toen twee mannen, die ook aan het tennissen waren, zeiden dat er werd geschoten. Direct hierna hoorde zij iemand roepen dat hij was geraakt. Kort hierop hoorde zij een knal. Later realiseerde ze zich dat ze al eerder een knal had gehoord, maar dat ze toen dacht dat het vuurwerk was.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij vier mannen zag die ruzie aan het maken waren. Eén van de mannen rende al snel weg. Daarna waren ze met zijn drieën. De getuige zag dat twee van de mannen de derde man schopten. Deze derde persoon lag op de grond. Hij lag op de plaats waar hij later was neergeschoten. Terwijl hij werd geslagen, hoorde ze een paar keer: "sleutel". De getuige heeft gehoord dat er werd geschoten.

De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij vanuit een woning gelegen aan de Dickenslaan twee knallen hoorde. Hij keek door het raam naar buiten en zag op de hoek van de Cervanteslaan met de Dickenslaan een man op de grond liggen. Bij de man stonden twee personen. De ene persoon stond ter hoogte van het middel van de liggende man. Deze persoon had een voorwerp in zijn rechterhand dat eruit zag als een pistool. Hij hield zijn rechterarm gestrekt richting het lichaam van de liggende man, ter hoogte van diens borst of hoofd. De andere persoon stond ter hoogte van de rechterschouder van het slachtoffer.

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij zich in zijn woning gelegen aan de Dickenslaan bevond toen hij door het raam zag dat twee personen inschopten op een persoon die op de grond lag. De getuige heeft twee schoten gehoord.

De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij in haar woning gelegen aan de Dickenslaan televisie zat te kijken toen het klonk alsof er mensen aan het rennen waren. Vervolgens hoorde zij geschreeuw. Door het raam zag zij dat er buiten op straat een man op de grond lag. Vlakbij de man stonden twee andere mannen. Eén man stond ter hoogte van het hoofd van de man die op de grond lag. De andere man stond ter hoogte van het middel van de liggende man. De liggende man werd geschopt. Eén van de mannen boog zich voorover over het bovenlichaam van het op de grond liggende slachtoffer. Daarna hoorde de getuige een soort plof of plop of tok geluid.

De getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij "[A]" aan de Vleutenseweg samen met [betrokkene 1] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [betrokkene 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [betrokkene 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin. [betrokkene 1] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de [a-straat 1/2]. [betrokkene 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: "Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles." [betrokkene 1] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [betrokkene 1]. De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [betrokkene 1] zei: "Ik neem het. Ik heb geld genoeg." Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 7] zag dat het een vuurwapen was. [getuige 7] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter- commissaris verklaard dat hij met verdachte is meegereden naar Utrecht. Verdachte en [betrokkene 1] zouden elkaar treffen in coffeeshop [A] en [medeverdachte] is meegegaan. Verdachte zat op de bestuurdersstoel en [medeverdachte] op de bijrijdersstoel. [betrokkene 1] ging achter verdachte zitten en [getuige 7] achter [medeverdachte]. Ze zijn vervolgens naar het huis van [betrokkene 1] gereden. Verdachte reed. Toen ze bij het huis van [betrokkene 1] aankwamen, is [betrokkene 1] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [betrokkene 1] weer ingestapt. Toen zat [betrokkene 1] achter verdachte en [getuige 7] achter verdachte. Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [betrokkene 1] is een gesprek gestart met verdachte over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan verdachte. Verdachte rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [getuige 7] is uit de auto gestapt en weggerend. Op een gegeven moment hoorde [medeverdachte] verdachte zeggen dat [betrokkene 1] de autosleutel had. Op enig moment zijn verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 1] uit de auto gestapt. [medeverdachte] had toen een vuurwapen vast. Verdachte liep naar [betrokkene 1] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat [medeverdachte] vasthield, is afgegaan. Verdachte had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft verdachte de sleutel te pakken gekregen. [medeverdachte] en verdachte zijn in de auto gestapt en weggereden.

Verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte]) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [betrokkene 1]. De afspraak ging over cocaïne. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar Utrecht gereden. Verdachte en [betrokkene 1] hebben elkaar bij theehuis [A] getroffen. [betrokkene 1] had iemand bij zich. [betrokkene 1] ging achter verdachte in de auto zitten. De andere persoon ging achter [medeverdachte] zitten. [betrokkene 1] zei waar verdachte heen moest rijden. Ze stopten ergens. [betrokkene 1] zei dat verdachte even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [betrokkene 1] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 7] achter verdachte. [betrokkene 1] vroeg verdachte weg te rijden en rechtsaf te slaan. Verdachte parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [betrokkene 1] haalde het zakje coke te voorschijn en gaf het aan verdachte.

Verdachte keek ernaar en hij rook eraan. Verdachte zei tegen [betrokkene 1] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [betrokkene 1] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg verdachte of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos. [getuige 7] rende weg. Verdachte is als tweede uit de auto gestapt. Vanonder de stoel pakte verdachte zijn eigen vuurwapen. [betrokkene 1] pakte de autosleutels uit het contact van de auto.

Op een gegeven moment stond [betrokkene 1] buiten de auto op de stoep. Verdachte is op hem gesprongen, omdat hij de sleutels terug wilde hebben en [betrokkene 1] die niet terug wilde geven. Verdachte heeft [betrokkene 1] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. Verdachte hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 1]. Op een gegeven moment, toen verdachte het schot hoorde, lag [betrokkene 1] op de grond. Verdachte heeft de autosleutels gepakt toen [betrokkene 1] op de grond lag. Verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar de getuige [getuige 9] gegaan. Daar heeft verdachte gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd en nader aangevuld. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd.

Bij een doorzoeking van de woning in Hoogvliet waar verdachte destijds verbleef, is op 16 april 2008 een vuurwapen van het merk Pietro Beretta aangetroffen. De getuige Tremus heeft verklaard dat dit vuurwapen van haar vriend [verdachte] is.

Op 2 april 2008 is in het kader van een onderzoek tegen [betrokkene 2] in een kelderbox van een woning te Rotterdam een vuurwapen van het merk Zastava aangetroffen. Met dit wapen heeft de politie proefschoten uitgevoerd. Hieruit bleek dat er overeenkomsten zijn met twee hulzen die op 13 januari 2008 op de plaats delict te Utrecht zijn aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de twee hulzen die op 13 januari 2008 zijn aangetroffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het onder [betrokkene 2] in beslag genomen vuurwapen. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft gekocht van ene [betrokkene 3]. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte] dit wapen op 13 januari 2008 uit de auto heeft gepakt en dat hij dit wapen later, in het bijzijn van verdachte, aan Remi Rafael heeft overgedragen.

Door het NFI is onderzocht of de bij [betrokkene 1] geconstateerde hoofdletsels (nader aangeduid met letsels G, H, I en K) veroorzaakt kunnen zijn door het slaan met een van de genoemde vuurwapens. Het NFI heeft geconcludeerd dat letsel G kan zijn opgeleverd door slaan of stoten met een puntig deel van één van beide wapens. De Ietsels H en I kunnen zijn opgeleverd door slaan of stoten met de uitstekende rand aan de voorzijde van de patroonhouder van het wapen Zastava en het letsel K kan worden toegeschreven aan met kracht slaan of stoten met de onderzijde van de kolf van hetzelfde wapen.

De politie heeft een gesprek opgenomen tussen verdachte en zijn vriendin [getuige 8], afgeluisterd op 10 juni 2008. Verdachte zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

“Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (...) we zijn naar de man toe gegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man "droppen", eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (...) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (...) We zijn uit de auto gestapt, die man... weetje wat deze man gedaan heeft, broeder? De man is via achterin gesprongen en heeft de autosleutel gepakt, die man heeft de autosleutel gepakt en is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten. Weetje wat die man wilde doen? Die man wil de sleutel in de put gooien. Die man wil de sleutel in de put gooien... Eindstand: we willen vechten., die man wil de sleutel niet loslaten broeder...”

Overwegingen

De getuige [getuige 7] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: verdachte) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. Verdachte zou dit wapen vervolgens op [getuige 7] en [betrokkene 1] hebben gericht. Volgens de getuige had [betrokkene 1] geen wapen bij zich. Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven.

[medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [betrokkene 1] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van [medeverdachte] en verdachte. Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige [getuige 7]. De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [betrokkene 1] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [betrokkene 1] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [betrokkene 1] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer. Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen verdachte en zijn vriendin [getuige 8], afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten:

"de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de "bro" schieten."

Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [betrokkene 1] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [betrokkene 1] het wapen van verdachte of [medeverdachte] probeerde af te pakken.

Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario's het juiste is, wordt in het midden gelaten of [betrokkene 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

- Op enig moment waren verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 1] uit de auto.

- Verdachte en [medeverdachte] hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast en [betrokkene 1] had op dat moment geen vuurwapen (evt.: meer) in zijn handen.

- [betrokkene 1] is vervolgens weggelopen.

- Verdachte en [medeverdachte] hebben [betrokkene 1] gewapend achtervolgd.

- Verdachte is op [betrokkene 1] gesprongen.

- Verdachte en [medeverdachte] hebben [betrokkene 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.

- [betrokkene 1] is op de grond terechtgekomen.

- Verdachte en [medeverdachte] hebben [betrokkene 1] geschopt, terwijl [betrokkene 1] op de grond lag.

- [medeverdachte] heeft op [betrokkene 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- [betrokkene 1] heeft geroepen "nee nee niet doen" en dat hij was geraakt.

- [medeverdachte] heeft nogmaals op [betrokkene 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- [medeverdachte] heeft met gestrekte arm geschoten.

- Op het moment dat [medeverdachte] schoot, lag [betrokkene 1] op de grond en stonden [medeverdachte] en verdachte naast hem.

- [betrokkene 1] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden.

- [betrokkene 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar verdachte de auto had geparkeerd.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. [medeverdachte] heeft [betrokkene 1] door middel van een opgezet schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat de [medeverdachte] op dat moment het opzet heeft gehad om [betrokkene 1] te doden.

Door de verdediging is nog het verweer gevoerd dat de hiervoor genoemde verklaringen van de getuigen plaats delict niet bruikbaar zouden zijn voor het bewijs nu deze verklaringen onderling op cruciale punten verschillen. Het hof verwerpt dit verweer nu de getuigen plaats delict in hoofdlijnen consistent hebben verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen. Nu het gaat om niet bij het feit betrokken ooggetuigen heeft het hof ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen zij hebben waargenomen. Dat de verklaringen op details van elkaar verschillen, maakt dit niet anders. Het terzake gevoerde verweer wordt verworpen.

Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte]. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door verdachte geregelde ontmoeting met [betrokkene 1] over drugs. Verdachte had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken. Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden bewapend [betrokkene 1] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat [medeverdachte] schoot, stond verdachte erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [betrokkene 1] is neergeschoten, hebben [medeverdachte] en verdachte alsnog de autosleutels afgepakt en zijn zij naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte] en verdachte zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.

Voor het aannemen van voorbedachte raad is naar vaste jurisprudentie voldoende dat komt vast te staan dat de dader de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat -objectief gezien- gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het voorgaande volgt dat dat in deze zaak het geval is geweest. Het hof doelt daarbij in het bijzonder op de achtervolging door de gewapende verdachten van de onbewapende [betrokkene 1] vanaf de plaats waar de auto is geparkeerd tot aan de plaats waar op [betrokkene 1] is geschoten, op de verschillende vormen van fysiek geweld die [medeverdachte] en verdachte hebben gebruikt en op de tijd die tussen de twee schoten heeft gezeten. Daarnaast is vastgesteld dat er door [medeverdachte] is geschoten met gestrekte arm met 0 cm afstand. Deze gedragingen duiden er niet op dat verdachten hebben gehandeld in paniek of een andere plotselinge gemoedsbeweging; zij duiden veeleer op een weloverwogen optreden. Daarmee kan bewezen worden dat [medeverdachte] en verdachte hebben gehandeld met voorbedachte raad.”

4.4. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof zijn oordeel, mede gelet op hetgeen door de raadsman van de verdachte omtrent het bestanddeel “met voorbedachte raad” is betoogd, niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. De vier door het hof aan dat oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden kunnen de bewezenverklaring dan ook niet dragen. Die door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden komen volgens de steller van het middel op het volgende neer:

  1. de achtervolging door de gewapende verdachten van het onbewapende slachtoffer [betrokkene 1] vanaf de plaats waar de auto is geparkeerd tot aan de plaats waarop op het slachtoffer is geschoten;

  2. de verschillende vormen van geweld die beide verdachten hebben gebruikt;

  3. de tijd die tussen de twee schoten heeft gezeten; en

  4. de vaststelling dat de verdachte met gestrekte arm met 0 cm afstand heeft geschoten.

Ten aanzien van de omstandigheid onder (i) voert de steller van het middel aan dat het hof heeft vastgesteld dat er slechts een beperkt aantal meters zat tussen de plek waar de auto geparkeerd stond en de plek waar het slachtoffer is neergeschoten, zodat het afleggen van een dergelijke korte afstand het niet aannemelijk maakt dat er tijd en gelegenheid is geweest voor kalm beraad en rustig overleg. De omstandigheid onder (ii) duidt evenmin zonder meer op voorbedachte raad. De verschillende vormen van fysiek geweld, te weten het springen op het slachtoffer, het slaan met een vuurwapen op het hoofd van het slachtoffer en het schoppen op het op de grond liggende slachtoffer, kunnen immers veeleer worden gezien als uitingen van handelen in paniek en/of vanuit een gemoedsopwelling. Ten aanzien van de omstandigheid onder (iii) geldt dat het hof niet heeft vastgesteld hoeveel tijd er zat tussen de schoten en dat niet blijkt dat er slechts zeer korte tijd tussen de twee schoten zat, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat er gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Ten slotte is de omstandigheid onder (iv) evenmin relevant voor voorbedachte raad. Uit geen van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte] met gestrekte arm heeft geschoten. Weliswaar heeft de getuige [getuige 4] gesproken over een gestrekte arm, maar die waarneming deed deze getuige eerst nadat hij twee knallen had gehoord, en bovendien heeft deze getuige niet gezien dat er werd geschoten. Derhalve heeft het hof omstandigheden redengevend geacht voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad, terwijl dit niet uit de vastgestelde feiten kan volgen, aldus de steller van het middel.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar dit is op zichzelf geen allesbepalende factor aangezien dit de rechter er niet van behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.4

4.6. De vraag is nu of in het bestreden arrest is voldaan aan de huidige eisen die aan de motivering van voorbedachte raad worden gesteld. In het onderhavige geval heeft het hof in de eerste plaats uiteengezet dat vast is komen te staan dat de verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat – objectief gezien – gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en om zich daarvan rekenschap te geven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu de gewapende verdachte en zijn medeverdachte [verdachte] het onbewapende slachtoffer [betrokkene 1] hebben achtervolgd vanaf de plaats waar de auto is geparkeerd tot aan de plaats waar op het slachtoffer is geschoten. Dat – zoals de steller van het middel aanvoert – het afleggen van een zeer korte afstand het onaannemelijk maakt dat er tijd en gelegenheid is geweest voor kalm beraad en rustig overleg, vermag ik niet in te zien. Immers heeft het hof omtrent die achtervolging overwogen dat nadat het slachtoffer uit de auto was gestapt en weggelopen, de verdachte en zijn medeverdachte hem bewapend hebben achtervolgd, de verdachte op het slachtoffer is gesprongen, zij hem vervolgens op het hoofd hebben geslagen, waardoor het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. Daaruit maak ik op dat het slachtoffer doelgericht door de verdachte en zijn medeverdachte is achtervolgd en niet dat de verdachte geen tijd en gelegenheid heeft gehad voor kalm beraad en rustig overleg. Voorts heeft het hof de voorbedachte raad gebaseerd op de verschillende vormen van fysiek geweld die zijn gebruikt door de verdachte en zijn medeverdachte jegens het slachtoffer en de tijd die tussen de twee schoten heeft gezeten alsmede het feit dat de medeverdachte met gestrekte arm met 0 cm afstand op het slachtoffer heeft geschoten. Het hof heeft zich vervolgens op basis van voornoemde omstandigheden er rekenschap van gegeven dat de verdachte niet heeft gehandeld in paniek of een andere plotselinge gemoedsbeweging. Het moge zo zijn dat het fysieke geweld uitgeoefend door de verdachte en zijn medeverdachte verband houdt met het feit dat het slachtoffer de autosleutel had ontvreemd, waardoor er sprake was van een “buitengewoon ongelukkige samenloop van omstandigheden waardoor het slachtoffer om het leven is gekomen” zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is bepleit, maar daaruit leid ik niet af dat de verdachte handelde in een hevige gemoedsbeweging. Immers begonnen de verdachte en zijn medeverdachte nadat het slachtoffer op de grond terecht was gekomen, [betrokkene 1] te schoppen, waarna de verdachte op hem schoot. Op het moment dat het slachtoffer op de grond lag, lijkt het mij dat de verdachte of zijn medeverdachte de autosleutel terug had kunnen pakken. Maar op dat moment zijn zij doorgegaan met het geweld, uiteindelijk resulterend in het neerschieten van het slachtoffer. Anders dan de steller van het middel betoogt, duidt de bewijsconstructie van het hof er voorts evenmin op dat het wapen per ongeluk is afgegaan tijdens een vechtpartij. Dat de medeverdachte met gestrekte arm heeft geschoten op het slachtoffer kan niet alleen worden afgeleid uit de verklaring van de getuige [getuige 4] (“hij hield zijn rechterarm gestrekt richting het lichaam van de liggende man, ter hoogte van diens borst of hoofd”), maar wordt tevens ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 6] (“de liggende man werd geschopt. Eén van de mannen boog zich voorover over het bovenlichaam van het op de grond liggende slachtoffer. Daarna hoorde getuige een soort plof of plop of tok geluid”). Dat een schot het slachtoffer niet raakte en dat de schoten kort na elkaar waren doet aan de begrijpelijkheid van dit oordeel niet af en vormt evenmin een contra-indicatie voor de aanwezigheid van voorbedachte raad. Naar mijn oordeel voldoen de overwegingen van het hof aldus aan de eisen die in de jongste rechtspraak aan het bewijs van voorbedachte raad worden gesteld, en zie ik voor cassatie geen aanleiding.5

4.7. Het middel faalt.

5.

Het tweede middel klaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur van 21 mei 2010 opgegeven getuigen, zoals nader toegelicht bij brief van 23 maart 2011 en ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011, en de motivering daarvan.

5.1.

De appelschriftuur van 21 mei 2010 houdt in dat de verdediging als getuige wenst te horen:

  • -

    terzake feit 1: 39 personen, met vermelding van de initialen en achternaam en veelal geboortedatum en woonplaats;

  • -

    terzake feit 4: 12 personen, met vermelding van de initialen, achternaam en van 5 personen tevens de geboortedatum en woonplaats;

  • -

    8 personen, met vermelding van initialen en achternaam en tevens beroep, maar zonder vermelding van geboortedatum en woonplaats.

5.2.

Bij brief van 23 maart 2011 heeft de raadsman aangegeven dat de verdediging expliciet geen afstand doet van de onderzoekswensen zoals geformuleerd in de appelschriftuur, doch niet zijn gemotiveerd in dit geschrift.

5.3.

Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011 gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar opgemerkt dat de verdediging voor het overige verwijst naar haar schriftelijke motivering van 23 maart 2011.

5.4.

Bij tussenarrest van 27 mei 2011 heeft het hof de afwijzing van het verzoek om de in het middel bedoelde getuigen te horen als volgt gemotiveerd:

“Rechtmatigheidsgetuigen

Het verzoek tot het horen van de getuigen die zouden kunnen verklaren omtrent het ontbrekende schriftelijk bevel OVC wordt afgewezen. Dat een schriftelijk bevel OVC ontbrak staat vast. Onomstreden is dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Nu het schriftelijk bevel ontbrak en mensen die uitvoerende werkzaamheden hebben verricht, erkend hebben in strijd met de regels te hebben gehandeld, is verdachte in redelijkheid niet in zijn verdedigingsbelang geschaad door het niet horen van de getuigen. De aan dit verzuim te verbinden consequenties staan te zijner tijd ter beoordeling aan het hof. Het verzoek tot het horen van de navolgende getuigen wordt derhalve afgewezen:

- [betrokkene 4];

- [betrokkene 5];

- [betrokkene 6];

- [betrokkene 7];

- [betrokkene 8];

- [betrokkene 9];

- [betrokkene 10];

- [betrokkene 10];

- de ambtenaar c.q. ambtenaren als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en artikel 6, eerste lid, van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering.

De (voorwaardelijke) verzoeken tot het horen van de volgende getuigen worden eveneens afgewezen, nu het hof gezien het bovenoverwogene van oordeel is dat verdachte door het niet horen van deze getuigen evenmin in zijn verdedigingsbelang kan worden geschaad:

- mevrouw mr. F.M. van Lenthe, advocaat-generaal;

- mr. A.F.M. van Veghel, officier van justitie;

- mr. J. Bac, officier van justitie;

- mr. A.M. Gruschke, officier van justitie;

- mevrouw mr. E.J. van Rijssen, rechter-commissaris;

- [betrokkene 12], rechercheur;

- [betrokkene 13], rechercheur.

De voorwaardelijk gedane verzoeken tot het horen van "derden" over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het opsporingsmiddel OVC in de onderhavige zaak is ingezet en gecontinueerd worden afgewezen, nu het hof het horen van deze getuigen met noodzakelijk acht.

Getuigen plaats delict / mogelijk verschillende scenario's

Het hof merkt op dat het dossier geen enkel concreet aanknopingspunt biedt voor een mogelijk ander scenario. De verdachte heeft eveneens geen opening gegeven om een ander scenario te kunnen veronderstellen. Hij heeft zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen.

Onder deze omstandigheden is het hof niet gehouden alternatieve scenario's te onderzoeken die theoretisch denkbaar zijn maar waarvoor zich in het dossier geen aanknopingspunten bevinden Het onderzoek "Twist" is begonnen als een heel breed onderzoek. Uiteindelijk is men bij de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] terecht gekomen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn niet van meet af aan onderwerp geweest van dit onderzoek.

Het verzoek tot het entameren van een reconstructie wordt afgewezen, nu er naar het oordeel van het hof geen noodzaak toe bestaat. Er zijn geen alternatieve scenario's waaruit gekozen zou moeten worden en waartoe een reconstructie van dienst zou kunnen zijn. Gelet op het vorenstaande is ook het horen van de in dit kader verzochte getuigen niet zinvol en wordt verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdedigingsbelang geschaad door het niet horen van de verzochte getuigen. De verzoeken tot het horen van de volgende getuigen worden daarom afgewezen:

- [getuige 1];

- [getuige 6];

- [getuige 4];

- [getuige 3];

- [getuige 5];

- [getuige 10];

- [getuige 11];

- [getuige 12];

- [getuige 13];

- [getuige 14];

- [getuige 2];

- [getuige 15].

Omgevingsgetuigen

De verzoeken tot het horen van de navolgende getuigen worden afgewezen, omdat niet valt in te zien hoe verklaringen van hen van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing:

- [getuige 16];

- [getuige 17];

- [getuige 18];

- [getuige 19];

- [getuige 20];

- [getuige 21];

- [getuige 22];

- [getuige 23];

- [getuige 24];

- [getuige 25];

- [getuige 26];

- [getuige 27];

- [getuige 28];

- [getuige 29].

Overige getuigen en deskundigen

De verzoeken tot het horen van de volgende getuigen c.q. deskundigen worden toegewezen

- [medeverdachte];

- [getuige 30], onderzoeker bij het NFI;

- [getuige 31];

- [getuige 32];

- [getuige 33];

- [getuige 34].

De verzoeken tot het horen van de volgende getuigen worden afgewezen, nu het hof van mening is dat hiertoe geen noodzaak bestaat:

- [getuige 8];

- [getuige 9];

- de Antilliaanse verbalisanten ([…]).

Tevens wordt het verzoek tot het horen van prof. dr. Van Koppen als getuige afgewezen. Niet de juistheid van het rapport van Van Koppen wordt door de verdediging betwist, integendeel, maar het oordeel van de rechtbank over dat rapport. Dit maakt het horen van de heer Van Koppen overbodig en brengt met zich dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad door het niet horen van de heer Van Koppen.

Zaak Eindhoven

De verzoeken tot het horen van de volgende getuigen worden toegewezen:

- [getuige 35]

- [getuige 36]

- [getuige 37].

Het hof acht het wederom horen van de reeds bij de rechter-commissaris gehoorde getuige Bazour niet noodzakelijk.

(…)

BESLISSING

Het hof:

Wijst toe het verzoek tot het horen van de getuigen:

- [medeverdachte];

- [getuige 30], onderzoeker bij het NFI;

- [getuige 31];

- [getuige 32];

- [getuige 33];

- [getuige 34];

- [getuige 35]

- [getuige 36]

- [getuige 37].

(…)

Wijst af het verzoek tot het horen van alle overige opgegeven getuigen c.q. deskundigen.”

5.5. (De toelichting op) het middel behelst de klacht dat het hof aldus geen beslissing heeft genomen om 32 bij appelschriftuur genoemde personen als getuige c.q. deskundige te horen. De hiervoor onder 5.4 weergegeven passage vervat in het tussenarrest, inhoudende: “wijst af het verzoek tot het horen van alle overige opgegeven getuigen c.q. deskundigen” vormt een onvoldoende gemotiveerde beslissing op dit verzoek, aldus de steller van het middel. Immers had het hof de afwijzing van het verzoek ingevolge art. 418, eerste lid, juncto 288 Sv moeten toetsen aan het verdedigingsbelang.

5.6. Een (ter terechtzitting) gedaan verzoek tot het horen van getuigen zal behoorlijk onderbouwd moeten worden.6 Zonder zo’n onderbouwing kan het hof niet beoordelen of de noodzaak bestaat de verzochte getuigen te horen, laat staan te beoordelen of de verdachte door het niet horen in zijn verdediging is geschaad. Hieraan is in onderhavige zaak niet voldaan. Het verzoek om de in het middel bedoelde personen als getuige te horen is door de verdachte enkel toegelicht door vermelding van hun initialen, achternaam, geboorteplaats en woonplaats; van een tiental personen wordt zelfs geen geboorteplaats en woonplaats vermeld. Voor het overige wordt geen enkele reden genoemd waarom de getuigen moeten worden gehoord. Met ’s hofs overweging dat het het verzoek van “van alle overige opgegeven getuigen c.q. deskundigen” afwijst, heeft het hof de afwijzing van de 32 in het middel bedoelde getuigen dan ook voldoende gemotiveerd.

5.7. Het middel faalt.

6.

Het derde middel klaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek om de personen [getuige 17], [getuige 18], [getuige 27], [getuige 28], [getuige 29] en [getuige 25] als getuige te horen.

6.1.

De raadsman van de verdachte heeft alle in het middel bedoelde getuigen bij appelschriftuur opgegeven. Voorts heeft de raadsman bij brief van 23 maart 2011 ten aanzien van deze getuigen onder het kopje “getuigen terzake milieu” nader gemotiveerd waarom hij hen wenst te horen. Die onderbouwing komt erop neer dat de verklaringen van familie, vrienden en kennissen van het slachtoffer ([betrokkene 1]) terzake feit 1 relevant zijn voor de vaststelling dat het slachtoffer een drugsdealer was, in kringen van drugshandelaars verkeerde, waarin vuurwapens haast per definitie een prominente rol vervullen. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 13 mei 2011 het verzoek om de in het middel bedoelde getuigen te horen herhaald. De onderbouwing van dat verzoek komt op het volgende neer:

  • -

    de getuige [getuige 18] heeft verklaard dat zij over een eventuele drugscarrière van het slachtoffer kan verklaren;

  • -

    de getuige [getuige 29] heeft duidelijk relevante informatie over het slachtoffer;

  • -

    de getuige [getuige 25] heeft verklaard over het functioneren van het slachtoffer, hij zou ruzie met de Antillianen hebben en heeft extra achtergrondinformatie;

  • -

    alle (getuigen) verzoeken worden gehandhaafd; en

  • -

    bij de beoordeling van het verzoek gaat het om het redelijkheidscriterium.

6.2.

Bij tussenarrest van 27 mei 2011 heeft het hof de afwijzing van het verzoek om de in het middel bedoelde getuigen te horen als volgt gemotiveerd:

“Omgevingsgetuigen

De verzoeken tot het horen van de navolgende getuigen worden afgewezen, omdat niet valt in te zien hoe verklaringen van hen van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing:

(…) onder meer: [getuige 17], [getuige 18], [getuige 27], [getuige 28], [getuige 29] en [getuige 25].”

6.3. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof bij de afwijzing van het verzoek om de in het middel bedoelde getuigen te horen niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd, althans de afwijzing van dat verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. Anders dan in HR 23 november 1999, NJ 2000/128 gaat het hier immers om met naam genoemde getuigen, is duidelijk gemaakt in welk kader de raadsman de getuigen wenst te horen en voldoen de verzoeken aldus aan de vereisten voor een verzoek op de voet van art. 330 Sv, aldus de steller van het middel. Het hof had derhalve het verdedigingscriterium moeten toepassen, in plaats van het noodzakelijkheidscriterium. Subsidiair stelt het middel dat de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk is, nu de verzoeken uitgebreid zijn gemotiveerd, de getuigen niet in eerste aanleg zijn gehoord door de verdediging, terwijl in ieder geval de verklaringen van de getuigen [getuige 28] en [getuige 27] door de rechtbank tot het bewijs zijn gebezigd.

6.4. Voor zover het middel klaagt over toepassing van de onjuiste maatstaf faalt het. Immers heeft het hof door te overwegen dat het hof afziet van het horen van de getuigen omdat niet valt in te zien hoe hun verklaringen van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing juist het verdedigingscriterium gehanteerd. Voor zover het middel subsidiair erover klaagt dat ’s hofs afwijzing onbegrijpelijk is, faalt het eveneens. Immers wordt in de toelichting op het middel – anders dan dat de in het middel bedoelde getuigen niet zijn gehoord door de verdediging – niet onderbouwd op welke punten die afwijzing onbegrijpelijk is.

6.5. Het middel faalt mitsdien.

7.

Het vierde middel klaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de in de appelschriftuur onder 11 opgegeven “getuigen plaats delict”, zoals nader toegelicht bij brief van de raadsman van de verdachte van 23 maart 2011 en tevens ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011, en de motivering van die afwijzing.

7.1.

Bij brief van 23 maart 2011 heeft de raadsman van de verdachte het in het middel bedoelde verzoek onderbouwd door aan te voeren dat er – kort gezegd – sprake is van een alternatief scenario. Dat alternatieve scenario komt erop neer dat het slachtoffer in het bezit was van een vuurwapen en dat hij deze heeft willen gebruiken. De PD-getuigen zouden kunnen verklaren over onder meer de afstand van de tennisbaan tot de plaats delict, de lichtomstandigheden ter plaatse, het aantal schoten en de geluiden van die schoten.

7.2.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011 heeft de raadsman van de verdachte wederom verzocht de ‘plaatsdelict-getuigen’ te horen om dit ‘alternatieve scenario’ te onderzoeken. Door het horen dan wel opnieuw horen van de getuigen zou kunnen worden onderzocht of sprake is geweest van het gebruik van verschillende vuurwapens.

7.3.

Bij tussenarrest van 27 mei 2011 heeft het hof de afwijzing van het verzoek om de in het middel bedoelde getuigen te horen als volgt gemotiveerd:

“Het hof merkt op dat het dossier geen enkel concreet aanknopingspunt biedt voor een mogelijk ander scenario. De verdachte heeft eveneens geen opening gegeven om een ander scenario te kunnen veronderstellen. Hij heeft zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Onder deze omstandigheden is het hof niet gehouden alternatieve scenario’s te onderzoeken die theoretisch denkbaar zijn maar waarvoor zich in het dossier geen aanknopingspunten bevinden. Het onderzoek “Twist” is begonnen als een heel breed onderzoek. Uiteindelijk is men bij de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] terecht gekomen. De verdachte en medeverdachte [verdachte] zijn van meet af aan onderwerp geweest van dit onderzoek.

(…)”

7.4.

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek om de in het middel bedoelde getuigen te horen ontoereikend is gemotiveerd, in aanmerking genomen dat door de raadsman uitvoerig is toegelicht dat er aanknopingspunten zijn voor alternatieve scenario’s. Voorts heeft de raadsman per getuige duidelijk verwoord wat de algemene vraagstelling is en tevens de vraagstelling per getuige, aldus de steller van het middel.

7.5.

Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte aan zijn verzoek tot het horen van de ‘plaatsdelict’ getuigen ten grondslag heeft gelegd, zoals hiervoor verkort weergegeven onder 7.1 en 7.2, is ’s hofs oordeel dat het hof niet gehouden is alternatieve scenario’s te onderzoeken is, nu zich daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten bevinden, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.7 De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van dit alternatieve scenario uitsluitend aangevoerd dat het slachtoffer gewapend was op de plaats delict en dat er sprake zou zijn van het gebruik van verschillende wapens. Dit alternatieve scenario is door het hof gedeeltelijk in aanmerking genomen, nu het hof heeft overwogen dat het niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist is dat het slachtoffer degene is geweest die het wapen bij zich heeft gehad, zodat het hof niet heeft kunnen vaststellen welke lezing de juiste is. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat in het middel wordt gelaten of het slachtoffer een wapen bij zich had. In zoverre was het voor het hof dan ook niet nodig om de getuigen hieromtrent nader te horen en is de afwijzing niet onbegrijpelijk. Ten aanzien van het gebruik van verschillende wapens heeft de raadsman van de verdachte niet aangevoerd in welk opzicht het horen van de PD- getuigen hierover opheldering zouden kunnen verschaffen. Derhalve hoefde het hof de getuigen hieromtrent evenmin nader te horen, en was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

7.6.

Het middel faalt mitsdien.

8.

Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.

8.1.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad een vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van zogenaamde shockschade, waarvan in casu sprake is, op voorhand niet-ontvankelijk is, omdat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Derhalve had het hof in onderhavige zaak de vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren voor zover betrekking hebbende op de vergoeding van shockschade.

8.2.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg gevoegd in het strafgeding voor een schadebedrag van in totaal € 16.068,77 bestaande uit € 6.068,77 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële (shock) schade. De door de benadeelde partij geleden schade zou volgens het onderbouwde voegingsformulier zijn veroorzaakt door het onder 1. primair tenlastegelegde feit. De rechtbank heeft die vordering in eerste aanleg tot een bedrag ad € 6.023,91 toegewezen, en de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat die vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijk vordering.

8.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 7 en 8 mei 2012 heeft de benadeelde partij [benadeelde] haar vordering nader toegelicht en heeft voorts haar vertegenwoordiger aangevoerd het niet eens te zijn met de overweging van de rechtbank dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade niet eenvoudig van aard is en dat er geen reden is de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Zoals blijkt uit voornoemd proces-verbaal en de daaraan gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman niets opgemerkt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij (volledig) kan worden toegewezen tot € 16.068,77 en heeft daartoe het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.068,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag € 6.023,91. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijk vordering. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting van het hof niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

8.4.

Het middel faalt. Anders dan in HR 10 april 2007, NJ 2007/223 en HR 3 juli 2007, NJ 2007/413, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof de vordering van de benadeelde partij inzake shockschade niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat zij niet van eenvoudige aard is,8 heeft de verdediging in onderhavige zaak de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële en immateriële (‘shock’) schade noch de hoogte van het gevorderde bedrag betwist. In het licht van de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden,9 gelet op de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij en hetgeen door de benadeelde partij ter onderbouwing van die vorderingen naar voren is gebracht in het voegingsformulier,10 op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 201011 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 7 en 8 mei 2012,12 en in aanmerking genomen dat door of namens de verdachte de vordering niet is betwist, is de toewijzing van de vordering niet onbegrijpelijk.13 Ik vermag niet in te zien welke gronden het hof ambtshalve noopten tot niet-ontvankelijkverklaring van het betreffende deel van de vordering. Het oordeel van het hof behoefde dan ook – ook in zoverre – geen nadere motivering.14 Ten overvloede merk ik op dat zelfs indien de verdediging op de voet van art. 361, derde lid, (oud) Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv het verzoek had ingediend ertoe strekkende dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, en te bepalen dat het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, het hof noch op grond van art. 361 Sv noch op grond van enige andere bepaling gehouden is dat oordeel nader te motiveren.15

8.5.

Het middel faalt mitsdien eveneens.

9.

Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

10.

De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

11.

Andere gronden dan de hiervoor onder 9 genoemde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen

12.

Deze conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad passend acht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met zaaksnummer 12/03120, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2140 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2001:CA0431.

3 De voetnoten in het bestreden (promis) arrest zijn weggelaten.

4 Zie bijv. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, r.ov. 2.7.3 en HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5678, r.ov. 3.3.

5 Vgl. HR 15 januari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BY5679.

6 Vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446.

7 Zie HR 7 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992 (Puttense moordzaak II), t.a.v. het negende middel (HR: 81 RO).

8 HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2012:AZ5670 en HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2012:BA5624.

9 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord door samen met zijn medeverdachte met een vuurwapen het slachtoffer op de openbare weg om het leven te brengen.

10 Aan het voegingsformulier is een toelichting gehecht, waarmee het gevorderde bedrag wordt onderbouwd. In die toelichting zet de benadeelde partij uiteen dat zij rechtstreeks geconfronteerd is met de gevolgen van de geweldpleging en dat zij hier nog steeds psychische klachten aan over heeft gehouden.

11 De jongste rechter heeft de inhoud van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] medegedeeld en voorts de inhoud van de slachtofferverklaring van [benadeelde] voorgehouden.

12 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zowel de benadeelde partij [benadeelde] als haar wettelijke vertegenwoordiger verklaard dat de dood van het slachtoffer een onomkeerbaar verlies is voor de benadeelde partij en haar twee dochtertjes.

13 Vgl. HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2743, NJ 2011/198.

14 HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6044.

15 Vgl. ten aanzien van het oude criterium HR 17 juni 1997, DD 97.301, rov. 4.2 (geen motiveringsplicht wanneer het hof de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk oordeelt ondanks een verzoek van de verdachte).