Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1773

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
11/04510
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1750, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen valsheid in geschrift in het kader van bijstandsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04510

Mr. Bleichrodt

Zitting 24 september 2013 Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 30 september 2011 veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 70 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.C. van de Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (11/04559), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3.1. Het middel houdt in dat de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen. In het bijzonder zouden de bewezenverklaring van “in vereniging met” en “de samenwoning met [medeverdachte]” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 4 april 2003 tot en met 29 oktober 2007 in de gemeente Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – te weten telkens een formulier van de gemeente Lelystad, sector sociale zaken en/of Afdeling Werk en Inkomen (rechtmatigheidsformulier ABW/WBB), waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van wijzigingen in de persoonlijke gezinssituatie en/of woonsituatie – telkens valselijk heeft opgemaakt immers heeft verdachte telkens valselijk op dat formulier niet de samenwoning met [medeverdachte] vermeld/opgegeven en telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”

3.3. Aan de bewezenverklaring heeft het hof een vijftal bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche Flevoland, genummerd 070059/6017157/0, opgemaakt door [verbalisant 1], sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, als zodanig buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 6 augustus 2008:

1. als relaas van verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, zakelijk weergegeven (blz. 3 ev):
In de periode 13 maart 2003 tot 6 november 2007 ontving verdachte een uitkering ingevolge de Abw/WWB, norm alleenstaande, middels de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad.

Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maken van alle feiten en omstandigheden, waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en wijzigingen in de leefsituatie, waarvan hem/hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en de continuering van de uitkering. Voor de verstrekking van deze gegevens dienden de verdachten gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat verdachte Bosch:
- in de periode van 24 maart 2003 tot en met 30 juli 2008 al dan niet met onderbrekingen, in de gemeente Lelystad de ten name van [verdachte] gestelde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren kennelijk opzettelijk valselijk heeft ingevuld en ondertekend en vervolgens als echt en onvervalst heeft ingeleverd bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad, waardoor hij een uitkering ontving, waarop hij geen recht had;

2. een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 14):

Ik ben aangehouden omdat [verdachte] wel eens bij mij is. Ik had een LAT-relatie met [verdachte]. Ik heb een uitkering van de gemeente. Ik heb wel met [verdachte] samengewoond. Ik heb [verdachte] uit de woning gezet en wilde geen relatie meer. [verdachte] en ik zijn nooit echt los van elkaar geweest. [verdachte] is nu veel bij mij. Met veel bedoel ik 3 à 4 dagen per week. Dit is zo sinds een maand of 3 à 4. [verdachte] sliep daarvoor ook vaak bij mij maar nooit de hele week.

3. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1], wonende [a-straat 1] te Lelystad, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 17):

Opmerking: verbalisanten tonen de kopie pasfoto's van [verdachte] en [medeverdachte]. Deze personen wonen allebei op de [a-straat 2]. Ik woon al 15 jaar op dit adres. Zij wonen alle twee zeker 14 jaar op de [a-straat 2]. Ze zijn net na mij hier komen wonen. Ik weet dat allemaal omdat ik goed zicht heb op de woning aan [a-straat 2]. De man en de vrouw wonen al 14 jaar onafgebroken op de [a-straat 2]. De man op de foto zie ik dagelijks.

4. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2], opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 22):

Op [a-straat 2] te Lelystad woont mijn vriendin [betrokkene 3], haar moeder [medeverdachte] en haar stiefvader [verdachte]. [verdachte] staat niet ingeschreven op [a-straat 2]. Ik kom ongeveer al drie jaar bij [betrokkene 3] over de vloer. Sinds die tijd is [verdachte] ook op de [a-straat 2].

5. als schriftelijke bescheiden, rechtmatigheidsonderzoeksformulieren AWB/WWB van de gemeente Lelystad, Afdeling Werk en Inkomen, gericht aan en ondertekend door verdachte en betrekking hebbend op de periode 13 maart 2003 tot en met november 2007 (bijlage 27).”

3.4. Voor zover het middel erover klaagt dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte op tijdstippen in de periode van 4 april 2003 tot en met 29 oktober 2007 met [medeverdachte] heeft samengewoond, kan het niet slagen. In het bijzonder heeft het hof uit de verklaringen die in de bewijsmiddelen 3) en 4) zijn vervat, kunnen afleiden dat de verdachte en [medeverdachte] op tijdstippen in de ten laste gelegde periode hebben samengewoond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kon het hof voorts afleiden dat de verdachte rechtmatigheidsonderzoeksformulieren ABW/WBB telkens valselijk heeft opgemaakt door daarop de situatie van samenwoning niet te vermelden.1 Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd.

3.5. Uit de bewijsvoering kan echter naar mijn mening niet volgen dat de verdachte zo nauw en bewust met de medeverdachte [medeverdachte] heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De bewijsmotivering zou, gelet op hetgeen onder 3.4 is opgemerkt, toereikend zijn geweest als de bewezenverklaring zou zien op het – eveneens ten laste gelegde - plegen van valsheid in geschrift. Het hof heeft echter het primair ten laste gelegde medeplegen bewezen verklaard, terwijl de bewijsmiddelen niets inhouden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte]. Als bewijsmiddel 2 is een proces-verbaal inhoudende een verklaring van [medeverdachte] voor het bewijs gebezigd, waarin zij over haar verhouding met de verdachte verklaart en waarin zij meldt dat zij een uitkering van de gemeente heeft. Dat is evenwel onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat het valselijk opmaken van de formulieren die betrekking hebben op de verdachte in bewuste en nauwe samenwerking tussen beide partners heeft plaatsgevonden. Uit de verklaring van [medeverdachte] noch uit enig ander bewijsmiddel volgt dat sprake is geweest van medeplegen. De bewezenverklaring is aldus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed. In zoverre treft het middel doel en kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.2

3.6 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing naar het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzing in het vijfde bewijsmiddel naar bijlage 27 een kennelijke verschrijving betreft. Bijlage 27 betreft immers rechtmatigheidsonderzoeksformulieren AWB/WWB die zien op de situatie van [medeverdachte] en die uitsluitend door haar zijn ingevuld en ondertekend. Het hof doelt kennelijk op bijlage 26, bestaande uit de door de verdachte ingevulde en ondertekende rechtmatigheidsonderzoeksformulieren AWB/WWB.

2 Vgl. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR 2010, BK0972.