Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1683

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
12/03551
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:38, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. OM-cassatie. Art. 94a.2 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:BL2823 m.b.t. de aan te leggen maatstaf. Uit de overwegingen van de Rb. blijkt niet dat zij de van toepassing zijnde maatstaf heeft gehanteerd. De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de Rb, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van prop. en subs. Aan de omstandigheid dat de zaak tegen de klagers "al 5 maanden lijkt stil te liggen en sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht", kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en de beslagen moeten worden opgeheven. Ook in zoverre is het oordeel niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03551 B

Mr. Harteveld

Zitting 17 september 2013

Conclusie inzake:

[klager] en [klaagster]

1. Het Rechtbank Groningen heeft bij beschikking van 18 juni 2012 het klaagschrift van de klager en de klaagster tegen het onder hen opgelegde conservatoire beslag gegrond verklaard, en gelast dat het inbeslaggenomene1 wordt teruggegeven aan klagers.



Mr. A. van den Oever, officier van justitie in het arrondissement Groningen, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.E. de Meijer, plaatsvervangend officier van justitie te Groningen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de opheffing van het beslag ex 94a Sv door de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans op verkeerde gronden is genomen en/of onvoldoende met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is.

3.2. De rechtbank heeft bedoelde beslissing als volgt gemotiveerd:

“Namens klagers heeft mr. J. Faas aangevoerd, dat uit de aanvraag Strafrechtelijk Financieel Onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) slechts summierlijk blijkt dat er sprake zou kunnen zijn van witwassen. De raadsman heeft aangevoerd dat de voor deze verdenking gestelde redenen onvoldoende zijn en dat daarom zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte(n) de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat zijdens het OM na het leggen van het beslag in het geheel niets is ondernomen en dat klagers niet zijn gehoord.

De rechtbank is van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven nu de zaak tegen klaagster al 5 maanden lijkt stil te liggen en er sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht van klagers. Hoewel een inbreuk op het eigendomsrecht is toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan wettelijke voorschriften, rust naar het oordeel van de rechtbank op het OM de verplichting de schade die klagers hierdoor lijden niet groter te laten worden dan strikt noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat het beklag terecht is gedaan. Het inbeslaggenomene zal aan klagers worden teruggegeven.”

3.3. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken (a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en (b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.2 Zoals mijn ambtsgenoot Knigge heeft aangegeven3 is dat beslissingsschema echter niet uitputtend. Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 15 januari 2008, LJN BB9890, NJ 2008/63 weliswaar dat de aan te leggen maatstaf niet een onderzoek vergt “naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag”, maar dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de beklagrechter er in de motivering van zijn beslissing blijk van dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. Soms is dus een verdergaand onderzoek vereist en een nadere motivering nodig, aldus Knigge. Met hem meen ik dat uit bijvoorbeeld HR 24 mei 2005, LJN AS9296 kan worden afgeleid dat ook een andere vorm van proportionaliteit, namelijk de disproportionaliteit tussen het belang van de strafvordering enerzijds en de belangen van de klagers anderzijds, een reden kan opleveren om het beklag gegrond te verklaren. De Rechtbank had in die zaak geoordeeld dat het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag zwaarder diende te wegen dan de belangen van klager bij teruggave van het beslaggoed. De Hoge Raad oordeelde niet dat de aan te leggen maatstaf een dergelijke belangenafweging uitsloot, maar beoordeelde de beslissing van de Rechtbank op begrijpelijkheid. Dat impliceert dat ook deze vorm van disproportionaliteit tot de gegrondbevinding van het beklag kan leiden. Die zaak betrof weliswaar een beslag op grond van art. 94 Sv maar een reden waarom dat bij een conservatoir beslag ex art. 94a Sv anders zou liggen, zie ik – net als Knigge – niet.4

3.4. In de toelichting op het middel wordt ten eerste geklaagd over de mogelijke gedachtegang van de rechtbank dat het beslag moet worden opgeheven omdat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar hetgeen mijn ambtgenoot Knigge in de eerder genoemde conclusie heeft opgemerkt over de gestelde schending van art. 6 lid 3 sub c EVRM. In die zaak had het hof echter kennelijk expliciet verwezen naar art. 6 EVRM, terwijl in het onderhavige geval niet blijkt dat de klagers bij de rechtbank een beroep hebben gedaan op schending van art. 6 EVRM, en de rechtbank niet verwijst naar art. 6 EVRM, noch bijvoorbeeld overweegt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het gedurende vijf maanden stilliggen van de zaak. Gelet daarop en nu ik ook overigens geen aanwijzingen zie dat de rechtbank het beslag heeft opgeheven vanwege een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in genoemde bepaling, lees ik een zodanig oordeel niet in de overwegingen van de rechtbank. Ik ga derhalve voorbij aan het middel voor zover het aanneemt dat de rechtbank die gedachtenlijn heeft gevolgd en voor zover het middel daarover klaagt.

3.5.1. Uit de overwegingen van de rechtbank kan mijns inziens eerder worden afgeleid dat zij de tweede mogelijke gedachtegang die in de toelichting op het middel wordt genoemd heeft gevolgd, te weten dat het eigendomsrecht van klagers een zwaarwegend belang oplevert en dat in het onderhavige geval het ‘stilliggen’ van de zaak de inbreuk op dat recht als gevolg van het beslag, niet meer kan rechtvaardigen. Voor zover wordt geklaagd over dat oordeel, geldt het volgende.

3.5.2. Hoewel uit de overwegingen van de rechtbank niet zonder meer blijkt dat zij het hiervoor onder 3.3 genoemde beslissingsschema heeft gevolgd, kan daaruit wel worden afgeleid dat zij het beklag niet gegrond heeft verklaard op gronden die in de hiervoor genoemde aan te leggen maatstaf besloten liggen, maar dat zij het beklag op een andere grond heeft gehonoreerd. Uit de overwegingen dat het beslag dient te worden opgeheven nu de zaak tegen de klaagster vijf maanden stil lijkt te liggen en sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van klagers, en dat op het openbaar ministerie de verantwoordelijkheid rust om de schade die klagers door de inbreuk op hun eigendomsrecht lijden niet groter te laten worden dan strikt noodzakelijk, valt op te maken dat de rechtbank kennelijk de belangen van de klagers in dit geval zwaarder vond wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. Zoals hiervoor is opgemerkt, kan dat een reden zijn om het beklag gegrond te verklaren. Van een onjuiste rechtsopvatting is in zoverre dan ook geen sprake.

3.5.3. Het middel klaagt echter terecht dat uit de overwegingen van de rechtbank niet blijkt van enige afweging van genoemde belangen van de klager ten opzicht van de belangen van strafvordering, laat staan dat (de uitkomst van) die afweging is gemotiveerd. Wederom met Knigge, meen ik dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig conservatoir beslag op grond van disproportionaliteit, gelet op het belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend. Dat belang is immers dat voorkomen wordt dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd, en aan dat beslag is nu eenmaal inherent dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad.5 De rechtbank heeft in het onderhavige geval kennelijk van doorslaggevend belang geacht dat door het stilliggen van de zaak gedurende vijf maanden een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van de klagers is gemaakt nu zij daardoor grotere schade hebben geleden dan strikt noodzakelijk was. De rechtbank heeft echter niet gemotiveerd waarom een en ander zwaarder dient te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag, terwijl dat gezien de vrij beperkte periode van stilliggen van de zaak, zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk is. Nu niet blijkt van enige belangenafweging en de rechtbank ook overigens geen aandacht besteed aan de bijzonderheden van het geval, geeft het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het bovendien zonder nadere motivering ook niet begrijpelijk is. Denkelijk ten overvloede merk ik daarbij op dat het door klagers gestelde en door de raadkamer overgenomen – ‘stilliggen’ van de zaak ook niet dadelijk vertaald hoeft te worden in het opheffen van het beslag, omdat art. 125e Sv de mogelijkheid kent om bij een strafrechtelijk financieel onderzoek, zoals in deze zaak blijkens de gedingstukken gaande was, de rechtbank te verzoeken om de onverwijlde of spoedige beëindiging van het onderzoek te bevelen. Ten aanzien van een lopende vervolging kent art. 36 Sv – al dan niet in combinatie met art. 180 Sv, waarbij de rechter-commissaris als eerste aanspreekpunt fungeert, de van een stevig rechtsgevolg (art. 255 Sv) voorziene mogelijkheid om het einde van de zaak te bewerkstelligen. Ik wil hiermee gezegd hebben dat het Wetboek van Strafvordering op zichzelf reeds processuele middelen kent om met het onderliggende probleem om te gaan. De uitkomst van deze meer geëigende procedures kán zijn dat zich uiteindelijk wel het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Dan is de omweg via beginselen niet aan de orde.

3.5.4. Ik neem daarbij in aanmerking dat de rechtbank lijkt te hebben miskend dat art 1, van het Eerste Protocol bij het EVRM, waarin het recht op ongestoord genot van eigendom is neergelegd en waarop de raadsman van de klagers bij de behandeling nadrukkelijk een beroep heeft gedaan, blijkens de tweede alinea van die bepaling de Staat niet het recht ontzegt om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Een op art. 94a Sv gebaseerde inbeslagneming en de wettelijke regeling voor de afwikkeling daarvan, moet net als een op art. 94 Sv gegronde inbeslagneming, als een zodanige maatregel worden aangemerkt.6 De beperking van het eigendomsrecht van de klagers door het beslag, maakt dus op zichzelf niet dat de inbeslagneming (en de voortduring daarvan) onrechtmatig is in het licht van genoemde bepaling van het Eerste Protocol, zij het dat daarbij een behoorlijk evenwicht moet worden bewaard tussen de aangewende middelen ter bevordering van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van de burger en die burger (dus) geen onevenredige last behoeft te dragen. Zonder nadere motivering – die ontbreekt - zie ik echter niet dat en waarom het enkele feit dat de (straf)zaak vijf maanden stil heeft gelegen (of lijkt te hebben gelegen) als gevolg waarvan het beslag ook voortduurde, moet worden beschouwd als een dergelijke onevenredige last voor de klagers. Ik neem daarbij in aanmerking dat het eigendomsrecht niet per se in het geding is. Zoals de steller van het middel ook terecht opmerkt, heeft men op goederen die wederrechtelijk zijn verkregen geen recht, zodat reeds daarom een beroep op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM in het geval van conservatoir beslag in verband met een mogelijke ontneming, niet snel kan slagen.7

3.6. Het oordeel van de rechtbank geeft dus mijns inziens blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is ieder geval onvoldoende gemotiveerd, zodat het middel slaagt.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de Rechtbank Groningen opdat het bestaande beklag opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Volgens de beschikking betreft het een flatscreen televisie merk Philips, een flatscreen televisie merk LG, een flatscreen televisie merk Panasonic, een Crosstrainer U.N.O. fitness XE4000, een buitenboordmotor merk Yamaha, een personenauto merk Mercedes kenteken [AA-00-BB] met sleutel en kentekenbewijs, een 14-karaats koningsketting, een Jetski merk Yamaha reg.nr. [001], een rubberboot merk Brig en een sloep merk Antaris. Kennisneming van het klaagschrift dat zich bij de stukken bevindt levert op dat het beklag klaarblijkelijk ook betrekking had op het op een tweetal onroerende goederen gelegde beslag. In de beschikking komt dat laatste onderdeel niet terug.

2 Vgl. onder meer HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.14.

3 In zijn conclusie voor HR 29 mei 2012, LJN BW6674, NJ 2012/354.

4 Vgl. (dus) de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 29 mei 2012, LJN BW6674, NJ 2012/354, nr. 4.7.

5 Zie de eerder genoemde conclusie voor HR 29 mei 2012, LJN BW6674, NJ 2012/354, nr. 4.23.

6 Vgl HR 26 april 1994, LJN ZC9703, NJ 1994/579.

7 Vgl. (wederom) mijn ambtgenoot Knigge in zijn eerdergenoemde conclusie onder nr. 4.17. Daar merkt hij op dat men op geld dat men wederrechtelijk heeft verkregen hoe dan ook geen recht heeft. Hij stelt dat tegen de eventuele tegenwerping dat die redenering de onschuldpresumptie miskent, nu op het moment dat om teruggave van het inbeslaggenomene wordt verzocht, de (ontkennende) klagers voor onschuldig gehouden moeten worden, en dus nog niet vaststaat dat het geld door hen wederrechtelijk is verkregen, kan worden ingebracht dat het redelijke vermoeden dat dat het geval is, een voldoende rechtvaardiging oplevert om in te grijpen (door beslag te leggen). Voorkomen mag – zo niet moet – worden dat achteraf moet worden geconstateerd dat de reële kans dat wederrechtelijke verkregen voordeel wordt opgesoupeerd door de klagers en er niets meer te halen valt, zich heeft verwezenlijkt, aldus Knigge.