Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1641

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-11-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
13/00331
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:147, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Erfdienstbaarheid van weg, uitleg notariële akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/64
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/00331

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 29 november 2013

Conclusie inzake

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

tegen

[verweerder]

Inleiding

1.

Inzet van het onderhavige geding is de uitleg van een notariële akte d.d. 10 november 1905 waarbij een gemeenschap van goederen werd verdeeld onder mede-eigenaren tot wie een zekere [betrokkene 1] en [betrokkene 2] behoorden en waarin voorts is bepaald: “Bij het lot van [betrokkene 1] behoort ook de mestplaats, deze mestplaats is belast met de erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van de stallen van [betrokkene 2] toebedeeld”. Het gaat daarbij om de vraag of deze notariële akte aldus moet worden uitgelegd dat ten bate van het (destijds) aan [betrokkene 2] toebedeelde en thans aan verweerder in cassatie [verweerder] toebehorende perceel een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd om van de op dat perceel gelegen stallen – thans woning van [verweerder] – over de binnenplaats op het perceel dat (destijds) werd toebedeeld aan [betrokkene 1] en dat thans toebehoort aan eisers tot cassatie, naar en van de openbare weg, de Overgeul, te gaan. Het hof heeft deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend beantwoord. Daartegen richt zich het middel van eisers tot cassatie, tezamen te noemen [eiser] (enkelvoud) of [eisers] en ieder afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2].

2.

In cassatie kan worden uitgegaan van de hierna onder 3 vermelde feiten, die door de rechtbank in haar vonnis van 15 december 2010 zijn vastgesteld. Het Bossche hof heeft in zijn arrest in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging – kort – de in het incident van belang zijnde feiten zoals door de rechtbank vastgesteld, weergegeven. Het hof heeft in zijn arrest in de hoofdzaak geen overweging meer gewijd aan de in dit geding vaststaande feiten. Het hof heeft wel – in cassatie onbestreden – grieven gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank verworpen. Zo verwierp het hof de grieven 2 en 3. De rechtbank heeft in rov. 3.6 in appel onbestreden overwogen dat uit de in rov. 2.3 tot en met 2.6 geschetste gang van zaken volgt dat het perceel dat thans eigendom is van [verweerder], op grond van meer bedoelde akte uit 1905 eigendom is geworden van [betrokkene 2] en dat dit perceel op grond van diverse eigendomsoverdrachten sedertdien uiteindelijk eigendom is geworden van [verweerder].

3.

Het gaat in dit geding kort gezegd om het volgende:

i) [verweerder] is eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats], sectie [A] nummer [001].

ii) [eiser 2] is eigenaar van het perceel [a-straat 2] te [plaats], sectie [A], nummer [002]. [eiser 1] is eigenaar van het perceel [a-straat 2a] te [plaats], sectie [A], nummer [003].

iii) Het perceel van [verweerder] grenst ten westen aan de percelen van [eisers]. Tussen de woning van [verweerder] enerzijds en de panden van [eisers] ligt een binnenplaats welke via een poort aan de kant van de openbare weg Overgeul toegang geeft tot die openbare weg. De voordeur van de woning van [verweerder] is gesitueerd aan voormelde binnenplaats. Deze binnenplaats is voor een gedeelte eigendom van [eiser 2] en voor het andere gedeelte van [eiser 1]. Een strook langs de woning van [verweerder] aan de zijde van de binnenplaats is echter eigendom van [verweerder]. Om zijn woning via de voordeur te kunnen betreden vanaf de Overgeul, dan wel om de woning te verlaten om naar de Overgeul te kunnen gaan, dient [verweerder] steeds over de binnenplaats te gaan, hetgeen hij ook placht te doen.

iv) In 2007 hebben [eisers] ter afscheiding van hun percelen die samen de binnenplaats vormen en het perceel van [verweerder], waar dit aan die binnenplaats grenst, over de gehele lengte een muurtje gemetseld dat ter plaatse van de voordeur van de woning van [verweerder] ongeveer 0,65m hoog is.

v) Bij notariële akte van 10 november 1905 is een gemeenschap van goederen verdeeld onder de mede-eigenaren, waartoe een zekere [betrokkene 1] en een zekere [betrokkene 2] behoorden. Aan die [betrokkene 1] zijn daarbij toegedeeld de percelen met de kadastrale nummers [004], [005], [006] en [007]. Voorts bepaalt die akte het volgende:

“Bij het lot van [betrokkene 1] behoort ook de mestplaats, deze mestplaats is belast met de erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van de stallen van [betrokkene 2] toebedeeld.”

vi) Het perceel dat op grond van meer bedoelde akte uit 1905 eigendom is geworden van [betrokkene 2] is op grond van diverse eigendomsoverdrachten sedertdien uiteindelijk eigendom geworden van [verweerder].

4.

[verweerder] heeft [eisers] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht en – voor zover in cassatie nog van belang – gevorderd te verklaren voor recht dat de erven van [eisers] bezwaard zijn met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van het erf van [verweerder]. Hij heeft voorts gevorderd [eisers] te veroordelen om [verweerder] binnen tweemaal 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis vrije toegang te verschaffen tot het erf van [eiser] door het (deels) verwijderen van de muur, met machtiging aan [verweerder] om deze muur (deels) zelf op kosten van [eiser] te verwijderen indien [eiser] in gebreke blijft.

[eisers] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

5.

Bij eindvonnis van 15 december 2010 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de erven van [eisers] bezwaard zijn met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van het erf van [verweerder]. De rechtbank heeft voorts [eisers] veroordeeld om binnen één week na betekening van dit vonnis aan [verweerder] vrije toegang te verschaffen tot hun erf door het gedeelte van de omstreden muur ter hoogte van de voordeur van de woning van [verweerder] over een afstand ter breedte van de deuropening te verwijderen, met machtiging aan [verweerder] om dit gedeelte van de muur op kosten van [eisers] te verwijderen indien [eisers] in gebreke blijven. De rechtbank heeft daartoe kort samengevat overwogen als volgt.

Bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De in de akte van 1905 bedoelde mestplaats bevond zich in 1905 op enig punt – waar precies is onduidelijk – van het erf dat thans de binnenplaats van [eiser] is. Uitgelegd naar objectieve maatstaven kan de bedoelde passage uit de notariële akte niet anders worden uitgelegd dan dat daarmee ten tijde van het opstellen is bedoeld om [betrokkene 2] het recht te geven om over de plek op het erf van [betrokkene 1] waar toentertijd diens mestplaats was, naar zijn, [betrokkene 2], stallen te gaan. Het gaat dus niet om het recht van [betrokkene 2] om mest uit diens stallen te deponeren op de mestplaats van [betrokkene 1], zoals [eisers] suggereren. Het gebouw dat thans dienst doet als woning van [verweerder] is de voormalige schuur of stal van [betrokkene 2] die ten tijde van de akte van 1905 geen andere toegang had tot de openbare weg (Overgeul) dan over de binnenplaats. Aannemelijk is derhalve dat [verweerder]’ uitleg over de loop van de erfdienstbaarheid, namelijk vanaf zijn woning (voordeur) over de binnenplaats naar de openbare weg, correct is.

6.

Op het door [eisers] ingestelde hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij eindarrest van 18 september 2012 het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer als volgt:

“2. Het hof bespreekt allereerst de grief van [eiser] die is gericht tegen de door de rechtbank gegeven uitleg van een bepaling in een notariële akte van 10 november 1905 waarbij een gemeenschap van goederen werd verdeeld tussen onder meer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) als echtgenoot van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Bij deze akte werd uit de gemeenschap een aantal (gedeelten van) percelen aan [betrokkene 1] toegedeeld en is voorts bepaald: "Bij het lot van [betrokkene 1] behoort ook de mestplaats, deze mestplaats is belast met de erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van de stallen van [betrokkene 2] toebedeeld".

3.

Als uitgangspunt moet dienen dat door de verdeling in 1905 van de tot de gemeenschap behorende percelen tussen drie rechthebbenden de noodzaak tot het vestigen van een erfdienstbaarheid ontstond. Uit de in de akte gebezigde bewoordingen uitgelegd naar objectieve maatstaven volgt dat ten bate van het aan [betrokkene 2] toegedeelde perceel, destijds genummerd [008], het recht van erfdienstbaarheid van weg is gevestigd van de op perceel [009] gelegen stallen - thans woning van [verweerder] - over de binnenplaats naar en van de openbare weg, de Overgeul, waarbij het hof het ervoor houdt dat de stallen van [betrokkene 2] zich destijds op een afstand van meer dan tien meter verwijderd van de poort bevonden en derhalve niet - zoals [eiser] betoogt - vlak achter die poort, zoals is op te maken uit de door [eiser] bij de memorie van grieven overgelegde foto met nummer 28A. Van belang is derhalve niet dat, zoals [eiser] voorts betoogt, niet duidelijk is waar destijds de mestplaats heeft gelegen. Evenmin is van belang dat de huidige woning van [verweerder] tot halverwege de zeventigerjaren slechts gedeeltelijk stal was. De ten behoeve van het dienende erf gevestigde erfdienstbaarheid is daardoor slechts in zoverre gewijzigd dat het recht van weg geen betrekking meer heeft op een vrije doorgang naar de stallen, maar naar de huidige woning van [verweerder]. Waar het gaat om de bedoeling van de partijen bij de akte van 10 november 1905 zoals neergelegd in deze akte, kunnen de door [eiser] op dit punt in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen niet tot een ander oordeel leiden.

4.

Het vorenstaande brengt mee dat [eiser] niet kan worden gevolgd in het standpunt dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid praktisch onmogelijk is geworden doordat de mestplaats zonder protest van de zijde van de eigenaar van het heersend erf vele jaren geleden werd opgeheven en [verweerder] ook overigens geen belang heeft bij de door hem gestelde erfdienstbaarheid, daar hij niet als veehouder een bedrijf uitoefent en dus geen mest vanuit een stal naar een mesthoop hoeft te verplaatsen.

(…)

10. (…)

Het hof passeert het bewijsaanbod van [eiser], nu dit geen betrekking heeft op stellingen, die mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. (…) ”

7.

[eisers] hebben (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [eisers] hebben de zaak ter zitting van uw Raad van 21 juni 2013 doen bepleiten aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Het cassatiemiddel

8.

Het cassatiemiddel bevat zes onderdelen (“klachten”). De eerste vier onderdelen richten zich tegen rov. 3 van het eindarrest waar het hof oordeelde dat uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uitgelegd naar objectieve maatstaven, volgt dat ten bate van het aan [betrokkene 2] toegedeelde perceel, destijds genummerd [008], het recht van erfdienstbaarheid van weg is gevestigd van de op perceel [008] gelegen stallen – thans woning van [verweerder] – over de binnenplaats naar en van de openbare weg, de Overgeul. Het vijfde onderdeel richt zich tegen rov. 10 van het eindarrest waar het hof het bewijsaanbod van [eiser] passeerde op de grond dat dit geen betrekking heeft op stellingen die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het zesde onderdeel bevat geen zelfstandige klacht, doch betoogt slechts dat hetgeen waarover de eerste vijf onderdelen klagen, tevens de daarop voortbouwende oordelen van het hof en het dictum van het arrest vitiëren.

Het middel stelt voorop (p. 6 cassatiedagvaarding met verwijzing naar de stelling op de voorgaande bladzijde onder “a.”) dat de klachten zich niet keren tegen 's hofs oordeel als zodanig dat het litigieuze servituut een erfdienstbaarheid van weg is. Met dat oordeel verwierp het hof de grief gericht tegen rov. 3.4 van het eindvonnis van de rechtbank, waar de rechtbank overwoog dat de in de akte vermelde erfdienstbaarheid niet, zoals [eiser] c.s. suggereren, als inhoud heeft het recht van [betrokkene 2] om mest uit diens stallen te deponeren op de mestplaats van [betrokkene 1]. Het gaat, aldus het middel, dus niet om een 'mesttransport naar mestplaats'-erfdienstbaarheid.

Middelonderdeel 1

9.

Middelonderdeel 1 bevat de centrale cassatieklacht, die vervolgens nader wordt uitgewerkt in de onderdelen 2 t/m 5. Deze centrale klacht luidt dat onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dat uit een uitleg van de akte uit 1905 naar objectieve maatstaven volgt dat het recht van erfdienstbaarheid van weg is gevestigd "(…) over de binnenplaats naar en van de openbare weg, de Overgeul (...)". Het onderdeel voert daartoe het volgende aan. De akte uit 1905 laat zich, wat betreft de situering van het object van de erfdienstbaarheid, niet anders verstaan dan dat de tot het lot van [betrokkene 1] behorende mestplaats belast is met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van de stallen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het derhalve onbegrijpelijk om uit de akte uit 1905 in het kader van een 'uitleg naar objectieve maatstaven' af te leiden dat de binnenplaats naar en van de openbare weg, Overgeul, belast is met het litigieuze servituut. Daarvoor moet immers duidelijk, althans minst genomen aannemelijk zijn dat in 1905 op de binnenplaats (naar en van de openbare weg) die mestplaats gesitueerd was. Het hof oordeelt nu juist in rov. 3 dat überhaupt niet duidelijk is waar de mestplaats destijds gelegen heeft, waar het overweegt: "Van belang is (...) niet dat (...) niet duidelijk is waar destijds de mestplaats heeft gelegen." Indien en voor zover de akte uit 1905 al een aannemelijk objectief aanknopingspunt zou bieden voor de 'binnenplaats is dienend erf’-uitleg die het hof er niettegenstaande deze door hem geconstateerde onduidelijkheid aan geeft, biedt deze akte (prima facie) tegelijk óók een in gelijke mate aannemelijk objectief aanknopingspunt voor een 'niet de binnenplaats is dienend erf’-uitleg. Het hof motiveert in het licht van de in de onderdelen 2 t/m 5 weergegeven stellingen van [eiser] überhaupt niet respectievelijk onvoldoende waarom uit een uitleg van de akte uit 1905 naar objectieve maatstaven zou volgen dat de binnenplaats object zou zijn van de litigieuze erfdienstbaarheid en waarom dat aannemelijker zou zijn dan dat een andere locatie object van dit servituut zou zijn.

10.

Bij de beoordeling van deze centrale klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van een bij notariële akte gevestigde (of voorbehouden) erfdienstbaarheid aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Zie HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168, NJ 2004/251; HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2397, NJ 2007/5; HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815, NJ 2011/9 en HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240. Zie voorts voor de uitleg van de notariële akte van levering van een onroerende zaak HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, NJ 2001/350, m.nt. WMK en voor de uitleg van de notariële akte van vestiging van een recht van opstal HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111, m.nt. F.M.J. Verstijlen. Zie recent voor de uitleg van op de splitsing in appartementen betrekking hebbende splitstingsstukken HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522.

In laatstgenoemd arrest noemt uw Raad expliciet als ratio voor de in genoemde arresten aanvaarde objectieve uitlegmaatstaf dat de rechtszekerheid vergt dat slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden kenbaar zijn uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven stukken (in dat arrest de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken en in een geval als het onderhavige de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd). Het gaat daarbij om het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Zie over deze uitlegmaatstaf ook de literatuur genoemd in de conclusie van mijn ambtgenote Rank-Berenschot voor laatstgenoemd arrest.

11.

Het hof heeft blijkens de tweede zin en de slotzin van rov. 3, evenals de rechtbank blijkens rov. 3.4 van het eindvonnis, de juiste maatstaf aangelegd bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de bij de notariële akte van 1905 gevestigde erfdienstbaarheid, door tot uitgangspunt te nemen dat het daarbij gaat om de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Het middel bestrijdt dat op zichzelf genomen ook niet. Het cassatiemiddel strekt ten betoge dat ’s hofs uitleg onbegrijpelijk is.

12.

Het hof heeft overwogen dat als uitgangspunt moet dienen dat door de verdeling in 1905 van de tot de gemeenschap behorende percelen tussen drie rechthebbenden, onder wie [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de noodzaak tot het vestigen van de erfdienstbaarheid van weg ontstond. In de akte van verdeling tevens vestiging van de erfdienstbaarheid is de partijbedoeling van de bij de verdeling en vestiging betrokken partijen als volgt omschreven: “Bij het lot van [betrokkene 1] behoort ook de mestplaats, deze mestplaats is belast met de erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van de stallen van [betrokkene 2] toebedeeld.”

Tegen de achtergrond van genoemd uitgangspunt heeft het hof geoordeeld dat de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling zoals tot uitdrukking gebracht in de aangehaalde bewoordingen uit de akte, uitgelegd naar objectieve maatstaven, inhoudt dat ten bate van het aan [betrokkene 2] toegedeelde perceel het recht van erfdienstbaarheid van weg is gevestigd om van de op dat perceel gelegen stallen – thans woning van [verweerder] – over de binnenplaats die bij de verdeling van de percelen aan [betrokkene 1] werd toegedeeld, naar en van de openbare weg, de Overgeul te gaan, zodat met de erfdienstbaarheid voor het heersend erf met de zich daarop bevindende stallen een vrije doorgang over het dienend erf naar de openbare weg, de Overgeul, werd verzekerd. Dat oordeel, dat impliceert dat het hof ervan is uitgegaan dat de in de akte gebezigde term “mestplaats” naar objectieve maatstaven aldus moet worden uitgelegd dat het gaat om de binnenplaats die toegang geeft tot de openbare weg, de Overgeul, acht ik niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd mede gelet op het in cassatie niet bestreden uitgangspunt van het hof dat door de verdeling in 1905 van de tot de gemeenschap behorende percelen tussen drie rechthebbenden, onder wie [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de noodzaak tot het vestigen van de erfdienstbaarheid van weg ontstond.

Nu het hof de aanduiding “mestplaats” in de akte aldus niet heeft uitgelegd als de exacte plaats waar de mest in 1905 (feitelijk) lag of werd gedeponeerd maar als een aanduiding verwijzend naar de binnenplaats die is toegedeeld aan [betrokkene 1] en waarop is gevestigd het recht van erfdienstbaarheid van weg om te gaan van de op perceel [008] gelegen stallen – thans woning van [verweerder] – naar en van de openbare weg, de Overgeul, is evenmin onbegrijpelijk ’s hofs overweging in rov. 3 dat niet van belang is dat, zoals [eiser] c.s. betogen, niet duidelijk is waar destijds de mestplaats heeft gelegen (begrepen als de plaats waar de mest in 1905 (feitelijk) lag of werd gedeponeerd).

13.

Uit het voorgaande volgt dat middelonderdeel 1 faalt. De middelonderdelen 2 t/m 5 bevatten grotendeels een uitwerking van de cassatieklacht van middelonderdeel 1. Op deze middelonderdelen ga ik hieronder nog kort in.

Middelonderdeel 2

14.

Middelonderdeel 2 klaagt dat onbegrijpelijk is ‘s hofs oordeel in rov. 3 (tweede zin, tweede deel) dat [eisers] betoogd hebben dat de stallen van [betrokkene 2] zich destijds vlak achter de poort bevonden.

Onderdeel 2.1 betoogt dat hetgeen [eisers] gesteld hebben, zich immers niet anders laat verstaan dan dat in de visie van de rechtbank zich vlak achter de poort de mesthoop bevond resp. dat dit de feitelijke implicatie van die visie zou zijn. Onderdeel 2.2 betoogt dat gezien onderdeel 2.1 het door middelonderdeel 1 bestreden oordeel des te onbegrijpelijker is voor zover het daarop berust dat het hof het ervoor houdt dat de stallen van [betrokkene 2] zich destijds op een afstand van meer dan tien meter verwijderd van de poort bevonden "(...) en derhalve niet – zoals [eiser] betoogt – vlak achter de poort, zoals is op te maken uit de door [eiser] bij de memorie van grieven overgelegde foto met nummer 28A (...)".

15.

Onderdeel 2.1 mist belang nu op zichzelf irrelevant is of [eisers] al dan niet hebben betoogd dat de stallen van [betrokkene 2] vlak achter de poort lagen, en niet, zoals op te maken uit de door hen overgelegde foto, op een afstand van meer dan tien meter van de poort verwijderd (zoals [verweerder] heeft betoogd in de memorie van antwoord, p. 7 onderaan en p. 8) . Onderdeel 2.2 bouwt voort op de onderdelen 1 en 2.1 en faalt derhalve ook.

Middelonderdeel 3

16.

Middelonderdeel 3 komt op tegen ’s hofs oordeel in rov. 3 (derde zin) dat “derhalve” niet van belang is dat (zoals [eisers] betogen) niet duidelijk is waar destijds de mestplaats heeft gelegen.

Onderdeel 3.1 betoogt dat dat oordeel mede in het licht van onderdeel 1 en/of onderdeel 2, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende toereikend gemotiveerd is. Onderdeel 3.2 betoogt dat dit temeer klemt omdat (mede gezien het betoogde in de middelonderdelen 1 en 2) zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom uit de (eerste en) tweede zin van rov. 3 zou volgen dat die onduidelijkheid aangaande de situering in 1905 van de mestplaats niet van belang zou zijn.

Onderdeel 3.3 betoogt dat hierbij van belang is dat [eisers] nu juist in het kader van hun bestrijding van rov. 3.7 van het vonnis van de rechtbank (waarin geoordeeld werd dat ten tijde van de akte uit 1905 de stal die thans dienst doet als woning van [verweerder] (kennelijk) geen andere toegang tot de openbare weg, Overgeul, had dan via de binnenplaats) een aantal, door het middelonderdeel geciteerde stellingen hebben betrokken (memorie van grieven, p. 15 en 16, grief 12) waarop het hof had moeten responderen omdat het essentiële stellingen betreft van de juistheid waarvan bij wege van hypothetische feitelijke grondslag in cassatie moet worden uitgegaan. Dit klemt – aldus het onderdeel – nog temeer nu [eisers] bovendien gesteld hebben (memorie van grieven, p. 16) dat het beschreven servituut slechts een erfdienstbaarheid van weg (tussen stal en mesthoop resp. mestplaats) en niet van uitweg is.

17.

Middelonderdeel 3 faalt waar het voortbouwt op de onderdelen 1 en 2. Ook overigens falen de onderdelen 3.1 en 3.2 op grond van hetgeen ik bij de bespreking van middelonderdeel 1 reeds heb betoogd.

Onderdeel 3.3 faalt ook. Het ziet eraan voorbij dat het hof niet gehouden was te reageren op de door het middelonderdeel bedoelde stellingen nu het hof aan zijn gewraakte uitleg van de akte van 1905, anders dan de rechtbank in rov. 3.7, niet ten grondslag heeft gelegd dat de stal die thans dienst doet als de woning van [verweerder] (kennelijk) geen andere toegang tot de openbare weg, Overgeul, had dan via de binnenplaats. Overigens ziet het onderdeel eraan voorbij dat bij de uitleg van leverings- en vestigingsakten – gelet op de voor die uitleg geldende maatstaf – slechts die omstandigheden/gegevens in aanmerking mogen worden genomen die objectief (dat wil zeggen voor derden) uit dan wel aan de hand van de ingeschreven akte kenbaar zijn. Zie HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522 en voorts de conclusie van mijn ambtgenote Rank-Berenschot voor dat arrest (onder 2.20), mede onder verwijzing naar de conclusie (onder 3.11) van onze ambtgenoot Wissink voor HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111, m.nt. F.M.J. Verstijlen. De omstandigheden/gegevens aangehaald door onderdeel 3.3 voldoen niet aan genoemd criterium. De slotzin van onderdeel 3.3 miskent bovendien dat de stelling dat het een 'mesttransport naar mestplaats'-erfdienstbaarheid betreft, in cassatie uitdrukkelijk is verlaten (zie hierboven onder 8, slot).

Middelonderdeel 4

18.

Middelonderdeel 4 klaagt dat onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is 's hofs oordeel in rov. 3 (laatste zin) dat waar het gaat om de bedoeling van de partijen bij de akte uit 1905 zoals neergelegd in deze akte, de door [eisers] op dit punt in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen (aangehaald in de inleiding van het onderdeel) niet tot een ander oordeel "kunnen" leiden. Het onderdeel betoogt kort samengevat dat immers niet valt in te zien waarom de (als productie 10 bij memorie van grieven) overgelegde verklaring van de moeder van [eisers] en de (als productie 11 bij memorie van grieven) overgelegde verklaring van [betrokkene 4] 'dus' niet zou kunnen leiden tot een "ander oordeel" dan dat waartoe het hof gekomen is. Het middel betoogt dat niet valt in te zien waarom uit deze beide verklaringen, bezien in het licht van de andere (gestelde) feiten waaronder in het bijzonder de door het onderdeel onder verwijzing naar passages in de gedingstukken aangehaalde ‘feiten’, niet mede zou kunnen volgen dat partijen bij de akte uit 1905 niet de bedoeling hadden om de binnenplaats als object van de litigieuze erfdienstbaarheid aan te wijzen doch wèl de bedoeling hadden om daarvoor aan te wijzen de mestplaats die ten noorden van de binnenplaats respectievelijk de stallen van [betrokkene 2] gesitueerd was.

19.

Het middelonderdeel faalt reeds omdat het eraan voorbijziet dat het bij de uitleg van de notariële akte van vestiging van de erfdienstbaarheid niet gaat om hetgeen partijen bedoelden doch dat het gaat om de partijbedoeling die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht en die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Voor zover het onderdeel verwijst naar stellingen aangaande de situering van de mestplaats (begrepen als de plaats waar de mest in 1905 (feitelijk) lag of werd gedeponeerd) faalt het bovendien om dezelfde redenen als middelonderdeel 1.

Middelonderdeel 5

20.

Middelonderdeel 5 komt op tegen rov. 10 waar het hof overwoog dat het het bewijsaanbod van [eiser] passeert, nu dit geen betrekking heeft op stellingen die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Onderdeel 5.1 klaagt dat het hof ten onrechte (zonder toereikende) motivering is voorbijgegaan aan het door [eisers] gedane bewijsaanbod (memorie van grieven, p. 14, laatste zin). Het onderdeel voert daartoe aan dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend is en dat het hof zulks heeft miskend. Het bouwt daarbij mede voort op de onderdelen 1 t/m 4. Onderdeel 5.2 klaagt dat het hof ten onrechte (zonder motivering) is voorbijgegaan aan het door de gebroeders gedane relevante en voldoende specifieke aanbod (memorie van grieven, p. 16, laatste zin) om al hun stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen, [eisers] zelf daaronder begrepen. Onderdeel 5.3 voegt hieraan toe dat dit alles temeer klemt nu in eerste aanleg geen getuigen gehoord waren en de desbetreffende bewijsaanbiedingen niet anders te kwalificeren zijn dan als aanbiedingen tot het leveren van tegenbewijs, zodat het hof, dat immers oordeelt dat uit de in de akte uit 1905 gebezigde bewoordingen uitgelegd naar objectieve maatstaven volgt dat de erfdienstbaarheid van weg gevestigd is over de binnenplaats naar en van de openbare weg, de Overgeul, alleen al daarom [eisers] had moeten toelaten tot het leveren van het bewijs dat object was van deze aanbiedingen.

21.

Het middelonderdeel faalt in al zijn onderdelen nu het hof terecht heeft geoordeeld dat het bewijsaanbod van [eiser] niet ter zake dienend is omdat het geen betrekking heeft op stellingen die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. De stellingen betreffen immers geen gegevens of omstandigheden die in aanmerking kunnen worden genomen bij de uitleg van de notariële akte van vestiging, waarbij het naar de te dezen geldende maatstaf gaat om de uitleg van de bedoeling van partijen bij het vestigen van de erfdienstbaarheid zoals deze in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht en die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Zie ook de hiervoor onder 17 genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Wissink onder 3.13, waar hij betoogt dat men in het kader van de hier aan de orde zijnde objectieve uitlegnorm slechts toekomt aan tegenbewijs indien voldoende specifiek gesteld wordt dat (i) er gegevens zijn die volgens de objectieve uitlegnorm in aanmerking mogen worden genomen om de inhoud van de overdracht of vestiging te bepalen en (ii) de rechter die gegevens niet in aanmerking heeft genomen. Wissink wijst daarbij erop dat dit een zeldzaam geval lijkt te zijn, omdat de set gegevens die volgens de hier toepasselijke uitlegnorm relevant kunnen zijn vrij beperkt is en de rechter deze gegevens normaliter naar verwachting zal hebben meegenomen.

Middelonderdeel 6

22.

Middelonderdeel 6 bevat, als gezegd, geen zelfstandige klacht.

Slotsom

23.

Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden