Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1555

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/04049
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1573, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04049

Zitting: 8 oktober 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 februari 2012 de verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd”1 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bankbiljetten.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken [medeverdachte 1] (12/04046) en [medeverdachte 2] (12/00709), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. J.M. Stad, advocaat te Boxmeer, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.G. Spijker, advocaat te Boxmeer, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel en het tweede middel keren zich tegen het oordeel van het hof dat reeds sprake was van uitvoer van de aangetroffen verdovende middelen.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 7 november 2008 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 4282 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en ongeveer 663 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.”

6. Deze bewezenverklaring steunt – met inbegrip van hier niet geciteerde voetnoten – op de volgende bewijsvoering:

“Bewijs

Op vrijdag 7 november 2008 te omstreeks 16:15 uur zien twee verbalisanten dat op het trottoir van de kruising Groethofstraat met de Buys Ballotstraat twee mannen staan die zich, bij het zien van het dienstvoertuig van de politie, zenuwachtig om zich heen begonnen te kijken en hun looprichting veranderden.

Even later zien zij een personenauto van het merk Volkswagen passeren waarin eerder genoemde personen zaten. Tevens zagen zij dat er een Turkse man als bestuurder van het voertuig optrad.

Vervolgens hebben verbalisanten met het dienstvoertuig de Volkswagen gevolgd. Zij zagen dat het voertuig het parkeerterrein van "TREF" winkelcentrum opreed waarna de inzittenden de winkel PRAXIS inliepen.

Verbalisanten bekeken het voertuig waarbij opviel dat het raam van het voertuig aan de bijrijderszijde open stond.

Hierop hebben verbalisanten het voertuig in observatie genomen waarbij zij zagen dat na circa 10 minuten genoemde inzittenden uit de winkel PRAXIS waren gelopen en voor die winkel bleven staan.

Gezien hun gedragingen kregen verbalisanten het gevoel dat deze personen iets in hun schild voerden wat niet door de beugel kon, waarop zij de collega’s van het straatteam HEKTOR, die doorgaans in burger opereren, op de hoogte hebben gebracht.

Deze personen bleken later te zijn genaamd: [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2].

De collega's van de twee verbalisanten zijn vervolgens ter plaatse gekomen en hebben - in burger - de observatie overgenomen.

Op vrijdag 7 november 2008, om 16:30 uur waren verbalisanten belast met de gecoördineerde drugsaanpak in het kader van het project Hektor.

In het kader van dat project is het verbalisanten door eigen ervaring en het Bedrijfs Processen Systeem van de politie bekend dat er veelvuldig Duitsers naar Venlo komen om hier hun verdovende middelen te kopen, voor zowel gebruikershoeveelheden als grotere partijen.

Bekend is ook dat voor wat betreft de grotere hoeveelheden, deze drugsdeals zich vaak afspelen op grotere parkeerplaatsen, zoals de parkeerplaats gelegen aan de Nijmeegseweg te Venlo, waar afspraken gemaakt worden omtrent de koop en verkoop van verdovende middelen.

Bekend is dat hier de overdrachten plaatsvinden of hier de afspraken worden gemaakt om elders de overdracht van verdovende middelen te laten plaatsvinden.

Het is verbalisanten bekend dat er grote sommen geld gemoeid zijn met de koop, cq verkoop van grotere hoeveelheden verdovende middelen. Tevens is bekend dat kopers van grotere hoeveelheden verdovende middelen met meer personen zijn om er samen voor zorg te dragen dat de drugsdeal goed verloopt. Een bekende methode is dat de koper met de verkoper meegaat. Hierbij neemt de koper een deel van het te betalen geld mee en wordt het resterende bedrag achtergehouden door een medekoper welke achter blijft. Als de koper met de verdovende middelen terugkomt, wordt door de medeverkoper het resterende bedrag overhandigd. Deze methode maakt de kans aanzienlijk kleiner voor de koper(s) dat deze geript of beroofd worden.

Op vrijdag 7 november 2008 om 16:30 werd de verbalisant [verbalisant 1] gebeld door zijn collega die vertelde dat er op de Nijmeegseweg (het hof begrijpt te Venlo) ter hoogte van de Praxis een Volkswagen Golf stond met een drietal manspersonen die bij de auto wegliepen zonder deze af te sluiten toen zij een opvallende politieauto zagen. De donkere Volkswagen Golf was voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en dat kenteken stond op naam van [medeverdachte 2]. Uit het bedrijfsprocessensysteem blijkt dat [medeverdachte 2] meerdere malen bekend is in verband met de Opiumwet. Vervolgens ziet de verbalisant [verbalisant 2] verdachte [verdachte] en een onbekende op een terras zitten met de latere medeverdachte [medeverdachte 2]. Kort erna ziet [verbalisant 1] bij het cafetaria deze drie personen die ook al bij de Praxis bij elkaar hadden gestaan. Deze personen bleken [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te zijn.

Om 16:50 uur ziet verbalisant [verbalisant 1], dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in een Volkswagen Golf, [AA-00-BB] stapten en wegreden in de richting van de Karbinderstraat. [verdachte] bleef aldaar achter en werd door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] geobserveerd. Hierop hebben [verbalisant 1], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] de genoemde Golf van [medeverdachte 2] gevolgd. Zij zagen dat [medeverdachte 2] via de Karbinderstraat, Nijmeegseweg de A-67 opreed. Via de A67 reed [medeverdachte 2] naar Blerick. Zij zagen dat [medeverdachte 2] via de Alberickstraat in de richting van de Diependijkstraat reed. Aldaar draaide deze Golf een zijstraat in en verloren zij de Golf uit het oog.

Hierop zijn de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] weer teruggereden naar de Veestraat te Venlo.

Om 17:45 uur ziet verbalisant [verbalisant 3] twee personen in de richting van een zwarte Volkswagen Passat Variant lopen. Hij ziet dat een van deze personen gekleed was in witte bovenkleding, waarop hij ziet dat de Volkswagen Passat gelijk de Schubertlaan te Venlo inreed, richting de Hogeweg te Venlo. Hierop reden verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] achter de Volkswagen Passat Variant aan. Hierop hebben zij, verbalisanten, de inzittenden van de Volkswagen Passant Variant staande gehouden waarbij zij zagen dat verdachte [verdachte] als bestuurder optrad. Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat verdachte [verdachte] in zijn binnenzak een enveloppe had. Na onderzoek bleek hierin een geldbedrag van euro 6.000,-- te zitten.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] zagen op een gegeven moment dat een Duitse personenauto van het merk Suzuki in de kleur rood voorzien van het kenteken [CC-00-DD] geparkeerd stond in de Veestraat te Venlo.

Verbalisanten hadden het sterke vermoeden dat er nog een deal moest plaatsvinden en dat de leverende partij nog moest komen, waarop verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben besloten om terug te rijden en post te vatten op de rode Suzuki welke nog steeds geparkeerd stond op de Veestraat.

Vervolgens zien zij over de Bisschop Schrijnenstraat een zwarte Volkswagen Golf rijden voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Deze Volkswagen Golf kwam uit de richting Hogeweg en gaf ter hoogte van de Bisschop Paredisstraat richting aan naar rechts, kennelijk met de bedoeling om deze straat in te rijden.

Verbalisanten zien dat er in deze Volkswagen Golf twee personen zaten.

Hierop werden de inzittenden van de Volkswagen Golf staande gehouden, waarop [medeverdachte 1] de bijrijder en [medeverdachte 2] de bestuurder van die auto blijkt te zijn.

Verbalisant [verbalisant 3] ziet dan tussen de benen van verdachte [medeverdachte 1] een plastic draagzak staan met daarin een groot pak wasmiddel van het merk Ariel.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft het sterke vermoeden dat er in het pak Ariel verdovende middelen zitten en opent de verpakking. Nadat verbalisant zijn hand in het pak steekt voelt hij iets hards, haalt het voorwerp uit het pak en zag dat dit vermoedelijk hasjiesh betrof.

Hierop zijn [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] aangehouden.

Vervolgens worden de bij [medeverdachte 1] aangetroffen hoeveelheden hasjiesh en hennep ter plaatse in beslag genomen.

Uit later onderzoek blijkt dat in het pak Ariel in totaal 4282 gram hasjiesh en 663 gram hennep zat.

Bij de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] wordt een geldbedrag van respectievelijk euro 5.280,--; euro 500,-- en euro 6.780,-- aangetroffen en in beslag genomen. Uit eigen bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat de gemiddelde inkoopprijs van de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen ongeveer euro 12.000,-- bedraagt.

Uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1], in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat deze personen samen vanuit Duitsland naar Venlo zijn gegaan om bij de Marokkaanse of Turkse man drugs te kopen.

Verdachte [medeverdachte 2] (geboren in Turkije) verklaart dat de Volkswagen waarin hij reed van hem is en op zijn naam staat.

Voorts heeft de verdachte in eerste aanleg -zakelijk weergegeven- verklaard dat hij wist dat het om de aankoop van drugs ging, dat [medeverdachte 1] heeft gevraagd of [medeverdachte 2] voor verdovende middelen kon zorgen, [medeverdachte 2] heeft getelefoneerd om de drugs te regelen, [medeverdachte 1] vervolgens alleen met hem (Hof begrijpt: [medeverdachte 2]) mee moest gaan en dat hij met [medeverdachte 1] met de drugs weer terug naar Duitsland zou rijden.” 

7.

Voorts heeft het hof ten aanzien van het bewijs, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

i.

Door en namens verdachte is - kort samengevat - bepleit dat niet vast staat dat de in onderhavige zaak in beslag genomen stoffen daadwerkelijk hasjiesj en/of hennep waren, dat het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hasjiesh niet kan worden bewezen en dat bij verdachte de kennis heeft ontbroken over de hoeveelheid van de verdovende middelen in kwestie, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. (…)

iii.

Het hof is, met de eerste rechter, van oordeel, dat het vervoer van de drugs reeds was aangevangen nu medeverdachte [medeverdachte 2] (nadat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] de drugs elders had opgehaald) laatstgenoemde met de drugs heeft teruggebracht naar de plaats waar verdachte in een auto op hem wachtte om vervolgens naar Duitsland terug te keren. Om die reden is, gelet op artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, de uitvoer van de middelen bewezen.” 

8.

In de toelichting op het eerste middel wordt aangevoerd dat nu medeverdachte [medeverdachte 1] zich bevond in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte zich bevond in een andere auto waarin geen verdovende middelen zijn aangetroffen, nog niet gezegd kan worden dat al begonnen was met de uitvoer. Dat zou mogelijk wel het geval zijn geweest, aldus de steller van het middel, indien [medeverdachte 2] medeverdachte [medeverdachte 1] bij de auto waarin de verdachte zat had afgezet om vervolgens samen terug te rijden naar Duitsland. Voorts wordt aangevoerd dat er zich nog allerlei gebeurtenissen hadden kunnen voordoen waardoor medeverdachte [medeverdachte 1] zonder verdovende middelen bij [medeverdachte 2] zou zijn vertrokken of deze verdovende middelen op Nederlands grondgebied zou hebben achtergelaten. Daarom kan niet worden gezegd dat de aangetroffen hennep en hasjiesj ook de bestemming had om naar het buitenland te worden vervoerd noch waren deze verdovende middelen aanwezig in een naar het buitenland bestemd voertuig, aangezien de auto van de medeverdachte [medeverdachte 2] was die woonachtig is in Venlo, aldus de steller van het middel.

9.

In de toelichting op het tweede middel wordt aangevoerd dat het hof in zijn bewijsoverweging aangeeft dat er een begin van uitvoering waarneembaar zou zijn, oftewel een poging tot een strafbaar feit, maar dat het hof echter bewezen heeft verklaard dat de verdachte gehandeld heeft in strijd met het in art. 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, hetgeen een voltooid delict behelst. De beslissing van het hof houdt aldus een voltooid delict in, terwijl de motivering ziet op een poging, aldus de steller van het middel. Voorts wordt geklaagd dat ’s hofs redenering feitelijk onjuist is, althans niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen nu medeverdachte [medeverdachte 1] niet bij de verdachte is afgezet/teruggebracht.

10.

Art. 1, vijfde lid, van de Opiumwet luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:

“Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is begrepen: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer- of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen.”

11.

Art. 1, vijfde lid, van de Opiumwet geeft aan het begrip “buiten het grondgebied van Nederland brengen” een verruimd toepassingsbereik. De in dit lid omschreven gedragingen zouden zonder deze bepaling wellicht het begin van uitvoeringshandelingen en dus een poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen opleveren, maar vormen nu de omschrijving van een voltooid delict.2 Zo levert het met een koffer vol XTC op weg zijn naar Schiphol om daar het vliegtuig te nemen naar de Verenigde Staten al de hier bedoelde ‘extensieve’ uitvoer op.3

12.

Met zijn overweging dat het vervoer van de drugs was aangevangen nu medeverdachte [medeverdachte 2] (nadat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] de drugs elders had opgehaald) deze [medeverdachte 1] met de drugs heeft teruggebracht naar de plaats waar de verdachte in een auto op hem wachtte, om vervolgens naar Duitsland terug te keren, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat in het onderhavige geval sprake was van het met bestemming naar het buitenland vervoeren van de verdovende middelen als bedoeld in art. 1, vijfde lid, Opiumwet.

13.

Het eerste middel berust kennelijk op de opvatting dat van “buiten het grondgebied van Nederland” brengen pas sprake kan zijn indien de verdovende middelen zich in de auto bevinden die onderweg is naar het buitenland. Die opvatting is onjuist. Van het met bestemming naar het buitenland vervoeren van verdovende middelen kan ook sprake zijn indien die verdovende middelen onderweg nog van het ene naar het andere vervoermiddel moeten worden overgeladen. Vergelijk het hierboven aangehaalde voorbeeld, waarin niet pas sprake is van buiten het grondgebied brengen van XTC op het moment dat de XTC zich in het vliegtuig bevindt en dat vliegtuig is vertrokken. Het hof heeft uit zijn feitelijke vaststellingen kunnen afleiden dat de in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen hennep en hasjiesj met bestemming naar het buitenland werden vervoerd. Dat voor daadwerkelijke grensoverschrijding medeverdachte [medeverdachte 1] eerst nog over moest stappen naar de auto van de verdachte doet daaraan niet af. Datzelfde geldt voor de hypothetische mogelijkheid dat de hennep en hasjiesj de grens met Duitsland niet zouden zijn overgegaan.

14.

Het tweede middel faalt nu het eraan voorbij ziet dat tussen de poging en de in art. 1, vijfde lid, Opiumwet genoemde gedragingen overlap bestaat. Van enige strijd tussen ’s hofs overwegingen en de bewezenverklaring is derhalve geen sprake. Voor zover nog wordt geklaagd dat ’s hofs redenering feitelijk onjuist is, ziet het middel eraan voorbij dat het hof niet heeft overwogen dat medeverdachte [medeverdachte 1] daadwerkelijk bij de verdachte is afgezet/teruggebracht, maar dat [medeverdachte 1] is gebracht naar de plaats waar de verdachte in een auto op hem wachtte.

15.

De middelen falen.

16.

Het derde middel keert zich tegen de bewezenverklaarde hoeveelheid verdovende middelen.

17.

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

i.
Door en namens verdachte is - kort samengevat - bepleit dat niet vast staat dat de in onderhavige zaak in beslag genomen stoffen daadwerkelijk hasjiesj en/of hennep waren, dat het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hasjiesh niet kan worden bewezen en dat bij verdachte de kennis heeft ontbroken over de hoeveelheid van de verdovende middelen in kwestie, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. (…)

iv.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten bekend waren met de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden hasjiesh en hennep. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] volgt immers dat zij naar medeverdachte [medeverdachte 2] gingen om drugs te kopen en dat [medeverdachte 2] de in beslag genomen hoeveelheid drugs elders heeft opgehaald en aan [medeverdachte 1] heeft overhandigd, terwijl ook het totaal van de onder [medeverdachte 2] en verdachte inbeslaggenomen geldbedragen het aankoopbedrag voor die hoeveelheden verdovende middelen benadert. Dat verdachte nog over een deel van het aankoopbedrag beschikte, past geheel in de door de politie geschetste gebruikelijke gang van zaken bij de aan- en verkoop van verdovende middelen als hiervoor weergegeven. Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaringen van verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag van EUR 6.870,- en evenmin aan zijn verklaring omtrent het ontbreken van wetenschap ten aanzien van -kort gezegd- de hoeveelheden verdovende middelen.” 

18.

Het middel keert zich tegen geenszins onbegrijpelijke overwegingen van het hof. Ik voeg daaraan toe dat de suggestie in het middel dat de aangetroffen hennep en hasjiesj de handelsvoorraad van medeverdachte [medeverdachte 2] betroffen mij onwaarschijnlijk voorkomt, nu de verdovende middelen zijn aangetroffen tussen de benen van medeverdachte [medeverdachte 1].

19.

Het middel faalt.

20.

Het vierde middel klaagt dat het hof in zijn promis-overwegingen de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet juist heeft weergegeven.

21.

Het middel keert zich blijkens de toelichting tegen de overweging van het hof dat uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1], in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat zij samen vanuit Duitsland naar Venlo zijn gegaan om bij de Marokkaanse of Turkse man drugs te kopen. Volgens de steller van het middel kan uit de processen-verbaal waarnaar het hof verwijst niet volgen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] het plan hadden om naar Venlo te gaan om drugs te kopen. De verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] hem vroeg mee te gaan naar Venlo en dat hij wist dat het met drugs te maken had en dat hij wist dat er hasjiesj gekocht zouden worden. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat zij naar Venlo zijn gekomen om drugs te kopen. Dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ook anders inhouden doet daaraan niet af, nu het hof die onderdelen van de verklaringen kennelijk niet aannemelijk heeft geacht en dus niet voor het bewijs heeft gebezigd.

22.

Het middel faalt.

23.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

24.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Gelet op de bewezenverklaring moet de kwalificatie luiden: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

2 R.C.P. Haentjens, ‘De delicten’, in: H.G.M. Krabbe (red.), De Opiumwet. Een strafrechtelijk commentaar, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1989, p. 98.

3 Voorbeeld ontleend aan T. Blom, Opiumwetgeving en drugsbeleid, Deventer: Kluwer 2008, p. 117.