Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1554

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/03790
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1572, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

“Onverwijld” indienen vordering OvJ tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling a.b.i. art. 15i.2 Sr. Het oordeel van het Hof dat de vordering i.c. “onverwijld” is ingediend, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03790

Zitting: 8 oktober 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 12 juli 2012 de verdachte ter zake van 1. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van in totaal twaalf maanden. Voorts heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte in de zaak met parketnummer 99-000052-16 gedeeltelijk toegewezen en gelast dat een gedeelte van 60 dagen van de vrijheidsstraf dat nog niet ten uitvoer is gelegd alsnog moet worden ondergaan.

2. Namens de verdachte heeft S. van der Ploeg, administratief medewerker bij het gerechtshof te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van het “besturen onder invloed” als bedoeld in art. 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, althans dat dit oordeel onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 4 juli 2011, in de gemeente Tynaarlo, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC en 11-OH-TH (Cannabinoïden), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.”

5. Met betrekking tot deze bewezenverklaring heeft het hof – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“Onder 2 is ten laste gelegd dat verdachte, terwijl hij optrad als bestuurder, onder invloed verkeerde van THC. De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI) weliswaar iets zeggen over de aanwezigheid van THC in het bloed van verdachte, maar niet over de invloed daarvan op zijn rijgedrag op het moment van de aanrijding, nu verdachte na het ongeval nog (stevig) heeft geblowd. Dit brengt mee dat de onderzoeksresultaten van het NFI en de daaruit door het NFI getrokken conclusies niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en verdachte van dit feit, wegens het alsdan ontbreken van voldoende wettig bewijs, moet worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Uit het deskundigenrapport van het NFI van 12 augustus 2011 blijkt dat er bij verdachte een THC-concentratie is gemeten van 0,0048 mg/1 en voorts dat er internationaal consensus bestaat dat boven een concentratie van 0,0035 mg/1, hetgeen te vergelijken is met een alcohol- promillage van 0,5, nadelige effecten op de rijvaardigheid optreden. Bij verdachte is deze grenswaarde derhalve aanzienlijk overschreden. Het NFI verbindt daaraan de conclusie dat de rijvaardigheid van verdachte ten tijde van het ongeval waarschijnlijk nadelig was beïnvloed.

Het hof heeft voorts gelet op het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 8 van het door de politie Drenthe opgemaakte proces-verbaal), onder meer inhoudende dat verdachte, voorafgaande aan zijn aanhouding, heeft verklaard dat hij 'hartstikke stoned' was. De in het verweer van de raadsvrouw besloten liggende stelling, als zou er (als variant op de 'schrikborrel') sprake zijn geweest van een 'schrikblow' en zijn roes eerst door het blowen na de aanrijding tot stand zijn gekomen, acht het hof niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt het hof dat deze stelling geen steun vindt in de verklaring van verdachte ten overstaan van de politierechter en de verklaring van de inzittende van de door hem bestuurde auto ten overstaan van de politie. Daarbij komt dat verdachte en de inzittende kort voor hun aanhouding tegenover de politie (deels) leugenachtig hebben verklaard op de vraag of ze betrokken waren bij een aanrijding op de A28 dat ze daar waren afgezet en een joint hadden gerookt (pagina 8 van het door de politie Drenthe opgemaakte proces-verbaal). Ten slotte stelt het hof vast dat de rijstijl van verdachte - het rechts inhalen via de vluchtstrook alsmede het rijden met een snelheid van 170 à 180 km/u, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard - de wetenschappelijk vastgestelde waarschijnlijkheid ondersteunt dat verdachte ten tijde van de aanrijding onder invloed verkeerde van THC.

Anders dan de raadsvrouw acht het hof het rapport van het NFI, (mede) als conclusie inhoudende dat het bij verdachte gemeten THC-gehalte waarschijnlijk van invloed is geweest op zijn rijvaardigheid, te bezigen als bewijsmiddel dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.”

6. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte, terwijl hij op optrad als bestuurder, onder invloed verkeerde van THC. Het hof heeft dit oordeel gestoeld op het deskundigenrapport van het NFI voor zover inhoudende dat het bij de verdachte gemeten THC-gehalte waarschijnlijk van invloed is geweest op de rijvaardigheid van de verdachte, alsmede op de verklaring van de verdachte voorafgaande aan zijn aanhouding dat hij “hartstikke stoned” was.

7. Het middel richt zich blijkens de toelichting op de verwerping van het (impliciete) verweer van de verdediging dat de roes van de verdachte is ontstaan doordat hij een joint had gerookt nadat de aanrijding had plaatsgevonden.

8. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2012, voor zover hier van belang, als volgt verklaard:

“Feit 2 lijkt mij niet te kloppen. Ik had de vorige avond geblowd. Ik blow dagelijks, dus het is logisch dat er THC in mijn bloed zat. Het ongeval kwam doordat ik te hard reed en niet goed oplette. Ik reed ten tijde van de aanrijding 170 á 180 kilometer per uur. Na aanhouding heb ik inderdaad gezegd dat ik hartstikke stoned was. Dat kwam door het jointje dat ik kort daarvoor, maar na het ongeval, had gerookt. Zo snel gaat dat met blowen.”

9. Het hof heeft voormelde lezing – dus dat het THC in het bloed van de verdachte is terechtgekomen (mede)1 als volg van het roken van een joint nadat het ongeval had plaatsgevonden – niet aannemelijk geacht, onder meer nu die lezing geen steun vindt in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en evenmin in de verklaring van de inzittende bij de politie. Voor zover het hof daarbij nog heeft gewezen op de verklaring van de verdachte en de inzittende – kort voor hun aanhouding – dat zij (bij de A28) waren afgezet en (daar) een joint hadden gerookt, heeft het hof dit kennelijk en niet onbegrijpelijk gedaan om te benadrukken dat het hof die verklaring als (deels) leugenachtig heeft aangemerkt. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, nu zowel de verdachte (dossierpagina 23) als de inzittende (dossierpagina 13) in hun verklaring bij de politie op die eerdere verklaring zijn teruggekomen. Van innerlijke tegenstrijdigheid, zoals door de steller van het middel is aangevoerd, is dan ook geen sprake.

10. Voor zover het middel klaagt dat de verklaring van de verdachte bij de politierechter niet uitsluit dat de verdachte na het ongeluk een joint heeft gerookt, miskent het dat het hof heeft overwogen dat het geen steun vindt in de verklaring van de verdachte bij de politierechter. Dat die verklaring in theorie de mogelijkheid openlaat dat de verdachte na het ongeluk een joint heeft gerookt doet daaraan niet af.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

13. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i. zaaknummer 99-000052-16)

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Groningen van 18 januari 2010 werd veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, over welke straf voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 1 juni 2011 over een detentieperiode van een derde deel van voornoemde straf, te weten 300 dagen. De officier van justitie heeft op 21 november 2011 gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, nu veroordeelde zich niet aan de aan die voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde heeft gehouden.

Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van politie betreffende de feiten waarvoor veroordeelde thans in hoger beroep wordt veroordeeld op 6 oktober 2011 is binnengekomen bij het openbaar ministerie te Assen. De officier van justitie heeft op 21 november 2011 de onderhavige vordering bij de rechtbank ingediend. De raadsvrouw van veroordeelde heeft betoogd dat dit niet ‘onverwijld’ kan worden genoemd, zoals bedoeld in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen haars inziens zou dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling dan wel afwijzing van deze vordering.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Indien een proces-verbaal van politie binnenkomt bij een parket, dient dat proces-verbaal te worden beoordeeld en zo nodig aangevuld. Op grond van die beoordeling dient het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing te nemen. Het hof vermag niet in te zien dat de daarmee in deze zaak gemoeide periode van ruim zes weken - zoals door de raadsvrouw is betoogd - niet zou voldoen aan de eis van onverwijldheid. In het van toepassing zijnde wetsartikel zijn geen criteria opgenomen, zodat de redelijkheid in deze leidraad dient te zijn.

Hieraan is naar het oordeel van het hof voldaan.

Bij de toewijzing van de vordering heeft het hof rekening gehouden met een tweetal na te noemen factoren:

- De onderhavige vordering tot herroeping is reeds voor een gedeelte van 90 dagen toegewezen bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 1 februari 2012. Er resteren derhalve nog 210 dagen, die voor toewijzing in aanmerking komen.

- Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 8 februari 2012 is de betreffende vordering toegewezen voor een gedeelte van 60 dagen. Nu het openbaar ministerie daarvan niet in beroep is gekomen, ziet het hof geen aanleiding om een daarvan afwijkende beslissing te nemen en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van voornoemd restant van 210 dagen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, geheel toe te wijzen.

Het vorenstaande in aanmerking nemende zal het hof, nu veroordeelde de algemene voorwaarde dat hij zich tijdens de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden proeftijd diende te onthouden van het begaan van strafbare feiten niet heeft nageleefd, de vordering tot herroeping van die voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen voor de duur van 60 dagen.”

14. Art. 15i, tweede lid, Sr schrijft voor dat indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, het “onverwijld” een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling indient bij de rechtbank. Los van de in het middel opgeworpen vraag of in het onderhavige geval (nog) naar redelijkheid gezegd kan worden dat de vordering door het openbaar ministerie “onverwijld” is ingediend, is gesteld noch gebleken dat door de gemoeide periode van ruim zes weken aan enig rechtens te respecteren belang van de veroordeelde tekort is gedaan. Reeds daarom kan het middel mijns inziens niet tot cassatie leiden.2

15. Het middel faalt.

16. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 In de onder 8 weergegeven verklaring erkent de verdachte immers dat hij de vorige avond had geblowd, dat hij dagelijks blowt en dat het logisch is dat er THC in zijn bloed is aangetroffen.

2 HR 11 september 2012, LJN BX7004, NJ 2013/243, m.nt. Bleichrodt.