Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1552

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/01001
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1569
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. De vermelding van het adres van de raadsman van verdachte in de schriftelijke volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a.1ahf.c Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ex art. 588a.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ttz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4736). Ambtshalve: de HR constateert gebreken in de inleidende dagvaarding en verklaart deze om doelmatigheidsredenen nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01001

Mr. Machielse

Zitting 24 september 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 4 maart 2011, waarbij verdachte ter zake van “diefstal” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Jansen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel behelst de klacht dat het in art. 6 EVRM vervatte aanwezigheidsrecht van verdachte in hoger beroep is geschonden.

3.2 De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

(i) een door de griffier opgemaakte akte rechtsmiddel, inhoudende dat [betrokkene] op 2 mei 2011 ter griffie van de rechtbank Arnhem is gekomen en, daartoe gemachtigd, hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 4 maart 2011. De aan deze akte gehechte schriftelijke volmacht van 27 april 2011, verleend door mr. H. Jahae, houdt onder meer het volgende in: “Jahae advocaten, Jollemanhof 26, 1019 GW Amsterdam. (…) Bovenstaand kantooradres van Jahae advocaten kan worden gebruikt om cliënt op te roepen c.q. te dagvaarden.”;

(ii) een dagvaarding van verdachte in hoger beroep om op 31 januari 2012 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Uit de ene hierbij behorende akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding op 8 november 2011 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Arnhem omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is. Uit de andere akte van uitreiking blijkt dat:

- de dagvaarding op 11 november 2011 tevergeefs is aangeboden op het laatst bekende woon- of verblijfadres van verdachte, te weten [a-straat 1] te [plaats], en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor en

- de dagvaarding op 30 november 2011 nogmaals is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Arnhem onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres.

3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2012 houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

3.4 De steller van het middel betoogt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu ten onrechte niet een afschrift van de dagvaarding naar het adres Jollemanhof 26 te Amsterdam is verzonden en het hof niet heeft onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog daarbij aanwezig te zijn.

3.5 De vermelding van het adres Jollemanhof 26, 1019 GW Amsterdam in de aan de appelakte gehechte schriftelijke volmacht en de daarbij gemaakte opmerking dat dit adres kan worden gebruikt om verdachte te dagvaarden, kan naar mijn oordeel bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Bovendien houden de stukken niets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen daarbij alsnog aanwezig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.1

3.6 Het middel slaagt.

4. Ambtshalve wijs ik erop dat ook aan de betekening van de inleidende dagvaarding gebreken kleven. De inleidende dagvaarding van de ook destijds zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats zijnde verdachte om op 4 maart 2011 ter terechtzitting van de politierechter te verschijnen, is blijkens de in het dossier aanwezige aktes van uitreiking niet, zoals voorgeschreven in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv, betekend aan de griffier van de rechtbank. Bovendien is de dagvaarding weliswaar op 28 december 2010 tevergeefs aangeboden op het door verdachte ten tijde van zijn verhoor door de politie opgegeven (tijdelijke) adres [a-straat 1] te [plaats], onder achterlating van een bericht van aankomst waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor, maar uit het dossier blijkt niet dat de dagvaarding, na retournering door de baliemedewerker van het postkantoor aan het arrondissementsparket te Arnhem, naar analogie van art. 588, derde lid onder c, Sv2 vervolgens is betekend aan de griffier van de rechtbank en dat een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres is gezonden. Het in het arrest van het hof besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, is zonder nadere motivering dan ook niet begrijpelijk. Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad de inleidende dagvaarding zelf nietig verklaren.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, dat de inleidende dagvaarding zal worden nietig verklaard en dat de zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank Gelderland teneinde op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 18 september 2012, LJN: BX4497; HR 27 november 2012, LJN: BX4736, NJ 2012, 695; HR 4 juni 2013, LJN: CA1781.

2 Zie HR 3 juli 2001, LJN: ZD1846, NJ 2001, 532 en HR 12 maart 2002, LJN: AD5163, NJ 2002, 317 rov. 3.18 m.nt. Schalken.