Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1551

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/00436
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1568
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 272 Sr, schending van een beroepsgeheim, en art. 328ter Sr, niet-ambtelijke omkoping. HR constateert ambtshalve verjaring t.a.v. beide feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00436

Mr. Harteveld

Zitting 17 september 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 december 2011 de verdachte ter zake van 2. “enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden”, en 3. “anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever” veroordeeld tot dertien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het hof heeft de verdachte daarnaast ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde van het recht van de uitoefening van het beroep van tolk ten behoeve van politie en justitie ontzet voor de duur van vijf jaren.



2. Mr. R. el Hessaini, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat art. 126v Sv toegepast had moeten worden en de officier van justitie had moeten bevelen dat een overeenkomst als bedoeld in die bepaling met [betrokkene 1] werd gesloten, en dat bij gebreke van een dergelijk bevel, de informatie die van die [betrokkene 1] is verkregen moest worden uitgesloten van het bewijs.

3.2. De raadslieden van de verdachte hebben blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, aldaar het volgende aangevoerd:

Verklaringen [betrokkene 1] onrechtmatig verkregen en tevens onbetrouwbaar

Uit het dossier (proces-verbaal van begeleiding van getuige' op bladzijde 28 e.v. van het dossier eerste aanleg) blijkt dat op diverse dagen en tijdstippen is getracht om [betrokkene 1] een afspraak te laten maken met cliënt, zij het tevergeefs. [betrokkene 1] wordt hierin op vele malen gestuurd. [betrokkene 1] wordt duidelijk gemaakt dat hij moet bellen naar cliënt, wat hij wel moet zeggen, wat hij vooral niet moet zeggen, waar hij moet afspreken, wanneer juist niet etc. Ook ontvangt [betrokkene 1], als hoofd van de familie en eigenaar van [A] en daarmee bepaald niet onbemiddeld, een nieuw telefoonnummer en zelfs een onkostenvergoeding.

Die sturing van [betrokkene 1] blijkt ook duidelijk, wanneer je kijkt naar de gesprekken die hij met [betrokkene 3] voert (zie bijvoorbeeld de diverse gesprekken in de avond van 2 april 2002 tussen [betrokkene 1], die onder zijn roepnaam [...] belt naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] ontvangt duidelijke instructies wat hij zoal tegen cliënt moet zeggen)

Het is wat dat betreft veelzeggend, dat cliënt - sinds 14 maart 2002 stelselmatig onder observatie op geen moment wordt gezien met [betrokkene 3], niet bij het Amstel hotel, niet bij het Amstelstation en ook niet bij het Grand Hotel. Het had toch in de rede moeten liggen dat cliënt op die momenten door het observatieteam op enig moment gespot zou zijn. Dit is op geen moment het geval, ook niet waar het 'proces-verbaal van begeleiding van getuige' expliciet aangeeft dat [betrokkene 3] met cliënt in [A] zou zitten. Cliënt is daar nimmer door enig observant gezien. Dat geldt ook voor de contacten met [betrokkene 1], ook die worden niet waargenomen.

Indien een getuige wordt begeleid, opdrachten worden gegeven om contact te leggen, opdrachten worden gegeven wat hij wel en wat zeker niet gezegd moet worden. Onkostenvergoedingen en nieuwe telefoonnummers worden verstrekt, is niet langer sprake van een gewone getuige. [betrokkene 1] is allesbehalve dat, omdat hij wordt begeleid, gestuurd, van onkostenvergoedingen voorzien en daarmee gerund door verbalisanten, van wie [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter-commissaris op 24 juni 2002 expliciet aangeeft dat dit CIE-agenten zijn. Dit verklaart ook het gegeven dat deze agenten afspraken met [betrokkene 1] hadden op plaatsen en tijdstippen, die niet tot nauwelijks in het dossier staan verantwoord en op vreemde plaatsen als in een postkantoor wordt getracht contact met cliënt op te nemen en dat aan [betrokkene 1] het tot die tijd niet bekende nummer van cliënt werd gegeven.

In het licht van deze feiten en omstandigheden is sprake van een gestuurde informant, zoals wordt bedoeld in het bepaalde in artikel 126v Wetboek van Strafvordering. Het verstrekken van het telefoonnummer aan [betrokkene 1] met daarbij de mededeling dat cliënt op dit nummer te bereiken zou zijn, raakt immers de privacy van cliënt in het hart. Dat de inzet van [betrokkene 1] te scharen is onder reikwijdte van het bepaalde in artikel 126 Sv geldt temeer, nu wat [betrokkene 1] in zijn frequente contacten (meerder malen per dag) met de politie aanbracht, bepalend was voor de start en het verloop van het onderzoek naar cliënt, terwijl de toetsbaarheid van die informatie van [betrokkene 1] gering was.

Voor de inzet van een informant is krachtens het bepaalde in artikel 126v Wetboek van Strafvordering een schriftelijk bevel van de officier van justitie nodig. Een dergelijk bevel ontbreekt, zodat de inzet en handelswijze van [betrokkene 1] onrechtmatig was.

De informatie die is voortgekomen uit het onrechtmatig inzetten van [betrokkene 1] (toepassen dwangmiddel 126 v Sv) moet worden uitgesloten, alsmede de uit die informatie voortgekomen bewijsmiddelen (fruits of the poisonous tree). Ik verzoek uw hof daarom de verklaringen van [betrokkene 1] uit te sluiten voor het bewijs.”

3.3. Het hof heeft bedoeld verweer als volgt samengevat en verworpen:

Verweer ten aanzien van uitsluiting verklaringen van [betrokkene 1]

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 1] als onrechtmatig verkregen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze [betrokkene 1] als gestuurde informant ex artikel 126v Wetboek van Strafvordering zou zijn ingezet zonder dat hiervoor een bevel zoals vereist in voornoemd artikel was afgegeven (pleitnotitie p. 10-11). Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Artikel 126v Wetboek van Strafvordering ziet op het inzetten van een persoon teneinde stelselmatig informatie in te winnen omtrent een verdachte. Met de raadsman stelt het hof vast dat niet is gebleken van een bevel als bedoeld in laatstvermelde bepaling. Gelet op de aard, frequentie en duur van de contacten van de politieambtenaren met [betrokkene 1] in de onderhavige situatie is naar het oordeel van het hof echter geen sprake geweest van een handelen van politie en/of justitie waarbij door [betrokkene 1] stelselmatig informatie is ingewonnen over de verdachte. [betrokkene 1] is derhalve door politieambtenaren niet ingezet teneinde een min of meer compleet beeld van (een bepaald aspect van) het leven van de verdachte in kaart te brengen. Ook overigens is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd zijn voortgekomen uit enige vorm van ontoelaatbaar dan wel onwettig handelen van de politie.

(…)

De verweren van de raadsman dienaangaande worden derhalve verworpen.”

3.4. Blijkens de toelichting wordt in het bijzonder geklaagd over ’s hofs oordeel dat geen sprake is geweest van het ‘stelselmatig’ inwinnen van informatie door genoemde [betrokkene 1]. Voor het beantwoorden van de vraag of stelselmatig inlichtingen zijn ingewonnen is bepalend of het vooraf de bedoeling is een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven te krijgen.1 Dat heeft het hof onderkend door te overwegen dat [betrokkene 1] niet is ingezet “teneinde” een min of meer compleet beeld van (een bepaald aspect van) het leven van de verdachte in kaart te brengen. Aldus heeft het hof dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorts is ’s hofs oordeel dat daarvan geen sprake is geweest, niet onbegrijpelijk. Uit het (ook door de steller van het middel genoemde) proces-verbaal van de politie met betrekking tot de inzet van [betrokkene 1] bij het verkrijgen van informatie van en over de verdachte, komt naar voren dat de politie of door middel van [betrokkene 1] vele malen heeft geprobeerd om in contact te komen met de verdachte. Dat is echter niet of nauwelijks gelukt omdat de verdachte niet verscheen op afspraken, de telefoon niet opnam, of ophing zodra hij hoorde dat hij [betrokkene 1] aan de lijn had. Het doel was kennelijk om de verdachte te ontmoeten en sieraden terug te krijgen die de verdachte in zijn bezit had. Daaruit, noch overigens uit het dossier blijkt dat het de bedoeling was om een compleet beeld van aspecten van verdachtes leven te krijgen, terwijl dat gelet op de vergeefse pogingen om af te spreken met de verdachte ook in het geheel niet is gebeurd. Dat de politie [betrokkene 1] wellicht intensief heeft begeleid, vele malen contact met hem heeft gehad, hem instructies heeft gegeven over het maken van een afspraak met de verdachte, en hem heeft voorzien van een onkostenvergoeding doet daaraan niet af. Dat zegt immers nog niets over de (beoogde) aard van de inzet van [betrokkene 1]. Het hof heeft derhalve kunnen oordelen dat het niet de bedoeling was om stelselmatig informatie in te winnen, noch dat dat is gebeurd. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de uitkomsten van de enkelvoudige fotoconfrontatie wegens onvoldoende betrouwbaarheid dienden te worden uitgesloten van het bewijs.

4.2. Het hof heeft bedoeld verweer als volgt samengevat en verworpen:

Verweer met betrekking tot uitsluiting uitkomsten van de enkelvoudige fotoconfrontatie

De raadsman heeft -samengevat- aangevoerd dat in het onderzoek gebruik is gemaakt van een enkelvoudige fotoconfrontaties waarbij getuigen verdachte hebben herkend en dat het een feit van algemene bekendheid is dat enkelvoudige confrontaties makkelijk kunnen leiden tot het aanwijzen van de verkeerde persoon als dader. Volgens de raadsman had een meervoudige confrontatie moeten plaatsvinden. De raadsman is van mening dat het proces-verbaal met de uitkomst van de enkelvoudige fotoconfrontatie buiten beschouwing dient te blijven (pleitnotitie p. 11-14).

Het hof overweegt hieromtrent dat de uitkomst van de enkelvoudige fotoconfrontaties met behoedzaamheid dient te worden te beoordeeld, maar dat in hetgeen is aangevoerd geen aanknopingspunt kan worden gevonden de resultaten hiervan uit te sluiten van het bewijs. Dit geldt temeer nu de getuigen aan wie de desbetreffende foto is getoond de persoon over wie zij hebben verklaard (door de politie geïdentificeerd als de verdachte) kenden, nu er een ontmoeting tussen hen was geweest. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

4.3. Aldus heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd het verweer verworpen. De drie getuigen van wie de herkenning van de verdachte tot bewijs is gebezigd, hebben alle drie in hun (tot bewijs gebezigde) verklaring verklaard over een ontmoeting van de verdachte met [betrokkene 2] waarbij die getuigen kennelijk alle drie aanwezig zijn geweest. Gelet daarop is ’s hofs overweging dat zij de verdachte kenden, en zijn kennelijk mede daarop gebaseerde oordeel dat hun herkenning van de verdachte op de getoonde foto betrouwbaar was, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft, tegen die achtergrond, ook kunnen oordelen dat het feit dat geen van de getuigen een signalement van de verdachte heeft gegeven niet afdoet aan de betrouwbaarheid van de herkenning. Dat die herkenningen niet verifieerbaar zijn dwingt evenmin tot het oordeel dat deze niet tot bewijs gebezigd kunnen worden. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is immers voorbehouden aan de feitenrechter en wordt in cassatie slechts op begrijpelijkheid getoetst. Ik wijs er daarbij op dat het hof betekenis heeft kunnen hechten aan het feit dat genoemde getuigen elk afzonderlijk de verdachte hebben herkend als degene die [betrokkene 2] heeft ontmoet. Het hof heeft voorts kunnen oordelen dat het ontbreken van de procedure of een beschrijving van de wijze waarop de foto is getoond niet betekent dat de herkenningen niet tot bewijs mogen worden gebezigd. Die eis wordt immers alleen gesteld aan een meervoudige fotoconfrontatie, en anders dan de steller van het middel, zie ik niet dat de omstandigheden in het onderhavige geval desalniettemin nopen tot toepassing daarvan.2

Er wordt voorts nog geklaagd over ’s hofs (in de verwerping opgenomen) overweging dat de persoon over wie de getuigen hebben verklaard, door de politie was geïdentificeerd als de verdachte. Dat zou volstrekt onbegrijpelijk zijn, nu onduidelijk is waarop het hof dat baseert. Zonder nadere motivering of conclusie, die ontbreekt, is mij niet direct het belang van deze klacht duidelijk. Die identificatie is niet tot bewijs gebezigd, terwijl ik ook niet zie hoe die identificatie door de politie, de bruikbaarheid tot bewijs van de herkenningen door de getuigen van een hen reeds bekend persoon aantast. Anders dan de steller van het middel kennelijk doet, lees ik die - tussen haakjes geplaatste overweging - niet als een door het hof aangedragen argument ter onderbouwing van zijn oordeel dat de herkenningen tot bewijs kunnen worden gebezigd, maar slechts als een constatering die onder meer verklaart waarom de foto van de verdachte is getoond. Ik merk ten overvloede op dat het hof reeds uit dat tonen door de politie van de foto van de verdachte, heeft kunnen afleiden dat de politie de door de getuigen genoemde persoon had geïdentificeerd als de verdachte. Onbegrijpelijk is die overweging dus niet.

4.4. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van feit 3. Subsidiair klaagt het middel dat het hof ten onrechte art. 328ter Sr niet buiten toepassing heeft gelaten wegens de door de verdediging gestelde strijdigheid met het nemo tenetur beginsel.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“dat hij op tijdstippen in de maand september 2001, en/of de maand oktober 2001 te Amsterdam, althans in Nederland, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, te weten als tolk ten behoeve van het vertalen van telecommunicatie, opgenomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een vermoedelijke groepering van en/of of rond [betrokkene 2], welk onderzoek werd verricht door de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Dienst Centrale Recherche, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan een gift, namelijk een aantal sieraden en een geldbedrag van Hfl. 50.000,-, heeft aangenomen van [betrokkene 2], tegen wie bedoeld strafrechtelijk onderzoek onder meer was gericht, en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn lastgever.”

5.3.1. Voor zover wordt geklaagd dat het onvoldoende duidelijk is of de bewezenverklaarde schending van art. 382ter Sr volgens het hof is gelegen in het door de verdachte aannemen van een gift voor zijn reguliere werkzaamheden als tolk, dan wel voor de schending van zijn geheimhoudingsplicht, faalt het middel. Uit de bewezenverklaring en de nadere bewijsoverweging blijkt zonder meer dat de verdachte onder 3 wordt verweten dat hij een gift heeft aangenomen naar aanleiding van zijn werkzaamheden als tolk. Het hof overweegt daarna kennelijk bij vergissing dat de verdachte een beloning heeft aangenomen voor het schenden van zijn geheimhoudingsplicht. Daaraan kan mijns inziens voorbij gegaan worden.

5.3.2. Voor zover daarnaast wordt gesteld dat die bewezenverklaring in zoverre onvoldoende uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, nu daaruit zou volgen dat de gift toezag op de informatie die door de verdachte werd verstrekt aan [betrokkene 2] en niet op verdachtes werkzaamheden als tolk, geldt het volgende. Art. 328ter Sr houdt onder meer in dat een gift moet zijn aangenomen “naar aanleiding van” hetgeen de desbetreffende persoon “in zijn dienstbetrekking of bij de uitvoering van zijn last” heeft gedaan. Dat betekent dat de bedoelde gift in relatie moet staan tot een verrichte of te verrichten prestatie.3 De woorden ”naar aanleiding van” lijken daarnaast te impliceren dat het delict niet alleen ziet op giften die rechtstreeks zijn gedaan voor hetgeen de persoon in zijn dienstbetrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, maar ook voor prestaties die daarmee verband houden, of daaruit voortvloeien. Ook die kunnen immers ertoe leiden dat de zuiverheid van de dienstbetrekking, welke wordt beschermd door art. 328ter Sr, wordt aangetast. Zo bekeken faalt de klacht. In dit geval blijkt inderdaad uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de gift is gedaan om informatie van de verdachte te verkrijgen die hij door of tijdens zijn werkzaamheden als tolk had verkregen of zou verkrijgen. Nu het verstrekken van die informatie echter enkel mogelijk was door verdachtes werkzaamheden als tolk en daarvan het directe gevolg was, meen ik dat het verstrekken van informatie kan worden beschouwd als een prestatie die de verdachte ‘naar aanleiding van’ zijn werkzaamheden als tolk heeft verricht of zou verrichten. Daarbij merk ik op dat bij gevallen waarin art. 328ter Sr ‘in beeld’ komt haast altijd wel achterliggende belangen een min of meer prominente rol spelen. Weliswaar is het delict geplaatst in de aan Bedrog gewijde titel van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht, maar ook bij de concipiëring van het delict is aandacht besteed aan de wat verder liggende strekking. In het aan de invoering van art. 328ter ten grondslag liggende rapport van de Commissie niet-ambtelijke corruptie4, onder voorzitterschap van A. Mulder, valt te lezen dat de keuze is gevallen op het uitgangspunt dat het verzwijgen van de gift of belofte tegenover de principaal van de (potentieel) omgekochte bepalend dient te zijn voor de strafbaarheid van de omkoping.5 Even later6 wijst de Commissie er evenwel op “dat het artikel, hoewel het allereerst de zuiverheid van de dienstbetrekking beoogt te beschermen, in zijn werking mede zal treffen ergerlijke vergrijpen tegen de regels van de economische mededinging.” Enige pragmatiek is aan de vormgeving van de strafbaarstelling dus niet vreemd, zo concludeer ik daaruit. Wel degelijk is gedacht aan bescherming van achterliggende belangen, maar het leggen van de drempel voor strafbaarstelling bij het enkele (in strijd met de goede trouw) verzwijgen tegenover de werkgever ontslaat de wetgever van de verplichting die achterliggende belangen als zodanig te benoemen. Terugkerend naar het onderhavige geval betekent het feit, dat er sprake was van een ‘uitkering’ met de evidente strekking daarmee iets te bewerkstelligen dat - al weer - evident in strijd is met een goede uitoefening van de betrekking dus geenszins dat art. 328ter Sr daarop niet zou zien als tegelijkertijd de gift in strijd met de goede trouw wordt verzwegen tegenover de werk- of lastgever. Het meerdere sluit het mindere niet uit. Dat de rechter dat bijkomende aspect in zijn beschouwing betrekt lijkt mij echter bepaald niet onbegrijpelijk. Voorts wijs ik volledigheidshalve nog op het thans bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel Verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit.7 Ook art. 328ter Sr wordt in dit wetsvoorstel gewijzigd, zodat het eerste lid aldus komt te luiden:

“1. Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, in strijd met zijn plicht een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Daarmee krijgt de strafbaarstelling dus primair de strekking het handelen in strijd met een plicht te bestrijden. Maar in lid 3 is er in voorzien dat ook het verzwijgen van de gift etc. daaronder valt. Het voorgestelde lid 3 luidt:

“3. Onder handelen in strijd met zijn plicht als bedoeld in de voorgaande leden wordt in elk geval begrepen het in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever of lastgever verzwijgen van het aannemen dan wel vragen van een gift, belofte of dienst.”

Kortom: ook de bestaande normstelling wordt - zij het opgesloten in een soort een hybride - gecontinueerd in het voorgestelde nieuwe delict.8

5.4. De klacht tenslotte dat het hof de verdachte ten onrechte niet heeft ontslagen van alle rechtsvervolging nu art. 328ter Sr in strijd is met het nemo tenetur-beginsel en daarom onverbindend verklaard had moeten worden, miskent dat het strafwaardige van het in art. 328ter Sr bedoelde feit niet erin is gelegen dat de gift is aangenomen. Zoals het hof ook heeft overwogen, is het strafwaardige gelegen in het in strijd met de goede trouw niet-melden van die gift, en vervalt dus de strafbaarheid in de zin van art. 328ter Sr door het wel (onverwijld) te melden. Ook in zoverre faalt het middel dus.

5.5. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 358, derde lid, Sv niet heeft gereageerd op het verweer dat sprake is van eendaadse samenloop, en ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat sprake is van meerdaadse samenloop. In casu zou wel degelijk sprake zijn van eendaadse samenloop, althans van een voortgezette handeling.

6.2. De eerste klacht faalt mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag. In ’s hofs overwegingen en de vermelding van art. 57 Sr bij de toepasselijke wettelijke voorschriften, ligt als zijn oordeel besloten dat en waarom het van oordeel is dat geen sprake is van eendaadse samenloop.

6.3. Voor zover wordt geklaagd overs ’s hofs (kennelijke) oordeel dat hier sprake is van meerdaadse samenloop, geldt het volgende. Voor eendaadse samenloop moet sprake zijn van betrokken strafbepalingen (of geschonden normen) van vergelijkbare strekking en daarnaast van eenheid van tijd en plaats alsmede van een wezenlijke samenhang in de overtreding van die strafbepalingen.9 Voor een voortgezette handeling is nodig dat het soortgelijke feiten betreft die voortspruiten uit één ongeoorloofd wilsbesluit.10 Bij meerdaadse samenloop gaat het om feiten, die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd. Gewoonlijk is een meervoud van materiële handelingen nodig, maar voldoende is meer dan één feit in de zin van art. 55 Sr. Het in casu onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde opzettelijk schenden van een beroepsgeheim als bedoeld in art. 272 Sr strekt ertoe dat personen elkaar zakelijke of persoonlijke problemen kunnen toevertrouwen, maar strekt er ook toe andere geheimen, zoals staatsgeheimen, te beschermen, aldus Van Maurik en Van der Meij.11 De norm heeft betrekking op de schending van de verplichting een geheim te bewaren en niet op schending van het vertrouwen, aldus mijn ambtgenoot Machielse.12 De onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde ‘passieve omkoping’ als bedoeld in art. 328ter Sr strekt zoals hierboven onder 5.3.2 al is aangegeven primair ter bescherming van de zuiverheid van de dienstbetrekking.13 Gelet op die uiteenlopende strekkingen en (dus) niet soortgelijke delicten, geeft ’s hofs kennelijke oordeel dat hier geen sprake is van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling, maar van meerdaadse samenloop, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Gelet op de verwevenheid van dat oordeel met een waardering van feiten en omstandigheden, kan dat oordeel in cassatie niet verder worden getoetst.14

6.4. Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat de berechting in cassatie in strijd met art. 6 EVRM niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, nu tussen het tijdstip waarop het beroep in cassatie is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, meer dan acht maanden zijn verstreken. Dat zou moeten leiden tot strafvermindering.

7.2. Het cassatieberoep is op 29 december 2011 ingesteld. Eerst op 29 november 2012 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad aangekomen. Tussen beide data zijn elf maanden verlopen. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met drie maanden is overschreden, zodat het middel terecht is voorgesteld. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.

8. Het eerste, tweede en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. Tekst&Commentaar Strafvordering, aant. 2 ad art. 126v.

2 Vgl. HR 9 februari 2010, LJN BK6146, NJ 2010/105.

3 Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 2 bij art. 328ter (bijgewerkt tot en met 1 juni 2010 door J.W. Fokkens).

4 Kamerstukken II, 1965-1866, 8437, Bijlage bij de MvT, nr. 3.

5 Rapport Cie. Mulder, p.15.

6 Rapport Cie. Mulder, p.16.

7 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 685, nr. 2: wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit).

8 Daarmee wordt dus niet volledig tegemoetgekomen aan de kritiek dat nu juist de bescherming van het algemeen belang de grondslag zou moeten zijn voor de strafbaarstelling. Zie hierover T.R. van Roomen en E. Sikkema, De strafbaarstelling van publieke en private corruptie: wat mag wel en wat mag niet? Delikt en Delinkwent 2012/75.

9 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, 2012, p. 505. Zie ook: Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 1 op art. 55 (bijgewerkt tot en met 17 juli 2012 door prof.mr. A.J. Machielse).

10 Vgl. HR 17 april 2001, LJN AB1273 en HR 29 maart 1988, LJN AD0261, NJ 1989/163. Zie voorts: De Hullu, a.w., p. 512.

11 Tekst & Commentaar Strafrecht, 9e druk, aant. 5 bij art. 272.

12 Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 1 bij art. 272 (bijgewerkt tot en met 1 juli 2006 door prof.mr. A.J. Machielse).

13 Vgl. HR 27 november 1990, LJN ZC8644, NJ 1991/318.

14 Vgl. HR 29 april 1997, LJN ZD0697, NJ 1997/665. En HR 14 april 1998, LJN ZD1014, NJ 1998/609.