Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1543

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/02051
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1557, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verontschuldigbare termijnoverschrijding bij instellen h.b.? De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2004:AO5706. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsman een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van deze overweging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02051

Mr. Spronken

Zitting 8 oktober 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 april 2008, waarbij verdachte ter zake van “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door haar gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” bij verstek is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte is tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

3. Mr. M.J. Jansma, advocaat te Kampen, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1 Het eerste middel, inhoudende dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn bevat twee klachten. In de eerste plaats wordt aangevoerd dat er twee inhoudelijk verschillende processen-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2012 in het cassatiedossier zitten. Bovendien zouden deze processen-verbaal niet zijn ondertekend door dezelfde voorzitter en griffier.

4.2 De eerste klacht, die is gestoeld op de stelling dat twee inhoudelijk verschillende versies van het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2012 voorhanden zijn waardoor niet meer valt na te gaan wat de daadwerkelijke gang van zaken ter terechtzitting is geweest en welke verweren aldaar zijn gevoerd, gaat uit van een onjuiste premisse. Immers, tot de op grond van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoren zowel een op de voet van art. 327a lid 1 Sv opgemaakt verkort proces-verbaal als een in het derde lid van dat artikel voorgeschreven aanvulling daarop, betreffende de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2012. Het laatstgenoemde proces-verbaal is de kenbron van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen en aan het aanvankelijk opgemaakte verkort proces-verbaal komt geen zelfstandige betekenis toe.1 De klacht mist bovendien belang nu niet geklaagd wordt over de inhoud van het proces-verbaal zoals dat na de aanvulling is komen te luiden.

4.3 De stelling dat de twee processen-verbaal zijn ondertekend met verschillende handtekeningen, terwijl het toch telkens om dezelfde voorzitter en griffier zou moeten gaan, laat de mogelijkheid open - zo vat ik de tweede klacht op - dat het volledig uitgewerkte proces-verbaal niet is vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv. Kennelijk wordt in de toelichting op deze klacht gedoeld op de verschillen in de (naar vast gebruik aan de linkerkant geplaatste) handtekeningen van de griffier, mr. I.I.D. Leene. Weliswaar is een zeker verschil te zien in (de grootte van) de op het verkort proces-verbaal en de op het volledig uitgewerkte proces-verbaal geplaatste handtekeningen, maar dit verschil is niet zodanig dat op grond daarvan zou moeten worden betwijfeld dat deze handtekeningen door dezelfde persoon zijn gezet. Nu er ook overigens geen enkele reden is te twijfelen dat het uitgewerkte proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de in de aanhef van het proces- verbaal vermelde voorzitter en griffier, mist de klacht feitelijke grondslag.

4.4 Het middel faalt en kan naar mijn oordeel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

5. Beoordeling van het tweede middel.

5.1 Het middel - in samenhang met de daarop gegeven toelichting gelezen - klaagt dat het hof het beroep van verdachte op verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep ten onrechte althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft verworpen.

5.2 Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2012 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van verdachte hieromtrent het volgende aangevoerd:

“Met betrekking tot de ontvankelijkheid concludeert [verdachte] [primair] dat zij hoger beroep heeft ingesteld binnen de veertien dagentermijn, nadat de einduitspraak bij haar bekend was geworden […]. Mocht u daarentegen tot de conclusie komen dat er wel sprake is van een termijnoverschrijding, dan stelt [verdachte] zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

Immers, zij is op 13 mei 2010 aangehouden in verband met openstaande Wet Mulder-boetes en naar aanleiding daarvan direct opgesloten in de PI Overijssel. [verdachte] ontbrak het dan ook aan daadwerkelijke rechtsbijstand. Zo is er pas begin juli 2010 door middel van bemiddeling van het maatschappelijk werk van de PI, door [verdachte] contact opgenomen met ondergetekende. [verdachte] stelt dat, doordat zij geen enkele financiële middelen ter beschikking had, zij niet in telefonisch contact kon treden met een raadsman.

Daarnaast was zij er ook niet van op de hoogte dat er ook door middel van een verklaring ex artikel 451a Sv hoger beroep kon worden ingesteld. Ook stelt zij dat zij er niet van op de hoogte was dat de hoger beroepstermijn 14 dagen betreft bij politierechterzaken. Met betrekking tot de mogelijkheid van een verklaring ex 451a Sv dan wel dat de hoger beroepstermijn 14 dagen is, heeft haar geen ambtelijke informatie bereikt.

Reden waarom [verdachte] van mening is dat er sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding.”

Volgens het uitgewerkte proces-verbaal van de zitting van 17 januari 2012 heeft de raadsman daar als laatste woord gezegd:

‘’Primair ben ik van mening dat er op 13 mei 2010 geen mededeling uitspraak in deze zaak is uitgereikt. Subsidiair, indien dit wel gebeurd zou zijn, geeft de bijsluiter geen informatie voor het geval cliënt in voorlopige hechtenis zit. Cliënt heeft dus verontschuldigbaar de termijn overschreden.”

5.3 Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen en beslist:

“Het vonnis waarvan beroep is op 13 mei 2010 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn op 31 mei 2010 ingesteld. Het hof acht uit hetgeen door de raadsman van verdachte ter zitting van het hof is aangevoerd niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden die deze termijnoverschrijding zouden verontschuldigen. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

5.4 De toelichting op het middel concentreert zich op de verontschuldigbare termijnoverschrijding vanwege de omstandigheid dat de verdachte, die gedetineerd was toen het vonnis van de politierechter te Amsterdam van 11 april 2008 op 13 mei 2010 aan haar werd uitgereikt, niet (onverwijld) middels de bijsluiter op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om ingevolge art. 451a Sv door middel van een schriftelijke verklaring aan de directeur van de inrichting hoger beroep in te stellen.

5.5 Hiertoe wordt - samengevat - aangevoerd dat blijkens de Memorie van Toelichting art. 451a Sv is ingevoerd om het aanwenden van rechtsmiddelen door gedetineerden te vergemakkelijken en te verzekeren dat verdachten niet buiten hun schuld van een rechtsmiddel worden beroofd.2 Gesteld wordt dat het belang van een goede informatieverschaffing zoals benadrukt in de Memorie van Toelichting op de Wet stroomlijnen hoger beroep3 ook geldt voor de wijze van het aanwenden van hoger beroep zoals omschreven in art. 451a Sv. In de bijsluiter op pagina twee van de mededeling uitspraak, die verdachte op 13 mei 2010 heeft ontvangen, wordt niet gewezen op de mogelijkheid van art. 451a Sv. Deze bijsluiter houdt de volgende tekst in:

“De op het voorblad vermelde veroordeling is niet onherroepelijk. Dat wil zeggen dat de verdachte door het instellen van een rechtsmiddel (verzet, hoger beroep of beroep in cassatie) kan bewerkstelligen dat de strafzaak opnieuw, door dezelfde of een hogere rechter, wordt behandeld. Het aanwenden van een rechtsmiddel is voor de verdachte mogelijk binnen 14 dagen nadat deze mededeling aan hem in persoon is uitgereikt. Daartoe dient ter griffie van het gerecht dat de veroordeling heeft uitgesproken een verklaring te worden afgelegd, hetzij door de verdachte zelf, hetzij door een advocaat of door een door de verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.”

Verder wordt ook aangevoerd dat de dagvaarding die aan verdachten wordt verstrekt op de achterzijde evenmin informatie bevat over de wijze waarop ingevolge art. 451a Sv hoger beroep kan worden ingesteld.

5.6 Vooropgesteld moet worden dat de termijnen waarbinnen een rechtsmiddel kan worden ingesteld van openbare orde zijn. Dat het appel te laat is ingesteld, wordt in het middel niet ter discussie gesteld. Dat leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep, tenzij sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn.

5.7 Daarvan is sprake als aan de verdachte ambtelijke informatie is verstrekt op grond waarvan de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wet voortvloeit. Voorbeelden daarvan zijn als de griffier telefonisch mededeelt dat een aanhoudingsverzoek wordt ingewilligd, terwijl dat later niet het geval blijkt te zijn4 of doordat een bode de verdachte ten onrechte meedeelt dat zij een nieuwe oproep zal ontvangen,5 of als bij de dagvaarding in hoger beroep abusievelijk een bijsluiter is gevoegd dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld.6 Ook werd door de Hoge Raad een bijzondere omstandigheid aangenomen in het geval dat een verdachte, die op de zitting meende ten overstaan van de politierechter hoger beroep te hebben ingesteld, niet door de politierechter was ingelicht over de formaliteiten die daarvoor in acht moeten worden genomen.7

5.8 De vraag die in deze zaak rijst, is of het ontbreken van informatie in de bijsluiter van de mededeling uitspraak, die aan verdachte op 13 mei 2010 in persoon is uitgereikt, over de mogelijkheid middels een schriftelijke verklaring aan de directeur van de inrichting hoger beroep in te stellen, in samenhang met de omstandigheden van het onderhavige geval, een bijzondere, verdachte niet toe te rekenen omstandigheid kan opleveren die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doet zijn.8

5.9 Ik ben van mening dat deze vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord en wel op grond van de volgende argumenten en omstandigheden:

- verdachte was gedetineerd toen haar de mededeling van de uitspraak werd uitgereikt en uit de zich in het dossier bevindende justitiële documentatie kan worden afgeleid dat het voor haar de eerste keer was dat zij in een penitentiaire inrichting was opgenomen.9 Het ging hier dus om een onervaren gedetineerde;

- verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld en niet door een raadsman bijgestaan en dan mag van de overheid een bijzondere zorgplicht worden aangenomen om geen misverstanden te veroorzaken over de beroepsmogelijkheden;10

- de bijsluiter bij de mededeling van de uitspraak vermeldt uitsluitend de mogelijkheden hoger beroep in te stellen door een verklaring af te leggen ter griffie van het gerecht dat de veroordeling heeft uitgesproken, hetzij door de verdachte zelf, hetzij door een advocaat of door een door de verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. De bijsluiter rept niet van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen op de wijze zoals vermeld in art. 451a Sv, terwijl deze extra manier waarop gedetineerden hoger beroep kunnen instellen nu juist gegeven is om zo weinig mogelijk administratieve drempels op te werpen vanwege de moeilijkheden die zij hebben om zich te verplaatsen en onbelemmerd contacten te kunnen onderhouden.11 Wat dat betreft is het onbegrijpelijk dat de bijsluiter de optie van art. 451a Sv niet noemt;

- het is niet onaannemelijk dat verdachte aanvankelijk niet heeft geweten hoe zij anders dan op een van de manieren die in de bijsluiter stonden vermeld, hoger beroep zou kunnen instellen en dat zij vanwege het feit dat zij gedetineerd was geen mogelijkheid had een van deze wegen te bewandelen;

- uiteindelijk is op 31 mei 2010, vier dagen te laat, door verdachte hoger beroep ingesteld middels een schriftelijke verklaring zoals bedoeld in art. 451a Sv, waarbij het onduidelijk is welke rol de omstandigheid dat de mededeling uitspraak op 20 mei 2010 (kennelijk per abuis) nog een keer aan verdachte in persoon is uitgereikt, daarbij heeft gespeeld. Op dat moment had verdachte uitgaande van de rechtsgeldige mededeling uitspraak van 13 mei 2010 nog zeven dagen de tijd om appel in te stellen. Door deze gang van zaken kon echter zowel bij verdachte als bij de inrichting de indruk ontstaan dat de schriftelijke verklaring van 31 mei 2010 nog tijdig was, immers binnen 14 dagen na 20 mei 2010;

- kennelijk heeft verdachte zich ingespannen om hoger beroep in te stellen. Onduidelijk is echter gebleven wanneer en met wie verdachte in de inrichting contact heeft gehad over het instellen van hoger beroep en wanneer zij ervan op de hoogte is gesteld dat zij de weg van art. 451a Sv zou kunnen bewandelen. Nog afgezien van de vraag of het ontbreken van de informatie hierover in de bijsluiter, die mijns inziens op zichzelf al de termijnoverschrijding verschoonbaar kan maken, blijft tevens de mogelijkheid open dat zij nog binnen de beroepstermijn heeft aangegeven appel te willen instellen, maar dat dit door omstandigheden die haar niet kunnen worden verweten niet tijdig is gebeurd.

5.10 Gelet op voormelde feiten en omstandigheden ben ik van mening dat het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding niet op voorhand onaannemelijk is en dat het hof nader had moeten onderzoeken wanneer verdachte in de penitentiaire inrichting kenbaar heeft gemaakt dat zij hoger beroep wenste in te stellen en hoe hierop vanuit de inrichting is gereageerd. Het hof had dit niet in het midden mogen laten bij zijn oordeel omtrent de tijdigheid van het instellen van hoger beroep.12

5.11 Het tweede middel slaagt.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een zodanige beslissing zal nemen die hij op grond van art. 440 Sv gepast acht.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3627, r.ov. 3.2.

2 Kamerstukken II, 1977-1978, 15 019, nr. 1-3, p. 7 en 11 gevoegd als bijlage 6 bij de cassatieschriftuur.

3 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 53 gevoegd als bijlage 7 bij de cassatieschriftuur.

4 HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706; HR 23 januari 2007,ECLI:NL:HR:2007:AZ3592.

5 HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671.

6 HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6094.

7 HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694; HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6742.

8 HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2539.

9 Het uittreksel justitiële documentatie vermeldt afgezien van onderhavige zaak een veroordeling wegens overtreding van art, 8 lid 2a wegenverkeerswet 1994 van 22 januari 2000 waarbij een geldboete is opgelegd en een veroordeling wegens art. 30 lid 2 WAM van 22 december 2010 (in appel, Gerechtshof Amsterdam) waarbij eveneens een geldboete is opgelegd.

10 Zie de noot van Buruma bij de hiervoor gemelde uitspraak van HR 12 oktober 2010, NJ 2010, 585.

11 Melai/Groenhuijsen, aant.3 bij art. 451a Sv.

12 HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2052.