Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1539

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/05232
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1554, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 175 WVW 1994. Schuld in de zin van roekeloosheid. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. Het Hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als bedoeld in deze overwegingen. V.zv. het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet z.m. toereikend zijn voor het oordeel dat verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 jo. 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05232

Zitting: 8 oktober 2013

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 oktober 2012 de verdachte wegens 1 subsidiair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden” en 2 subsidiair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen personenauto zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de verdachte ter zake van feit 1 veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren en hem ter zake van feit 2 eveneens veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 onvoldoende met redenen zijn omkleed, nu telkens is bewezenverklaard dat de verdachte “een krachtens deze wet” vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, zonder dat de desbetreffende wet in de bewezenverklaringen (of elders) eerder is genoemd.

4. Het middel keert zich tegen de volgende zinsnede, die zowel is opgenomen aan het slot van de bewezenverklaring van feit 1 als aan het slot van de bewezenverklaring van feit 2:

“terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.”

5. In de bewezenverklaring is inderdaad niet uitdrukkelijk omschreven naar welke wet “deze wet” verwijst. De hiervoor geciteerde zinsnede is evenwel evident ontleend aan de strafverzwaringsgrond die is opgenomen in art. 175, derde lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Bovendien heeft het hof feit 1 gekwalificeerd als “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”. Voorts heeft het hof feit 2 gekwalificeerd als “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”. Deze kwalificaties zullen de steller van het middel toch op het juiste spoor moeten hebben gebracht. Daarnaast staan in de inleidende dagvaarding en in de vordering wijziging tenlastelegging van 12 april 2012 aan de voet van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit en aan de voet van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit art. 6 WVW 1994 en art. 175 WVW 1994 als toepasselijke wetsartikelen vermeld. Ook het hof heeft in de bestreden uitspraak onder het kopje “toepasselijke wettelijke voorschriften” onder meer deze wetsartikelen aangehaald. Gelet hierop heeft het hof met de aanduiding “deze wet” onmiskenbaar gedoeld op de Wegenverkeerswet 1994. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat bij de verdachte enige onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten en meer in het bijzonder over de vraag welke wet hier is bedoeld. Ook in eerste aanleg heeft de rechtbank voornoemde zinsnede immers opgenomen in de bewezenverklaringen, terwijl in hoger beroep door de verdediging dienaangaande – begrijpelijkerwijze - geen verweer is gevoerd.

6. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaringen de woorden “deze wet” heeft opgenomen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaringen met herstel van deze misslag lezen, in dier voege dat deze inhouden dat “het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”. Door die verbeterde lezing faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

7. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 onvoldoende met redenen zijn omkleed, nu het hof als bewijsmiddel een proces-verbaal van verhoor van een getuige heeft gebezigd, inhoudende een door deze getuige getrokken conclusie.

8. Het middel doelt op bewijsmiddel 10. Dit betreft de op 25 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 4], voor zover inhoudende:

“Ik stond op 26 juli 2011 (het hof begrijpt: 25 april 2011) op de Cartesiusweg te Utrecht. Ik zag twee personenauto’s met een hoge snelheid over de kruising Cartesiusweg en Nijverheidsweg rijden. Het waren een groene BMW en een zwarte BMW. Ik vermoed dat beide voertuigen met een snelheid van ongeveer 180 km/u reden. Ik vermoed dat beide voertuigen een wedstrijd hielden. Ik zag later dat de groene BMW een aanrijding had veroorzaakt.”

9. Blijkens de toelichting behelst het middel de klacht dat de in dit bewijsmiddel opgenomen zinsnede “ik zag later dat de groene BMW een aanrijding had veroorzaakt” niet een door deze getuige zelf waargenomen of ondervonden feit betreft.

10. Een getuigenverklaring moet ingevolge art. 342, eerste lid, Sv een mededeling behelzen van feiten en omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Bij waarneming moet worden gedacht aan zintuiglijke kennisneming van externe gegevens. Een mening, gissing of gevolgtrekking behelst als zodanig geen mededeling van feiten of omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Zeker is de mening of gissing ontoelaatbaar als deze een aan de rechter voorbehouden oordeel bevat. Een dergelijke conclusie is niet bruikbaar voor het bewijs, tenzij de rechter op grond van andere bewijsmiddelen heeft geoordeeld en heeft kunnen oordelen dat een zodanige conclusie terecht is getrokken. In dat laatste geval stemt de conclusie immers overeen met de conclusie die de rechter zelf heeft getrokken. Geen gissingen in de zin der wet zijn gevoelens of gedachten die bij een getuige zijn opgekomen naar aanleiding van zijn waarneming.1

11. De verklaring van de getuige [getuige 4] bevat geen mening, gissing of gevolgtrekking. Uit zijn verklaring volgt immers dat de getuige op 25 april 2011 heeft gezien dat twee personenauto’s met hoge snelheid over de kruising van de Cartesiusweg en de Nijverheidsweg reden, dat het ging om een groene BMW en een zwarte BMW en dat de groene BMW een aanrijding had veroorzaakt. De in het middel bedoelde passage uit de getuigenverklaring is door het hof kennelijk verstaan - en kon ook worden verstaan - als behelzende een mededeling van Hanci nopens gedachten die bij hem zijn opgekomen naar aanleiding van zijn in de rest van die verklaring gerelateerde waarnemingen betreffende de personenauto's. Aldus verstaan behelst die verklaring niets wat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van feiten en omstandigheden door de getuige zelf waargenomen of ondervonden. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is van een aan de rechter voorbehouden conclusie dan ook geen sprake. De bewezenverklaringen zijn derhalve in zoverre voldoende met redenen omkleed.2

12. Het middel faalt.

13. Het derde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 onvoldoende met redenen zijn omkleed, nu de door het hof genoemde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 WVW 1994 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

14. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2012 - ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 juli 2011 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Cartesiusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos tijdens een snelheidswedstrijd

- als bestuurder van een personenauto te rijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gezien de situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was en

- zijn voertuig niet voortdurend onder controle te houden en niet voortdurend de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en

- vervolgens tegen de personenauto (merk Honda), waarin [slachtoffer 1] zich bevond, aan te rijden of te botsen,

waardoor de personenauto, waarin [slachtoffer 1] zich bevond, meermalen tegen een boom is aangereden en/of gebotst, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.”

15. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 juli 2011 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Cartesiusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos tijdens een snelheidswedstrijd

- als bestuurder van een personenauto te rijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gezien de situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was en

- zijn voertuig niet voortdurend onder controle te houden en niet voortdurend de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en

- vervolgens tegen de personenauto (merk Honda), waarin [slachtoffer 2] zich bevond, aan te rijden en/of te botsen,

waardoor de personenauto, waarin [slachtoffer 2] zich bevond, meermalen tegen een boom is aangereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten: een medische conditie waardoor het noodzakelijk is geweest om [slachtoffer 2] in kunstmatige coma te brengen en te houden en een bekkenfractuur werd toegebracht, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.”

16. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van deze feiten het volgende vastgesteld. De verdachte heeft op 25 juli 2011 in zijn (groene) BMW 523i met het kenteken [AA-00-BB] gereden op de Cartesiusweg in Utrecht (bewijsmiddel 6). Deze weg is gelegen binnen de bebouwde kom en loopt in een bocht naar rechts, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km/uur geldt (bewijsmiddel 1). De verdachte heeft in zijn auto een wedstrijd c.q. (drag)race gehouden met een (onbekend gebleven) persoon in een donkerkleurige BMW, waarbij beide voertuigen met hoge snelheid (volgens schattingen van getuigen variërend van 100 km/uur tot 180 km/uur en volgens de verdachte zelf (in ieder geval) harder dan was toegestaan) kort achter elkaar reden en elkaar steeds inhaalden (bewijsmiddelen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15). De verdachte heeft naar eigen zeggen in de bocht niet geremd, waarna zijn auto met een groot snelheidsverschil met de rechtervoorzijde schuin tegen de linkerachterzijde van een (rode) Honda Civic is gebotst (bewijsmiddelen 1 en 6). Deze Honda reed op dat moment met een snelheid van ongeveer 50 km/uur en werd bestuurd door [slachtoffer 2], terwijl ook [slachtoffer 1] als passagier in die auto zat (bewijsmiddelen 1 en 7). Door deze botsing is de Honda met de rechtervoorzijde langs een boom geschampt en vervolgens met de rechterzijde tegen een tweede boom aangekomen (bewijsmiddel 1). Na het ongeluk is de bestuurder van de donkerkleurige BMW doorgereden (bewijsmiddelen 7 en 16). Voorts is uit onderzoek gebleken dat de auto van de verdachte bij aanvang van het op de plaats van de botsing gelegen bandenspoor een snelheid van tussen de 104 km/uur en de 160 km/uur heeft gehad en dat het minimale verschil in snelheid tussen de auto van de verdachte en de Honda 72 km/uur is geweest (bewijsmiddelen 17 en 18). Als gevolg van dit ongeluk is [slachtoffer 1] overleden en heeft [slachtoffer 2] een neusfractuur, een longkneuzing, een ribfractuur, een handfractuur, een bekkenfractuur en een storing in zijn bewustzijn opgelopen, terwijl [slachtoffer 2] negen dagen op de intensive care van het ziekenhuis is beademd en gesedeerd (bewijsmiddelen 2, 3 en 4). Bovendien kan [slachtoffer 2] als gevolg van het ongeluk zijn beroep als freelance kok en eigenaar van een cateringbedrijf niet meer uitoefenen (bewijsmiddel 5).

17. Het hof heeft in aanvulling hierop onder het kopje “overweging met betrekking tot het bewijs, feiten en omstandigheden” geoordeeld dat de verdachte in het kader van een snelheidswedstrijd en met een snelheid van minstens 104 km/uur op een weg waar de maximaal toegestane snelheid 50 km/uur was in een bocht de controle over zijn auto is kwijtgeraakt, waardoor hij met zijn auto tegen de achterkant van de auto van de slachtoffers is gebotst, als gevolg waarvan één van de slachtoffers is komen te overlijden en het andere slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Als gevolg van de aanrijding tussen de groene BMW, die werd bestuurd door de verdachte, en de rode Honda, die werd bestuurd door [slachtoffer 2] en waarin ook [slachtoffer 1] zat, heeft de Honda een boom geschampt, is de Honda opnieuw geraakt door de BMW en is de Honda vervolgens tegen een tweede boom gebotst. Op het moment van de aanrijding reed de Honda op de rechterrijstrook van de rijbaan, terwijl de lezing van de verdediging dat de Honda het ongeval heeft veroorzaakt door een plotselinge stuurbeweging naar links niet aannemelijk is geworden. Voorts hebben de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte plaatsgevonden in het kader van een onderlinge snelheidswedstrijd, nu verschillende getuigen hebben verklaard dat de twee auto’s met een forse snelheid reden, deze auto’s elkaar steeds inhaalden, dat de auto’s kort bij elkaar reden en dat één van de auto’s (een groene BMW) bij de aanrijding met de rode Honda betrokken was. Ten slotte reed de verdachte op het moment dat hij tegen de auto van de slachtoffers aanreed minstens 104 km/uur maar waarschijnlijk nog aanzienlijk sneller, nu uit de door het NFI gemaakte snelheidsberekening is gebleken dat de BMW van de verdachte tussen de 104 km/uur en de 160 km/uur reed, dat op het moment van de botsing het snelheidsverschil tussen de Honda en de BMW 72 km/uur bedroeg en dat de Honda niet langzamer reed dan 40 km/uur.

18. Voorts heeft het hof onder het kopje “overweging met betrekking tot het bewijs, opzet of schuld, schuld” geoordeeld dat het bewezenverklaarde rijgedrag van de verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos, nu de verdachte door zijn rijgedrag bewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen voor andere weggebruikers en de verkeersveiligheid geheel heeft veronachtzaamd, en die risico’s zich ook hebben verwezenlijkt doordat hij eerst de controle over zijn auto heeft verloren en vervolgens niet meer kon vermijden dat hij met een groot snelheidsverschil tegen de auto waarin de slachtoffers zaten is aangereden. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen. Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, en zo ja of deze schuld bestaat uit roekeloosheid, moet het gedrag van de verdachte worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Voorts is de grote snelheidsovertreding van de verdachte begaan binnen de bebouwde kom gelet op de verkeerssituatie ter plaatse op zichzelf reeds zeer onvoorzichtig en onachtzaam. De verdachte heeft de bijzondere zorgplicht om zich te houden aan de maximumsnelheid zeer veronachtzaamd, nu hij met een snelheid van minstens 104 km/uur reed maar waarschijnlijk nog veel sneller. Deze snelheid was mede gelet op het wegverloop ter plaatse (de weg maakte op die plek een bocht) geheel onverantwoord, aangezien de verdachte de bocht met onverminderde snelheid heeft genaderd en achter die bocht zich ander verkeer kon bevinden en uiteindelijk ook bevond waarop de verdachte in het geheel niet meer adequaat kon reageren.

Bovendien wordt met roekeloosheid gedoeld op de zwaarste vorm van schuld, die volgens de wet aanleiding geeft voor strafverhoging, waarbij het in het algemeen gaat om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

Ten slotte kan het niet anders dan dat de verdachte door in de bebouwde kom met een zeer hoge snelheid te rijden en een wedstrijd te houden met een andere automobilist, zijn aandacht tevens gericht heeft gehad op die andere auto en zodoende minder dan vereist op het overige normaal aanwezige dan wel te verwachten verkeer, aldus oordeelde het hof.

19. De tenlastelegging is wat betreft de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten toegesneden op art. 6 WVW 1994 in verbinding met art. 175 WVW 1994. Daarom moet het in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende begrip “roekeloos” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid, WVW 1994.

20. Art. 175 WVW 1994 luidt als volgt:

“1. Overtreding van artikel 6 wordt gestraft met:

a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met:

a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd.”

21. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde roekeloos rijden - uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van voornoemde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hiervoor bedoelde zin.3

22. Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde als voor de andere (lichtere) schuldvormen. Daarbij dient evenwel te worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van dit culpose delict" wordt aangemerkt, die onder meer tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid.4 Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten aan de vaststelling dat er sprake is van roekeloosheid, zoals gezegd de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.5

23. Voor het aannemen van schuld is een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid vereist. De verdachte kon anders handelen (vermijdbaarheid) en diende ook anders te handelen (verwijtbaarheid). Het aannemen van roekeloosheid vergt zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Daarmee vereist roekeloosheid niet slechts een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.6

24. Het hof heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde rijgedrag van de verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos, nu de verdachte door zijn rijgedrag bewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen voor andere weggebruikers en de verkeersveiligheid geheel heeft veronachtzaamd, en die risico’s zich ook hebben verwezenlijkt doordat hij eerst de controle over zijn auto heeft verloren en vervolgens niet meer kon vermijden dat hij met een groot snelheidsverschil tegen de auto waarin de slachtoffers zaten is aangereden.

25. In het licht van hetgeen hiervoor is uiteengezet over de betekenis van het bestanddeel “roekeloosheid”, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is het ’s hofs oordeel gelet op het navolgende evenmin onbegrijpelijk. De verdachte heeft overdag binnen de bebouwde kom bij het naderen van een bocht minimaal 54 km/uur te hard gereden. Bovendien heeft de verdachte in de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers samen met een andere automobilist een snelheidswedstrijd gehouden op de openbare weg. Daarnaast heeft de verdachte zijn auto niet onder controle gehouden en is hij tegen een andere auto (een Honda) aangereden. Aldus heeft hij ondanks zijn verantwoordelijkheid als automobilist ten aanzien van andere verkeersdeelnemers die zich in de nabijheid van zijn auto bevonden, niet dan wel onvoldoende op dat andere verkeer gelet maar heeft hij zijn aandacht kennelijk in de eerste plaats gericht op de auto (een donkerkleurige BMW) waarmee hij een snelheidswedstrijd aan het houden was. Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering, in aanmerking genomen dat de verdediging in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de betekenis en de invulling van het begrip roekeloosheid. De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2012 overgelegde pleitnotitie immers enkel opmerkingen gemaakt betreffende de aanwezigheid van de tweede BMW, de snelheid van de Honda, het naar links sturen door de Honda (overeenkomstig de verklaring van een getuige), het snelheidsverschil tussen de BMW van de verdachte en de Honda in het licht van het niet naar buiten komen van de airbags, en de betekenis van de sporen op het wegdek. Het hof heeft in reactie op deze “bewijsverweren” onder het kopje “overweging met betrekking tot het bewijs” geoordeeld dat deze verweren worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof geen reden heeft om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.7

26. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op de in noot 5 genoemde arresten kan nog het volgende worden opgemerkt. In die zaken, waarin de Hoge Raad op grond van een tekortschietende motivering van het hof tot een vernietiging van de bestreden uitspraak is gekomen, bestond de roekeloosheid in de kern uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, te weten rijden onder invloed en/of het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid. In het onderhavige geval speelt daarnaast een andere omstandigheid een belangrijke rol. Er is namelijk niet alleen sprake van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid maar de verdachte heeft ook deelgenomen aan een snelheidswedstrijd op de openbare weg. Bovendien heeft het hof in casu een uitgebreide motivering gegeven aan zijn oordeel dat het rijgedrag van de verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos, terwijl in hoger beroep dienaangaande geen verweer is gevoerd.

27. Kortom, gelet op de hiervoor onder 16 weergegeven vaststellingen heeft het hof in het licht van zijn hiervoor onder 17 en 18 weergegeven bewijsoverwegingen uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte als bestuurder van een motorrijtuig roekeloos heeft gereden door tijdens een snelheidswedstrijd met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gezien de situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was, door zijn voertuig niet voortdurend onder controle te houden en niet voortdurend handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en door tegen de personenauto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden te botsen, waardoor die auto meermalen tegen een boom is aangereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden. De bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 zijn derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.

28. Het middel faalt.

29. De middelen falen, terwijl het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Vgl. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 692 – 695.

2 Vgl. HR 28 augustus 2012, LJN BX3807, rov. 3 en HR 11 februari 1986, NJ 1986/592, rov. 6.

3 Vgl. HR 3 februari 2009, LJN BG9216, NJ 2009/100, rov. 2.4, HR 28 oktober 2008, LJN BE9800, NJ 2008/571, rov. 3.4, HR 27 mei 2008, LJN BC7860, NJ 2008/441, rov. 3.4, HR 29 april 2008, LJN BD0544, NJ 2008/440, rov. 3.3, HR 29 april 2008, LJN BD0709, NJ 2008/439, rov. 4.2, HR 17 januari 2006, LJN AU3447, NJ 2006/303, m.nt. Buruma, rov. 3.5 en HR 1 juni 2004, LJN A05822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge, rov. 3.5.

4 Zie de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10-12) bij de wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Stb. 2006, 11).

5 Vgl. HR 4 december 2012, LJN BY2823, NJ 2013/16, rov. 3.3, HR 3 juli 2012, LJN BW4254, NJ 2012/489, m.nt. Bleichrodt, rov. 3.3 en HR 22 mei 2012, LJN BU2016, NJ 2012/488, rov. 4.3.

6 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2012, p. 252 – 256, de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10-12) bij de wet van 22 december 2005, M. Peters, ‘Roekeloosheid en bewuste schuld’, Delikt en Delinkwent 2011, nr. 14 en A.H. Klip, ‘Roekeloosheid’, Delikt en Delinkwent 2007, nr. 68.

7 Vgl. HR 9 april 2013, LJN BZ6518 (art. 81 RO).