Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1537

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
12/01306
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1552, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 175 WVW 1994. Schuld in de zin van roekeloosheid. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. In het licht van deze overwegingen schiet de bewijsvoering van het Hof tekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01306

Mr. Harteveld

Zitting 5 november 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 28 februari 2012 de verdachte ter zake van “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet” veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf. Verdachte is daarnaast de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vijf jaren.



Mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde roekeloosheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of de motivering van de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 18 december 2009 te Schiedam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de rijksweg A20, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

door met dat motorrijtuig roekeloos, rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Rijksweg A20,

welk roekeloos rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte,

- terwijl zij verkeerde onder de invloed van alcohol in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en

- door gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een zodanige toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door haar bestuurd voertuig en het gevaar bestond dat zij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van haar werden vereist,

- een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en enige tijd op een rijbaan van die genoemde Rijksweg A20 die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, is gaan rijden en blijven rijden en aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan en blijven rijden (zogenaamd spookrijden) en (aldaar) heeft gereden met een hoge snelheid en dusdoende frontaal is gebotst op een haar, verdachte, tegemoetkomend voertuig,

waardoor een ander (genaamd [betrokkene 1]) werd gedood, zulks terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.”

3.2.2. Het bestreden arrest houdt voorts in, voor zover hier van belang:

“Feiten en omstandigheden

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 18 december 2009 heeft de verdachte rond 19.00 uur bij Toko [A], de winkel van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) in Rotterdam alcohol gedronken. Daarna zijn [betrokkene 2] en de verdachte naar [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) in Rotterdam gereden in de auto van de verdachte.

Rond 21.00 uur kwamen zij daar aan en de verdachte heeft daar drie alcoholische consumpties gedronken. Bij haar derde glas heeft [betrokkene 3] haar het glas met, naar zijn zeggen, whisky en cola light afgepakt. Toen de verdachte en [betrokkene 2] rond 23.15 uur weg gingen, heeft [betrokkene 3] de verdachte gevraagd of ze zelf wilde rijden of dat hij een taxi voor haar moest bellen. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij de verdachte niet in staat achtte om een auto te besturen en dat hij dat aan de verdachte heeft verteld.

De verdachte is als bestuurder in haar auto een Mercedes Benz van het type A160, gestapt, heeft [betrokkene 2] vervolgens afgezet in Rotterdam en is vervolgens naar haar woning gereden. Daar aangekomen besloot ze met haar auto, naar eigen zeggen, naar een vriendin in Vlaardingen te rijden via de Benelux tunnel. Op die route heeft zij met haar auto gereden op de middelste rijstrook met de linkerzijde over de onderbroken streep, op twee rijstroken tegelijk. De linkerrichtingaanwijzer van de auto was aan en de auto slingerde een beetje. De verdachte is vervolgens op enig moment met haar auto op rijstrook 1 van de noordelijke rijbaan van de Rijksweg A20 (links) te Schiedam terechtgekomen en heeft daarbij tegen de voor die autosnelweg geldende verplichte rijrichting in gereden (het zogenaamde spookrijden) in de richting van Schiedam. De verdachte is op die A20 te Schiedam nabij hectometerpaal 25.6 frontaal tegen een personenauto van het merk Renault en type Twingo aangereden. Na de aanrijding zat de verdachte bekneld in haar auto. Ter plaatse is geconstateerd dat haar adem riekte naar de lucht van alcohol en in het ziekenhuis is melding gemaakt van het feit dat bij de verdachte sprake was van "alcohollucht" en "bloed doorlopen ogen". Ook [betrokkene 1], de bestuurder van de Twingo, is naar het ziekenhuis overgebracht, alwaar hij aan zijn verwondingen is overleden.

Beoordeling

(…)

Naar het oordeel van het hof volgt uit vorenstaande dat de verdachte door het alcoholgebruik die avond haar voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en dat zij als bestuurder niet voortdurend in staat was de handelingen te verrichten die van haar werden vereist. Zij heeft naar het oordeel van het hof dusdoende roekeloos gereden, waardoor de aan haar schuld te wijten frontale botsing met de Renault Twingo heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan slachtoffer [betrokkene 1] om het leven is gekomen terwijl zij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.”

3.3.1.

De tenlastelegging van het feit is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘roekeloos’ moet derhalve geacht worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder b, WVW 1994.

3.3.2.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 mei 2012, LJN BU2016, NJ 2012/488 (m.nt. F.W. Bleichrodt) ten aanzien van de schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 en de schuldvorm ‘roekeloosheid’ onder meer het volgende overwogen:

“4.3.1. Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN A05822, NJ 2005/252).

4.3.2.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.”

3.3.3.

In een viertal arresten van 15 oktober 2013 voegde de Hoge Raad aan die overwegingen nog een nadere verduidelijking toe. Ik citeer uit HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960 het volgende1:

“4.4.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.

4.5.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.”

3.4. In het onderhavige geval heeft het Hof weliswaar naar aanleiding van een daaromtrent gevoerd verweer, gemotiveerd waarom het gedrag van de verdachte als roekeloos moet worden aangemerkt maar in het licht van de zware motiveringseisen die door de Hoge Raad worden gesteld aan de bewezenverklaring van roekeloosheid, schiet die motivering mijns inziens echter te kort. Uit het zo-even aangehaalde ECLI:NL:HR:2013:960 valt te destilleren dat een nadere (bewijs)motivering recht moet doen aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Dat bijzondere aspect mist in de nadere overweging van het Hof. In zijn hiervoor onder 3.2.2. weergegeven ‘beoordeling’ dat de verdachte roekeloos heeft gereden, verwijst het Hof enkel naar de omstandigheid dat de verdachte die avond door het alcoholgebruik haar voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en zij als bestuurder niet voortdurend in staat was de handelingen te verrichten die van haar werden vereist. Dat is een enkele verwijzing naar een andere, in art. 175 WVW 1994 genoemde, strafverzwarende omstandigheid die, zo blijkt uit het slot van het hierboven aangehaalde gedeelte van ’s Hogen Raads arrest, ‘doorgaans” niet volstaat. Ook uit hetgeen het Hof overigens heeft vastgesteld omtrent de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht kan de roekeloosheid naar ik (thans) meen – want gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn meest recente jurisprudentie overwoog – niet rechtstreeks volgen. Uit ’s Hofs hiervoor weergegeven vaststelling van de feiten en omstandigheden en uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt - voor zover van belang - dat i) de verdachte op de Rijksweg A4 te Rotterdam met haar auto heeft gereden op de middelste rijstrook met de linkerzijde over de onderbroken streep, op twee rijstroken tegelijk, waarbij de linkerrichtingaanwijzer van de auto aan was en de auto een beetje slingerde, en ii) de verdachte vervolgens op enig moment met haar auto op rijstrook 1 van de noordelijke rijbaan van de Rijksweg A20 (links) te Schiedam is terechtgekomen, en daarbij tegen de voor die autosnelweg geldende verplichte rijrichting in is gereden (het zogenaamde spookrijden) met een snelheid van ongeveer 115 kilometer per uur. Uit een en ander heeft het Hof mijns inziens niet zonder meer kunnen afleiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In termen van gevalsvergelijking valt aan te knopen bij de casus in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962. Daar ging het om, kort gezegd: als bestuurder van een motorfiets links van een middengeleider met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid op een kruispunt over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer voertuigen inhalen. Volgens de Hoge Raad: niet zonder meer roekeloos. Welnu, dat meerdere dat vereist wordt zal dan gezocht (en gevonden) moeten worden in enerzijds de extreme verkeersgedraging gezocht en, anderzijds, in de subjectieve component, dat verdachte zich daarvan bewust was of had moeten zijn. In het onderhavige geval blijkt daarvan bij de bewijsvoering onvoldoende.

3.5. Het middel slaagt dus.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door enerzijds vrij te spreken van de tenlastelegging voor zover inhoudend (1,91 milligram, in elk geval meer dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed) en aldus verkeerde (…)” maar anderzijds bewezen te verklaren dat de verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in art. 8, eerste lid, WVW 1994.

4.2. Het middel faalt reeds nu het miskent dat het Hof de verdachte gemotiveerd heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover inhoudend dat de verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in het tweede lid van art. 8 WVW 1994, en enkel heeft bewezenverklaard dat de verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in het eerste lid van art. 8 WVW 1994. Laatstgenoemd lid houdt - anders dan het tweede lid - niets in over specifieke (verboden) alcoholgehaltes, maar bepaalt slechts dat het een ieder verboden is om een voertuig te besturen of te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht (welke toestand in art. 175, derde lid, WVW 1994 als strafverzwarende omstandigheid is aangemerkt). Gelet daarop, zie ik niet hoe het Hof door het wegstrepen in de tenlastelegging van de genoemde (en in het middel bedoelde) alcoholgehaltes, een andere betekenis aan die tenlastelegging heeft gegeven dan het openbaar ministerie daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven. De verwijzing door de steller van het middel naar HR 6 oktober 1981, LJN AB9508, NJ 1982/26, doet daaraan niet af.

5.

Het derde middel klaagt dat het Hof niet heeft beslist op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en/of verweer, kortgezegd inhoudend dat het gedurende veertig minuten door de verdachte “ongeval vrij besturen” van de auto, weerspreekt dat de verdachte door gebruik van alcoholhoudende drank in een zodanige toestand verkeerde dat het gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door haar bestuurd voertuig en dat het gevaar bestond dat zij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van haar werden vereist. Het middel faalt, bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft het bedoelde verweer kennelijk en niet onbegrijpelijk onder het kopje ‘standpunten’ aldus samengevat dat de raadsman (subsidiair) heeft aangevoerd dat er contra-indicaties zijn met betrekking tot het door het openbaar ministerie gestelde onvermogen om een auto behoorlijk te besturen. Het Hof heeft daarop vervolgens gereageerd met de hiervoor onder 3.5 weergegeven beschrijving van de feiten en omstandigheden en de aan de hand daarvan gegeven ‘beoordeling’ dat uit het vorenstaande volgt dat de verdachte door het alcoholgebruik die avond haar voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en dat zij als bestuurder niet voortdurend in staat was de handelingen te verrichten die van haar werden vereist.

6.

Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO bedoelde motivering

7.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

8.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Gerechtshof Den Haag, dan wel verwijzing naar een ander hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De andere drie arresten van de Hoge Raad van 15 oktober 2013 zijn gepubliceerd als ECLI:NL:HR:2013:962, ECLI:NL:HR:2013:959 en ECLI:NL:HR:2013:964.