Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1379

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-11-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
13/02245
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:160, Contrair
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Onderbewindstelling. Verzoek bewindvoerder machtiging tot opheffing huwelijkse voorwaarden. Art. 1:441 lid 2 BW. Kring van belanghebbenden en recht van hoger beroep zoons van de rechthebbende. ‘Eigen rechten’ rechtstreeks in het geding? Art. 798 lid 1 Rv. Machtigingsprocedure geen ‘zaak van onderbewindstelling’ art. 798 lid 2 Rv (HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/63
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 13/02245

Mr P. Vlas

Zitting, 22 november 2013

Conclusie inzake:

1. [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

(hierna: de zoons)

tegen

mr. Maarten Johan Willem van Ingen

(hierna: de bewindvoerder)

Deze zaak betreft een verzoek tot machtiging inzake meerderjarigenbewind op de voet van art. 1:441 lid 2 BW met het oog op (onder meer) de opheffing van de huwelijkse voorwaarden van rechthebbende. Inzet is de vraag of de zoons van rechthebbende als belanghebbenden in de zin van art. 798 Rv kunnen worden aangemerkt en aldus ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de door de kantonrechter aan de bewindvoerder van rechthebbende verleende machtigingsbeschikking.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Op 17 juli 2012 is ter griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, Sector Kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, ingekomen een verzoekschrift van verweerder in cassatie, mr. M.J.W. van Ingen, (mede-)bewindvoerder over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [betrokkene] (hierna: de rechthebbende). De bewindvoerder heeft onder meer verzocht toestemming te verkrijgen om de huwelijkse voorwaarden van 25 januari 1960 tussen de rechthebbende en zijn echtgenote op te heffen.

1.2 Bij beschikking van 20 juli 2012 heeft de kantonrechter het verzoek toegewezen en op grond van art. 1:441 lid 2 BW de bewindvoerder machtiging verleend om de genoemde huwelijkse voorwaarden op te heffen.

1.3 Verzoekers tot cassatie, de zoons van rechthebbende, hebben tegen de machtigingsbeschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De bewindvoerder heeft het hof verzocht de zoons niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep.

1.4 Bij beschikking van 7 februari 2013 heeft het hof de zoons niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

‘3.6.2. Uit artikel 798 lid 1 Rv. volgt dat belanghebbend is degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Het tweede lid van artikel 798 Rv. bepaalt vervolgens wie er naast de in artikel 798 lid 1 Rv. bedoelde personen in zaken van curatele, beschermingsbewind en mentorschap steeds belanghebbend zijn. Van belang is dat het moet gaan om een “zaak van curatele, beschermingsbewind of mentorschap”.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 11 januari 2002, NJ 2002, 463 bepaald dat met een dergelijke zaak niet wordt bedoeld een machtigingsprocedure, bijvoorbeeld als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek (BW). In een dergelijke zaak zijn uitsluitend de onder curatele gestelde, rechthebbende, of de betrokkenen ten aanzien van wie een mentorschap is ingesteld, betrokken.

3.6.3 Anders dan zijdens de zoons ter zitting van het hof is gesteld, oordeelt het hof dat het in dit geval niet gaat om een zaak van beschermingsbewind (zoals bedoeld in artikel 798 lid 2 Rv.) als door de Hoge Raad bedoeld in voornoemde uitspraak van 11 januari 2002, NJ 2002, 463, maar om een zogenaamde machtigingsprocedure.

De stelling van de zoons dat het in deze zaak, anders dan in de uitspraak van de Hoge Raad, (waar het ging om een relatief simpele en weinig ingrijpende vermogensrechtelijke beslissing) gaat om een wijziging van het huwelijksvermogensregime, met als gevolg een “splitsing” bij helfte van het vermogen van rechthebbende, doet daaraan niet af.

Het hof volgt de voornoemde uitspraak van de Hoge Raad, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat ingeval van een machtiging ex artikel 1:441 lid 2 BW, uitsluitend de rechthebbende en de bewindvoerder belanghebbenden zijn.

Aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak komt het hof derhalve niet toe en het hof zal de zoons niet-ontvankelijk verklaren in het door hen ingestelde hoger beroep.’

1.5 De zoons zijn van de beschikking van het hof tijdig in cassatie gekomen. De bewindvoerder heeft een verweerschrift ingediend.



2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel keert zich tegen de hierboven aangehaalde rov. 3.6.2 en 3.6.3 van de bestreden beschikking. Lees ik het middel goed, dan is het hoofdzakelijk gestoeld op het argument dat het hof allereerst heeft behandeld de door de zoons aangevoerde primaire grondslag voor ontvankelijkheid dat het gaat om een zaak van onderbewindstelling als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv en vervolgens de door hen aangevoerde subsidiaire grondslag voor ontvankelijkheid onbehandeld heeft gelaten, namelijk dat het niet aanmerken van de zoons als belanghebbenden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.2 Het middel voert onder 2.1.3 aan dat het hof de zoons als belanghebbenden had moeten aanmerken op basis van art. 798 lid 1 Rv. In onderdeel 2.1.4 voert het middel aan dat het hof heeft miskend dat in het geval sprake is van een zodanig ingrijpende rechtshandeling waarvoor machtiging wordt verleend die de kern van het bewind raakt, dit moet worden beschouwd als een zaak van onderbewindstelling in de zin van art. 798 lid 2 Rv.

2.2

Vooropgesteld dient te worden dat tegen beschikkingen van de rechtbank in rekestprocedures hoger beroep kan worden ingesteld door de verzoeker, door de in de procedure verschenen belanghebbenden en door andere belanghebbenden (art. 358 lid 1 en lid 2 Rv).3 Voor zaken betreffende het personen- en familierecht (niet zijnde scheidingszaken) is het begrip ‘belanghebbende’ evenwel beperkt en wordt daaronder krachtens art. 798 lid 1 Rv verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. Uit art. 806 Rv volgt dat van een beschikking betreffende het personen- en familierecht (niet zijnde scheidingszaken) hoger beroep slechts kan worden ingesteld door de verzoeker en door een belanghebbende in de zin van art. 798 Rv. In haar noot onder de beschikking van de Hoge Raad van 17 mei 2013 wijst Wortmann erop dat uit de in art. 798 lid 1 Rv gebruikte woorden ‘rechten en verplichtingen’ moet worden afgeleid dat het moet gaan om ‘persoonlijke, actuele en concrete rechten en verplichtingen’.4 Zij voegt daaraan toe dat deze rechten en verplichtingen rechtstreeks op de zaak betrekking moeten hebben en dat het derhalve niet moet gaan ‘om een indirect of afgeleid belang’.5

2.3

In de reeds genoemde beschikking van de Hoge Raad van 17 mei 2013 ging het om een verzoek op grond van art. 1:200 BW (verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap). In deze beschikking heeft de Hoge Raad in rov. 3.4.5 overwogen dat de omstandigheid dat er een nauwe familierechtelijke band bestaat tussen verzoekster en haar zuster, laatstgenoemde nog geen belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv maakt. Ook het belang van de zuster van verzoekster bij handhaving van de tot stand gebrachte verdeling van de nalatenschap van de overleden vader waarvan verzoekster het vaderschap ontkent, leidt er niet toe dat de zuster als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv wordt aangemerkt.

2.4

Het tweede lid van art. 798 Rv bepaalt dat in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien worden verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft. De begrenzing die art. 798 lid 1 Rv heeft aangebracht in het begrip ‘belanghebbende’ bleek te streng voor de kring van personen die krachtens art. 1:432 BW bevoegd zijn een verzoek tot onderbewindstelling in te dienen. De wetgever heeft daarom gemeend voor bepaalde zaken van personen- en familierecht de kring van belanghebbenden uit te breiden, hetgeen is geschied in art. 798 lid 2 Rv. De personen die zijn genoemd in het tweede lid van art. 798 zijn in ieder geval geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv.6

2.5

In de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 11 januari 2002 betrof het een door de bewindvoerder gevraagde machtiging in de zin van art. 1:441 lid 2 BW om uit de gelden van de onder bewind gestelde moeder een vergoeding te betalen aan haar zoon voor de advocaatkosten die hij had gemaakt om het vermogen van de moeder in stand te houden nadat zij in een verpleeghuis was opgenomen. In cassatie is de vraag aan de orde of de zoon als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv heeft te gelden. Volgens de Hoge Raad is dit niet het geval. De Raad heeft het volgende overwogen:

‘Bij onderbewindstelling geldt dat het beheer over de onder bewind staande goederen toekomt aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW), die echter voor bepaalde handelingen de toestemming van de rechthebbende nodig heeft (art. 1:144 lid 2) en dat laatstgenoemde slechts met medewerking van de bewindvoerder beschikkingshandelingen kan verrichten (art. 1:438 lid 2). Voor het geval tussen hen verschil van mening bestaat over de wenselijkheid of noodzaak van bepaalde beschikkingshandelingen, kan de benodigde toestemming worden vervangen door een op verzoek van de bewindvoerder (art. 1:441 lid 2) onderscheidenlijk de belanghebbende (art. 1:438 lid 2) door de Kantonrechter verleende machtiging. Hierbij gaat het (…) om een beperkte regeling, waarbij slechts de rechthebbende en de bewindvoerder zijn betrokken. Uit het voorgaande volgt dat een machtigingsprocedure als bedoeld in art. 1:438 lid 2 en 1:441 lid 2 BW, waarover het in het onderhavige geding gaat, niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in het tweede lid van art. 798 Rv., nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en de strekking van een dergelijke procedure’.7

2.5

Uit deze beschikking volgt dat voor de toepassing van art. 798 lid 2 Rv onder een zaak van ‘onderbewindstelling’ niet de machtigingsprocedure van art. 1:441 lid 2 BW valt. Met de machtigingsregeling van art. 1:441 lid 2 BW heeft de wetgever beoogd een eenvoudige en beperkte geschillenregeling voor de rechthebbende en de bewindvoerder in het leven te roepen.8 In zijn noot onder de genoemde beschikking van de Hoge Raad merkt J. de Boer nog het volgende op:

‘De vraag rijst of de Hoge Raad er niet beter aan had gedaan om, in plaats van het beperkte karakter van de regeling van de voormelde machtigingsprocedure te benadrukken, op grond van de wetsgeschiedenis (…) klip en klaar uit te spreken dat art. 798 lid 2 Rv slechts de instelling en opheffing van het bewind betreft (inclusief wellicht de uitbreiding van het bewind tot meer goederen of het ontslag van goederen, als bedoeld in art. 1:433 lid 2 BW)’.9

2.6

Terugkerend naar het cassatiemiddel ben ik van mening dat op grond van de reeds aangehaalde beschikking van Uw Raad van 17 mei 2013 de zoons in de onderhavige zaak in ieder geval niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 BW. Het gaat ook in dit geval niet om rechtstreekse rechten en verplichtingen van de zoons. Hun rechten als erfgenaam zijn in ieder geval niet persoonlijk, actueel en concreet te noemen.10 De klacht dat het hof art. 798 lid 1 Rv niet heeft toegepast, faalt derhalve.

2.7

De vraag of de zoons als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 2 Rv moeten worden beschouwd, dient ontkennend te worden beantwoord wanneer de maatstaf van de beschikking van de Hoge Raad van 11 januari 2002 wordt gehanteerd. Op grond van die beschikking geldt dat in het kader van de machtigingsprocedure van art. 1:441 lid 2 BW een ruime uitleg van het begrip ‘belanghebbende’ in de zin van art. 798 lid 2 Rv niet is aangewezen. Het hof heeft deze maatstaf in aanmerking genomen door in rov. 3.6.3 van de bestreden beschikking te oordelen dat in het kader van de machtigingsprocedure uitsluitend de rechthebbende en de bewindvoerder belanghebbenden zijn en dat daaraan niet afdoet dat het in deze zaak gaat om een wijziging van het huwelijksvermogensregime.

2.8

In de onderhavige zaak meen ik evenwel dat een nuancering op haar plaats is. Waar de machtiging in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 11 januari 2002 niet of nauwelijks het vermogen van de rechthebbende raakte, ligt dit in de onderhavige zaak geheel anders. De bewindvoerder vraagt machtiging voor een zeer ingrijpende maatregel, namelijk de opheffing van de huwelijkse voorwaarden die tussen de rechthebbende en zijn echtgenote bestaan. Na de opheffing gaan de echtgenoten over van koude uitsluiting naar gemeenschap van goederen. Daarmee wordt het vermogen van de rechthebbende direct geraakt. Art. 1:431 lid 1, slotzin, BW bepaalt ter zake van de onderbewindstelling uitdrukkelijk dat onder de aan de meerderjarige toebehorende goederen in de zin van titel 19 van Boek 1 BW begrepen zijn de goederen die behoren tot zijn huwelijksgemeenschap en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot staan.11 De opheffing van de huwelijkse voorwaarden kan gevolgen voor de bestuursbevoegdheid van de rechthebbende hebben en daarmee ook van de bewindvoerder.12 Ik zou derhalve menen dat voor een dergelijke ingrijpende maatregel in het kader van de onderbewindstelling de kring van belanghebbenden moet worden bepaald aan de hand van art. 798 lid 2 Rv en dat er derhalve voor Uw Raad aanleiding bestaat niet zo zeer terug te komen van de uitspraak uit 2002, maar deze nader te nuanceren en de zoons aan te merken als belanghebbenden in het kader van deze specifieke machtigingsprocedure. Ik meen dan ook dat het middel in zoverre slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juli 2012 en die van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 februari 2013.

2 Zie onder 1.6 en 2.1.2 van het cassatierekest.

3 HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3641, NJ 2013/382, m.nt. S.F.M. Wortmann.

4 S.F.M. Wortmann in haar noot onder HR 17 mei 2013, NJ 2013/382, onder 2, waar zij voorts nog opmerkt: ‘Sympathie voor de kwestie waarover wordt geprocedeerd of emotionele belangen bij een zaak maken iemand nog geen belanghebbende, zo stelt ook de memorie van toelichting bij de wet van 7 juli 1993, Stb. 570 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Kamerstukken II 1991/1992, 22 487, nr. 3. p. 6). Bij deze wet is artikel 798 Rv tot stand gekomen’.

5 Wortmann, t.a.p., onder 5.

6 Zie Kamerstukken II, 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 7-8; conclusie A-G Wesseling-van Gent onder 2.12 vóór HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463, m.nt. JdB.

7 Zie rov. 3.4 van HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463, m.nt. JdB.

8 Zie ook onder 2.9-2.10 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent vóór de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 11 januari 2002.

9 J.de Boer in zijn noot onder de beschikking van de Hoge Raad van 11 januari 2002, NJ 2002/463, onder 6.

10 Zie ook onder 2.16 en 2.20 van het verweerschrift van de bewindvoerder.

11 Zie ook K. Blankman, Meerderjarigen- en voogdijbewind, in: Bewind en aan bewind verwante vormen. Preadvies KNB 2004, p. 81-82 en van dezelfde schrijver, Beschermingsmaatregelen voor senioren, in: Notariële bescherming ouderen, preadvies KNB 2013, p. 35-36.

12 Zie hierover S.C. Braun, Bewind en de in gemeenschap van goederen gehuwde andere echtgeno(o)t(e), FJR 2013/80, onder 3.1.