Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
11/02762
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1432, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg op HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:583. HR: 81.1 RO en vermindering van de opgelegde gevangenisstraf i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/02762

Zitting: 1 oktober 2013

Mr. Hofstee

Aanvullende conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]

1. In de onderhavige zaak heb ik in mijn conclusie van 4 juni 2013 het eerste middel, het derde middel en het vierde middel besproken. Omdat ik van oordeel was dat het eerste middel terecht was voorgesteld, meende ik dat het tweede middel, dat evenals het eerste middel zich keert tegen het onder 1 bewezenverklaarde, geen bespreking behoefde. In het arrest van 3 september 2013, nr. 11/02762 heeft Uw raad geoordeeld dat het eerste middel tevergeefs is voorgesteld en ik in de gelegenheid behoor te worden gesteld mij uit te laten over het tweede middel.1 Daarin wil deze aanvullende conclusie voorzien.

2. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde onder meer bewezen heeft verklaard dat verdachte en/of één van zijn mededader(s) één of meer personen hebben benaderd en/of laten benaderen om hun bedrijf en/of bedrijfspand/loods ([A] en/of [B]) ter beschikking te stellen voor de ontvangst en/of opslag van handelshoeveelheden cocaïne, en/of dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat op 13 mei 2006 bezichtigingen hebben plaatsgevonden van loodsen in Woerden, nu dit een en ander niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans heeft het Hof in het arrest ten onrechte niet de wettige bewijsmiddelen aangeduid waaraan het Hof dit heeft ontleend, zodat ook om deze reden de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

3. Ten laste van verzoeker heeft het Hof bewezenverklaard, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 in Nederland en/of in Venezuela (…),

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in

het derde of vierde lid van artikel 10 (oud, geldend tot en met 30 juni 2006) en/of het vierde of vijfde lid van artikel 10 (oud, geldend tot en met 31 december 2006) van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland

brengen en/of vervoeren van aanzienlijke handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

(…)

één of meer perso(o)n(en) benaderd en/of laten benaderen om hun bedrijf en/of bedrijfspand/loods ([A] en/of [B] ter beschikking te stellen voor de ontvangst en/of opslag van voornoemde handelshoeveelhe(i)d(en)

cocaïne en/of

(…).”

4. In de Bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen, heeft het Hof onder meer overwogen:

“Op 13 mei 2006 vinden er bezichtigingen plaats van loodsen in Woerden, waarbij onder meer [betrokkene 3], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] aanwezig zijn. Verder werd een gesprek gevoerd met de bestuurder van een Chevrolet voorzien van het kenteken [AA-00-AA] welk voertuig was afgegeven aan [betrokkene 9]. [betrokkene 9] is eigenaar van de loods in Woerden en het aldaar gevestigde bedrijf [A].

Bij een grenscontrole heeft [betrokkene 11] een chip moeten weggooien en hij vraagt aan [betrokkene 3] om de twee adressen van de bedrijven opnieuw via de e-mail te versturen. Een dag later, op 29 mei 2006, stuurt [betrokkene 3] per e-mail de namen van [B] en [A]. [B] is eigendom van [betrokkene 8]. Deze staat in contact met [betrokkene 7]. Blijkens de verklaring die [betrokkene 8] op 22 november 2006 heeft afgelegd bij de politie heeft [betrokkene 7] hem voorgesteld om goederen te importeren uit Venezuela, zoals schroot.

Hij kreeg daartoe de naam van het bedrijf [D], maar het faxen naar dit bedrijf mislukte steeds. In de auto van de verdachte is een briefje aangetroffen van [D] aan [A] d.d. 1 juni 2006 waarin staat dat er producten vanuit Venezuela, Ecuador, Panama, Colombia en Mexico verzonden kunnen worden. Voorts is een e-mailbericht d.d. 29 mei van [betrokkene 3] gericht aan [betrokkene 11] gevonden met de gegevens van [B] en [A].

Op 14 augustus 2006 opent [betrokkene 3] een e-mailbericht afkomstig van [betrokkene 11] waarin staat dat [betrokkene 7] en zijn vrienden willen sturen. [betrokkene 3] raadpleegt onmiddellijk daarop de e-mail van 29 mei 2006 met de twee adressen van [B] en [A].

Op 25 augustus 2006 is door [A] een fax ontvangen van een bedrijf uit Venezuela waarin de levering wordt aangeboden van de verschillende goederen (onder andere verf, electronica, sojaolie). Uit de internettap op [betrokkene 3] blijkt dat hij op 3 september 2006 een e-mailbericht heeft bekeken en de twee bijbehorende bijlagen heeft geopend. Een van die bijlagen betreft een kopie van de eerdergenoemde fax aan [A]. De tweede bijlage bevatte een gelijkluidende tekst, deze fax was echter gericht aan [B].

Op 3 september 2006 bericht [betrokkene 3] in een e-mailbericht aan [betrokkene 11] dat de bedrijven betrouwbaar zijn en stelt voor om met [A] te beginnen.

In augustus en september 2006 eisen "die lui" volgens tap- en chatgesprekken een onkostenvergoeding van € 15.000,- van de [betrokkene 3] omdat de levering niet van de grond komt. [betrokkene 3] heeft hierover contact met [betrokkene 12] en [betrokkene 13].

Wat er ook zij van het gebruik van het bovenstaande bewijsmateriaal in andere zaaksdossiers met betrekking tot feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg dan wel hoger beroep is vrijgesproken, uit de concrete inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat deze zien op het onder 1 ten laste gelegde (zaak Venezuela). Dit blijkt in het bijzonder uit de bovengenoemde observaties in Venezuela, de telefoongesprekken die de verdachte heeft gevoerd met [betrokkene 4], die zich in Venezuela bevond en uit de emails en faxen betreffende het vervoer van deklading naar de bedrijven [A] en [B].

Ontmoetingen van de verdachte met de overige betrokkenen

Het verweer van de raadsvrouwe dat de verdachte de overige betrokkenen slechts kort gezien zou hebben vindt geen steun in de observaties van de ontmoeting tussen de verdachte en (onder meer) de medeverdachte [betrokkene 3], nu uit deze observaties blijkt zij op 18 januari 2006 een ontmoeting hadden in het Zuiderparkplantsoen en vervolgens gezamenlijk aan een tafeltje hebben gezeten, op 25 januari2006 wederom een ontmoeting hadden in het Zuiderparkplantsoen en vervolgens gezamenlijk zijn weggereden naar het Bastionhotel en de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] op 13 mei 2006 wederom een ontmoeting hebben gehad, deze keer met onder meer [betrokkene 5], die weer in contact stond met [betrokkene 8], eigenaar van [B]. De verdachte heeft bij die ontmoeting samen met de overige betrokkenen een bezoek gebracht aan een locatie in Woerden, waarvan de eigenaar eveneens eigenaar is van [A].

Het bewijs van het medeplegen.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode – direct en indirect via [...] - telefonisch contact heeft onderhouden met medeverdachte [betrokkene 3], inzake het al dan niet ontvangen hebben van faxberichten. Deze faxberichten hadden betrekking op dekladingen ten behoeve van het beoogde vervoer. Voorts heeft de verdachte meermalen telefoongesprekken met [betrokkene 4], die zich i n Venezuela bevond, waarbij versluierde taal wordt gebruikt. In het telefoongesprek van 26 april 2006 over de keuze die gemaakt moet worden uit hetgeen kennelijk staat vermeld op de faxberichten, waarbij [betrokkene 4] aan de verdachte vraagt wat hij vindt van timmerhout. Dat het hier zou gaan om vergunningen of keurmerken, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, acht het hof op grond van het antwoord van de verdachte in samenhang met de overige bewijsmiddelen onaannemelijk nu de verdachte aan [betrokkene 4] zegt dat het 'heel gevaarlijk’ is. De stelling van de raadsvrouw dat het niet de verdachte is die over 'kinderen' heeft gesproken vindt geen steun in de feiten. Het is immers de verdachte die in een telefoongesprek van 28 april 2006 aan [betrokkene 4] heeft gevraagd hoeveel 'kinderen' hij, [betrokkene 4], wil. Nadat [betrokkene 4] aan de verdachte te kennen heeft gegeven dat hij er 1000 wil, is de verdachte met dat aantal akkoord gegaan (bewijsmiddel 52).

(…)."

5.

Nu Uw Raad in het hierboven genoemde arrest heeft overwogen dat het oordeel van het Hof inhoudend dat uit de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 103) kan worden afgeleid dat het gaat om de invoer van cocaïne in Nederland niet onbegrijpelijk is, volgt daaruit mijns inziens dat in dat licht het door het Hof geconstateerde versluierd taalgebruik dient te worden begrepen. Dat betekent dat op grond van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het Hof de door de verdachten gebruikte uitdrukkingen deklading en timmerhout moeten worden geplaatst in het verband van de invoer van cocaïne.

6.

Aldus beschouwd maakt het middel geen kans van slagen. Uit de (gehele context van de) bewijsmiddelen blijkt, zoals het Hof ook heeft overwogen, dat verzoeker en zijn medeverdachten één of meer personen hebben benaderd om [A] en [B] ter beschikking te stellen voor de ontvangst en/of opslag van deklading, dat wil zeggen handelshoeveelheden cocaïne. Voorts meen ik dat het Hof uit diezelfde context heeft kunnen afleiden dat – ik zeg het nu in de bewoordingen van het proces-verbaal van observatie dat als bewijsmiddel 57 is gebruikt – verzoeker en zijn medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 11] op 13 mei 2006 in Woerden een bedrijfspand hebben bezichtigd aan de [a-straat] (zie ook bewijsmiddel 56), waarvan [betrokkene 9] toen eigenaar was en op wiens naam ook het bedrijf “[A]” stond. Weliswaar rept het Hof in zijn bewijsoverweging van bezichtigingen van loodsen in Woerden, maar deze onjuiste meervoudsvorm acht ik van zo geringe betekenis dat daar geen punt van behoeft te worden gemaakt. Verbeterde lezing dienaangaande doet de feitelijke grondslag aan het middel in zoverre ontvallen.

7.

Het middel faalt.

8.

Nu de eerste drie middelen falen, zal ik mijn conclusie van 4 juni 2013 met betrekking tot middel 4 moeten herzien. Voor een goed begrip geef ik hieronder weer hoe mijn standpunt terzake toen luidde:

“Het vierde middel klaagt dat de berechting van verzoeker in cassatie niet plaatsvindt binnen de redelijke termijn waarop verzoeker ex art. 6 EVRM aanspraak mag maken, nu tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad meer dan acht maanden is verstreken.

Verzoeker heeft op 1 juni 2011 cassatieberoep doen instellen. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel eerst op 10 september 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

Het middel kan echter onbesproken blijven indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen dan wel verwezen. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld.2

9.

Thans concludeer ik ten aanzien van het vierde middel dat het slaagt. Dit moet leiden tot strafvermindering.

10.

Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het vierde middel slaagt.

11.

Deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het derde middel heeft Uw Raad afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.5.3).