Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1374

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
13/01424
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1426, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening, art. 310 Sr. Casus: verdachte, verhuurder van een woning, neemt goederen mee van een huurder onder het mom van “recht van retentie”. In het bestreden arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat verdachte door als heer en meester te beschikken over de goederen heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en dat i.c. daaraan niet afdoet dat hij heeft gehandeld met de bedoeling die ander te bewegen tot de nakoming van een op hem rustende verplichting. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01424

Zitting: 1 oktober 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 16 november 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat ten onrechte, althans niet begrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd, is bewezenverklaard dat verzoeker met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de in de bewezenverklaring genoemde goederen heeft weggenomen, althans dat dit oogmerk uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt.

4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

“hij op 1 september 2009 te Noordwijk in een pand gelegen op de van [a-straat 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit dat pand heeft weggenomen foto’s en/of fotoboeken en administratie althans enig andere persoonlijke bescheiden en kleding, althans wasgoed, toebehorende aan [betrokkene], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een niet voor gebruik door verdachte bestemde en aldus valse sleutel.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 januari 2012 verklaard – zakelijk weergegeven-:

Ik heb in de periode van 1 september 2009 tot en met 1 november 2009 te Noordwijk uit een pand aan de [a-straat 1] huisraad toebehorende aan [betrokkene] meegenomen. Ik heb de sleutel gebruikt die ik als verhuurder onder mij had. Op 1 september 2009 heb ik het slot van het verhuurde vervangen en de huurster de verdere toegang ontzegd. Ik heb twee zakken huisraad, een doos met fotoalbums en administratie uit het pand meegenomen. Ik heb die twee zakken op 22 oktober 2009 gepakt. Het wasgoed heb ik weggegooid.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2010 van de politie Hollands Midden met nr. PL1611 2010140706-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 3 e.v.):

als de op 13 november 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Ik huurde een huisje aan de [a-straat 1a] te Noordwijk. De verhuurder was [verdachte]. Toen ik op 2 september 2009 bij mijn woning kwam, zag ik dat het slot was veranderd en ik mijn woning niet meer in kon. Ik mocht die dag van hem nog een koffer met spullen pakken.

In oktober 2009 zei hij tegen mij dat mijn fotoboeken en administratie en andere persoonlijke dingen bij hem bleven onder het mom van “recht van retentie”.

3. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 8 december 2010 van de politie Hollands Midden met nr. PL1611 2010140706
3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 9 e.v.):

als de op 8 december 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Ik had een huurcontract afgesloten voor een jaar, van 22 april 2009 tot 22 april 2010.”

6. Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.

Het hof is van oordeel dat de verdachte op 1 september 2009 niet gerechtigd was om het slot van de deur van de door aangeefster gehuurde woning te vervangen, nu de huurovereenkomst op die datum niet rechtsgeldig was geëindigd. Door op genoemde datum eerst met de in zijn bezit zijnde reservesleutel zich toegang te verschaffen tot de woning en vervolgens een nieuw slot te plaatsen, heeft de verdachte zich wederrechtelijk de heerschappij over de goederen van aangeefster verschaft, wat er ook zij van verdachtes - op grond van de geldende huurovereenkomst - recht op betreden van de woning bij calamiteiten; immers een calamiteit deed zich niet voor.
Dat verdachte rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van een retentierecht is niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer.”

7. De situatie waarin een verhuurder huisraad van een huurder wegneemt met het doel deze voorwerpen als drukmiddel tot betaling van een huurachterstand te gebruiken is niet uniek. In 19681 oordeelde de Hoge Raad over een zaak waarin de verhuurder een transistorradio van de huurder had weggenomen en achter slot in een kast had opgeborgen. De bedoeling van de verhuurder was de transistorradio net zo lang onder zich te houden totdat de huurschuld door de huurder was betaald. Ook toen werd de vraag opgeworpen of het bewezenverklaarde oogmerk uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kon volgen.2 De wnd. A-G Kist beantwoordde in zijn conclusie die vraag bevestigend, nu het oogmerk was gericht op het tijdelijk beschikken over de transistorradio en kennelijk ook op de verkoop daarvan ingeval niet tot betaling zou worden overgegaan. De Hoge Raad oordeelde echter dat de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden onvoldoende waren om daaruit te kunnen afleiden dat de verhuurder de radio had weggenomen met het oogmerk om het zich toe te eigenen.

8. Anders oordeelde HR 14 mei 1996, no 102.339, DD 96.304 in een soortgelijke zaak: wegens een huurschuld van de huurder had de verhuurder een grote hoeveelheid huisraad weggenomen en in een loods ondergebracht, met de bedoeling deze spullen pas na betaling aan de huurder terug te geven. De Hoge Raad overwoog dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen3, in het bijzonder de verklaring van de verdachte, kon worden afgeleid dat de verdachte de goederen had weggenomen met de bedoeling daarvan een zodanig gebruik te maken dat dit kon worden beschouwd als wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in de zin van art. 310 Sr. Uit de aan het arrest voorafgaande conclusie van de toenmalige A-G Fokkens blijkt dat de verdachte in die zaak de complete inboedel had weggenomen en hij deze inboedel negen maanden later nog steeds in een loods opgeslagen had.

9. In de hiervoor aangehaalde conclusie wordt nog gewezen op een arrest van de Hoge Raad uit 1986.4 Wegens een huurachterstand was de boekvoorraad van een failliete boekhandel door de verhuurder weggenomen teneinde zichzelf met de opbrengst uit de verkoop daarvan schadeloos te stellen. Ook dit leverde volgens de Hoge Raad oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening op, waarbij in aanmerking werd genomen dat de verdachte weigerde aan de curator te vertellen waar hij de boekenvoorraad naartoe had gebracht.

10. Het oordeel of is gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een zaak als de onderhavige, lijkt, gelet op het bovenstaande, sterk afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, waarbij kan worden gedacht aan de aard van de voorwerpen die door de verhuurder zijn meegenomen, de door de verhuurder afgelegde verklaring en zijn gedragingen nadien.

11. In dat licht zet ik de relevante feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen, in de onderhavige zaak nog even op een rij. [betrokkene] huurt op basis van een huurcontract tijdelijk een huisje van verzoeker van 22 april 2009 tot 22 april 2010. Op 1 september 2009 vervangt verzoeker het slot van het verhuurde en ontzegt hij [betrokkene] verdere toegang tot de woning. Vervolgens neemt verzoeker huisraad van [betrokkene] mee, waaronder een doos met fotoalbums, administratie en een zak met wasgoed. De zak met wasgoed heeft hij weggegooid, waarom is niet duidelijk. Over de fotoboeken, administratie en andere persoonlijke dingen verklaart [betrokkene] dat verzoeker deze onder zich hield onder het mom van recht van retentie.

12. De fotoboeken, administratie en wasgoed hebben in het economisch verkeer geen werkelijke waarde. Hieruit leid ik af dat verzoeker deze voorwerpen niet wilde gebruiken om zich door verkoop schadeloos te stellen. Dat zou immers niets tot weinig opleveren. Het wegnemen van de voorwerpen, die wel een persoonlijke en wat de foto’s en fotoboeken betreft misschien ook wel een emotionele waarde voor [betrokkene] vertegenwoordigden, dienden kennelijk enkel als drukmiddel. Daarin is een bevestiging te vinden van de verklaring van [betrokkene] dat verzoeker voornemens was de spullen pas aan [betrokkene] wilde teruggeven wanneer zij haar huurschuld had voldaan. Voor de volledigheid merk ik op dat dit ten aanzien van de zak met wasgoed anders ligt. Met het weggooien daarvan heeft verzoeker er blijk van gegeven deze zak niet te willen teruggeven.

13. Het kennelijke voornemen om (behoudens de zak met wasgoed) de goederen aan [betrokkene] terug te geven staat aan het aannemen van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet in de weg. Ook het tijdelijk als heer en meester over andermans goed beschikken kan als toe-eigening in de zin van art. 310 Sr worden aangemerkt.5

14. Verder wijs ik erop dat niet kan worden aangenomen dat verzoeker beschikt over een rechtsgeldig retentierecht als bedoeld in art. 3:290 e.v. BW, zoals het Hof in de nadere bewijsoverweging terecht heeft overwogen, nu verzoeker met een valse sleutel andermans huis is binnengetreden.6 Uitgangspunt dient immers te zijn dat een retentierecht niet met succes kan worden ingeroepen indien de betreffende persoon zich op onrechtmatige wijze de macht over dit voorwerp heeft verschaft. Ter illustratie van een onrechtmatige machtsverschaffing kan het volgende geval dienen. Een garagehouder kan, wanneer de betaling voor de reparatie van een auto achterwege blijft, de gerepareerde auto in beginsel onder zich houden totdat de eigenaar van de auto zijn schuld voldoet. Dat betekent niet dat als de garagehouder de auto reeds heeft teruggegeven, hij bij wanbetaling gerechtigd is om de auto - al dan niet met behulp van een valse sleutel - zonder medeweten van de eigenaar voor de deur van diens woning weg te halen om op die manier zijn ‘retentierecht’ – wat het niet is - uit te oefenen.

15. In de toelichting merkt de steller van het middel op dat er veel voor te zeggen valt om gevallen als de onderhavige ‘niet binnen het strafrecht te trekken’, omdat het hier om een louter civielrechtelijk geschil zou gaan. Ik zie dat anders, nu het niet alleen een kwestie tussen twee burgers betreft. De situatie waarin het tijdelijk toe-eigenen van goederen is bedoeld als drukmiddel, is maatschappelijk onwenselijk zodat strafrechtelijke vervolging in bepaalde gevallen, zoals in casu, aangewezen kan zijn.

16. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verzoeker op 1 september 2009 de goederen heeft weggenomen, merk ik het volgende op. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker op 1 september 2009 het slot van de door [betrokkene] gehuurde woning heeft vervangen. Hieruit volgt, althans dat gelet op de door verzoeker afgelegde verklaring (bewijsmiddel 1) in redelijkheid kan worden aangenomen, dat verzoeker op die datum de voorwerpen uit de feitelijke heerschappij van [betrokkene] heeft onttrokken. Het bewezenverklaarde kan aldus ook op dit punt uit de inhoud van de bewijsmiddelen worden afgeleid.

17. Voorts is ook het oordeel van het Hof dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig was beëindigd niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Uit de stukken van het geding blijkt dat verzoeker op 1 september 2009 per e-mail heeft laten weten dat hij de huur beëindigt. Deze beëindiging is niet overeenkomstig de wijze van huurbeëindiging zoals voorgeschreven in art. 7:271 (e.v.) BW.

18. Ik meen dat het bestreden oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

19. Het middel faalt.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 december 1968, NJ 1969/380.

2 De aangifte van de huurder en de verklaring van de verhuurder, inhoudende dat hij de radio zonder toestemming had weggenomen.

3 De aangifte van de huurder en de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij de spullen had weggenomen en terug zou geven wanneer de achterstallige huur was voldaan.

4 HR 18 maart 1986, no 79.266, DD 86.339.

5 HR 22 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8531, NJ 1990/784, HR 18 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8977, NJ 1992/517. Zie ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 6 bij art. 310 (bijgewerkt tot 1-8-2007).

6 Zie hierover nader onder 17.