Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1373

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
11/05372
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1423, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening? O.g.v. ‘s Hofs vaststellingen moet het ervoor worden gehouden dat de politieambtenaar is beledigd nadat deze de woning van verdachte was binnengetreden zonder te beschikken over de daartoe vereiste machtiging. Dit brengt mee dat, mede in aanmerking genomen dat - anders dan in bijv. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR2009:BJ2795 - niet blijkt dat dit binnentreden is geschied in opdracht van een tot het geven van die opdracht bevoegde meerdere, ’s Hofs oordeel dat de ambtenaar is beledigd “gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” niet naar behoren is gemotiveerd (vgl. HR 18 april 1978, NJ 1987/364). Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05372

Zitting: 1 oktober 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 24 november 2011 verzoeker wegens 1. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en 2. “overtreding van artikel 41, eerste lid, onderdeel d van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, onder de voorwaarden zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verzoeker opzettelijk heeft beledigd een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening door hem in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden toe te voegen “Je kunt niet eens jongen maken”. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst drie klachten.

4. Ten laste van verzoeker is onder feit 1 bewezenverklaard dat:

“hij op of 19 december 2009 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (brigadier bij politie IJsselland), gedurende ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun I bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Je kunt niet eens jongen maken" en "teringlijders".

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, voor zover in cassatie van belang:

"1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 10 november 2011:

Ik heb tegen [verbalisant 1] gezegd dat hij geen jongen kan maken.

(…)

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], zakelijk weergegeven: [verbalisant 1], brigadier van politie IJsselland.

Wij, verbalisanten, hoorden dat [verdachte] zei: "Je kunt niet eens jongen maken".

Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] mij, [verbalisant 1] daarbij aankeek. Het was alsof ik, [verbalisant 1], een klap in mijn gezicht kreeg. Ik voelde mij op mijn ziel getrapt. Wij, verbalisanten hoorden dat [verdachte] nogmaals zei: "Je kunt niet eens jongen maken". Wij zagen dat hij daarbij weer naar mij, [verbalisant 1], keek.

Ik, [verbalisant 1], voelde, mij daardoor diep gekwetst en beledigd. Ik voelde mij in mijn goede naam en eer aangetast. Het is zo dat mijn vrouw en ik, [verbalisant 1], helaas geen kinderen hebben.

Wij, verbalisanten', hoorden [verdachte] weer smalend zeggen dat ik, [verbalisant 1], geen jongen kon maken.

Wij, verbalisanten hoorden, dat [verdachte] met stemverheffing sprak en mij, [verbalisant 1] toe bleef roepen dat ik geen jongen kon maken. Wij, verbalisanten,' hoorden dat [verdachte] ons daarbij uitschold voor teringlijders.”

6. De eerste klacht houdt in dat de toevoeging “Je kunt niet eens jongen maken” niet als een belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden aangemerkt, omdat het Hof niets dan wel onvoldoende heeft vastgesteld omtrent de context waarin die uitlating is gedaan. De tweede in het middel vervatte klacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat de uitlating van verzoeker “naar verdachte ten overstaan van de politie en ter zitting heeft benadrukt” was bedoeld om [verbalisant 1] in zijn eer te treffen, niet zonder meer begrijpelijk is, omdat verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij [verbalisant 1] niet wilde kwetsen of pijn doen. De klacht heeft kennelijk het oog op de in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep als verklaring van verzoeker opgenomen zinsnede “Ik wilde [verbalisant 1] niet kwetsen of pijn doen”.

7. Onder het hoofdje “Overweging met betrekking tot het bewijs” heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging overwogen:

“Namens verdachte is aangevoerd dat de zin "Je kunt niet eens jongen maken." geen beledigend karakter heeft omdat

a) deze zin verwijst naar een omstandigheid die algemeen bekend zou zijn in Genemuiden,

b) de zin geen beschuldigend karakter heeft dan wel negatieve kwalificaties bevat, en

c) de bij deze uitlating aanwezige derde eveneens van dit feit op de hoogte was.

Het hof verwerpt dit verweer. De ten laste gelegde uitlating refereert aan de ongewenste kinderloosheid van de betreffende politiefunctionaris, trof hem naar het oordeel van het hof in zijn eer, was ook geschikt om hem daarin te treffen en was, naar verdachte ten overstaan van de politie en ter zitting heeft benadrukt, ook zo bedoeld.

Het verweer dat aan de belediging een openbaar karakter ontbrak, lijkt in tegenspraak met de reeds door de raadsman zelf gestelde (en uit het dossier blijkende) aanwezigheid van een tweede verbalisant. Wat daarvan ook zij, van een strafbare belediging is ook sprake als deze wordt gedaan in tegenwoordigheid van de beledigde. Daarvan was, zoals uit de stukken ondubbelzinnig blijkt, sprake en wordt ook niet betwist.”

8. Bij de beoordeling van de klacht moet het volgende worden vooropgesteld. De bewezenverklaring houdt in dat het hier gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.1

9. De uitlating van verzoeker “Je kunt niet eens jongen maken” is op zichzelf niet beledigend, zodat het aankomt op de context waarin die uitlating is gedaan. Voornoemde uitlating heeft betrekking op een omstandigheid die bij uitstek behoort tot de persoonlijke levenssfeer. De uitlating is bovendien meermalen gedaan door verzoeker, ook nadat hij de reactie van [verbalisant 1] daarop kon waarnemen. Onder deze omstandigheden kan het derhalve niet anders dan dat verzoeker de uitlating heeft gebezigd teneinde [verbalisant 1] te kwetsen, onaangenaam te treffen, oftewel (naar gewoon spraakgebruik) te beledigen. In samenhang met de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen brengen de overwegingen van het Hof deze context genoegzaam tot uitdrukking. Dat betekent dat het oordeel van het Hof dat onder de bedoelde omstandigheden de uitlating “Je kunt niet eens jongen maken” de strekking heeft de persoon tot wie de uitlating was gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten en dat dit woord derhalve in het onderhavige geval als beledigend moet worden aangemerkt, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Beide klachten missen dus doel.

10. De derde in het middel vervatte klacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat de belediging [verbalisant 1] is aangedaan “gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op het oordeel van het Hof dat sprake was van onrechtmatig binnentreden in de woning van verzoeker.

11. De klacht gaat uit van de opvatting dat onrechtmatig binnentreden in een woning ertoe leidt dat niet langer sprake is van “de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” als bedoeld in art. 267 Sr. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. Een vergelijking kan worden gemaakt met het dwangmiddel aanhouding buiten heterdaad. Indien na de aanhouding buiten heterdaad blijkt dat het aanhoudingsbevel door de officier van justitie niet op goede gronden is gegeven, brengt dat niet zonder meer met zich mee dat de aanhoudende opsporingsambtenaren ten tijde van die aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.2 Dat geval en het onderhavige geval komen in zoverre overeen, dat in beide gevallen na het handelen van de opsporingsambtenaren aan het licht is gekomen dat ten tijde van dat handelen niet aan alle wettelijke vereisten was voldaan. Het ligt derhalve in lijn met de voormelde jurisprudentie dat ook in het onderhavige geval wordt geoordeeld dat het achteraf blijkende gebrek (het onrechtmatig binnentreden) niet tot gevolg heeft dat [verbalisant 1] ten tijde van de belediging niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Voorts blijkt uit de motivering van de strafoplegging en de opgelegde straf niet dat het Hof daadwerkelijk ingevolge art. 267, aanhef, Sr tot strafverhoging met een derde is overgegaan, zodat ik niet vermag te zien welk belang verzoeker bij de derde klacht heeft. Ook in zoverre is het middel vruchteloos voorgesteld.

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel valt in twee klachten uiteen. De eerste in het middel vervatte klacht houdt in dat het Hof in de aanvulling op zijn verkort arrest ten onrechte als bewijsmiddel voor het onder 2 ten laste gelegde heeft opgenomen de verklaring van verzoeker, gelet op het feit dat het Hof in het verkort arrest heeft overwogen dat deze verklaring niet tot het bewijs zal worden gebezigd.

14. Het arrest van het Hof houdt onder het hoofdje “Oplegging van straf en/of maatregel” in, voor zover hier van belang:

“Namens verdachte is aangevoerd dat een eventueel op te leggen straf op de voet van het

bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering verminderd dient te worden in verband met de volgende vormverzuimen:

(…)

b) Aan de verhoren van verdachte door de politie kleeft een Salduz-gebrek.

(…)

Ad B.

Nu het hof de door verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen niet voor bewijs zal gebruiken, behoeft dit verweer geen nadere bespreking.”3

15. De aanvulling op het arrest houdt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde de volgende overweging en bewijsmiddelen in:

“Gelet op de bekennende verklaring van verdachte volstaat het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1];

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1].”

16. Uit het voorgaande blijkt dat het Hof tegenstrijdig met zijn overweging dat de door verzoeker ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen niet tot het bewijs zullen worden gebezigd, die verklaring als bewijsmiddel 6 ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft opgenomen in de aanvulling op dat arrest. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

17. Dit behoeft naar mijn inzicht echter niet tot cassatie te leiden. Het bewijs dat resteert indien het proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende de verklaring van verzoeker, niet tot het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde wordt gebezigd, kan de bewezenverklaring zelfstandig dragen, mede gelet op art. 344, tweede lid, Sv. In dit verband wijs ik er op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 september 2012, LJN BX0129, NJ 2013/242 m.nt. Bleichrodt met betrekking tot de invoering van art. 80a RO heeft overwogen dat van onvoldoende in rechte te respecteren belang sprake zal zijn bij bepaalde gebreken in de bewijsmotivering die grond plachten te vormen voor vernietiging, waarbij valt te denken aan gevallen waarin de bewezenverklaring — ook als het gebrek wordt weggedacht — zonder meer toereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat art. 80a RO in dat opzicht verandering brengt in die zin dat, indien het gebrek van dien aard is dat het geen wezenlijke afbreuk doet aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring, bijvoorbeeld omdat het een ondergeschikt of overbodig onderdeel van de bewijsvoering betreft, kan worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op die grond. In het onderhavige geval kan mijns inziens worden gezegd dat verzoeker onvoldoende belang heeft bij vernietiging van de uitspraken op de aangevoerde klacht.

18. Hieruit volgt dat de tweede in het middel besloten klacht, inhoudende dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat de verklaring van verzoeker niet tot het bewijs kan worden gebezigd vanwege strijdigheid met de zogenaamde Salduz-jurisprudentie, geen bespreking behoeft. De verklaring van verzoeker zoals afgelegd ten overstaan van de politie kan ten aanzien van het onder 2 tenlastegelgde immers buiten de bewijsconstructie worden gehouden.

19. Het tweede middel faalt.

20. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte en in strijd met art. 14c (oud) Sr aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken de algemene voorwaarde heeft verbonden dat die gevangenisstraf ook ten uitvoer kan worden gelegd indien verzoeker voor het einde van de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden.

21. Het dictum van het arrest van het Hof houdt in, voor zover hier van belang:

“Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.”

22. Artikel 14c (oud) Sr luidt als volgt, voor zover in cassatie van belang:

“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

1°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd;

2°. opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;

4°. storting van een door de rechter vast te stellen som gelds in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd.

5°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen.

3.(…)”

23. Bij de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen van 18 juli 2009 (Stb. 2009, 317), in werking getreden op 1 oktober 2010, is het eerste lid van art. 14c Sr gewijzigd en als volgt komen te luiden4:

1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

b. de veroordeelde, voor zover aan de toepassing van artikel 14a bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid zijn gesteld:

1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

(…).”

Te dezen is niet voorzien in een overgangsbepaling.

24. Het derde middel stelt, zonder art. 1 Sr (legaliteitsbeginsel en verandering van wetgeving) te noemen, de vraag aan de orde of het huidige art. 14c Sr ten aanzien van verzoeker kon worden toegepast, ondanks dat de ten laste van hem bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden op 19 december 2009. In HR 13 juni 2006, LJN AX1662, NJ 2008/52 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad op een vordering tot cassatie in het belang der wet beslist dat de in die zaak in het geding zijnde wijziging van het sanctiestelsel (art. 14a Sr) geen verandering van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr is en dat het Hof derhalve ten onrechte toepassing had gegeven aan de meest recente strafbepaling. In de voorliggende zaak van verzoeker doet zich een vergelijkbare situatie voor. De algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking moet verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken dan wel het ter inzage aanbieden van een identiteitsbewijs, is in werking getreden nadat het bewezen verklaarde feit is begaan. Uit genoemd arrest volgt, lijkt mij, dat de (toen) nieuwe algemene voorwaarde nog niet kon worden verbonden aan een voorwaardelijke veroordeling voor een feit dat vóór de wijziging van art. 14c Sr is begaan. Het middel klaagt daarover terecht. Maar ook hier behoeft dat mijns inziens niet tot cassatie te leiden, indien het volgende voorstel van mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie voorafgaand aan HR 5 februari 2013, LJN BZ0502 wordt gevolgd5:

“De vraag rijst nu wat verstandig is. Een kleine rondgang langs de feitenrechtspraak leert mij dat rechtbanken en hoven op ruime schaal de nieuwe identificatievoorwaarde hebben verbonden aan voorwaardelijke veroordelingen voor feiten die zijn begaan voor 1 oktober 2010. De nieuwe algemene voorwaarde is door de wetgever kennelijk bedoeld als ondersteuning van een of meer bijzondere voorwaarden. Als zodanig kan de identificatievoorwaarde indirect een bijdrage leveren aan het doel dat de rechter voor ogen stond met het opleggen van een bijzondere voorwaarde, zoals het bevorderen van de speciale preventie, het ondersteunen van maatschappelijk betamelijk gedrag van veroordeelde, het reclasseringsbelang et cetera. Ik zie dan ook geen bezwaar tegen een soort conversie van de identificatievoorwaarde van een algemene voorwaarde in een bijzondere voorwaarde. De identificatievoorwaarde blijft binnen de grenzen die de wet stelt aan de bijzondere voorwaarde. Het is een voorwaarde die het gedrag van verdachte betreft en die staat in het teken van de realisering van andere bijzondere voorwaarden. Als de Hoge Raad dit standpunt zou delen kan met een verbeterde lezing van de strafoplegging worden volstaan.”

25. Nu ik met mijn ambtgenoot Machielse denk dat de Hoge Raad de strafoplegging verbeterd kan lezen in voornoemde zin, meen ik dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

26. Het derde middel faalt.

27. Het vierde middel klaagt dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, nu tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.

28. Namens verzoeker is op 7 december 2011 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel eerst op 31 augustus 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn van acht maanden met 24 dagen. Nu evenwel aan verzoeker een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken is opgelegd, kan, indien de Hoge Raad niet terugwijst of verwijst, met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.6

29. Het vierde middel faalt.

30. Het eerste en het vierde middel falen. Aan het tweede en derde middel komt de feitelijke grondslag te ontvallen indien respectievelijk de bewijsvoering ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging verbeterd gelezen worden, zodat die middelen eveneens falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

31. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 4 januari 2004, LJN AN8498, NJ 2004/201 en HR 22 december 2009, LJN BJ9796, NJ 2010/671.

2 Vgl. HR 29 september 2009, LJN BJ2795.

3 Terecht wijst de steller van het middel erop dat de raadsman een beroep deed op strafvermindering, zulks terwijl volgens de Hoge Raad een ‘echt’ Salduz-verzuim tot bewijsuitsluiting van de verklaring van de verdachte dient te leiden.

4 Nadien is art. 14c Sr nog gewijzigd bij de hier niet van belang zijnde Wet van 17 november 2011, Stb. 545 (i.w.tr. op 1 april 2012).

5 De Hoge Raad is in het arrest niet aan een inhoudelijke beoordeling van het desbetreffende middel toegekomen.

6 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.6.2. onder C.) m.nt. Mevis.