Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
12/03730
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1419, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht medeplichtigheid. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03730

Zitting: 1 oktober 2013

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]1

1. Verzoeker is bij arrest van 7 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens “1. primair diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd”, “2. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van poging tot oplichting, meermalen gepleegd”, “3. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en “4. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/03730, 12/01360 en 12/01675P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over het gebruik door het Hof van een viertal bewijsmiddelen. De onder a en c voorgestelde klachten luiden dat de door het Hof als bewijsmiddel 1 en 4 gebezigde processen-verbaal niet inhouden mededelingen van feiten of omstandigheden die door de opsteller van de processen-verbaal zelf zijn waargenomen of ondervonden (als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2 Sv), doch louter door de opsteller van genoemde processen-verbaal uit onderzoeksmateriaal verkregen conclusies. De onder b voorgestelde klacht houdt in dat het Hof ten onrechte foto’s bij wijze van geschrift (ik begrijp: als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Sv, EH) voor het bewijs heeft gebezigd (bewijsmiddelen 2 en 3), nu foto’s geen geschrift in vorenbedoelde zin zijn en (ik begrijp: gelet op art. 340 Sv, EH) enkel via de eigen waarneming van de rechter op de terechtzitting voor het bewijs kunnen meewerken, en uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat het Hof de gewraakte foto’s aldaar heeft bekeken, dan wel niet blijkt wat het Hof op deze foto’s heeft waargenomen.

5. De door de steller van het middel onder a en c voorgestelde klachten stuiten af op de omstandigheid dat een blik achter de papieren muur leert dat de opsporingsambtenaar die de door het Hof als bewijsmiddelen 1 en 4 gebezigde processen-verbaal aanvraag stelselmatige observatie d.d. 2 oktober 2007 respectievelijk 11 oktober 2007 heeft opgemaakt en ondertekend (verbalisant [betrokkene 2]), de in genoemde processen-verbaal gerelateerde feiten en omstandigheden zelf heeft waargenomen en ondervonden, zulks als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder 2, Sv.2

6. Met betrekking tot de onder b voorgestelde klacht merk ik op dat de door het Hof onder 2 en 3 gebezigde bewijsmiddelen - welke bewijsmiddelen door het Hof als ‘geschriften’ zijn benoemd - omschrijvingen van het Hof inhouden over hetgeen op de acht daarin genoemde foto’s valt waar te nemen (o.a. datum, tijd, afgebeelde persoon, afgebeelde voorwerpen (brievenbussen) en locatie), zodat deze bewijsmiddelen in zoverre eigen waarnemingen van het Hof inhouden (als bedoeld in art. 340 Sv). Wil een dergelijke eigen waarneming als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze, naar art. 340 Sv voorschrijft, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten.3 De rechter is gehouden zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake te brengen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal.4

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2012 heeft de voorzitter van het Hof de korte inhoud van het procesdossier medegedeeld. Daaruit kan worden opgemaakt dat ook de gewraakte foto’s door de voorzitter van het Hof ter terechtzitting zijn voorgehouden.5 Het Hof was mijns inziens niet gehouden zijn eigen waarnemingen met betrekking tot deze foto’s expliciet op de zitting ter sprake te brengen, nu – in aanmerking genomen dat deze foto’s tijdens de behandeling in eerste aanleg met verzoeker zijn besproken en gelet op de aard van de waarnemingen en het voorhanden bewijsmateriaal - zich in het onderhavige geval niet de situatie voordoet dat de procespartijen door het gebruik van deze waarnemingen voor het bewijs worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden.6

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel - dat klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat verzoeker poststukken heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening - faalt. Dit behoeft, gezien de inhoud van de door het Hof voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen alsmede de bewijsoverwegingen van het Hof, en gelet op art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

10. Het derde middel behelst de klacht dat de door het Hof onder de feiten 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezenverklaarde medeplichtigheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ook wordt geklaagd dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn.

11. Ten laste van verzoeker is onder 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezen verklaard dat:

2 subsidiair.

“een persoon omstreeks 27 juni 2008 in Nederland, meermalen telkens ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen (één of meer medewerkers van) de rechtsperso(o)n(en) International Card Services BV (verder te noemen: ICS) en/of Visa Europe en/of MasterCard Europe te bewegen tot de afgifte van een Panda Visa Card en/of een BijCard,(telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- een (digitaal, door middel van e-mail te verzenden) formulier (voor het aanvragen van een creditcard) heeft ingevuld met persoonsgegevens (onder meer: de naam [betrokkene 1], adres [a-straat] 25, woonplaats Groningen, bankrekeningnummers, sofi-nummer) en werkgegevens (onder meer: werkgever, functie) en financiële gegevens (onder meer: inkomen, hypotheek- of huurlasten) van andere personen dan genoemde persoon, en/of

- genoemd formulier heeft verstrekt aan ICS en/of Visa Europe en/of MasterCard Europe, en

terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet zijn voltooid,

bij en/of tot het plegen van welke misdrijven verdachte in of omstreeks de periode 1 juni 2008 tot en met 27 juni 2008 in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een poststuk, gericht aan en bezorgd bij genoemde [betrokkene 1], uit de brievenbus van genoemde [betrokkene 1] te halen, en

- de in die poststukken vermelde gegevens te verstrekken aan de pleger van bovengenoemde misdrijven, en

- de naam [betrokkene 1] en diens geboortedatum en diens sofi-nummer te verstrekken aan de pleger van bovengenoemde misdrijven;”

3 subsidiair:

“een persoon omstreeks 27 juni 2008 in Nederland, op verschillende tijdstippen, telkens een digitaal, door middel van e-mail te verzenden

- aanvraagformulier voor een Panda Visa Card, en

- aanvraagformulier voor een BijCard,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft genoemde persoon telkens valselijk

- persoonsgegevens (onder meer de naam [betrokkene 1], adres [a-straat] 25, woonplaats Groningen, sofi-numer, telefoonnummers) en werkgegevens (onder meer werkgever, functie) en financiële gegevens (onder meer inkomen, hypotheek- of huurlasten) van anderen (dan genoemde persoon) op dat formulier ingevuld,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bij en/of tot het plegen van welke misdrijven verdachte omstreeks de periode 1 juni 2008 tot en met 27 juni 2008 in Nederland, op verschillende tijdstippen, telkens opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een poststuk, gericht aan en bezorgd bij genoemde [betrokkene 1], uit de brievenbus van genoemde [betrokkene 1] te halen, en

- de in die poststukken vermelde gegevens te verstrekken aan de pleger van bovengenoemde misdrijven,en

- de naam [betrokkene 1] en diens geboortedatum en diens sofi-nummer te verstrekken aan de pleger van bovengenoemde misdrijven;”

4 subsidiair.

“een persoon omstreeks 27 juni 2008 in Nederland op verschillende tijdstippen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste

- aanvraagformulier voor een Panda Visa Card, en

- aanvraagformulier voor een BijCard,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat genoemde persoon die aanvraagformulieren heeft verstrekt aan International Card Services BV (verder te noemen ICS) en/of Visa Europe en/of MasterCard Europe, en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat op genoemde aanvraagformulieren persoonsgegevens (onder meer de naam [betrokkene 1], adres [a-straat] 25, woonplaats Groningen, sofinummer, telefoonnummers) en werkgegevens (onder meer werkgever, functie) en financiële gegevens (onder meer inkomen, hypotheek- of huurlasten) van anderen (dan genoemde personen) zijn ingevuld, bij en/of tot het plegen van welke misdrijven verdachte omstreeks de periode 1 juni 2008 tot en met 27 juni 2008 in Nederland, op verschillende tijdstippen, telkens opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een poststuk, gericht aan en bezorgd bij genoemde [betrokkene 1], uit de brievenbus van genoemde [betrokkene 1] te halen, en

- de in die poststukken vermelde gegevens te verstrekken aan de pleger van bovengenoemde misdrijven, en

- de naam [betrokkene 1] en diens geboortedatum en diens sofi-nummer te verstrekken aan de pleger van bovengenoemde misdrijven.”

12. Deze bewezenverklaringen berusten, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:



“(…)

4a Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen als bijlage AMB-046 van dossier 08-0490 12 (map 6), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verbalisant:

Op donderdag 24 juli 2008 werd de politie de Noordelijke Recherche Eenheid, Unit Financiële Opsporing, door [betrokkene 4], werkzaam bij [A], gevestigd te Groningen, [a-straat] 17, op de hoogte gesteld van het feit, dat er wederom post afkomstig van creditcardmaatschappijen, was bezorgd in een van de brievenbussen, behorende bij percelen welke [A] in eigendom toebehoren.

Deze brievenbussen, behoren bij de percelen 17 t/m 26, werden eerder gebruikt voor het bezorgen van valselijk aangevraagde creditcards.

De poststukken werden overhandigd aan medewerkers van voornoemde Unit. Het bleek te gaan om postsstukken afkomstig van:

- International Card Services te Amsterdam, gericht aan [betrokkene 1], [a-straat] 25 te Groningen en

- American Express (Nederland), gericht aan [betrokkene 1], [a-straat] 25 te Groningen

(…)

8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen als bijlage AMB-044 van dossier 08-0490 12 (map 5), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verbalisant:

Door mij werd een bos sleutels, bestaande uit 7 sleutels met daaraan een sleutelhanger met 2 foto’s in beslaggenomn onder verdachte [verdachte].

Wij, verbalisanten, hebben een onderzoek ingesteld of met een van de aan de sleutelbos bevindende sleutels brievenbus (sen) konden worden geopend.

Op vrijdag 25 juli 2008 werden door ons de brievenbussen gecontroleerd behorende bij de percelen [a-straat] 15 tot en met 27 gelegen te- en in gemeente Groningen. Hieruit bleek dat er met een sleutel van de in beslag genomen sleutelbos onder [verdachte], merk Silca voorzien van het nummer EU 3 de navolgende brievenbussen konden worden geopend:

15;16;17;17a;17c,17d;l7e;17g;18;18a;18b;l9b;19c; 19d;19g;21;21a;22;22a;23;23a;24;24a:25a en 26.

Brievenbus 17f kon worden geopend met de sleutel van het merk LS 17 van bedoeld sleutelbos.

9. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen als bijlage 02 van dossier 08-049012, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], wonende te Groningen, [a-straat] 19c te Groningen:

Ik doe aangifte van diefstal. Het weggenomene behoort mij geheel in eigendom toe. Niemand had het recht of de toestemming dit goed weg te nemen. De diefstal vond als volgt plaats:

Op woensdag 01 oktober 2008 werd ik gebeld door de [betrokkene 2] van de Noordelijke Recherche Eenheid met de vraag of ik post mis. Mijn gegevens waren namelijk gebruikt voor een aanvraag van een creditcard bij American Express. Op advies van [betrokkene 2] heb ik mijn salarisstroken van mijn werkgever Marine Noord te Westerbroek gecontroleerd. Ik zag dat mijn salarisstrook van periode 6, juni 2008, ontbreekt. Ik vermoed dat mijn salarisstrook van juni 2008, die ik omstreeks 22/23 van de maand altijd ontvang, uit mijn brievenbus is weggenomen. Ik heb zelf ook geen creditcard bij een maatschappij aangevraagd.

10. Een geschrift, zijnde een aangifte, opgesteld en ondertekend op 15 augustus 2008 door [betrokkene 7] namens International Card Services BV te Diemen, (vindplaats: opgenomen als AAN-50 in het dossier 08-049012), zakelijk weergegeven inhoudende:

Hierbij doe ik, [betrokkene 7], geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats], namens International Card Services BV aangifte van oplichting en valsheid in geschrifte. International Card Services BV geeft creditcards uit, Visa Cards en MasterCards, onder licentie van Visa Europe en MasterCard Europe.

In de maanden juli en augustus 2008 zijn er bij de afdeling Risicobeheersing van International Card Services BV diverse meldingen binnengekomen vanuit Groningen van frauduleuze handelingen met betrekking tot aanvragen van creditcards uit de [a-straat] te Groningen.

Aanvraag Visa Card [betrokkene 1]:

Op 27 juni 2008 werd door de afdeling Kaartacceptatie van International Card Services BV een aanvraag voor een Visa Card ontvangen. Deze aanvraag stond op naam van:

[betrokkene 1]

[geboortedatum]-1965

[a-straat] 25

[woonplaats]

Gezien de eerdere ervaringen is deze aanvraag (bijlage 3) aan een extra controle onderworpen door de afdeling Risicobeheersing. Uit deze controle kwam ondermeer naar voren dat:

• het opgegeven Postbanknummer niet op dit adres staat vermeld

• de tenaamgestelde van de aanvraag niet op dit adres woonachtig is

• het een man betreft welke ook een meisjesnaam opgeeft

Op grond van voornoemde bevindingen is deze aanvraag voor de creditcard als frauduleus onderkend en als zodanig verder behandeld. De creditcard is niet verstrekt aan de aanvrager en er hebben dus ook geen frauduleuze transacties mee plaatsgevonden.

Aanvraag MasterCard [betrokkene 1]

Op 27 juni 2008 werd door de afdeling Kaartacceptatie van International Card Services BV een aanvraag voor een MasterCard ontvangen. Deze aanvraag stond op naam van:

[betrokkene 1]

[geboortedatum]-1965

[a-straat] 25

[woonplaats]

Gezien de eerdere ervaringen is deze aanvraag aan een extra controle onderworpen door de afdeling Risicobeheersing. Uit deze controle kwam ondermeer naar voren dat:

• het opgegeven Postbanknummer niet op dit adres staat vermeld

• de tenaamgestelde van de aanvraag niet op dit adres woonachtig is

Op grond van voornoemde bevindingen is deze aanvraag voor de creditcard als frauduleus onderkend en als zodanig verder behandeld. De creditcard is niet verstrekt aan de aanvrager en er hebben dus ook geen frauduleuze transacties mee plaatsgevonden.

Een kopie van het aanvraagformulier evenals de bij de aanvraag gevoegde stukken zijn als bijlage 4 gevoegd bij deze aangifte.

11. Een geschrift, zijnde een aanvraagformulier (bijlage 3 bij de aangifte van ICS) voor een Visa Card, ingediend door [betrokkene 1], inhoudende:

(…)

12. Een geschrift, zijnde een aanvraag voor een creditcard (bijlage 4 bij de aangifte van ICS), ingediend door [betrokkene 1]:

(…)

13. Een hoofdproces-verbaal met het nummer 08-049012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 4 september 2008 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verbalisant:

Onder [verdachte] is een mobiele telefoon, merk Nokia, inbeslaggenomen.

14. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen als bijlage 18A van dossier 08-049012 (map 2), zakelijk weergegeven inhoudende als bevinding van verbalisant:

Door collega [betrokkene 2] werd een gsm telefoontoestel voor onderzoek ter beschikking gesteld van het merk Nokia 1600. Na invoering van de PIN-code [pincode] kon ongehinderd toegang worden verkregen tot het geheugengebied van de SIM-kaart en die van het gsm-toestel. Tijdens handmatig onderzoek werd door mij een aantal gegevens aangetroffen (zie bijlage handmatig uitgelezen gegeven Nokia 1600 (verdacht [verdachte])

15. Een geschrift, zijnde een onderzoeksrapport als bijlage bij het vorige bewijsmiddel van het handmatig uitlezen van een telefoon Nokia 1600, (het hof begrijpt: in beslaggenomen onder:) verdachte [verdachte].

Op 20 juli 2008 is vanaf deze telefoon het bericht verzonden aan [...] +3106-[001]:

"[betrokkene 1], [geboortedatum]-1965, sof. [002]".

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 24 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen als bijlage in map 7 (met opschrift: Bijlagen 2 t/m 8 .... verklaringen van verdachten en getuigen) van dossier 08-049012, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Ben jij ook in het bezit van een mobiele telefoon?

A: Ja

V: Wat is het nummer en pincode.

A: 06-[003], [pincode]”

13. Het bestreden arrest houdt voorts onder het hoofdje “Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde”, het volgende in:

“Op 27 juni 2008 is bij International Card Service BV (hierna: ICS) een aanvraag voor een VISAcard en een aanvraag voor een Mastercard op naam van [betrokkene 1] gedaan. Omdat het opgegeven Postbanknummer niet op het adres dat op de aanvraag werd opgegeven vermeld is en de tenaamgestelde van de aanvraag niet op het in de aanvraag vermeldde adres woonachtig is, wordt de aanvraag door ICS als frauduleus aangemerkt.

Op 1 oktober 2008 doet [betrokkene 1], wonende op het adres [a-straat] 19c, aangifte van diefstal van zijn salarisstrook betreffende de maand juni 2008. Voorts verklaart hij dat hij geen aanvragen voor creditcards heeft ingediend bij ICS.

Onder verdachte zijn na diens aanhouding sleutels in beslag genomen die passen op diverse brievenbussen, waaronder een sleutel die past op de brievenbus van [betrokkene 1], wonende aan de [a-straat] 19c.

Uit onderzoek in de telefoon van verdachte blijkt voorts dat van de telefoon van verdachte op 20 juli 2008 een sms-bericht is verstuurd aan een derde, genaamd [...], met als inhoud:

‘[betrokkene 1].. .05-01 -1965... sofi [002]’. Gegevens die ook op de aanvragen vermeld zijn.

Uit vorenstaande feitelijke gang van zaken volgt dat bij [betrokkene 1], wonende aan de [a-straat] 19c een salarisstrook is gestolen, er bij ICS frauduleuze aanvragen zijn gedaan op naam van genoemde [betrokkene 1] waarop het sofi-nummer en geboortedatum van [betrokkene 1] worden vermeld, gegevens die ook - zij het op een later moment - in de telefoon van verdachte worden aangetroffen en verdachte in het bezit was van een sleutel die past op de brievenbus van [betrokkene 1]. Op grond van de eigen waarneming van de rechtbank in samenhang bezien met de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] stelt het hof voorts vast dat verdachte de persoon is die een halfjaar eerder op de prints die door het observatieteam gemaakt zijn, is afgebeeld en ten aanzien van wie gerelateerd wordt dat hij aan de [a-straat] in Groningen poststukken uit brievenbussen wegneemt.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is dat geen ander dan verdachte een poststuk uit de brievenbus van [betrokkene 1] op het adres [a-straat] 19c heeft gehaald. Concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen zijn door of namens verdachte niet gesteld noch gebleken.

Het hof acht echter op grond van vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die, al dan niet tezamen met (een) ander(en), de aanvraagformulieren (valselijk) heeft opgesteld, (valselijk) heeft gebruikt en heeft ingediend bij ICS en zal verdachte derhalve ten aanzien van het onder 2, 3 en 4, telkens primair, ten laste gelegde vrijspreken.

Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medeplichtig is aan poging tot oplichting, valsheid in geschrift en het gebruik maken van een vals geschrift door voornoemd poststuk uit de brievenbus te halen, de daarop vermelde gegevens alsmede de naam van [betrokkene 1], zijn geboortedatum en sofi-nummer aan de pleger(s) van voornoemde delicten te verstrekken. Het feit dat verdachte ook nadien gegevens betreffende [betrokkene 1] aan derden heeft doorgegeven, sterkt het hof in de overtuiging dat ook de bij de aanvragen bij ICS gebruikte gegevens van verdachte afkomstig zijn.”

14. Het Hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, voor zover hier relevant, feitelijk vastgesteld dat:

- op 24 juli 2008 bij de politie de melding binnenkwam dat aan [betrokkene 1] gerichte poststukken afkomstig van ICS en American Express waren bezorgd in één van de brievenbussen die bij de percelen 17 t/m 26 [a-straat] te Groningen behoren (bewijsmiddel 4a);

- aangever [betrokkene 1], wonende op het adres [a-straat] 19c te Groningen, op 1 oktober 2008 aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn salarisstrook betreffende de maand juni 2008 (bewijsmiddel 9);

- er op 27 juni 2008 (ik begrijp door een andere persoon dan [betrokkene 1], EH) bij ICS een tweetal aanvragen voor creditcards (Visa Card en Mastercard) op naam van [betrokkene 1] is gedaan, waarin tevens de geboortedatum, het adres en het sofinummer van [betrokkene 1] zijn vermeld (bewijsmiddelen 10, 11 en 12);

- onder verzoeker na zijn aanhouding op 30 juli 2008 sleutels in beslag zijn genomen, waarmee diverse brievenbussen behorende bij de percelen [a-straat] 15 tot en met 27 te Groningen, waaronder de brievenbus 19c van aangever [betrokkene 1], konden worden geopend (bewijsmiddelen 8 en 9);

- op 20 juli 2008 vanaf de naar het Hof begrijpt de onder verzoeker in beslaggenomen mobiele telefoon van verzoeker een sms-bericht is verstuurd aan een zekere [...], met daarin de naamgegevens, de geboortedatum en het sofi-nummer van [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 13, 14 en 15).

15. Op grond van vorengenoemde vaststellingen - in onderlinge samenhang bezien met de eigen waarneming van de rechtbank (bewijsmiddel 7) en de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (bewijsmiddelen 5 en 6) waaruit naar het oordeel van het Hof volgt dat verzoeker de persoon is die een half jaar eerder (op 27 en 28 september 2007 respectievelijk op 6 oktober 2007, EH) op door het observatieteam gemaakte prints is afgebeeld en ten aanzien van wie gerelateerd wordt dat hij aan de [a-straat] in Groningen poststukken uit brievenbussen wegneemt (bewijsmiddelen 1 en 4), komt het Hof tot het oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is dat geen ander dan verzoeker in de periode van 1 juni t/m 27 juni 2008 een poststuk uit de brievenbus van [betrokkene 1] op het adres [a-straat] 19c heeft gehaald, terwijl concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen door of namens verzoeker niet zijn gesteld. Voorts merkt het Hof ten aanzien van de omstandigheid dat door verzoeker op 20 juli 2008, derhalve na de bewezenverklaarde aanvragen op naam van [betrokkene 1] bij ICS op 27 juni 2008, aan een derde een sms-bericht met gegevens betreffende [betrokkene 1] is verstuurd op, dat deze omstandigheid het Hof sterkt in zijn overtuiging dat de bij genoemde aanvragen bij ICS gebruikte gegevens van verzoeker afkomstig zijn.

16. Hoewel er om verzoeker een geur van verdenking hangt, is wat zijn betrokkenheid als medeplichtige bij de bewezenverklaarde feiten 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair door het Hof enkel kunnen worden vastgesteld dat verzoeker - kennelijk ook in de tenlastegelegde periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008, EH - over een sleutel beschikte die op de brievenbus van voornoemde [betrokkene 1] ([a-straat] 19c) paste, en verzoeker derhalve de mogelijkheid had om poststukken uit de brievenbus van [betrokkene 1] te halen. De vraag is nu of daarnaast de door het Hof in aanmerking genomen bijkomstige omstandigheden - te weten dat verzoeker op een eerder moment (september/oktober 2007) met behulp van een sleutel poststukken uit de brievenbussen van de flat aan de [a-straat] heeft gehaald (zoals is bewezenverklaard onder feit 1) en verzoeker op een moment gelegen na de bewezenverklaarde periode (20 juli 2008) aan een derde een sms-bericht met gegevens van [betrokkene 1] (inhoudende diens naam, geboortedatum en sofi-nummer) heeft verstuurd – voldoende zijn om ’s Hofs oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is dat geen ander dan verzoeker – en dus verzoeker - in de periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008 een poststuk (salarisstrook) uit de brievenbus van [betrokkene 1] op het adres [a-straat] 19c heeft gehaald, kunnen dragen. Ik meen dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, omdat de bewijsconstructie niet toereikend is. Nog afgezien hiervan dat uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen niet een deelnemingsvorm als medeplichtigheid kan worden afgeleid (en dus evenmin het voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet), kan daaruit ook niet de telkens bewezenverklaarde betrokkenheid van verzoeker in de periode van 1 juni t/m 27 juni 2008 volgen. Dat onder verzoeker na zijn aanhouding op 30 juli 2008 sleutels zijn aangetroffen, waarmee onder meer de brievenbus van de woning van [betrokkene 1] kon worden geopend, is ook in samenhang met de overige bewijsmiddelen niet (voldoende) redengevend voor het bewijs van de tenlastegelegde medeplichtigheidsfiguur in de periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008. Wellicht had verzoeker deze sleutels nog van het half jaar daarvoor, waarover de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben verklaard, of had hij ze ergens in de maand juli 2008 verkregen. Ook het later (op 20 juli 2008) verstuurde, in bewijsmiddel 15 weergegeven, sms-bericht kan, gelet op de tenlastegelegde medeplichtigheidshandelingen en periode, mijns inziens niet als bewijsmiddel dienen. Voorts is mij niet duidelijk wat het Hof bedoelt te zeggen met de overweging dat concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen door of namens verzoeker niet zijn gesteld. Had het volgens het Hof op de weg van verzoeker gelegen het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijsmateriaal te ontzenuwen? Een dergelijke eis stellen alvorens tot een vrijspraak te komen, zou op gespannen voet staan met de onschuldpresumptie. “De rechter moet oordelen of het beschikbare bewijsmateriaal een veroordeling toelaat, niet of de verdachte het aangedragen bewijsmateriaal voldoende heeft tegengesproken”, schrijft Corstens terecht.7 Op grond van het voorgaande zijn naar mijn inzicht de in dit middel bestreden bewezenverklaringen niet naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

17. Het middel slaagt.

18. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder de feiten 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing naar het Hof, dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Verzoeker wordt – voor zover hier van belang - in het vonnis van de Rechtbank en in het bestreden arrest aangeduid met de naam “[verdachte]”. De ten behoeve van de aanzegging van de kennisgeving als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv uitgedraaide ID-staat SKDB betreffende verzoeker houdt evenwel als naam van verzoeker “[verdachte]” in. Laatstgenoemde naam zal ik daarom aanhouden.

2 Eindproces-verbaal onderzoek fraude met credit cards, dossiernummer 08-049012, d.d. 4 september 2008, op ambtsbelofte opgemaakt door [betrokkene 2], pag. 17 en 18 (onder de hoofdjes ‘Resultaten inzet camera’ en ‘Onderzoek gebruik brievenbussen [a-straat] te Groningen’).

3 Vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6414, NJ 2007/134 m.nt. Reijntjes en HR 15 december 2009, LJN BJ2831, NJ 2011/78, m.nt. Reijntjes.

4 HR 15 december 2009, LJN BJ2831, NJ 2011/78.

5 De gemachtigde raadsman van verzoeker heeft desgevraagd medegedeeld dat er bij hem geen behoefte bestaat aan het expliciet voorhouden van de stukken.

6 Vgl. voor het bezigen voor het bewijs van foto’s, welke als bijlage behoren bij een eveneens voor het bewijs gebezigd ambtsedig proces-verbaal van opsporingsambtenaren: HR 8 juni 2004, LJN AO8326, NJ 2004/413.

7 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende door M.J. Borgers bewerkte druk, 2011, p. 678.