Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
12/05160
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1889, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Aansprakelijkheid bestuurder voor speculeren met stichtingsgelden. Stelplicht en bewijslast omvang schade ingeval bestuurder als enige over financiële administratie stichting beschikte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/576

Conclusie

Zaaknr. 12/05160

Mr. Timmerman

Zitting van 11 oktober 2013

Conclusie inzake

[eiser]

(hierna: ‘[eiser]’)

eiser tot cassatie

tegen

de stichting Stichting Instandhouding van het Oude Roomsch Katholieke Kerkhof te Purmerend

(hierna: ‘de Stichting’)

verweerster in cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

De feiten in de onderhavige zaak zijn, kort samengevat, als volgt.1 De Stichting is opgericht op 25 november 1992 en heeft op grond van de statuten ten doel “de instandhouding van het Oude Roomsch Katholieke Kerkhof te Purmerend in de ruimste zin des woords […].”

1.2

Het bestuur van de Stichting werd gevormd door de oprichter van de Stichting, [betrokkene] (als voorzitter), en zes neven van de oprichter. Een van deze neven was [eiser].

1.3

De oprichter [betrokkene] is in april 2003 overleden.

1.4

In een ongedateerde brief aan de bestuursleden schrijft [eiser] onder meer:

“Met het geld ging op en af voor jaren. Ik speculeerde op de beurs met aandelen en opties. Toen heb ik hetzelfde gedaan met het geld van de stichting. Ben voor eigen rekening gaan handelen ipv het geld van de stichting apart te houden.

Ik kon mijn gang gaan tot medio 2008 was er niemand die iets vroeg. Ik heb te goeder trouw gehandeld en geprobeerd om een rendement te maken.

Inmiddels besef ik wel dat er grote fouten zijn gemaakt.

Ook zijn er giften aan derden gedaan en is er geld uitgeleend aan familie wat ook is terugbetaald. […]

Ik heb verschrikkelijke spijt dat het zo is gelopen.”

1.5

De Stichting vordert in deze procedure dat [eiser] veroordeeld wordt tot betaling van € 400.470,-, te vermeerderen met wettelijke rente. De Stichting heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] zonder toestemming van de overige bestuursleden en dus onbevoegd met gelden van de Stichting heeft gehandeld. Uit de administratie van de Stichting is gebleken dat als gevolg daarvan per saldo € 400.407,- van het kapitaal van de Stichting verloren is gegaan. [eiser] is daarvoor uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk, omdat [eiser] buiten de doelstelling van de Stichting is getreden en er geen besluit van het bestuur was voor het doen van beleggingstransacties of het verlenen van leningen aan [eiser] dan wel andere personen – aldus de Stichting.

1.6

De Rechtbank Amsterdam heeft de vordering van de Stichting bij vonnis van 15 september 2010 toegewezen. De rechtbank heeft [eiser] veroordeeld tot betaling van € 400.470,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009 en met kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.7

Het Hof Amsterdam heeft bij arrest van 31 juli 2012 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof stelt vast dat het beleggen van de gelden van de Stichting niet aan [eiser] was opgedragen, en dat dit beleggen ook buiten de aan [eiser] opgedragen taak viel. Door de gelden van de Stichting desondanks op zeer risicovolle wijze te beleggen, is [eiser] tekortgeschoten in de vervulling van de aan hem opgedragen taak (in de zin van art. 2:9 BW). Van deze tekortkoming kan [eiser] een ernstig verwijt worden gemaakt, en [eiser] is dan ook aansprakelijk voor de schade die de Stichting als gevolg van die tekortkoming geleden heeft (zie rov. 3.4). Het hof oordeelt, evenals eerder de rechtbank, dat de schade van de Stichting vastgesteld dient te worden op € 400.470,-, te vermeerderen met wettelijke rente; de vordering van de Stichting is derhalve integraal toewijsbaar (zie rov. 3.7).

1.8

[eiser] heeft bij dagvaarding van 31 oktober 2012 cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van 31 juli 2012. De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna nog re- en dupliek heeft plaatsgevonden.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De klachten van het cassatiemiddel richten zich uitsluitend tegen het oordeel van het hof omtrent de hoogte van de te betalen schadevergoeding. Het gaat daarbij, meer in het bijzonder, om het oordeel van het hof dat bij de vaststelling van de omvang van de schade aangesloten dient te worden bij het door de Stichting opgestelde schade-overzicht en dat de vordering van de Stichting derhalve volledig toewijsbaar is (zie rov. 3.7).

2.2

Onderdeel 1a klaagt dat het hof bij het genoemde oordeel (in rov. 3.7) een aantal stellingen van [eiser] ten onrechte, althans zonder toereikende motivering gepasseerd heeft. Het gaat daarbij – kort samengevat – om de volgende stellingen:

(i) [eiser] heeft aangevoerd dat de Stichting bij de berekening van het vermogen waarover zij vóór het handelen van [eiser] zou hebben beschikt, een bedrag van (afgerond) € 145.000 heeft meegerekend dat afkomstig was van een Alex-rekening van [eiser] en dat ook aan [eiser] behoorde. [eiser] zou dit bedrag om fiscale redenen voor de periode van eind 2001 tot 14 januari 2002 op een rekening van de Stichting hebben geplaatst. Volgens [eiser] heeft de Stichting dit bedrag dan ook ten onrechte bijgeteld bij het aanvankelijke vermogen van de Stichting.

(ii) [eiser] heeft aangevoerd dat hij eind december 2000 een bedrag van € 12.000 en een bedrag van € 25.000 op de spaarrekening van de Stichting heeft gestort. Deze stortingen zouden bij de schadeberekening van de Stichting ten onrechte niet in aanmerking zijn genomen.

Volgens het onderdeel heeft [eiser] ter motivering van deze stellingen, en als antwoord op hetgeen de Stichting naar aanleiding van die stellingen heeft betoogd, onder meer aangevoerd: (a) dat de Stichting in de periode tot eind 2000 nooit beschikte over een vermogen van meer dan circa € 100.000; (b) dat [eiser] zelf wél over vermogen beschikte dat hij had opgebouwd door aan- en verkoop van onroerend goed en beleggingen; en (c) dat [eiser] eerder ook niet over de rekeningen van de Stichting kon beschikken omdat hij pas in 2001 het beheer van de gelden van de Stichting geheel heeft overgenomen van de oprichter van de Stichting.

2.3

De klachten van onderdeel 1a kunnen niet slagen. Het hof heeft in rov. 3.7 vooropgesteld dat het aan de Stichting is om de omvang van het door haar gestelde schade te onderbouwen. Aan deze onderbouwing mogen – zo overweegt het hof – in de gegeven omstandigheden echter geen al te hoge eisen worden gesteld; vast staat namelijk dat [eiser] als enige in het bezit was van de volledige financiële administratie van de Stichting. Het hof overweegt in rov. 3.7 voorts dat de rechtbank [eiser], conform zijn aanbod, in de gelegenheid heeft gesteld om bewijsstukken in het geding te brengen die voorzien zijn van een helder en duidelijk overzicht en waaruit blijkt welke middelen van de Stichting voor beleggingsdoeleinden zijn aangewend, wanneer dat is gebeurd, en wat het resultaat daarvan is geweest. De rechtbank heeft [eiser] in dat kader overigens verzocht om daarbij zover terug te gaan in de tijd, dat voor de Stichting en de rechtbank te volgen is wat er met de tegoeden van de Stichting gebeurd is.2 In hoger beroep heeft [eiser], zo stelt het hof vast, nog aanvullende stukken in het geding gebracht.

2.4

Het hof oordeelt in rov. 3.7 dat de door [eiser] in het geding gebrachte stukken niet helder en inzichtelijk zijn, en dat uit die stukken niet volgt welke middelen wanneer zijn aangewend voor beleggingen en wat het resultaat van de beleggingen is geweest. Dat betekent – zo wordt overwogen – dat het hof evenmin in staat is gesteld om te achterhalen hoe het vermogen van de Stichting zich zou hebben ontwikkeld als [eiser] niet onbevoegd had gespeculeerd. Deze oordelen worden in cassatie ook niet bestreden. Het hof komt in rov. 3.7 vervolgens, alles afwegende, tot de slotsom dat voor de schadebegroting aangesloten dient te worden bij het door de Stichting opgestelde schade-overzicht. Dit overzicht – dat uitgaat van het beginsaldo per eind 2000 en dat mede gebaseerd is op bankafschriften betreffende overboekingen die niet in verband kunnen worden gebracht met het doel van de Stichting – komt het hof niet onredelijk voor (vgl. art. 6:97 BW). Het hof komt daarmee, evenals de rechtbank, tot de slotsom dat de vordering van de Stichting toewijsbaar is (zie rov. 3.7).

2.5

Met het laatstgenoemde oordeel passeert het hof ook de door onderdeel 1a genoemde stellingen van [eiser]. Anders dan het onderdeel betoogt, geeft het oordeel van het hof daarmee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het oordeel op dat punt ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Bij dit laatste is van belang dat de door onderdeel 1a aangeduide stellingen van [eiser] door de Stichting gemotiveerd weersproken zijn. De Stichting heeft onder meer aangevoerd dat het gegeven dat het bedrag van (afgerond) € 145.000 medio 2001 door [eiser] overgeboekt zou zijn naar de Stichting, nog niets zegt over de vraag waar dat bedrag oorspronkelijk vandaan kwam. De Stichting heeft gemotiveerd gesteld dat het veeleer aannemelijk is dat de betreffende gelden wel degelijk toebehoorden aan de Stichting, en niet aan [eiser].3 Verder heeft de Stichting aangevoerd dat [eiser], ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe van de rechtbank, heeft nagelaten om bij het overleggen van bewijsstukken en het daarbij te voegen heldere overzicht, zover terug te gaan in de tijd dat duidelijk wordt wat er met de tegoeden van de Stichting is gebeurd.4 De Stichting heeft betoogd dat zij zelf ook niet in staat is om de geldstromen over de periode vóór 2001 te reconstrueren, en wel omdat de bankafschriften over die periode zouden berusten bij [eiser].5 Het oordeel van het hof dat voor de vaststelling van de schade, in weerwil van de door onderdeel 1a genoemde stellingen van [eiser], aansluiting gezocht dient te worden bij het door de Stichting opgestelde overzicht, is gezien deze en andere stellingen van de Stichting niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.6

Onderdeel 1b betoogt dat de klachten van onderdeel 1a niet afstuiten op hetgeen het hof in rov. 3.7 overwogen heeft omtrent de inzichtelijkheid van de door [eiser] in het geding gebrachte stukken. De betreffende overweging zou namelijk uitsluitend betrekking hebben op de vraag of uit die stukken het verloop en het resultaat van de door [eiser] verrichte beleggingen kon worden afgeleid “(en, daaruit volgend, de vraag kon worden beantwoord hoe het vermogen van de Stichting zich zonder die beleggingen zou hebben ontwikkeld) […].” Volgens het onderdeel kan de bedoelde overweging derhalve niet meebrengen dat het hof niet behoefde in te gaan op de stellingen van [eiser] die betrekking hebben op de omvang van het beginvermogen waarvan bij de bepaling van de schade dient te worden uitgegaan.

2.7

Het betoog van onderdeel 1b is ongegrond. Uit rov. 3.7 blijkt dat het hof tevens heeft geoordeeld dat uit de door [eiser] in het geding gebrachte stukken niet volgt welke middelen van de Stichting door [eiser] voor beleggingen zijn aangewend. Voor het overige verwijs ik naar de bespreking van onderdeel 1a.

2.8

Onderdeel 1c klaagt dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, voor zover het hof in rov. 3.7 toepassing heeft gegeven aan art. 21 Rv. De klachten van dit onderdeel missen feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof in rov. 3.7 is, in tegenstelling tot hetgeen het onderdeel veronderstelt, niet gebaseerd op toepassing van art. 21 Rv; zie de bespreking van onderdeel 1a.

2.9

Onderdeel 2 bouwt slechts voort op de eerdere klachten. Nu de eerdere klachten mislukken, wordt ook dit onderdeel tevergeefs voorgesteld.

2.10

Slotsom is dat geen van de aangevoerde klachten tot cassatie kan leiden. De klachten nopen mijns inziens ook niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep kan, naar ik meen, dan ook verworpen worden met toepassing van art. 81 RO.

3 Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feiten zoals vermeld in alinea’s 1.1 t/m 1.4 zijn ontleend aan rov. 3.1.1 t/m 3.1.6 van het in cassatie bestreden arrest en aan de in rov. 2 van dat arrest genoemde rechtsoverwegingen uit het vonnis in eerste aanleg van 15 september 2010 (rov. 2.1 t/m 2.5).

2 Zie het proces-verbaal van de comparitie van 26 maart 2010, p. 3.

3 Zie de memorie van antwoord d.d. 17 januari 2012, p. 14-15, nrs. 36-39 (zie hierover ook de s.t. van Stichting, p. 13-14, nr. 43).

4 Zie de memorie van antwoord d.d. 17 januari 2012, p. 4, nr. 7 (zie ook de s.t. van de Stichting, p. 11-12, nr. 40).

5 Zie de antwoordakte d.d. 10 april 2012, p. 3, nr. 6 (zie ook de s.t. van de Stichting, p. 16, nr. 44). In cassatie wordt van de zijde van [eiser] overigens betoogd dat [eiser] de rekeningafschriften over de periode 1992-2000 in hoger beroep wel degelijk in het geding heeft gebracht, en wel bij akte de van 28 februari 2012 (zie de nota van repliek, p. 3, nr. 5). Hoe dit ook zij, het hof heeft in rov. 3.7 vastgesteld dat de door [eiser] in het geding gebrachte stukken op de relevante punten niet voldoende helder en inzichtelijk zijn, en dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.