Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1311

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-10-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
13/01494
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:445, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013, nr. 12/00644, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2807, NTFR 2013/608 met noot Van der Burg, BB 2013/143 met noot De Bruin.

Belanghebbende heeft zijn auto stilgezet op een parkeerplaats voor een wasserette om daar wasgoed af te gaan geven. Daarna is hij teruggelopen naar zijn auto en verder gereden. Ter zake van het parkeren op die parkeerplaats was parkeerbelasting verschuldigd, maar belanghebbende had die niet voldaan. Daarom is hem de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

In geschil is of die naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Als hier sprake zou zijn van ‘parkeren’ in de zin der wet, zoals het Hof heeft geoordeeld, is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Belanghebbende stelt echter dat hier geen sprake is geweest van ‘parkeren’, maar van ‘het onmiddellijk laden of lossen van zaken’, zodat hem ten onrechte deze naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is opgelegd.

In de hier bestreden uitspraak heeft het Hof in r.o. 4.4 overwogen: ‘(…) Het bezoek, zoals hier, door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, vormt immers – hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest – geen laden en lossen in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.’ A-G IJzerman merkt op dat indien deze maatstaf zou worden aanvaard door de Hoge Raad, dat verder strekkende werking zou hebben voor de heffing van parkeerbelasting van particulieren die goederen inladen in hun auto om die elders uit te laden en af te geven.

Voor de heffing van parkeerbelasting wordt onder ‘parkeren’ verstaan het op een plaats waar dat is toegestaan, zoals in casu, gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot, voorzover hier van belang, het onmiddellijk laden of lossen van zaken.

Het moet daarbij volgens de A-G gaan om zaken die niet of bezwaarlijk anders dan per auto ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht, opdat binnen voor de heffing van parkeerbelasting aangewezen gebieden het uit vervoer van personen en goederen per auto noodzakelijk voortvloeiende kortstondig parkeren belastingvrij kan geschieden.

De A-G merkt op dat noch uit die ratio noch anderszins blijkt van enig onderscheid tussen particuliere of bedrijfsmatige vervoerders per auto. Het komt de A-G dan ook voor dat het Hof ten onrechte dat onderscheid heeft gemaakt door in r.o. 4.4 te overwegen: ‘(…) Het bezoek, zoals hier, door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, vormt immers – hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest – geen laden en lossen in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.’ Volgens de A-G kunnen alle vervoerders per auto, dus ook particulieren, in principe ‘laden of lossen’ in de zin der wet. Zolang daarvan sprake is, lijkt het specifieke doel waarvoor wordt geladen of gelost de A-G niet van belang. De daarop ziende klacht van belanghebbende treft doel.

Bij arrest van 12 mei 1999 heeft de Hoge Raad overwogen: ‘Onder het onmiddellijk laden en lossen (…) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.’ In casu heeft het Hof in r.o. 4.4 overwogen: ‘het Hof acht aannemelijk dat hij slechts zeer kortstondig in de wasserette is geweest om de zak met wasgoed af te geven en dat de zak met wasgoed een gewicht had van ongeveer 12 kg.’ Daarmee staat volgens de A-G dus vast dat hier sprake was van ‘lossen’.

Het Hof heeft in r.o. 2.2 vastgesteld: ‘Belanghebbende heeft zijn auto stilgezet op een parkeerplaats voor genoemde wasserette.’ Dicht daarbij dus. Ook staat vast dat belanghebbende slechts ‘zeer kortstondig’ in de wasserette is geweest, dus niet langer dan nodig was om zijn wasgoed daar af te geven, oftewel niet langer dan voor het lossen nodig was.

Nu een en ander in cassatie niet is bestreden meent de A-G vaststaat dat belanghebbende bij het lossen met de nodige voortvarendheid te werk is gegaan.

Dan resteert de vraag of de zak met wasgoed met een gewicht van 12 kg voldoende is om vervoer per auto te rechtvaardigen. Valt die zak onder ‘goederen [die] bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden afgevoerd’? Is de zak in dat kader te zien als ‘van enige omvang of enig gewicht’? Het zou gaan om een waszak ter grootte van ongeveer 60 cm. bij 60 cm. die belanghebbende zelf kon dragen.

De A-G meent dat terzake geen nadere feitelijke beoordeling nodig is, omdat uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij het Hof blijkt dat de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem zijn verweer heeft prijsgegeven dat de waszak van onvoldoende omvang of gewicht zou zijn, blijkens zijn verklaring ‘dat het voor zijn standpunt in wezen niet relevant is of de zak 9 kg of 16 kg woog. Waar het om gaat is dat meer handelingen zijn verricht dan alleen het inladen of uitladen’. Dit laatste lijkt de A-G echter in casu niet het geval te zijn.

Het middel slaagt.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2683
V-N 2013/61.21.4
Belastingblad 2014/1
FutD 2013-2913
NTFR 2014/437 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. R.L.H. IJzerman

Advocaat-Generaal

Conclusie van 30 oktober 2013 inzake:

Nr. Hoge Raad: 13/01494

[X]

Nr. Gerechtshof: 12/00644

Nr. Rechtbank: AWB 12/1372

Derde Kamer B

tegen

Parkeerbelasting

28 februari 2012

B&W Gemeente Arnhem

1 Inleiding

1.1

Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 13/01494 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) van 19 februari 2013, nr. 12/00644, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2807, NTFR 2013/608 met noot Van der Burg, BB 2013/143 met noot De Bruin.

1.2

Belanghebbende heeft zijn auto stilgezet op een parkeerplaats voor een wasserette om daar wasgoed af te gaan geven. Daarna is hij teruggelopen naar zijn auto en verder gereden. Ter zake van het parkeren op die parkeerplaats was parkeerbelasting verschuldigd, maar belanghebbende had die niet voldaan. Daarom is hem de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.3

In geschil is of die naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Als hier sprake zou zijn van ‘parkeren’ in de zin der wet, zoals het Hof heeft geoordeeld, is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Belanghebbende stelt echter dat hier geen sprake is geweest van ‘parkeren’, maar van ‘het onmiddellijk laden of lossen van zaken’, zodat hem ten onrechte deze naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is opgelegd.

1.4

Het gaat hier om een bekend geschilpunt dat heeft geleid tot enkele arresten van de Hoge Raad en tot veel en uiteenlopende jurisprudentie van hoven en rechtbanken.

1.5

In de hier bestreden uitspraak heeft het Hof in r.o. 4.4 overwogen: ‘(…) Het bezoek, zoals hier, door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, vormt immers – hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest – geen laden en lossen in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.’ Belanghebbende bestrijdt thans in cassatie met name ook die door het Hof geformuleerde maatstaf. Ik merk op dat indien deze maatstaf zou worden aanvaard door de Hoge Raad, dat verder strekkende werking zou hebben voor de heffing van parkeerbelasting van particulieren die goederen inladen in hun auto om die elders uit te laden en af te geven.

1.6

De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding dat nu in cassatie voorligt in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante regelgeving1, jurisprudentie en literatuur.2 Onderdeel 5 behelst een beschouwing en de beoordeling van het cassatiemiddel, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Het Hof heeft de feiten als volgt vastgesteld:

2.1

Belanghebbende, inwoner van [Z], is eigenaar van een personenauto van het merk Audi, type A4 en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] (hierna: de auto).



2.2 Op 28 februari 2012 is belanghebbende met zijn auto gereden naar de [a-straat] te [Z] met het doel bij de wasserette [B] een zak met wasgoed (ter reiniging) af te geven. Belanghebbende heeft zijn auto stilgezet op een parkeerplaats voor genoemde wasserette. Ter zake van het parkeren op die parkeerplaats is parkeerbelasting verschuldigd.

2.3.

Belanghebbende heeft geen parkeerbelasting voldaan. Belanghebbende heeft de zak met wasgoed afgegeven bij de wasserette. Bij terugkomst bij de auto trof belanghebbende drie verbalisanten aan. (…)

2.2

Aan belanghebbende is vervolgens, op 28 februari 2012 om 10.53 uur, door één van de verbalisanten een naheffingsaanslag met nummer [001] in de parkeerbelastingen van de gemeente Arnhem opgelegd ten bedrage van € 55,50, bestaande uit € 1,50 aan parkeerbelasting en € 54 aan kosten ter zake van het opleggen van de aanslag.3

2.3

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag is bij uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem gehandhaafd.

Rechtbank

2.4

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

2.5

De Rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank) heeft het geschil als volgt omschreven:

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vraag of de auto van eiser stond geparkeerd (standpunt verweerder) dan wel dat eiser aan het laden en lossen was (standpunt eiser).

Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van het parkeren, gezien tijdstip en plaats van parkeren, parkeerbelasting zou zijn verschuldigd. Voorts is niet in geschil dat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan. Tot slot is niet in geschil dat het op de betreffende plek is toegestaan om te laden en te lossen.

2.6

De Rechtbank heeft ten aanzien van het geschil overwogen:

Eiser heeft aangevoerd dat er geen sprake is van parkeren maar van laden lossen. Volgens eiser stond hij een minuut op die plaats om zijn wasgoed ter behandeling aan de wasserette aan te bieden.

Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat indien nodig de medewerkers van wasserette [B] kunnen bevestigen dat hij hooguit een minuut met zijn auto voor de wasserette heeft gestaan om het wasgoed bij hen af te geven. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat het ging om een zak met wasgoed.

Verweerder heeft gesteld dat de parkeercontroleur geen laad- of losactiviteiten heeft waargenomen en dat dus sprake is van parkeren. Voorts is volgens verweerder de zak met wasgoed niet een goed van enige omvang en gewicht zodanig dat deze alleen in een auto kan worden vervoerd. Ook is er volgens verweerder bij het afgeven van kleding/wasgoed ter behandeling sprake van meer dan alleen laden en lossen. Tot slot heeft verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake is van parkeren, een aanvullend procesverbaal van twee aanwezige parkeercontroleurs overgelegd.

Artikel 1, aanhef en onder o, van de "Verordening parkeren en parkeerbelastingen 2012"

(hierna: de Verordening) luidt als volgt:

"In deze verordening wordt verstaan onder:

(...)

o. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet;

(...)"

Artikel 225, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet luiden als volgt:

" I . In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren

van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een

aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden."

De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 mei 1999, nr. 33.286, LJN:AA2760 onder andere

het volgende overwogen:

"3.2. Onder het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet (tekst 1994) [thans: artikel 225 van de Gemeentewet, Rb.] dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is."

Eiser heeft ter zitting desgevraagd aangegeven hoe groot en zwaar de zak met wasgoed was die hij bij de wasserette heeft afgegeven. Het ging om een zak ter grootte van ongeveer 60 cm. bij 60 cm. die hij zelf kon dragen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van het afgeven van de zak met wasgoed in dit geval niet worden gezegd dat er sprake is van het uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht. Mede gezien eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad is er in dat geval dan geen sprake van onmiddellijk laden en lossen maar van parkeren. Eiser had derhalve parkeerbelasting moeten voldoen.

Nu niet in geschil is dat er ten aanzien van het parkeren op die plek en op dat tijdstip parkeerbelasting is verschuldigd en eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Het verzoek van eiser ter zitting om de Gemeentewet aan te passen wordt verworpen. De rechtbank kan de Gemeentewet niet aanpassen, maar dient deze toe te passen.

Het getuigenaanbod van eiser wordt gepasseerd, omdat gezien het bovenstaande oordeel niet relevant is hoe lang eiser heeft stilgestaan.

De stelling van eiser dat er sprake zou zijn van wraakneming door de verbalisanten, omdat hij hen "zeikerds" heeft genoemd, wordt verworpen. Eiser heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat het opleggen van de naheffingsaanslag is ingegeven door de opmerking die hij jegens de verbalisanten heeft gemaakt. Ook de gedingstukken bieden geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.7

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hof

2.8

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

3.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de onderwerpelijke naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of te dezen sprake is van ‘parkeren’, zoals de Ambtenaar betoogt, dan wel van ‘onmiddellijk laden en lossen’, zoals belanghebbende bepleit.

2.9

Het Hof heeft ten aanzien van het geschil overwogen:

4.1.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de – overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet bekendgemaakte – Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem wordt onder ‘parkeren’ verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.

4.2.

Volgens zo-even genoemd artikel 225, tweede lid, wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot – voor zover hier van belang – het onmiddellijk laden of lossen van zaken.

4.3.

Onder het onmiddellijk laden en lossen van zaken dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33 286, LJN: AA2760, BNB 1999/257).

4.4.

Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld en het Hof acht aannemelijk dat hij slechts zeer kortstondig in de wasserette is geweest om de zak met wasgoed af te geven en dat de zak met wasgoed een gewicht had van ongeveer 12 kg. Niettemin kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat hier – door het uitstappen uit de auto, en onder medeneming van de zak met wasgoed binnengaan van de wasserette om deze aldaar ter reiniging aan te bieden – sprake is geweest van het onmiddellijk laden en lossen van zaken. Het bezoek, zoals hier, door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, vormt immers – hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest – geen laden en lossen in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.

4.5.

De naheffingsaanslag is, nu belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen, terecht aan belanghebbende opgelegd.

2.10

Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Arnhem (hierna: B&W gemeente Arnhem) heeft geen verweerschrift ingediend.

3.2

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn beroep in cassatie gesteld:

Het geschil betreft de vraag of mijn handelen op 28 februari 2012 als parkeren moet worden aangemerkt of als laden/lossen. Ik citeer de Uitspraak en de Gemeentewet, artikel 225: "onder parkeren (wordt.) verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot - voor zover hier van belang- het onmiddellijk laden of lossen van zaken"

"onder het onmiddellijk laden en lossen van zaken dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is".

In mijn motivering voor het hogere beroep en ter zitting heb ik geargumenteerd, dat door mij aan alle eisen, die in deze artikelen worden gesteld om van laden/lossen te spreken en dus niet van parkeren, werd voldaan. De verdediging van de tegenpartij heeft in zijn verweerschrift en ter zitting tegenargumenten aangevoerd. Deze tegenargumenten zijn door het Hof verworpen. Ik citeer:

"belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld en het Hof acht aannemelijk dat hij slechts zeer kortstondig in de wasserette is geweest om de zak met wasgoed af te geven en dat de zak met wasgoed een gewicht had van ongeveer 12 kg".

Het Hof is het dus met mij eens, dat ik een groot en zwaar pakket, dat ik alleen per auto aan de wasserette kan afleveren, heb afgegeven en alleen daartoe kort ben gestopt. Mijn conclusie is dus, dat er in dit geval sprake is van laden/lossen en dus niet van parkeren.

Niettemin heeft het Hof geconcludeerd, dat wel degelijk sprake is van parkeren en niet van laden/lossen. Er zijn kennelijk andere redenen voor het Hof om tot deze conclusie te komen. Ik citeer:

"het uitstappen uit de auto en onder medeneming van de zak met wasgoed binnengaan van de wasserette om deze aldaar ter reiniging aan te bieden is (niet) onmiddellijk laden en lossen".

"Het bezoek, zoals hier, door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, vormt immers - hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest- geen laden en lossen in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet".

Deze nieuwe redenen, die niet eerder in het geding zijn ingebracht (noch door de rechtbank, noch door de verdediging van de tegenpartij), zijn voor mij reden om in cassatie te gaan. Ik vermag niet in te zien hoe het feit dat ik ben uitgestapt, of dat ik de zak met wasgoed heb meegenomen en afgegeven bij de wasserette mijn handelen volgens de wet tot parkeren zou maken. Laden of lossen houdt zeker in dat je het voertuig verlaat en de lading ter plaatse aflevert met een bedoeling.

Verder is mijn handeling op de bewuste dag volgens mij niet vergelijkbaar met het bezoek van een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst. Doordat het Hof deze vergelijking wel maakt, worden hierbij twee belangrijke feiten genegeerd:

1. Het gaat hier om een groot en zwaar pakket, dat alleen per auto kan worden aangeleverd,

2. Wasserette [B] en ik hebben een zeer langdurige relatie waardoor alleen het afleveren van een zak met wasgoed volstaat als verzoek tot reiniging. Het naar binnen brengen van de zak met wasgoed om hem daaraf te geven was een handeling in het kader van het uitladen, niet meer of anders dan dat.

Juist op deze cruciale feiten was mijn verdediging (én het verweer van de tegenpartij) gebaseerd.

Het Hof heeft het verder over een consument en wil daarmee kennelijk een onderscheid scheppen tussen bedrijfsmatig en niet bedrijfsmatig uitladen. Dit onderscheid zie ik in de wetsbepaling niet terug.

Doordat het Hof de uitspraak, dat het hier parkeren betreft en geen laden/lossen, baseert op een situatie waarbij een consument een winkel bezoekt om daar bijvoorbeeld boodschappen te doen, of dergelijke, is de door haar getrokken conclusie onjuist. Mijn handelen wijkt daarvan wezenlijk af zoals hierboven aangegeven, wat maakt dat het hier laden/lossen betreft in plaats van parkeren.

4 Relevante regelgeving, jurisprudentie en literatuur

Wetgeving

4.1

Artikel 1, aanhef en onder o, van de Verordening Parkeren en Parkeerbelasting 2012 van de Raad van de Gemeente Arnhem luidt:4

In deze verordening wordt verstaan onder:

o. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet;

4.2

Artikel 225, lid 1, onder a en lid 2, van de Gemeentewet luiden:

1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

(…)

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Jurisprudentie Hoge Raad

4.3

De Hoge Raad heeft in zijn arrest HR NJ 1975, 481 overwogen:5

O. dat in het bestreden arrest, voor zoveel thans van belang, is overwogen: dat namens verdachte is betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het telastegelegde omdat het afgeven of ophalen van kentekenbewijzen als door verdachte gedaan moet worden aangemerkt als lossen of laden van goederen in de zin van art. 86 van voormeld reglement;
dat het spraakgebruik er zich tegen verzet om onder ‘laden en lossen van goederen’ te begrijpen het brengen van voorwerpen van zo geringe omvang als die van ‘enige kentekenbewijzen’ in en uit het betrokken voertuig;

dat het begrijpelijk is dat de wetgever op het verbod voertuigen te doen of laten staan een uitzondering heeft toegelaten voor het geval van laden en lossen van voorwerpen, die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht maar niet wel valt in te zien, waarom de wetgever reden zou hebben gevonden om mede van dat verbod uit te zonderen het geval van halen of brengen per voertuig van voorwerpen die zeer wel zonder voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht;


O. ten aanzien van het middel:

dat art. 86 RVV, voor zover dit onder parkeren niet begrepen doet zijn het doen of laten staan van voertuigen gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen, uitsluitend beoogt daarmede te voorkomen, dat als gevolg van een parkeerverbod het bezorgen of ophalen van goederen, die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht, niet zonder overtreding der wet mogelijk zou zijn;

dat het Hof dan ook terecht het brengen van enige kentekenbewijzen in en uit het in de bewezenverklaring bedoelde voertuig niet heeft aangemerkt als ‘laden en lossen van goederen’ in de zin van genoemd art. 86, en het middel tevergeefs tegen deze opvatting opkomt;
(…)

4.4

A-G Remmelink heeft in de conclusie bij dit arrest betoogd:6

Req. vraagt ook nog: waar deze beperking dan wel staat in de wet, waarop ik moet antwoorden, dat dit is een zaak van (restrictieve, rationele en teleologische) interpretatie van de RVV-tekst. Het alternatief, dat req. biedt, waarin slechts het ‘willekeurig’ parkeren strafbaar zou zijn, bijv. het parkeren door iemand, die een wandelingetje is gaan maken, zou in de praktijk opheffing van het parkeerverbod betekenen, omdat dan ieder bijv. tegenover de politie zou kunnen beweren, dat hij bezig was een pakje sigaretten te kopen, dus sigaretten aan het laden was enz. In dit verband wijs ik ook nog op een arrest van het Zwitserse Bundesgericht, vermeld door Schultz, Die Strafrechtliche Rechtsprechung zum neuen Strassenverkehrsrecht, Bern 1968, p. 177: ‘Guterumschlag’ is: ‘das Verladen oder Ausladen von Sachen..., die nach Grosse oder Gewicht die Beforderung durch ein Fahrzeug notig machen. Ein Packlein Zigaretten ist kein solches Gut’. Zie voorts in deze geest Schultz, Die strafrechtliche Rechtsprechung zum Strassenverkehrsrecht 1968–1972, Bern, 1974, p. 219.

4.5

De Hoge Raad heeft in zijn arrest gepubliceerd in Verkeersrecht 12/1993, nr. 164, overwogen:7

5.1.

Uit art. 24, eerste lid aanhef en onder d, RVV 19908, gelezen in samenhang met art. 1, aanhef en onder ac, van dit besluit, volgt dat een geval van "parkeren" zich niet voordoet indien sprake is van onmiddellijk laden en lossen. Die bepalingen beogen te voorkomen dat als gevolg van een parkeerverbod het bezorgen of ophalen van goederen, die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht, niet zonder overtreding van de wet mogelijk zou zijn. Onder onmiddellijk laden en lossen dient dan ook te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- of uitladen van goederen van enig omvang of enig gewicht gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

4.6

De Hoge Raad heeft in BNB 1999/190 overwogen:9

Uit de overwegingen van Hof Amsterdam 27 september 1994, nr. 93/0685-E-5

5.2

Belanghebbende heeft als grief aangevoerd dat zij de auto op de parkeerplaats had neergezet uitsluitend om een lege doos bij Albert Heijn op te halen waarmee enkele minuten gemoeid zijn geweest. Onder die omstandigheden kan, naar belanghebbendes inzicht, niet worden gesproken van parkeren.

5.3

Ook voor het parkeren van een auto gedurende slechts enkele minuten is parkeerbelasting verschuldigd.

5.4

Het ophalen van een lege doos kan niet worden aangemerkt als het "onmiddellijk laden van goederen" in de zin van art. 276a, tweede lid, van de Gemeentewet, ook niet in het geval er met het halen van die doos slechts enkele minuten gemoeid zijn geweest.

Onder het doen of laten staan van een voertuig voor het onmiddellijk laden van goederen is te verstaan het plaatsen van een voertuig dicht bij een plaats waar goederen moeten worden geladen in gevallen waarin die goederen bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden afgevoerd. Aan deze criteria is niet voldaan.

(…)

3. Beoordeling van de klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.7

De Hoge Raad heeft in HR BNB 1999/257 overwogen:10

3.2.

Onder het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet (tekst 1994) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Anders dan belanghebbende in zijn klacht onder II aanvoert, geeft 's Hofs oordeel onder 5.2, waarin besloten ligt dat in het onderhavige geval geen sprake was van het onmiddellijk lossen van goederen in bovengenoemde zin, geen blijk van een onjuiste opvatting van dit begrip. Dat oordeel is evenmin ontoereikend gemotiveerd, zodat ook deze klacht faalt.

Jurisprudentie Gerechtshoven

4.8

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:11

2 a. Onder het lossen van goederen in de zin van art. 2, aanhef en letter a, van de verordening moet worden begrepen zowel het uit het voertuig halen van goederen als het aansluitend bezorgen van die goederen te bestemder plaatse; daarbij dienen de plaats waar het voertuig staat en het bezorgadres niet op een onredelijke afstand van elkaar te liggen en dienen de desbetreffende goederen bezwaarlijk anders dan per voertuig te kunnen worden gebracht.
Aangezien aan deze voorwaarden is voldaan - belanghebbende stelt, onbetwist door de directeur, de vorenbedoelde afstand op 10 à 12 meter en het betrof een cirkelzaagmachine - is in het onderhavige geval sprake van het lossen van goederen.

4.9

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:12

2 Uit voormelde verklaring, waaraan het hof geloof hecht, leidt het hof af dat belanghebbende naar het adres b-gracht 11 is gegaan met de intentie een aldaar verkeerd bezorgde plant, zijnde een ficus van circa 1,5 meter hoog bij circa 75 centimeter breed, terug te nemen en in zijn auto in te laden.

Belanghebbende heeft daadwerkelijk uitvoering gegeven aan voormelde intentie, zij het dat hij de plant niet op voormeld adres in ontvangst kon nemen, omdat de bewoner de plant zelf op het juiste adres had afgeleverd. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende langer bij meervermeld adres heeft vertoefd dan voor het correct afwikkelen van zijn opdracht noodzakelijk was. Aldus heeft belanghebbende zijn auto niet geparkeerd in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 1993, doch heeft hij de auto gebruikt voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen weggedeelten. De omstandigheid dat de plant op het adres Heerengracht niet meer aanwezig was, doet aan het vorenoverwogene niet af. Het gelijk is mitsdien aan belanghebbende.

4.10

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:13

5 Belanghebbende stelt dat het ophalen van was en het terugbezorgen met daarbij het afrekenen als het onmiddellijk laden of lossen van goederen moet worden beschouwd. De gemeente stelt dat het afrekenen niet gerekend moet worden tot het onmiddellijk laden of lossen, en dat mitsdien de parkeerbelasting voldaan had moeten worden.
6 Het hof gaat ervan uit dat de in art. 2 van de verordening genoemde uitzonderingen voor in- of uitstappen van personen en laden of lossen van goederen beogen voor binnen zogenaamd gefiscaliseerd gebied wonende personen en gevestigde bedrijven het uit vervoer van personen en goederen per auto noodzakelijk voortvloeiend kortstondig parkeren belastingvrij mogelijk te maken.

Alsdan moet als onmiddellijk laden of lossen van goederen worden aangemerkt het ophalen en terugbezorgen van was door een wasserijbedrijf bij klanten. Tot zodanig laden en lossen moet ook worden gerekend het ter plekke verrichten van noodzakelijke administratieve handelingen, zoals het overleggen van nota's, het controleren van geleidelijsten en pakbonnen, en het in ontvangst nemen van contante betalingen door klanten. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

4.11

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:14

2 Belanghebbende stelt dat het halen van de post minder dan een minuut in beslag heeft genomen en moet worden aangemerkt als laden en/of lossen, zodat geen sprake is van parkeren. Onder laden en lossen dient - naar 's hofs oordeel - te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- of uitladen van goederen van zodanig gewicht of zodanige omvang dat deze bezwaarlijk anders dan per auto konden worden vervoerd gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Nu - naar niet in geschil is - de door belanghebbende opgehaalde post niet een dergelijk gewicht of dergelijke omvang hadden, is van laden en/of lossen geen sprake. Daaraan doet niet af dat het halen van de post minder dan een minuut duurde. In zoverre is het gelijk aan verweerder.

4.12

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:15

4.1.

In de gedingstukken en ter zitting heeft belanghebbende - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Op de ochtend van 27 juli 2004 heb ik een in een doos verpakte combimagnetron (hierna: het pakket) in de kofferbak van de auto gezet en ben naar de a-straat te Amsterdam gereden om het pakket bij mijn in die straat wonende zoon af te leveren.

De afmetingen van het pakket bedroegen ongeveer 70 x 50 cm en het pakket woog ongeveer 15 kg.

(…)

4.2.

Verweerder heeft belanghebbendes verklaringen niet weersproken.

(…)

7. Het Hof acht belanghebbendes onder 4.1 weergeven en door verweerder niet, althans niet adequaat, weersproken verklaringen betreffende

- de reden van het stilzetten van de auto,

- de plek waar de auto stond (‘precies voor de deur’ van het bezorgadres),

- de handelingen die daarna volgden,

- het aantal minuten dat een en ander duurde, en

- de omvang en het gewicht van het pakket

geloofwaardig. Naar het oordeel van het Hof betekent dit, gelet op het onder 6 genoemde arrest van de Hoge Raad, dat sprake is van onmiddellijk lossen van goederen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening. Daarbij neemt het Hof in aanmerking:

- dat de auto en de woning (het bezorgadres) op kleine tot redelijke afstand van elkaar lagen.

- dat aangenomen kan worden dat het pakket van een zodanig gewicht en een zodanige omvang was dat het bezwaarlijk anders dan per auto kon worden vervoerd; en

- dat het lossen niet langer dan noodzakelijk heeft geduurd.

(…)

4.13

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:16

2.2.

Vervolgens heeft eiser in opdracht van zijn werkgever een tweetal in dozen verpakte beeldschermen uit een winkel afgehaald. Deze winkel lag op ongeveer 50 m afstand van de plaats waar hij zijn auto had geplaatst. Eiser had zijn komst naar de winkel telefonisch aangekondigd, de beeldschermen stonden gereed om te worden afgehaald en binnen vijf minuten nadat eiser zijn auto op voormelde plaats tot stilstand had gebracht, is hij weer weggereden.

(…)

2.5.3.

In het onderhavige geval staat, als door belanghebbende gesteld en door de heffingsambtenaar niet althans onvoldoende betwist, vast dat belanghebbende de auto tot stilstand heeft gebracht teneinde naar de ongeveer 50 meter verder gelegen winkel te lopen, dat belanghebbende aldaar twee dozen heeft ontvangen, voor die ontvangst heeft getekend, de desbetreffende dozen vervolgens naar zijn auto heeft gebracht en geen andere handelingen heeft verricht dan deze handelingen. Tevens staat vast dat in elk van die dozen een beeldscherm zat. Gelet op hetgeen belanghebbende dienaangaande ter zitting heeft verklaard acht het Hof aannemelijk dat de onderhavige beeldschermen zaken zijn die gelet op hun gewicht en omvang, apart dan wel gezamenlijk, bezwaarlijk anders dan per auto kunnen worden vervoerd.

4.14

Het gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen:17

2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in zijn uitspraak onder 4.3 het volgende overwogen:

‘Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij een muziekinstallatie heeft afgeleverd. Ter zitting heeft eiser met zijn handen de grootte van deze installatie aangegeven. Uit de aanwijzing van eiser maakt de rechtbank op dat de omvang van de muziekinstallatie ongeveer 40 cm x 20 cm x 20 cm bedroeg. Getuige B heeft met betrekking tot de aard en de omvang van de goederen een hiervan geheel afwijkende verklaring afgelegd. Het wegbrengen van een muziekinstallatie van een dergelijke omvang is naar het oordeel van de rechtbank -anders dan eiser kennelijk veronderstelt- niet aan te merken als ‘het onmiddellijk laden of lossen van goederen van enige omvang of gewicht’. Dat genoemde gedragingen van belanghebbende in een relatief kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden doet daaraan niet af.

(…)

2.5.5.

Het moet immers gaan om goederen van enige omvang of enig gewicht. Belanghebbende stelt dat dit het geval is geweest. Hij betwist de door de rechtbank vastgestelde omvang. Zijns inziens was de omvang belangrijk groter. Nu de rechtbank deze omvang heeft afgeleid (zoals in onderdeel 4.3 van de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd) uit een door belanghebbende ter zitting met zijn handen aangegeven omvang, ziet het Hof reden aan de door de rechtbank vastgestelde omvang minder betekenis toe te kennen dan aan de hierover ter zitting voor het Hof door belanghebbende afgelegde nadere verklaring (zie voorlaatste zin van deze rechtsoverweging). In dat geval kan evenmin geoordeeld worden dat de verklaring van B wat betreft de omvang van de door belanghebbende afgeleverde goederen geheel in strijd is met de door belanghebbende ter zitting van de rechtbank aangeduide omvang, welke verklaring van B inhoudt dat sprake is geweest van 3 kisten. Voorts heeft de rechtbank omtrent het gewicht van de goederen niets vastgesteld. Voor het Hof heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat het om een in een doos verpakte stereo-installatie en twee luidsprekers ging, die hij in één keer heeft meegenomen, met een gezamenlijke omvang van ongeveer 40 cm x 30 cm x 100 cm en dat het gewicht omstreeks 15 kg. beliep. Het Hof heeft geen reden aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Hier is naar het oordeel van het Hof dan ook sprake van goederen van enige omvang of enig gewicht, als bedoeld onder 2.5.3.

4.15

Het gerechtshof te Arnhem heeft overwogen:18

4.1

dat D in de middag van 28 februari 1992 de auto uit de parkeergarage Y te X heeft opgehaald teneinde daarmee promotiemateriaal naar Z te vervoeren voor haar werkgeefster A;
4.2 dat zij daartoe de auto heeft geplaatst in een parkeervak op de a-straat bij parkeermeter nummer 126, in de directe nabijheid van 'B';

4.3

dat zij de auto verliet en niet aanstonds geld in de parkeermeter heeft geworpen, maar naar de winkel is gelopen teneinde aldaar parkeergeld alsook een eerste vracht promotiemateriaal, dat in de winkel reeds voor vervoer naar Z stond opgesteld, op te halen;

4.4

dat zij, toen zij met twee bloembakken en wat kleingeld bij de auto terugkeerde, zag dat een naheffingsaanslagbiljet was uitgeschreven omdat voor de auto de verschuldigde parkeerbelasting niet op aangifte was voldaan;

4.5

dat zij op ongeveer 20 meter van de auto verwijderd twee parkeerwachters ontwaarde en hen heeft aangesproken in een vergeefse poging de naheffingsaanslag ongedaan te krijgen;

4.6

dat zij hierna, nadat de auto na 7 à 8 maal heen en weer lopen was ingeladen, daarmee naar Z is vertrokken.

5.1

Het hiervoor onder 4 vermelde brengt naar het oordeel van het hof mee, dat sprake is geweest van het onmiddellijk laden van goederen, als bedoeld in artikel 2 van de Verordening en dat zich hier derhalve geen belastbaar feit als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die Verordening heeft voorgedaan.

4.16

Het gerechtshof te Arnhem heeft overwogen:19

5 Hoewel de ambtenaar in het vertoogschrift gewezen heeft op het vereiste dat sprake moet zijn van zaken die "enige omvang of enig gewicht hadden", heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd om tot het oordeel te kunnen komen dat de poststukken die zij stelt op het postkantoor te hebben afgegeven dusdanig groot en/of zwaar waren dat zij bezwaarlijk anders dan per auto tot dicht bij het postkantoor konden worden gebracht. Dat de stukken niet door een brievenbusopening zouden passen is hiertoe onvoldoende.

4.17

Het gerechtshof te Arnhem heeft overwogen:20

4. Onder het doen of laten staan van een voertuig voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken dient volgens vaste jurisprudentie te worden verstaan: het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het ophalen van aangeschafte kledingstukken in combinatie met het betalen van de daarvoor verschuldigde aankoopsom is -anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt- niet aan te merken als “het onmiddellijk laden of lossen van zaken”. Dat genoemde gedragingen van belanghebbende in een relatief kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden doet daaraan niet af.

4.18

Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft overwogen:21

5.1.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat uitsluitend nog in geschil is het antwoord op de rechtsvraag of het in- en uitladen van een antiek tafeltje van 57 cm bij 30 cm en een gewicht van 7 kilogram onder de term "laden of lossen" kan worden gebracht.

5.2.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat onder het doen of laten staan van een voertuig voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen is te verstaan het plaatsen van een voertuig dicht bij een plaats waar goederen moeten worden geladen of gelost in gevallen waarin die goederen bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden aan- of afgevoerd. Er moet derhalve sprake zijn van goederen van enige omvang of enig gewicht.

5.3.

Het Hof is van mening dat in casu aan de bovengenoemde criteria is voldaan en dat derhalve sprake is van laden en lossen. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende.

4.19

Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft overwogen:22

7. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het pakketje waarvoor hij bij B was van een zodanige omvang en gewicht was, dat dit bezwaarlijk anders dan per voertuig kon worden vervoerd. Integendeel, het mag van algemene bekendheid worden verondersteld dat het desbetreffende pakketje, een zogenoemde SD geheugenkaart, gelijk de Rechtbank terecht heeft overwogen, een pakketje van zeer geringe omvang en zeer gering gewicht betreft. Daarom kan het afgeven (dan wel ophalen) daarvan niet als het onmiddellijk laden en lossen in de hiervoor bedoelde zin worden gekwalificeerd. Gelijk de Rechtbank vervolgens heeft overwogen, is dan niet meer van belang hoe lang het voertuig in het parkeervak heeft gestaan.

4.20

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft overwogen:23

2. Belanghebbende stelt dat hij als koerier twee enveloppen heeft opgehaald bij X aan de A-kade en dat hij dus niet heeft geparkeerd, maar aan het laden was. Voorts stelt belanghebbende dat hij maximaal tien minuten binnen is geweest om zijn werk te doen en dat hij binnen nog heeft getelefoneerd.

3. Onder het begrip onmiddellijk laden en lossen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Gelet op hetgeen belanghebbende als onder 2 vermeld heeft aangevoerd, is er daarvan in dit geval geen sprake.

4.21

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft overwogen:24

2 Belanghebbende heeft gesteld dat er geen sprake was van parkeren, maar van onmiddellijk laden en lossen. Hij voert daartoe het volgende aan. Een medewerker van belanghebbende ging op 8 november 1993 omstreeks 13.45 uur een omvangrijke bestelling broodjes bezorgen.

(…)

4 Uit art. 276a, tweede lid, gemeentewet (oud) en het daarmee in overeenstemming zijnde art. 2, onderdeel e, van de verordening volgt dat een geval van "parkeren" zich niet voordoet indien er sprake is van onmiddellijk laden of lossen van goederen. Deze bepalingen beogen te voorkomen dat belastingplicht voor de parkeerbelastingen ontstaat indien uitsluitend goederen worden bezorgd of opgehaald, die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht.

Onder onmiddellijk laden of lossen dient dan ook te worden verstaan het onmiddellijk, nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bij voortduring in- of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht gedurende de tijd die daarvoor nodig is (vergelijk HR 15 juli 1993, nr. 92-93-V, gepubliceerd in Verkeersrecht 1993/164).

5 Het hof acht de door belanghebbende onder 2 gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk. Daaraan doet niet af dat door de directeur is gesteld dat door de desbetreffende parkeercontroleur geen laad- en losactiviteiten zijn geconstateerd. Hiervan uitgaande en in aanmerking nemende dat gesteld noch gebleken is dat de werknemer van belanghebbende langer bij het bezorgadres heeft vertoefd dan voor het correct afwikkelen van de bestelling noodzakelijk was, is er naar 's hofs oordeel in dit geval sprake van onmiddellijk laden of lossen van goederen in de onder 4 bedoelde zin.

4.22

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft in vergelijkbare zin overwogen:25

4 Belanghebbende heeft gesteld dat geen sprake was van parkeren, maar van onmiddellijk laden en lossen. Zij voert daartoe het volgende aan. Op voormelde datum moest belanghebbende op de a-dijk 20 liter vloerverzorging en 6 Sorbo vloersponsen afleveren.(…)

7 Het hof acht de door belanghebbende onder 4 gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk. Hiervan uitgaande en in aanmerking nemende dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende langer bij het bezorgadres heeft vertoefd dan voor het correct afwikkelen van de losactiviteit noodzakelijk was, is naar 's hofs oordeel in dit geval sprake van onmiddellijk lossen van goederen in de onder 6.2 bedoelde zin. (…)

4.23

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft overwogen:26

7 De door belanghebbende aangevoerde stelling begrijpt het hof aldus, dat zij haar auto op de a-gracht heeft neergezet enkel met het doel om bij een slechts te voet bereikbare woning in het b-hof gezuiverd water te halen. Al met al heeft een en ander, naar haar zeggen, slechts een kleine tien minuten in beslag genomen.

8 In navolging van art. 225, tweede lid, Gemeentewet wordt ingevolge art. 2, onderdeel a, Verordening onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

9 Belanghebbendes kennelijke beroep op de in punt 8 vermelde uitzondering met betrekking tot het onmiddellijk laden en lossen van goederen kan naar 's hofs oordeel niet slagen. Zij heeft immers niet aannemelijk gemaakt, tegenover de gemotiveerde betwisting door het hoofd, dat die uitzondering zich hier heeft voorgedaan.

10 Bij de vorming van dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door het hoofd, niet is komen vast te staan: 1. dat belanghebbende haar auto heeft neergezet op de ten opzichte van de hofjeswoning dichtstbijgelegen parkeerplaats, 2. dat sprake is van goederen die bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald, 3. dat de tijd die met een en ander gemoeid is geweest enkel de tijd betreft die nodig was voor het onmiddellijk laden en lossen.

4.24

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft overwogen:27

7.2.2.

Naar het oordeel van het Hof dient aan het begrip ”onmiddellijk laden en lossen” een strikte uitleg te worden gegeven. Daartoe verwijst het Hof naar het arrest van de Hoge Raad, van 12 mei 1999, nummer 33.286, LJN: AA2760, namelijk dat onder het onmiddellijk laden en lossen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig, gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

7.2.3.

In het onderhavige geval wordt aan het bovenvermelde criterium, met name dat sprake is van bij voortduring uitladen van goederen, niet voldaan. Het Hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het uitladen, wegbrengen en heen en weerlopen veertig minuten heeft geduurd. In samenhang bezien met het feit dat de te verhuizen objecten niet van een substantieel gewicht of omvang zijn, is geen afdoende verklaring voor het tijdsbeslag gegeven. Tevens is daarbij van belang dat de Inspecteur onvoldoende bestreden heeft verklaard dat de parkeercontroleur geen laad- of losactiviteiten heeft waargenomen. Ook hetgeen de dames [A] en [B] op dit punt hebben verklaard acht het Hof van onvoldoende gewicht. Daarbij heeft het Hof uitdrukkelijk in de beschouwing betrokken dat het een kleine personenauto betreft waarin geen grote voorwerpen zoals grote meubels kunnen zijn vervoerd.

4.25

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft overwogen:28

3. Het ophalen van drie boeken – waarmee, naar belanghebbende heeft gesteld, acht tot tien minuten was gemoeid – kan, ook indien dit in het kader van de bedrijfsvoering gebeurt, niet worden aangemerkt als het laden van goederen. Er is immers geen sprake van een zodanige omvang of gewicht dat het in de auto brengen ervan als inladen kan worden gekwalificeerd. Bovendien kan het tijdsverloop tussen het tot stilstand brengen van de auto en de terugkeer met de boeken uit de winkel niet worden gezien als de tijd die voor het veronderstelde laden nodig is.

Jurisprudentie Rechtbanken

4.26

De rechtbank te Arnhem heeft overwogen:29

2. Feiten

(…)

Tot de stukken behoort een ambtsedige verklaring van de ambtenaar die de bestreden naheffingsaanslag heeft opgelegd, [A]. Daarin schrijft hij onder meer:

“Nadat ik de beschikking had uitgeschreven en nadat ik met mijn collega verder was gelopen hoorde ik dat ik door een man werd teruggeroepen. Ik zag dat dit de eigenaar/bestuurder van die auto was en ik zag dat hij drie dozen bij zich droeg van ongeveer 30 bij 60 centimeter. Die man vertelde mij dat hij een bestelling had opgehaald bij de bakker en aan het laden cq lossen was. Ik heb die man uitgelegd dat de omvang van de goederen die hij bij zich droeg niet voldeden aan de criteria “van enige omvang” en zwaarte waardoor dit niet onder laden/lossen viel. De tijd van verbaliseren en het gesprek met de betrokkene heeft ongeveer zeven minuten geduurd.”.

(…)

4. Beoordeling van het geschil

Tegenover de betwisting van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de bestelling die hij bij [D] ophaalde van een zodanige omvang en gewicht was, dat deze bezwaarlijk anders dan per voertuig kon worden afgevoerd. De enkele verklaring van eiser dat de partij groter was dan de drie dozen waarmee de ambtenaar hem aantrof, is daarvoor, gelet op de betwisting daarvan door verweerder, niet voldoende. Ook de omvang van de drie dozen tezamen acht de rechtbank, gelet op de afmetingen genoemd in de onder 2. geciteerde ambtsedige verklaring, op zichzelf niet voldoende om te kunnen spreken van laden en lossen, nu over het gewicht daarvan niets is gesteld.

4.27

De rechtbank te Breda heeft overwogen:30

2.5.Ingevolge artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1, sub a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2002 wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

2.6.Onder het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in art. 226 van de Gemeentewet (tekst 1994, thans artikel 225 Gemeentewet) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, BB 99/566).

2.7.Belanghebbende heeft gesteld dat hij in het kader van zijn beroep als makelaar alleen uit de auto was gestapt om een sleutel bij het makelaarskantoor op te halen. De dienstdoende parkeerwachters hebben hem ook naar binnen en weer naar buiten zien lopen.

(…)

2.8.Gezien de onder 2.5. vermelde definitie is bij het ophalen van een sleutel geen sprake van het onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in de Gemeentewet en de Verordening. Het gegeven dat de auto maar een zeer korte tijd op de parkeerplaats stond, maakt niet dat geen sprake was van parkeren. Belanghebbende had dus parkeerbelasting moeten voldoen en de aanslag is terecht opgelegd.

4.28

De rechtbank te Breda heeft overwogen:31

2.5.

Onder het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (vergelijk Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33 286, BB 99/566).

2.6.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het in een winkel ophalen van een taart niet aan de voormelde omschrijving. Het gewicht of omvang van de taart was niet zodanig dat deze bezwaarlijk anders dan per auto kon worden vervoerd. Dat het parkeren van de auto en het betalen en ophalen van de taart slechts 1 minuut in beslag heeft genomen, maakt dit niet anders.

Literatuur

4.29

Roede meent:32

Conclusie

De gerechtshoven leggen op de gemeente de bewijslast (aannemelijk maken) dat er van parkeren sprake is en derhalve niet van onmiddellijk laden en/of lossen.

Een ambtsbericht van de betrokken parkeercontroleur dat hij/zij goed heeft rondgekeken, is daartoe voldoende (…). Ik teken hierbij aan dat dit ambtsbericht naar mijn inschatting wel op een recente herinnering van de controleur dient te berusten.

Ook de duur van de aanwezigheid van de controleur in de desbetreffende straat kan de rechter overtuigen (…). Dit is voor de gemeente eenvoudig te achterhalen door na te gaan waar en wanneer de voorgaande en volgende naheffingsaanslag zijn opgelegd.

Als de gemeente er niet in slaagt om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van "onmiddellijk laden en/of lossen", gaat het hof toetsen of de door belanghebbende aangevoerde feiten "onmiddellijk laden of lossen" opleveren.

Daarvoor gebruiken de gerechtshoven de definitie die de Hoge Raad daarvoor heeft gegeven duidelijk als richtlijn. Daarbij dient de aard van de zaken zodanig te zijn dat ze bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden vervoerd (…). De zaken mogen ook te bestemder plaatse worden opgehaald of bezorgd mits de afstand redelijk is (…). Het laden en lossen mag gezien de aard van de zaken en de te overbruggen afstand niet langer dan noodzakelijk hebben geduurd (…).

Activiteiten die tot het laden en lossen worden gerekend zijn: het overleggen van nota's, het controleren van geleidelijsten en pakbonnen en het in ontvangst nemen van contante betalingen (…). Daartoe worden niet gerekend: het wachten in een winkel, het afwikkelen van garantie en telefoneren

(…)

4.30

Van der Burg c.s. hebben geschreven:33

Volgens de belastingrechter dient onder het onmiddellijk laden en lossen te worden verstaan:

‘(...) het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.’

Het ophalen van een lege doos of het posten van een brief zal de toets der kritiek dus niet doorstaan.

De gerechtshoven oordelen dat laden en lossen niet slechts het in of uit het voertuig brengen omvat, maar ook het halen of brengen ter plaatse, waaronder ook bepaalde samenhangende administratieve verrichtingen vallen zoals het overleggen van nota’s enz. Hof ‘s-Gravenhage oordeelde echter dat wanneer verhuizers binnen een huis gedurende meer dan tien minuten verhuisgoederen op de juiste plaatsen zetten, niet meer kan worden gesproken van het onmiddellijk laden en lossen van zaken. De gerechtshoven oordelen verder in de lijn van de definitie van de Hoge Raad dat de aard van de zaken zodanig dient te zijn dat deze bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden vervoerd. Bij het ophalen en betalen van aangeschafte kledingstukken bijvoorbeeld is gewoon sprake van parkeren en niet van laden en lossen. Ook mag het laden en lossen gezien de aard van de zaken en de te overbruggen (redelijke) afstand niet langer dan noodzakelijk hebben geduurd. Zo oordeelde Hof ‘s-Gravenhage bijvoorbeeld dat geen sprake is van onmiddellijk laden als iemand in een winkel tien minuten op zijn beurt moet wachten, en vervolgens wordt geholpen en afrekent. In verband met het feit dat gemeenten in eerste instantie dienen te bewijzen dat sprake is geweest van parkeren, verdient het gelet op het voorgaande, aanbeveling dat controleurs enige wachttijd in aanmerking nemen.

4.31

Van der Burg heeft in NTFR 2013/608 bij de hofuitspraak in de onderhavige procedure geannoteerd:

In deze casus is in geschil de vraag of sprake is van ‘parkeren’ waaronder niet valt het ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’. Deze twee begrippen komen beide uit art. 225, lid 2, Gemeentewet en zijn dus bedoeld om het belastbare feit af te bakenen. Ingevolge de jurisprudentie dient onder het onmiddellijk laden en lossen van zaken te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33.286, LJN: AA2760, BNB 1999/257). De onderhavige casus handelt over een kortstondig bezoek aan een wasserette en het afleveren aldaar van een zak wasgoed van twaalf kg. Men zou in het verlengde van het voorschrift van de Hoge Raad – en conform de tot op heden gevestigde jurisprudentie – dus dienen te kijken naar de aard en de omvang van de goederen, waarbij het voor de hand ligt dat daarbij de afstand tot het laad- of losadres wordt betrokken om te bezien of e.e.a. bezwaarlijk anders had gekund dan op deze wijze. Ik kan me voorstellen dat op basis van deze criteria men in de onderhavige casus twee kanten op kan redeneren. Men kijkt dan puur naar de aard en omvang van de goederen. In het verleden is Hof Amsterdam in een soortgelijke casus (een zak wasgoed van vijftien kg) tot de conclusie gekomen dat wel sprake was van laden en lossen. Het hof voegt thans een nieuw criterium toe dat mijns inziens verder gaat dan de door de Hoge Raad gegeven definitie. De fysieke beoordeling die besloten ligt in de definitie van de Hoge Raad wordt door het hof voor consumenten in het algemeen losgelaten door te oordelen dat het bezoek door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest, geen laden en lossen oplevert. Hierdoor is in die gevallen gewoon sprake van parkeren waarvoor parkeerbelasting verschuldigd en dus wordt daarmee de reikwijdte van het begrip ‘laden en lossen van zaken’ in het algemeen beperkt. Voor het onderhavige geval kan ik – gezien de aard van de geloste zaken – met de uitkomst nog wel leven. Indien het echter zou gaan om andere zaken dan kan dit toch weer anders zijn. Ik vraag me af of het onderscheid consument versus zakelijk verkeer dan houdbaar zal zijn.

4.32

De Bruin heeft bij dezelfde hofuitspraak in BB 2013/143 geschreven:

Ik heb enige aarzeling bij deze uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden.

De Hoge Raad omschrijft in het genoemde arrest het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in de Gemeentewet als “het onmiddellijk nadat het voertuig tot stand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of van enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is”.

Ervan uitgaande dat de zak wasgoed van 12 kilogram onder voornoemde omschrijving van goederen van enige omvang of van enig gewicht valt, rijst de vraag hoe beperkt de term ‘laden en lossen’ is. Als de belanghebbende de zak op de stoep had achtergelaten valt de handeling vermoedelijk wel onder de omschrijving, maar in dat geval had hij zijn wasgoed nooit meer terug gezien.

En wat te denken van de situatie waarin bij een bouwplaats een partij bakstenen wordt afgeleverd en de vervoerder naar de uitvoerder loopt om zijn leveringsbon te laten aftekenen of de wasmachineleverancier die de wasmachine naar de flat op de zesde verdieping brengt en ook daar een bon laat aftekenen?

Uit de uitspraak blijkt niet duidelijk hoe lang belanghebbende in de wasserette is geweest.

Het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende zeer kort in de wasserette is geweest ‘om de zak met wasgoed af te geven’. Mogelijk heeft hij om een ‘afgiftebon’ gevraagd. Ik vind het ver gezocht om dit te vereenzelvigen met het bezoek van een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst en daaruit te concluderen dat geen sprake is van onmiddellijk laden en lossen. Naar mijn mening is het afgeven van de goederen te vatten onder het bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of van enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

5 Beschouwing en beoordeling

5.1

Voor de heffing van parkeerbelasting wordt onder ‘parkeren’ verstaan het op een plaats waar dat is toegestaan, zoals in casu, gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot, voorzover hier van belang, het onmiddellijk laden of lossen van zaken.34

5.2

Met betrekking tot strafrechtelijk verboden parkeren op bepaalde plaatsen, wat zich in casu dus niet voordoet, heeft de Hoge Raad als ratio voor de uitzondering voor laden of lossen genoemd dat die ziet op ‘voorwerpen die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht’.35 Ook om ‘te voorkomen dat als gevolg van een parkeerverbod het bezorgen of ophalen van goederen, die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht, niet zonder overtreding van de wet mogelijk zou zijn’.36

5.3

Het komt mij voor dat die ratio voor de fiscaliteit mutatis mutandis dezelfde is, aldus dat de uitzonderingen voor laden en lossen beogen dat binnen voor de heffing van parkeerbelasting aangewezen gebieden het uit vervoer van personen en goederen per auto noodzakelijk voortvloeiende kortstondig parkeren belastingvrij kan geschieden.37

5.4

Ik merk op dat noch uit die ratio noch anderszins blijkt van enig onderscheid tussen particuliere of bedrijfsmatige vervoerders per auto. Het komt mij dan ook voor dat het Hof ten onrechte dat onderscheid heeft gemaakt door in r.o. 4.4 te overwegen: ‘(…) Het bezoek, zoals hier, door een consument aan een winkel voor het verkrijgen van een dienst, vormt immers – hoe kortstondig dat bezoek ook is geweest – geen laden en lossen in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.’ Mijns inziens kunnen alle vervoerders per auto, dus ook particulieren, in principe ‘laden of lossen’ in de zin der wet. Zolang daarvan sprake is, lijkt het specifieke doel waarvoor wordt geladen of gelost mij niet van belang. De daarop ziende klacht van belanghebbende treft doel.38

5.5

Bij arrest van 12 mei 199939 heeft de Hoge Raad overwogen: ‘Onder het onmiddellijk laden en lossen (…) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.’

5.6

In casu heeft het Hof in r.o. 4.4 overwogen: ‘(…) het Hof acht aannemelijk dat hij slechts zeer kortstondig in de wasserette is geweest om de zak met wasgoed af te geven en dat de zak met wasgoed een gewicht had van ongeveer 12 kg. (…)’

5.7

Daarmee staat dus vast dat hier sprake was van ‘lossen’.

5.8

Het Hof heeft in r.o. 2.2 vastgesteld: ‘Belanghebbende heeft zijn auto stilgezet op een parkeerplaats voor genoemde wasserette.’ Dicht daarbij dus.40

5.9

Ook staat vast dat belanghebbende slechts ‘zeer kortstondig’ in de wasserette is geweest, dus niet langer dan nodig was om zijn wasgoed daar af te geven, oftewel niet langer dan voor het lossen nodig was.41

5.10

Nu een en ander in cassatie niet is bestreden meen ik dat vaststaat dat belanghebbende bij het lossen met de nodige voortvarendheid te werk is gegaan.

5.11

Dan resteert de vraag of de zak met wasgoed met een gewicht van 12 kg voldoende is om vervoer per auto te rechtvaardigen. Valt die zak onder ‘goederen [die] bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden afgevoerd’?42 Is de zak in dat kader te zien als ‘van enige omvang of enig gewicht’?43

5.12

Ik merk op dat de Rechtbank ten aanzien van de waszak heeft vastgesteld dat: ‘Het ging om een zak ter grootte van ongeveer 60 cm. bij 60 cm. die hij zelf kon dragen.’44 In zijn pleitnota in hoger beroep noemt belanghebbende maten van ‘ca 65 cm hoog en ca 50 cm doorsnee’. Dit komt volgens belanghebbende overeen met ‘4 wasmachineladingen’.45

5.13

Naar mijn mening is een nadere feitelijke beoordeling terzake niet nodig, omdat blijkt uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij het Hof dat de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem zijn verweer heeft prijsgegeven dat de waszak van onvoldoende omvang of gewicht zou zijn, blijkens zijn verklaring ‘dat het voor zijn standpunt in wezen niet relevant is of de zak 9 kg of 16 kg woog. Waar het om gaat is dat meer handelingen zijn verricht dan alleen het inladen of uitladen’.46 Dit laatste lijkt mij echter, als gezegd, in casu niet het geval te zijn.47

5.14

Het middel slaagt.

6 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Tenzij anders vermeld wordt de regelgeving van het jaar 2012 weergegeven.

2 De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.

3 Zie de Hofuitspraak, r.o. 1.1.

4 Deze Verordening is overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet bekend gemaakt, zie de hofuitspraak, r.o. 4.1 en de tot de stukken van het geding behorende kopie van de Arnhemse Koerier van woensdag 30 november 2011, pagina 22.

5 Hoge Raad 10 juni 1975, nr. 67 757, NJ 1975, 481.

6 Ik wijs tevens op de conclusie van A-G Remmelink, Hoge Raad 28 mei 1974, NJ 1974/331.

7 Hoge Raad 15 juli 1993, nr. 92-93-V, Verkeersrecht 12/1993, nr. 164. Check??

8 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (noot toegevoegd, RIJ).

9 Hoge Raad 8 november 1995, nr. 30 813, ECLI:NL:HR:1995:AA1507, BNB 1999/190.

10 Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, ECLI:NL:HR:1999:AA2760, BNB 1999/257 met noot Van Leijenhorst.

11 Gerechtshof te Amsterdam, 12 november 1993, nr. 2108/92, BB 1994/208 met noot De Bruin.

12 Gerechtshof te Amsterdam 15 september 1994, nr. 94/0429, BB 1995/453.

13 Gerechtshof te Amsterdam 22 augustus 1995, nr. P94/4698, BB 1996/7.

14 Gerechtshof te Amsterdam 24 januari 2001, nr. 00/231, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0097, BB 2001/716.

15 Gerechtshof te Amsterdam 7 juli 2005, nr. 2004/04761, BB 2005/907.

16 Gerechtshof te Amsterdam 19 januari 2007, nr. 06/00065, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8358, V-N 2007/23.28.

17 Gerechtshof te Amsterdam 9 maart 2007, nr. 05/01305, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4220, NTFR 2007/1782.

18 Gerechtshof te Arnhem 16 september 1993, nr. 920 866, BB 1994/207. Het beroep in cassatie tegen deze uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard. [Dit laten staan??]

19 Gerechtshof te Arnhem 25 september 2000, nr. 99/1857, ECLI:NL:GHARN:2000:AA7450, BB 2001/11.

20 Gerechtshof te Arnhem 9 december 2004, nr. 04-00760, ECLI:NL:GHARN:2004:AS2843, NTFR 2005/207.

21 Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch 18 december 2001, nr. 99/00669, ECLI:NL:GHSHE:2001:AD7704, NTFR 2002/133.

22 Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch 25 oktober 2012, nr. 12/00131, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3311, NTFR 2012/2688.

23 Gerechtshof te ’s-Gravenhage 27 september 1995, nr. 942963, ECLI:NL:GHSGR:1995:AS3511, BB 1996/95.

24 Gerechtshof te ’s-Gravenhage 28 november 1995, nr. 94/3017, BB 1996/96.

25 Gerechtshof te ’s-Gravenhage 11 december 1997, nr. 96/4025, ECLI:NL:GHSGR:1997:AS2819, BB 1998/631.

26 Gerechtshof te 's-Gravenhage 29 januari 1999, nr. BK-98/01926, BB 1999/675.

27 Gerechtshof te ’s-Gravenhage 2 maart 2010, nr. BK-09-00404, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1085, NTFR 2010/1088 met noot Rolleman. Het beroep in cassatie van belanghebbende tegen deze uitspraak is door de Hoge Raad ongegrond verklaard: ‘Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.’ Zie Hoge Raad 5 november 2010, nr. 10/01548, ECLI:NL:HR:2010:BO2856, BB 2010/1720.

28 Gerechtshof te ’s-Gravenhage 27 juni 2012, nr. BK-11/00866, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4416, BNB 2012/445.

29 Rechtbank te Arnhem 26 juli 2007, nr. AWB 09/683, ECLI:NL:RBARN:2011:BR3006, BB 2011/1046.

30 Rechtbank te Breda 18 april 2012, nr. 11/466, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8038.

31 Rechtbank te Breda 20 december 2012, nr. AWB 12/1704, ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ3555, BB 2013/164.

32 Roede, A., Laden en lossen onder de loep, BB 1996/83.

33 Van der Burg, M.P., Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Kluwer: Deventer, 2011, blz. 348-349.

34 Zie de regelgeving in onderdeel 4.1 en 4.2 van deze conclusie.

35 Zie 4.3.

36 Zie 4.5.

37 Vgl. 4.10.

38 Vgl. 4.31 en 4.32.

39 Zie 4.7.

40 Zie 4.6. Vgl. 4.8: 10 à 12 meter en 4.13: 50 meter.

41 Zie 4.7. Die tijd mag n.m.m. ook omvatten de tijd die nodig is voor het ter plaatste verrichten van met laden en lossen verband houdende administratieve handelingen; zie 4.9, 4.10, 4.21, 4.22, 4.29 en 4.30.

42 Zie 4.6.

43 Zie 4.7. De feitenrechtspraak is uiteraard casuïstisch: opgehaalde of afgegeven poststukken, een geheugenkaart of enkele boeken niet (4.11, 4.16, 4.19 en 4.25), evenmin als het ophalen van een sleutel (4.27). Maar wel: een cirkelzaagmachine (4.8), dozen waarin beeldschermen (4.13), een muziekinstallatie (4.14), promotiemateriaal (4.15) en een antiek tafeltje (4.18). Een taart en banketbakkersproducten zijn van onvoldoende gewicht geacht (4.26 en 4.28), maar een omvangrijke bestelling broodjes wel (4.21).

44 Zie 2.6

45 Zitting van 5 februari 2013, pleitnota, derde alinea.

46 P-v van 5 februari 2013, p.1, laatste alinea.

47 Zie onderdeel 5.6 – 5.10 en met name noot 41.