Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/00723
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1352, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorwerp i.d.z.v. art. 2.1 categorie I sub 7 WWM? Het op het tot bewijs gebezigde p-v van bevindingen van de hoofdagent en taakaccenthouder WWM gebaseerde oordeel van het Hof dat het in de tll vermelde (luchtdruk)geweer een voorwerp is i.d.z.v. cat. I sub 7 WWM is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit het p-v ttz. niet blijkt dat aldaar door of namens verdachte de deskundigheid van genoemde verbalisant is betwist. Op het bij de cassatieschriftuur gevoegde rapport kan niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan, nu de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 1, p. 30
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00723

Mr. Machielse

Zitting 24 september 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 4 november 2011 schuldig verklaart aan: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, maar bepaald dat geen straf of (andere) maatregel wordt opgelegd dan de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen wapen.

2. Mr.W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het lijkt mij zinvol voorafgaand aan de bespreking van de klachten de bewezenverklaring en bewijsconstructie weer te geven, benevens de relevante overwegingen van het hof en de inhoud van de relevante wetgeving.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"hij op 9 december 2009 te Amsterdam en/of te Schiphol (Haarlemmermeer), een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (luchtdruk)geweer (merk Benjamin Marauder), zijnde een voorwerp die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (kogelgeweer), heeft doen binnenkomen vanuit de Verenigde Staten (USA)."

Het hof heeft het bewijs doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de BelastingdienstDouane Nederland, kantoor Schiphol Cargo, opgemaakt proces-verbaal van bevinding, genummerd 201000966, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:

BelastingdienstDouane Nederland

Kantoor Schiphol Cargo

Op 9 december 2009 te Amsterdam controleerde ik een postpakket dat was geadresseerd aan: [betrokkene], [a-straat 1] te [plaats]. Pakketnummer/kenmerk: [0001]. De zending was verstuurd vanuit: Verenigde Staten. Ik legde het postpakket op de aanvoerband van het röntgenapparaat en zag, tijdens het scannen, op het beeldscherm van het apparaat contouren van, vermoedelijk, een wapen. Na het openen van de buitenverpakking zag dat ik dat de inhoud van dit postpakket bestond uit 1 stuk Benjamin Marauder, .22.

Het postpakket met gehele inhoud is in beslag genomen.

2. Een document genaamd 'Overdrachtsformulier wapens categorieën 1/2/3/4 Wet wapens & munitie scip/imu Amsterdam', zijnde een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339 onder 5e van het Wetboek van Strafvordering, onder meer inhoudende:

Omschrijving goed/wapen: 1 stuks Benjamin Marauder .22

Merken/nummers: [0001]

Datum en tijdstip van overdracht: 3 februari 2010

Naam Politie/Kmar-ambtenaar belast met ontvangst van de overdracht: [verbalisant 2]

3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent, taakaccenthouder Wet Wapens en Munitie, opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen, genummerd 2010029645-3, gedateerd 3 februari 2010, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij het Sorteer Centrum Internationale Pakketten (SCIP) Douane West te Amsterdam werd op 3 februari 2010 een voorwerp in beslag genomen dat een nabootsing is van een geweer dat voor wat betreft vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen.

Het in beslag genomen voorwerp is een hogedruk luchtdrukwapen met luchtvoorraad cilinder.

Merk : Benjamin

Het luchtdrukgeweer heeft een laadspangreep welke zeer gelijkend is op die van een grendelarm van een grendel van een kogelgeweer.

Dit voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7 van de WWM.

Het luchtdrukgeweer vertoont, wat betreft zijn afmetingen en vorm en zijn laadspangreep een sprekende gelijkenis met een bestaand soort vuurwapen. Het luchtdrukgeweer heeft een laadspangreep welke zeer gelijkend is op die van een grendelarm van een grendel van een bolt action .22 kogelgeweer.

Het luchtdrukgeweer heeft een sprekende gelijkenis met en het uiterlijk van een klein kaliber sportgeweer, bolt action, kaliber. 22LR.

Gelet op deze overeenkomst is dit luchtdrukgeweer voor bedreiging en/of afdreiging geschikt.

Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de WWM.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd op 21 oktober 2011 tijdens de zitting van het gerechtshof Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Het klopt dat ik een luchtdrukgeweer, een Benjamin Marauder, in de Verenigde Staten heb besteld en dat ik daarbij als afleveradres het adres van mijn schoonmoeder in Nederland heb opgegeven. Het geweer is op Schiphol in beslag genomen."

3.3. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geeft aan dat de advocaat van verdachte het volgende verweer heeft gevoerd:

" De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik verzoek vrijspraak van het tenlastegelegde. Het geweer waar het hier om gaat wordt alleen gebruikt voor sportschieten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van speciale wapens en een fieldtarget; je kunt punten halen. Het gaat hier dus om een commercieel sportschietwapen.

In verband met deze zaak heb ik nog contact opgenomen met een deskundige maar die wilde er helaas niets mee te maken hebben. Ik heb ook iemand horen zeggen dat het maar eens afgelopen moet zijn met de verkoop van wapens. Maar ik vind wel dat er duidelijke criteria moeten zijn en dat die criteria kenbaar moeten zijn. Anders staat één en ander op gespannen voet met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Momenteel is het niet goed geregeld.

Vroeger bestond er een lijst A en een lijst B. Daarbij werd rekening gehouden met de bevindingen die afkomstig waren uit de wereld van politie en de wapenhandelaren. Zij zorgden ervoor dat wapens die op een vuurwapen leken op die lijsten kwamen te staan. Daarbij werd onder meer aandacht besteed aan de kleur van een wapen. Echter op een zeker moment bleek dat criminelen wapens zwart spoten. Thans bestaat de regeling zoals opgenomen in de wet. Er is nu een ruimere mogelijkheid om te vervolgen, ook als het object op een vuurwapen lijkt. Het criterium in de rechtspraak is dat een veroordeling volgt als sprake is van iets dat sterk lijkt op een vuurwapen. De regeling was echter oorspronkelijk bedoeld voor de zogenaamde 'softwarewapens'. Er gelden nu ruimere regels en de politie moet zelf maar een oordeel geven. Het wapen waar het hier om gaat wordt notabene in Hilversum gewoon verkocht. In dit geval zegt deze politie dat het niet mag. Maar mijns inziens voldoet dit wapen helemaal niet aan de criteria van een wapen van categorie I onder 7 van artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

De politie stelt dat je naar een aantal kenmerken moet kijken. Bijvoorbeeld of er een doosvormig vast of afneembaar magazijn onder zit. Ook moet worden bekeken of er een uitwerpopening is anders dan voor het plaatsen van een kogeltje. Dat is hier niet het geval. Verder wordt bekeken of bij het wapen sprake is van een niet functionele slede, een geperforeerde loopmantel - in dit geval is daar geen sprake van - en of sprake is van een niet roterend decoratief element. Daarnaast wordt ook nog gekeken naar het merk, het type, de kaliberkenmerken en of er sprake is van vingergrepen. Dat is hier niet aan de orde. Kortom, niet één van de kenmerken, die de politie ter beoordeling zelf heeft opgesteld, is hier aan de orde."

3.4. Het hof heeft in het verkort arrest de volgende overwegingen opgenomen:

"Ten aanzien van het verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, samengevat weergegeven, dat nu het wapen in kwestie niet voldoet aan door de politie opgestelde criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een voorwerp valt onder categorie I sub 7 van artikel 2 lid 1 van de Wet wapens en munitie, het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van dit verweer overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat onder meer een proces-verbaal 'onderzoek wapen', opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent en taakaccenthouder Wet Wapens en Munitie D2 van het Team Havens West. Voornoemde verbalisant heeft het wapen in kwestie, nadat het in beslag was genomen, onderzocht. Uit het proces-verbaal blijkt dat het inbeslaggenomen voorwerp een hogedruk luchtdrukwapen betreft met een luchtvoorraad cilinder. De bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] naar aanleiding van zijn onderzoek naar de uiterlijke verschijningsvorm van het wapen luiden als volgt:

'Het luchtdrukgeweer vertoont, wat betreft zijn afmetingen en vorm en zijn laadspangreep een sprekende gelijkenis met een bestaand soort vuurwapen. Het luchtdrukgeweer heeft een laadspangreep welke zeer gelijkend is op die van een grendelarm van een grendel van een bolt action .22 kogelgeweer.

Het luchtdrukgeweer heeft een sprekende gelijkenis met en het uiterlijk van een klein kaliber sportgeweer, bolt action, kaliber .22LR. Gelet op deze overeenkomst is dit luchtdrukgeweer voor bedreiging en/ of afdreiging geschikt. '

Ten aanzien van het voorgaande merkt het hof op dat sprake is van een oordeel dat is opgesteld naar aanleiding van een onderzoek dat is verricht door een daartoe bevoegd verbalisant, deskundig op het terrein van de Wet Wapens en Munitie.

In hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding de conclusie van genoemde verbalisant omtrent het wapen in twijfel te trekken.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van een voorwerp van categorie I sub 7 van de Wet Wapens en Munitie dat een ernstige bedreiging kan vormen van personen dan wel dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, nu dit voorwerp voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen.

Het hof verwerpt het verweer."

3.5. Artikel 2 van de Wet wapens en munitie luidt, voorzover relevant aldus

"1. Wapens in de zin van deze wet zijn hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(...)

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn."

(...)

Categorie IV

4°. (http://maxius.nl/wet-wapens-en-munitie/artikel2/lid1/onderdeel4)lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn;

(...)

4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onder categorie I, sub 7°, zijn geen wapens in de zin van deze wet voorwerpen die klaarblijkelijk zijn bestemd om als speelgoed te worden gebruikt en die redelijkerwijze niet geschikt kunnen worden geacht om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen of om personen te bedreigen of af te dreigen."

Artikel 3 van de Regeling wapens en munitie1 luidt aldus:

"Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen."2

3.6. Voor wapens van categorie I geldt een ander regime dan voor wapens van categorie IV. Artikel 13 van de Wet wapens en munitie (WWM) verbiedt het bijvoorbeeld om een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan. Artikel 27 van de wet verbiedt in het eerste lid ten aanzien van een wapen van categorie IV slechts het dragen. En het vierde lid van artikel 31 van de Wet verbiedt enkel het overdragen van een wapen van categorie IV aan een persoon die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt. Voor wapens van categorie IV geldt evenmin een verbod op het doen binnenkomen, in tegenstelling tot wapens van categorie I.

4. De schriftuur doet een uiteenzetting van de middelen voorafgaan door algemene beschouwingen met betrekking tot de vraag of de nadere invulling van wat allemaal onder wapens van categorie I onder 7 WWM valt niet op gespannen voet staat met artikel 1 Sr. Die nadere invulling laat toe dat de rechter afgaat op de indrukken van politieambtenaren, zonder dat voldoende is gewaarborgd dat dezen beschikken over de juiste deskundigheid. Het hof had moeten ingaan op de suggestie van de verdediging om een echte deskundige te horen.

5.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden, het (impliciete) beroep op artikel 7 EVRM heeft verworpen. Het onderscheid tussen verschillende categorieën wapens is in de Nederlandse wapenwetgeving onvoldoende duidelijk. Onduidelijk is welke luchtdrukwapens onder categorie I sub 7 vallen en welke onder categorie IV. Dat geeft aan individuele politieambtenaren te veel ruimte om de uitkomst van de strafzaak te bepalen.

5.2. Ik stel voorop dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen is en bijvoorbeeld ook bepalend is voor het antwoord op de vraag of en zo ja welke verweren zijn gevoerd. Houdt, bij het ontbreken van een pleitnota, een proces-verbaal niet in dat een bepaald verweer is gevoerd, dan kan dus in cassatie niet worden geklaagd over het ontbreken in het vonnis van een beslissing op het gestelde verweer.3 De raadsman moet ervoor waken dat een verweer waarover hij een beslissing verlangt schriftelijk wordt vastgelegd.4

De schriftuur vermeldt gegevens die in cassatie niet feitelijk vaststaan, bijvoorbeeld dat de verdediging aan het hof adressen heeft opgegeven van wapenhandels waar de Benjamin Marauder zonder beperking kan worden gekocht. Hetzelfde geldt voor de verwijzingen naar wat de gerechtelijk deskundige aanvoert in een rapport dat aan de schriftuur is gehecht maar niet in feitelijke aanleg is voorgelegd. Wel heeft de AG ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat dit wapen in Nederland vrij door een met name genoemde gerenommeerde wapenhandel te koop wordt aangeboden en heeft de verdediging beweerd dat het wapen "in Hilversum" gewoon verkocht wordt.

5.3. In het arrest van het hof ligt besloten dat de Crosman Benjamin Marauder valt onder de wapens die de Minister in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie heeft aangewezen. Het hof heeft niet met zoveel woorden geantwoord op een beroep op artikel 7 EVRM of artikel 1 Sr. In het proces-verbaal lees ik evenwel niet dat de verdediging de stelling heeft betrokken dat artikel 13 WWM in deze zaak niet kan worden toegepast en dat verdachte daarom van rechtsvervolging moet worden ontslagen. De mening van de advocaat inhoudende dat er duidelijke criteria moeten zijn omdat er anders spanning bestaat met artikel 1 van het Wetboek van strafrecht en dat het momenteel niet goed is geregeld, kan ik niet als zo een verweer beschouwen. Voor zover immers bedoeld zou zijn dat onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de wapenwetgeving met betrekking tot luchtdrukwapens is zo'n onduidelijkheid op zichzelf onvoldoende om die wapenwetgeving buiten toepassing te laten. Ik verwijs in dit verband naar EHRM 6 maart 2012, nr. 54468/09 (Huhtamäki vs. Finland). In die zaak werd ook geklaagd over schending van artikel 7 EVRM. Het EHRM stelde voorop dat artikel 7 een vooraanstaande plaats inneemt in het systeem van bescherming van de mensenrechten. Alleen de wet kan omschrijven wat strafbaar is en een straf bedreigen. Het EHRM vervolgt dan:

"1.  Furthermore, the term “law” implies qualitative requirements, including those of accessibility and foreseeability (see, among other authorities, Cantoni v. France, 15 November 1996, § 29, Reports of Judgments and Decisions 1996‑V; Coëme and Others v. Belgium, cited above, § 145; and E.K. v. Turkey, no. 28496/95, § 51, 7 February 2002). These qualitative requirements must be satisfied as regards both the definition of an offence and the penalty the offence in question carries (see Achour v. France [GC], cited above, § 41). An individual must know from the wording of the relevant provision and, if need be, with the assistance of the courts’ interpretation of it, what acts and omissions will make him criminally liable and what penalty will be imposed for the act and/or omission committed (see, among other authorities, Cantoni v. France, cited above, § 29). Furthermore, a law may still satisfy the requirement of “foreseeability” where the person concerned has to take appropriate legal advice to assess, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail (see, among other authorities, Cantoni v. France, cited above, § 35; and Achour v. France [GC], cited above, § 54).

2.  The Court has acknowledged in its case-law that however clearly drafted a legal provision may be, in any system of law, including criminal law, there is an inevitable element of judicial interpretation. There will always be a need for elucidation of doubtful points and for adaptation to changing circumstances. Again, whilst certainty is highly desirable, it may bring in its train excessive rigidity and the law must be able to keep pace with changing circumstances. Accordingly, many laws are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague and whose interpretation and application are questions of practice (see, mutatis mutandis, The Sunday Times v. the United Kingdom (no. 1), cited above, § 49; and Kokkinakis v. Greece, cited above, § 40). The role of adjudication vested in the courts is precisely to dissipate such interpretational doubts as remain (see, mutatis mutandis, Cantoni v. France, cited above)."

Het enkele feit dat een rechtsregel uitleg behoeft, is dus onvoldoende om strijd op te leveren met artikel 7 EVRM. Van de justitiabele mag worden gevergd dat hij, wanneer hij in onzekerheid verkeert, nadere inlichtingen inwint. En wanneer hij er niet in slaagt zich afdoende te informeren, moet hij zijn vertrouwen stellen in de rechter die uiteindelijk de knoop moet doorhakken. En dat heeft het hof hier gedaan.

Het middel faalt.

6.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek om getuigen te horen heeft genegeerd en enkel is gevaren op de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] omtrent het wapen. Als de deskundige Van Driel zou zijn gehoord, zou duidelijk zijn geworden dat de bevindingen van deze verbalisant niet juist zijn. Vervolgens etaleert de steller van het middel het grote verschil tussen het gewogen oordeel van de hoogopgeleide gerechtelijk deskundige en de bevinding van eenvoudige politieambtenaren die een uiterst magere cursus taakaccenthouder Wet wapens en munitie hebben gevolgd. Deze vergelijking laat ik volledig buiten beschouwing omdat zij geen enkele feitelijke basis heeft in de stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat het hof ten onrechte niet in zijn algemeenheid heeft gekeken naar het strafrechtelijke beslissingskader zoals vervat in (met name) artikel 350 Sv, omdat dit enkel een loze uitlating is zonder handen en voeten.

De vraag rijst wel of het hof een verzoek om een deskundige ter terechtzitting te horen heeft veronachtzaamd.

6.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat verklaard dat hij contact heeft opgenomen met een deskundige maar die wilde er helaas niets mee te maken hebben. Blijkens de woorden van de AG heeft de AG voorafgaand aan de zitting met de raadsman contact gehad over de noodzaak om al dan niet een deskundige op het gebied van vuurwapens in te schakelen. De advocaat noch de AG heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting aan het hof - zo nodig voorwaardelijk - verzocht om zo een deskundige te horen. Bij de cassatieschriftuur zijn bijlagen gevoegd, waaruit valt op te maken dat de advocaat van verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep met de AG contact heeft opgenomen - overigens niet binnen de termijn die is voorgeschreven in artikel 263 Sv noch op de wijze zoals is voorgeschreven voor het indienen van een (appel)schriftuur - met het verzoek een met name genoemde deskundige te horen en dat de AG daarop niet is ingegaan, maar daar is het bij gebleven. Als het hof zelfs niet gehouden is te beslissen op een verzoek om getuigen of deskundigen te horen, vervat in een appelschriftuur, tenzij de verdediging ter terechtzitting een verzoek als bedoeld in artikel 287, lid 3 onder a Sv doet,5 is er zeker geen sprake van een verzuim om te beslissen op een verzoek om een deskundige aan te wijzen in de onderhavige omstandigheden.

Het middel faalt.

7.1. Het laatste cassatiemiddel bestrijdt dat het hier om een wapen zou gaan behorende tot de categorie I onder 7 WWM. Ter onderbouwing van standpunt dat het wapen dat verdachte heeft ingevoerd geen sprekende gelijkenis heeft met een vuurwapen, verwijst de steller van het middel uitvoerig naar de bevindingen van deskundige Van Driel, wiens rapport als bijlage is gehecht aan de cassatieschriftuur. Op dat rapport zal de Hoge Raad geen acht kunnen slaan omdat het dateert van 8 juli 2012, dus van na het instellen van het cassatieberoep.

Maar het middel geeft mij wel aanleiding om het volgende onder de aandacht van Uw Raad te brengen.

7.2. In zijn boek over de Wet wapens en munitie merkt Sackers over artikel 2 lid 4 van de Wet op dat met betrekking tot speelgoed de rechtspraak al snel de "sprekende gelijkenis" aanneemt. Verschillen in vorm, kleur of afmeting met het echte wapen spelen zijns inziens geen rol. Of sprake is van zo'n gelijkenis is niet afhankelijk van de nauwgezette beoordeling door de ervaren wapendeskundige, maar van de (geobjectiveerde) reactie van het slachtoffer die met dat speelgoed wordt geconfronteerd.6 Tenlasteleggingen met betrekking tot dit soort nepwapens richten zich meestal op de omschrijving van categorie I onder 7. Bewezen zal moeten worden dat een sprekende gelijkenis bestaat. Dat bewijs zal kunnen worden geleverd door een proces-verbaal waarin de gelijkenis is gerelateerd.7

Over de dreigvoorwerpen van artikel 2, lid 1, aanhef en onder 7 WWM merkt Sackers op dat de vorm leidend is voor het bepalen van de gelijkenis. Verschillen in afmetingen doen er minder toe.8

7.3. De kern van het betoog van de verdediging in hoger beroep was dat het betrekkelijke wapen niet viel onder categorie I sub 7. Daartoe is een aantal details aangewezen die luchtdrukwapens duidelijk onderscheiden van een vuurwapen. Het hof heeft zich aangesloten bij de bevindingen van de op het terrein van de WWM deskundige verbalisant en heeft overwogen dat hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd het hof geen aanleiding geeft de conclusie van verbalisant over het wapen in twijfel te trekken. Ik meen dat het hof hier wat te gemakkelijk over de bezwaren van de verdediging is heengestapt. De bevindingen van de deskundige verbalisant zijn gemotiveerd betwist en de AG heeft vrijspraak gevorderd en heeft erkend dat dergelijke wapens in de reguliere handel gewoon worden verhandeld. Ik meen dat onder deze omstandigheden het hof er blijk van had moeten geven zich een zelfstandig oordeel te hebben gevormd over de hoedanigheid van het wapen en daartoe zelf onderzoek had moeten doen. Het gaat hier immers om een normatieve conclusie, op basis van waarnemingen en vergelijkingen, dat het wapen zodanig qua vorm en afmetingen op een vuurwapen gelijkt dat het onder de omschrijving valt van artikel 3, aanhef en onder a van de Regeling wapens en munitie. Omdat de conclusie van verbalisant werd betwist, had het hof zich hiervan zelf moeten vergewissen. Daarna had het hof zich eventueel met de conclusie van verbalisant kunnen verenigen.

Daarom kan het arrest naar mijn oordeel niet in stand blijven.

8. Het eerste en tweede middel falen en kunnen naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde middel put ook uit een verkeerde bron, maar geeft mij wel aanleiding de Hoge Raad voor te stellen het bestreden arrest te vernietigen op grond van de naar aanleiding van dat middel ontwikkelde gedachten. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ministeriële regeling van 4 juli 1997, Stcrt. 1997, 129. Deze ministeriële regeling vervangt de Regeling wapens en munitie van 6 december 1996, Stcrt. 1996, 245 die niet bij de Europese commissie was genotificeerd. De nieuwe regeling is identiek aan deze oude regeling en voor de toelichting bij de nieuwe regeling dient de toelichting bij de oude regeling te worden geraadpleegd.

2 Tegenwoordig kent de Regeling ook een definitie voor zogenaamde airsoftapparatuur, waaronder artikel 1 onder h verstaat: " lucht-, gas-, of veerdrukwapen met een maximum schotkracht van 3,5 joules, welk wapen voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis toont met vuurwapens". De artikelen 17a tot en met 17g van de Regeling voorzien in vrijstellingen van de verboden van artikel 13 WWM voor deze airsoftapparatuur. Deze uitzondering is ingevoerd bij wijziging van de regeling van 7 januari 2013, Stcrt. 2013, 610.

3 HR 22 november 2005, NJ 2006, 219 m.nt. Schalken.

4 HR 22 april 1997, NJ 1998, 52.

5 HR 11 oktober 2011, LJN BQ8019.

6 Prof. mr. H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer 2012, p. 126.

7 Sackers a.w. p. 126/127.

8 Sackers a.w. p. 157.