Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:1304

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-10-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
12/02718
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1354, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht medeplegen. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte "tezamen en in vereniging met een ander" heeft gehandeld. CAG anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02718

Zitting: 15 oktober 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 10 mei 2012 verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van medeplegen.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2008 tot en met 25 augustus 2008 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan [a-straat 1] een hoeveelheid van moederhennepplanten en hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst ll.”

4.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina's 52 en 53), in de wettelijke vorm opgemaakt op 25 augustus 2008 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]: 

Ik ben samen met mijn zus eigenaar van recyclingbedrijf [A], welke aan [a-straat 1] gevestigd is. Op ons bedrijfsterrein staat een grote groene loods. Op vrijdag 22 augustus hoorde ik een zoemend geluid vanuit de loods. De loods is verdeeld in drie ruimten. Ik heb die vrijdag de stroom eens van het middelste gedeelte van de loods afgehaald door de stoppen te verwijderen en ik hoorde toen dat het zoemen ophield. Op 24 augustus 2008 ben ik er even geweest om iets te halen en toen heb ik een witte bedrijfsbus naast de loods zien staan. De bus stond bij de schuifdeur die [verdachte] gebruikt om binnen te komen. [verdachte] huurt sinds 1 januari 2008 het middelste gedeelte van de loods. Hij heeft een schoonmaakbedrijf '[B]'. 

Ik heb vandaag, maandag 25 augustus 2008, met de boor een klein gaatje geboord in de spaanplaten tussenwand van de loods om te kijken of ik iets kon zien. Ik boorde vanuit mijn gedeelte en ik zag door het kleine gaatje dat er licht brandde in het middelste deel van de loods. Ik dacht toen direct aan een wietkwekerij. Ik heb toen de politie gebeld. 

Ik heb dat gedeelte van de loods waar u nu die hennepkwekerij heeft aangetroffen verhuurd aan [verdachte]. Volgens mij verhuurt [verdachte] een gedeelte van de loods onder aan [medeverdachte]. [verdachte] en [medeverdachte] kwamen altijd in de avonduren en het weekend. Zij hebben beiden een sleutel van het toegangshek van het terrein. 

2. Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nummer PL08-342363 (pagina's 20 tot en met 26), in de wettelijke vorm opgemaakt op 10 september 2008 door [verbalisant 1], voornoemd, en [verbalisant 2], aspirant van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten: 

Aanleiding onderzoek 

Naar aanleiding van een melding van de eigenaar van de loods, [betrokkene 1], die meldde dat hij een afzuiger of ventilator hoorde zoemen in de loods en die constant licht zag branden, terwijl de gebruiker van de loods afwezig was, ben ik, verbalisant [verbalisant 1], ter plaatse gegaan op 25 augustus 2008. 

Naar aanleiding van genoemde melding hebben wij, verbalisanten, terzake verdenking van een overtreding van de Opiumwet een onderzoek ingesteld betreffende het adres [a-straat 1] te Apeldoorn. Op dit afgesloten bedrijfsterrein staat een loods die in drie delen is verdeeld. Het bleek dat op genoemd adres een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was. In kweekruimte 1 stonden 64 hennepplanten en 3780 hennepstekken, in kweekruimte 2 stonden 1128 hennepstekken en in kweekruimte 3 stonden 160 hennepplanten en 1134 hennepstekken. Er was restafval aanwezig, namelijk oude aarde en lege potten. Tevens zijn er notities aangetroffen, waarbij met zwarte stift op lege gebruikte piepschuimbakken geschreven is de data 14-7 en 18-7. 

3. Het proces-verbaal NARCO-TEST (Hennep), nummer 08-342363 (pagina 2e, als losse bijlage opgenomen voor het stamproces-verbaal), in de wettelijke vorm opgemaakt op 1 september 2008 door [verbalisant 1], voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant: 

Op maandag 1 september 2008 om 10.15 uur werden door mij, bevoegd tot het testen van verdovende middelen, de in perceel [a-straat 1] te Apeldoorn aangetroffen stoffen op voorgeschreven wijze middels de NARCO-test getest. De stekken en moederplanten werden afzonderlijk getest. Uit de testen van de planten en de stekken bleek dat de planten kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het bij de aangetroffen planten om hennep ging. Hennep staat vermeld op lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet. 

4. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina's 68 tot en met 70), in de wettelijke vorm opgemaakt op 26 augustus 2008 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte]: 

De hennepkwekerij die u gisteren aan heeft getroffen in de door [verdachte] gehuurde loods op het terrein van [betrokkene 1] op [a-straat 1] in Apeldoorn is van mij. Ik heb deze kwekerij gebouwd en ben daarmee in mei of juni 2008 begonnen. Ik verzorgde de kwekerij. Het werk in de kwekerij bestond uit stekken knippen, schoonmaken, water en voeding geven. [verdachte] komt niet vaak in de loods. 

5. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina 54), in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 augustus 2008 door [verbalisant 1], voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]: 

Ik woon op [a-straat 1] in Apeldoorn. Ik woon boven het kantoor en heb van hieruit zicht op de loods waarin gisteren een hennepkwekerij is aangetroffen. U vraagt mij of ik de huurder ken die het middelste deel van de loods, het gedeelte waar de hennepkwekerij in was, huurt. Ja, ik ken die jongen van gezicht, maar ik weet zijn naam niet. 

Ik weet dat hij in een witte bedrijfsbus rijdt. Ik heb die bus van die huurder veelal in de avonduren zien staan bij de loods. Ik heb die jongen dan de loods in zien gaan alleen en ik heb hem ook wel samen met iemand gezien. U vraagt of ik de vorige huurder van de loods ken. Ja, dat is [medeverdachte]. Toevallig heb ik afgelopen vrijdag of donderdag [medeverdachte] en de nieuwe huurder samen gezien bij de Praxis aan Kanaal Noord. Ik zag ze buiten op de parkeerplaats staan daar.” 

4.4. Het middel klaagt dat het Hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waaruit hij de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking heeft afgeleid. De uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen af te leiden omstandigheden dat verdachte kennis had van de hennepkwekerij, dat hij wel eens in het pand aanwezig was en dat de ruimte waarin de hennepplantage is aangetroffen door verdachte werd onderverhuurd aan de medeverdachte [medeverdachte] zijn volgens het middel onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken.

4.5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte [medeverdachte] de hennepkwekerij heeft gebouwd en de hennepplanten heeft verzorgd. Voorts kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet meer worden afgeleid dan dat verdachte een gedeelte van de loods heeft onderverhuurd aan medeverdachte [medeverdachte] en dat verdachte, nu hij aldaar meermalen aanwezig is geweest en in het bezit was van een sleutel van het toegangshek van het terrein, moet hebben geweten dat zich in die loods een hennepkwekerij bevond. Dat is voor het bewijs van medeplegen niet voldoende. Dat verdachte de loods onderverhuurde aan [medeverdachte] is eerder een contra-indicatie voor medeplegen. De verhuurder van een pand is immers als regel niet verantwoordelijk voor hetgeen een huurder in dat pand uitvoert, ook al weet hij daar van. Zelfs het welbewust faciliteren van een hennepkwekerij door het (onder)verhuren van een pand in de wetenschap dat dit pand door de (onder)huurder voor de hennepkweek zal worden gebruikt, is voor een bewezenverklaring van medeplegen van het telen van hennep, dat een bewuste en nauwe samenwerking met een ander gericht op het telen van hennep vergt, evenwel niet voldoende. Er kan dan immers ook sprake zijn van medeplichtigheid. 2 Nu uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt van enige vorm van samenwerking gericht op het telen van hennep en het Hof ook niet heeft gemotiveerd hoe het die samenwerking uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.6. Toch kan het middel naar mijn mening niet tot cassatie leiden. In de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], waarin eveneens cassatie is ingesteld en waarmee de Hoge Raad derhalve ambtshalve bekend is, is als bewijsmiddel 5 de volgende verklaring van de verdachte in de onderhavige zaak gebezigd:

“5. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina's 64 en 66), in de wettelijke vorm opgemaakt op 26 augustus 2008 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verdachte]: 

Ongeveer twee maanden geleden ben ik begonnen met het bouwen van de hennepkwekerij. Tijdens het bouwen ben ik begonnen met het stekken van de planten. Ik heb de planten water gegeven, voeding gegeven en de stekken geknipt. 

U vraagt mij of [medeverdachte] kennis had van de kwekerij. 

Ja, [medeverdachte] weet dat er een hennepkwekerij zit, hij is er ook wel eens binnen geweest.” 

4.7. Met betrekking tot een ten aanzien van deze verklaring gevoerd Salduz-verweer houdt de bestreden uitspraak het volgende in:

“Nu in het dossier een ‘Verklaring optreden piket’ aanwezig is inhoudende dat verdachte op 25 augustus 2008 door mr M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, is bijgestaan en dat de verdachte vervolgens op 26 augustus 2008 ten overstaan van de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd geldt voor deze bekennende verklaring geen bewijsuitsluiting. In zoverre wordt het verweer verworpen.”

4.8. Nu het Hof deze “bekennende verklaring” uitdrukkelijk bruikbaar heeft geacht voor het bewijs, moet het ervoor gehouden worden dat die verklaring ten gevolge van een kennelijke misslag niet in de aanvulling op het verkorte arrest als bewijsmiddel is gebezigd. De bewijsmotivering zou derhalve verbeterd gelezen kunnen worden, al pleit daar wellicht tegen dat de verklaringen van [medeverdachte] en de verdachte niet helemaal op elkaar aansluiten. Beiden lijken de schuld volledig op zich te nemen en de rol van de ander te minimaliseren.

4.9. In elk geval heeft naar mijn mening te gelden dat de verdachte bij het cassatieberoep onvoldoende belang heeft, aangezien gelet op de bekennende verklaring van de verdachte – die enkel is aangevochten met een beroep op de Salduz-jurisprudentie – redelijkerwijs niet valt te verwachten dat een nieuwe behandeling van de zaak ertoe zal leiden dat de verdachte van het tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken.3 Ik merk daarbij op dat de schriftuur na 1 oktober 2012 is ingediend, zodat voor een terughoudende toepassing van art. 80a RO geen reden is.

4.10. Het middel kan bij gebrek aan voldoende belang niet tot cassatie leiden. Dat betekent dat een behandeling in cassatie niet is gerechtvaardigd, zodat het beroep alsnog met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep op voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/02744), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie bijvoorbeeld HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0068 en HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2892.

3 Niet ondenkbaar is dat de verdachte van het medeplegen wordt vrijgesproken aangezien het mij niet uitgesloten lijkt dat de beide verdachten niet samen, maar ieder voor zich in een gedeelte van de loods een hennepkwekerij hadden gebouwd. Bij een dergelijke partiële vrijspraak heeft de verdachte mijns inziens onvoldoende belang, aangezien het medeplegen bij het onderhavige feit niet als een strafverzwarende omstandigheid fungeert.